In en om Assen





150 jaar Rooms Rooms Katholieke parochie in Assen (1)


Bronvermelding:
Een uitgave van het R.K. Parochiebestuur 'Maria ten Hemelopneming' te Assen, 1983. Samenstelling: J. Coppes, A.J.M. den Teuling, J. Wessels


Schilderij van C. Cieraard, voorstellend de katholieke kerk aan de Zuidersingel te Assen, in gebruik van 1833 - 1837


"....Eene katholieke kerk te Assen wierde opgerigt".

Een artikel van J. Wessels

In de loop van de zeventiende eeuw was in Drenthe de katholieke godsdienst vrijwel uitgeroeid. Pas in 1786 kregen de katholieken van Coevorden toestemming om in stilteen in een onopvallend gebouw hun geloof te belijden. De officieren van het garnizoen van de vesting zagen dit als middel om desertie van katholieke soldaten naar het aangrenzende katholieke Duitse gebied tegen te gaan. In 1795 werd de godsdienstvrijheid ingevoerd, maar pas ruim 20 jaar later werden er pogingen gedaan om elders staties op te richten, met name in Hoogeveen en Meppel en ook in Assen, voorlopig echter zonder resultaat. Wel werden er staties opgericht in de landbouwkolonies van de Maatschappij van Weldadigheid in Frederiksoord (1822) en Veenhuizen (1826), waar zeer vele armen uit de steden van het westen een nieuw bestaan moesten vinden.

Op 5 augustus 1830 kwam bij de Gouverneur der Provincie Drenthe, Mr. Petrus Hofstede, een schrijven van de Directeur-generaal voor de zaken van de Roomsch Katholieke Eeredienst betreffende een adres van J.W. Klinkenbos te Assen in behandeling, verzoekende de stichting van een Rooms-Katholieke kerk aldaar. Hij zond het adres aan de Raad van Assen met het verzoek om hem te dienen "van berigt en consideratiën". Pas op 5 oktober 1830 antwoordde de Raad, dat alle.R.K. inwoners van de stad arm waren en zodoende niets zouden kunnen bijdragen tot de bouw van een kerk en het onderhoud van een pastoor. De Gouverneur vroeg daarna de Aartspriester van Salland en Drenthe, de gewestelijke superieur van de pastoors, om advies. Deze besloot inlichtingen in te winnen bij Klinkenbos zelf, maar degenen die met hem moesten spreken, troffen hem niet thuis en werden alleen door zijn vrouw te woord gestaan. De Aartspriester antwoordde de Gouverneur tenslotte in dezelfde bewoordingen als de Raad had gedaan.

De Gouverneur zond op 21 december 1830 het rekest van Klinkenbos, onder toevoeging van zijn bevindingen, terug aan de Directeur-Generaal. Hij concludeerde dat zonder grote overheidssteun geen R.K. Kerk in Assen kon worden gesticht en adviseerde de zaak aan te houden "heen ter tijd bij gunstiger omstandigheden des lands daarop voegzaam zal kunnen worden teruggekomen". Niettemin is bekend, dat al in 1832 Hofstede aan zijn opvolger, Mr. Daniël Jacob van Ewijck, de oprichting van een katholieke statie als één der eerste taken meedeelde. De reden hiervan was, dat in de stad Assen een groot gebrek bestond aan ambachtslieden en werkvolk. Dit gebrek zou spoedig verdwijnen, wanneer een katholieke kerk gebouwd werd. De nieuwe gouverneur had, volgens het dagboek van Pastoor van Kessel, nog een andere, zeer merkwaardige reden om zich voor de oprichting van de R.K. statie te Assen in te zetten.

Onder zijn personeel bevond zich een zeer bekwame dienstbode, genaamd Anna de Veer, die katholiek was. "Deze persoon, vernomen hebbende, dat te Assen geen Katholijke Kerk bestond, nam het besluit om te 's Hage achter te blijven, waartoe haar biechtvader (...) haar ook aanspoorde." Na de belofte van de familie Van Ewijck, dat ze alle zon- en feestdagen kosteloos per wagen naar de dichtstbijzijnde kerk (Veenhuizen) zou worden gebracht, besloot zij alsnog mee te gaan naar Assen. Hier aangekomen merkte Anna de Veer dat de kerk te Veenhuizen op een afstand van drie uur rijden verwijderd was. Bovendien werd het toegezegde kerkbezoek gehalveerd, nl. om de veertien dagen. Om deze redenen "gaf deze dienstmeid telkens te kennen, dat zij niet kon blijven woonen, zoo er niet spoedig eene Katholijke Kerk te Assen wierde opgerigt. — Of, en in hoever deze reden Den Heer Gouverneur hebbe aangespoord, om zich tot het oprigten eener Katholijke Kerk te Assen te bemoeijen, wil ik niet beoordeelen".

De Gouverneur startte het overleg met het Gemeentebestuur en de Directie voor de zaken van de Roomsch Katholieke Eeredienst. De Directie verklaarde zich bereid de oprichting van een statie te willen bevorderen, mits de burgerlijke gemeente ook interesse zou tonen. Op 6 oktober 1832 besloot de Raad van Assen op voorstel van de Gouverneur "...om van Stadswege te zullen leveren, eene pastoorswoning met zoo mogelijk eenen tuin, en eene erf voor de te bouwen kerk; echter onder voorbehoud van daaraan niet eerder dan na twee jaren gevolg konde gegeven worden, vermits de financiëele toestand van Stads kasse, de daartoe gevorderde uitgaven, niet eerder dan na verloop van dit tijdruim zoude kunnen bestrijden". Hoewel de Raad met dit besluit enige welwillendheid toonde, deed de termijn van twee jaar al weer afbreuk aan die interesse. De Gouverneur wilde geen twee jaar wachten; het kwam hem voor dat die periode te overbruggen zou zijn door gebruik te maken van een particuliere woning. Hij legde dit plan voor aan de pastoor te Veenhuizen, met het verzoek om diens kapelaan wekelijks in Assen de dienst te laten doen.

De pastoor, Antonius Bruuns, wees het plan voorlopig af, maar legde het wel voor aan J.H. Muller, de Aartspriester voor Salland en Drenthe. Tijdens de kerkenvisitatie had de Aartspriester een gesprek met de Gouverneur. Deze laatste stelde voor "...dat men de Directie van Eeredienst moet trachten te bewegen, om bij de Koning te bewerkstellen, dat eene somma van f 400,— a / 500,— uit 's Lands Kasse verstrekt worde om een huis te huren hetwelk provisioneel tot woning voor den Pastoor en tot kerk kan dienen". De Directeur-Generaal voor de Zaken van de R.K. Eeredienst, De Pelichij, richtte zich met zijn "Voorlopige Consideratien en Advies", gedateerd 27 december 1832, tot de Koning. Hij baseerde zich bij dit stuk op het eerdergenoemde rekest van J.W. Klinkenbos, gedateerd 23 juli 1830. De Directie had het advies van de toenmalige Gouverneur blijkbaar opgevolgd en dat rekest bewaard, tot betere tijden waren aangebroken. Het rekest van Klinkenbos werd dus als grondslag gebruikt, om een statie te Assen op te richten. Op 1 januari 1833 ontving de Aartspriester het bericht dat de Koning met het ontworpen plan akkoord ging. Onderhandelingen over het "tractement" veroorzaakten nog enige vertraging, maar op 24 april 1833 kwam het definitieve besluit van de Koning af. Daarbij werd goedgevonden en verstaan dat:

a. binnen de stad Assen een R.K. gemeente werd opgericht.
b. een bedrag van / 1000,— ter beschikking werd gesteld aan de Gouverneur voor de huur en inrichting van een tijdelijke kerk.
c. de pastoor binnen de statie te Assen een jaarwedde ontving van / 800, — .
d. bepaald werd, dat de kerkmeesters fondsen moesten verwerven, waaruit deels de bouw van een kerk en pastorie zouden worden betaald.

Intussen had de Gouverneur met goedvinden van de Koning reeds een woning, gelegen Zuidersingel 8, gehuurd. Het huurcontract, getekend 29 maart 1833, kende als ondertekenaar namens de R.K. gemeente IJ. Schuiten, koopman te Assen; als verhuurder tekende G.A. Boer, meestér-timmerman te Assen. De Gouverneur tenslotte zette zijn handtekening als borg. De huurprijs van het pand bedroeg f 250,— per jaar, te betalen in twee termijnen.


Foto genomen tussen 1900 en 1920 toont een pand aan de Zuidersingel 8 te Assen, waar de eerste katholieke kerk gevestigd was toen H. van Kessel de eerste pastoor was (1833-1837). De persoon is niet bekend. (collectie: gemeente Assen)


De oprichting

Nu de Koning akkoord was en de huur van een "kerkgebouw" geregeld, moest er nog een pastoor komen. De Aartspriester had zijn kapelaan, Henricus van Kessel deze statie reeds aangeboden, maar deze zag bezwaren "wijl ik meende te kunnen vooruit zien, dat, vóór de finale daarstelling van Kerk en pastorij te Assen, er nog groote moejelijkheden zouden ontstaan eerst met de Stedelijke regering, om hare belofte te volbrengen en daarna met het Gouvernement, om de noodige subsidie voorde te bouwen Kerk te bekomen". Tenslotte heeft hij de Aartspriester laten beslissen, die hem naar Assen zond. Op 29 mei 1833 ondertekende Antonius Antonucci, die namens de paus als Vice-Superior van de Hollandse Zending de Nederlandse kerk bestuurde, het besluit waarbij de statie te Assen werd opgericht en Van Kessel tot pastoor benoemd werd .

Bij zijn aankomst in Assen stuitte Van Kessel op het eerste probleem: de woning die als kerk èn pastorie moest dienen was te klein voor beide functies. De Gouverneur machtigde hem om daarin verandering te brengen. Van Kessels oog was gevallen op het huisje van de buurman, D. van Marle . Dit pand was eveneens eigendom van G.A. Boer en deze ging akkoord met verhuur aan de R.K. gemeente, mits men overeenstemming bereikte met de huurder. Van Kessel kwam met Van Marle overéén, dat het huisje binnen 8 dagen beschikbaar zou zijn, tegen een afkoopsom van fl. 20, — . Nadat in dit huisje de nodige veranderingen waren aangebracht kon de pastoor op 29 juni 1833, het feest van de H.H. Apostelen Petrus en Paulus, de eerste H. Mis verrichten. Hierbij waren 15 katholieken aanwezig.

Hiervoor memoreerden we reeds dat Van Kessel problemen verwachtte van de kant van de Raad van Assen, met betrekking tot het besluit van 6 oktober 1832. Hoe verbaasd en misschien wel overrompeld moet hij dan wel zijn geweest, toen de Burgemeester van Assen hem op 4 juli 1833, zij het nog informeel, de plaats van de noodkerk aan de Zuidersingel aanbood als bouwplaats voor de kerk. Met Van Kessels voorwaarden, dat het gehele erf in eigendom kwam van de R.K. gemeente en dat in de pastorie verbeteringen zouden moeten worden aangebracht, ging de Burgemeester akkoord. Van Kessel vroeg in een schrijven aan de Aartspriester zo spoedig mogelijk een positieve reactie. Hij besloot zijn schrijven met de opmerking dat "de Regering van Assen er op gesteld is, dat hier alles met spoed worde tot stand gebragt".

Reeds twee weken later had Van Kessel de toestemming van Aartspriester Muller binnen. Maar al gauw bleek dat de Raad toch niet zoveel haast had: pas op 14 november 1833 deelde de Burgemeester aan Van Kessel mee, dat over de plaats van kerk en pastorie "eerstdaags zal worden beslist". Dat "eerstdaags" bleek uiteindelijk 22 februari 1834 te zijn, want op 24 maart van dat jaar kwam Van Kessel in het bezit van het raadsbesluit van die datum. Daarin kreeg de R.K. gemeente de beschikking over het voormalige Gemeentehuis aan de Groningerweg als pastorie, met ernaast gelegen een stuk grond voor de kerk. Tevens werd f 300,— beschikbaar gesteld voor de nodige verbouwingen aan het gemeentehuis.

Pastoor Van Kessel stond uiterst negatief tegenover dit besluit. In zijn reactie ging hij uitvoerig in op de voorwaarden, waaraan een pastoorswoning, de plaats van een kerk en de tuin voor de pastoor moeten voldoen. Over de plaats van de kerk zei hij tegenover de Aartspriester: "Het heeft ons verwonderd (wij kunnen het niet verzwijgen) hoe de Regering heeft kunnen besluiten, om een kerkgebouw, dat tot sieraad eener Stad verstrekt, in eene afgelegene hoek, zonder het minste aanzien, te verwijzen..." In een gesprek met de Burgemeester kwam pastoor met een tweetal alternatieven: ten eerste de plaats waar de noodkerk stond en ten tweede "eene aan den Brink en wel het erf dat zuidzijde langs den Toornlaan loopt, toebehoorende aan de erven Sluis". Tegen deze plaatsen had de Burgemeester bezwaren, maar toch kwam op 17 mei 1834 een Raadsbesluit af, waarin was vastgelegd het aanbod van een stuk grond aan de Brink. Wel zou de pastorie aan de Groningerweg blijven.

Het zal geen verbazing wekken, dat Van Kessel ook voor dit besluit geen goed woord over had. Over de raad schreef hij aan de Aartspriester: "Die heeren zijn op het zachtst genomen, wat hardhoorig, als willende naar geene tegenbedenkingen, tegen hun eerst verworpen plan luisteren." De Aartspriester stond volledig achter de pastoor: "UwE. blijft daarbij niet toe te geven en indien dit tot geen gewenscht uitslag leidt, dan zoude het dienstig zijn, dat ik een adres aan Z. Excell. den Heer Directeur-Generaal overzond, te meer daar hij het is, welke er zoo zeer op aandrong, dat er een Pastoor naar Assen gezonden werd, hetgeen ik lang heb tegengehouden en er toen eerst toe overgegaan ben toen hij de gunstigste vooruitzigten daarbood."


Een stap in de tijd met deze foto genomen tussen 20-05-1983 en 31-05-1983 en toont de gote belangstelling voor de tentoonstelling van beelden (kerst- of heiligenbeelden), van de katholieke kerk Maria ten Hemelopneming aan de Dr. Nassaulaan 3a, in het Drents Museum aan de Brink te Assen, ter gelegenheid van de viering van het 150-jarig bestaan van de parochie. Rechts van het midden dhr. De Rooij en rechts van hem Jopie Kingma. De andere personen zijn niet bekend. (collectie: gemeente Assen)


De Raad van Assen was de katholieken liever kwijt dan rijk


Het volgende besluit van de Raad kwam op 25 september 1834. Dit besluit behelsde toestemming tot bouw en tekeningen van kerk en pastorie in één gebouw aan de Brink. Ook hiertegen had Van Kessel bezwaren, die hij op 27 september in een gesprek met de Gouverneur naar voren bracht. Nadat het ruim een half jaar rustig was gebleven, had Pastoor van Kessel begin mei 1835 weer een gesprek met de Gouverneur. Deze had het voorstel aan de Raad van Assen gedaan om een stuk grond beschikbaar te stellen, plus een bedrag van fl. 2000,— als bijdrage aan de bouw van de kerk. Voor de plaats van de kerk dacht de Gouverneur in de richting Smilde; de Burgemeester daarentegen zocht het in de richting Groningen. De pastoor sloot zich aan bij de Gouverneur, "... want moet Assen nog vergroot worden, dan zal dat waarschijnlijkst (...) naar de kant van de Smilde geschieden. Bovendien bouwt men van de kant van de Smilde meer naar Assen heen, zoo dat in vervolg van tijden Assen en de Smilde wel ligt een geheel zullen uitmaken." Hij voegde nog toe dat de kerk niet te ver van het centrum zou moeten liggen.

De pastoor kreeg intussen wel de indruk dat de Raad van Assen de katholieken liever kwijt dan rijk was. Toen de gemeente als volgende bod een stuk grond langs de Vaart voorstelde, op een afstand van een half uur gaans, reageerde Van Kessel niet enthousiast, maar vermoedelijk moe van het vele onderhandelen wees hij het tegenover Aartspriester Muller ook niet van de hand. Wel schreef hij toen aan de Aartspriester: "Het komt mij voor, dat men ons katholijken met lede oogen te Assen aanziet en nu op eene quasi fatsoenlijke wijze zoekt te verwijderen." Nadat de Aartspriester dit laatste aanbod ook afsloeg, kwam er door het gemeentelijke voorstel van 21 juli 1835 echt schot in de zaak.

Aan de overzijde van de Vaart lag een stuk grond, dat de gemeente had gekocht van de Griffier der Staten, Mr. W.H. Hofstede. Het oordeel van Van Kessel over de plaats: "Deze is mij eerder mee- dan tegengevallen. Zij ligt vrij aangenaam, is van achter door bosch omgeven, en sluit, op eenen kleinen afstand na, aan het bebouwde gedeelte van Assen, dat langs de Vaart ligt." Alleen was de oppervlakte iets te klein, reden waarom Van Kessel toestemming vroeg om een naastgelegen stuk grond (eveneens van Mr. Hofstede) aan te mogen kopen. Ondanks deze positieve wending bleven de problemen.

Toen Van Kessel het raadsbesluit onder ogen kreeg werd duidelijk, dat de 2000 gulden niet vóór 1839 betaald zouden worden. Dit betekende dat de bouw van de pastorie zou moeten wachten. "Het moet een kwade geest zijn, welke dien Raad bezielt. Het komt mij voor, dat men ons gaarne, ware het mogelijk, van hierzoude willen verbannen." Na enig heen en weer geschrijf verklaarde de Raad zich op 17 november 1835 akkoord met de voorwaarde van het Kerkbestuur, dat de fl. 2000,— zou worden uitbetaald zodra het bouwen voltooid zou zijn. Op 11 augustus 1836 kwam de machtiging van de Koning af, waarbij het R.K. Kerkbestuur de grond van de gemeente als schenking mocht aanvaarden en op 19 augustus vond de overdracht plaats van het extra stukje grond aan Pastoor van Kessel.


De bouw van de kerk vond plaats ver buiten de bebouwde kom getuige deze tussen 31-05-1895 en 31-08-1895 genomen foto. De Drentse Hoofdvaart te Assen gezien vanaf het jaagpad aan de Vaart Z.Z. Rechts de Vaart N.Z. met hoekpand van Westra (later nr. 76), waar het Noord Willemskanaal begint en waar later op de plek van de brug (rechts) de trambrug zal komen. Op de achtergrond een schip bij de Witterbrug en rechts ervan de torenspits van de katholieke kerk. Geheel op de achtergrond de molen bij de Balkenkolk. (collectie: gemeente Assen)


Ontwerp van kerk en pastorie

Intussen had Van Kessel zich ook al beziggehouden met het ontwerp van de kerk en pastorie. Op 28 februari 1836, dus nog voordat de perikelen rond het verkrijgen van de grond achter de rug waren, verzocht Van Kessel een employé van Waterstaat om zo spoedig mogelijk bestek en tekeningen te maken. Omdat hij er haast achter wilde zetten, schakelde hij veertien dagen later een tweede persoon in die toezegde dat ontwerp en bestek "tegen het midden van de volgende week" in orde zullen zijn. Dit was te optimistisch gedacht, want Van Kessel zegt in zijn dagboek: "(...) ik spoor hen, die dezelve onder handen hebben dagelijks aan. Ongelukkig is de hoofdpersoon verledene week onpasselijk geworden; anders had ik u Hoog Ewd. de stukken nog deze week kunnen toezenden. (...) Om de zaak met allen spoed voort te zetten, heb ik het op mij genomen, om zelf de bestekken af te schrijven.".

Toen op 8 april de stukken klaar waren, bleken de kosten nogal aan de hoge kant. Ze beliepen een bedrag van / 9932,—, terwijl de Aartspriester op 2 april nog eens had benadrukt dat er ten hoogste / 8700,— kon worden besteed voor de bouw van kerk en pastorie. Dit hoge bedrag deed de pastoor in het begeleidend schrijven opmerken: "... de kosten zullen u Hoog Ewd. zoo wel als mij uit de hand vallen." Toch bepleitte hij om niet te bezuinigen, door het bouwwerk soberder uit te voeren, want: "De ondervinding heeft mij geleerd, hoe laag de katholijke Godsdienst en derzelver Geestelijken, hier in het oog der Protestanten staan; wierd nu de Kerk gelijk aan eene joodsche Synagoge, en de woning van den Geestelijke even als die van den middelbaren burger gebouwd, zoo zoude dit tot nog grootere minachting aanleiding kunnen geven."

Niettegenstaande bovenstaand pleidooi van Van Kessel drong de Aartspriester in zijn reactie toch aan op versobering, om op die manier de kosten te drukken. Van Kessel kreeg het antwoord overhandigd van de Gouverneur en trok daaruit de conclusie, dat deze het ook niet eens was met de bemerkingen van de Aartspriester. De pastoor zette daarom zijn "tegenbedenkingen op de be-merkingen van den Hoogeerwaarden Heer Aartspriester" op papier. Deze beslaan in het dagboek maar liefst zes pagina's. Zijn eindconclusie was, dat de veranderingen, door de Aartspriester voorgesteld, zoveel extra kosten meebrachten, dat de uiteindelijke bezuinigingen nihil zouden blijken te zijn. Desondanks kwam op 11 mei een herzien plan klaar, dat Van Kessel meteen afkeurde. De Hoofdingenieur van Waterstaat deelde hem echter mee dat hij voor de bouw van de kerk aan dit plan zou vasthouden.

Toen de pastoor vernam, dat de stukken op 5 juli aan de Directeur Generaal waren toegezonden, schreef hij deze meteen een brief om hem aan zijn kant te krijgen. In zijn antwoord deed de Directeur Generaal de suggestie om, in overleg met de (inmiddels nieuwe) Hoofdingenieur, op basis van beide ontwerpen een nieuw plan te maken, hetgeen snel tot succes leidde. Eind augustus was het definitieve plan klaar, waarvan de kosten inmiddels waren opgelopen tot f 12.094,—. Pastoor Van Kessel wilde nu haast maken, want hij noteerde, dat "nog voor den winter de fondamenten zouden moeten worden gelegd; dat in den winter de overige materialen aangevoerd en in gereedheid zouden moeten worden gebragt, zoodat men vroeg in het voorjaar den verderen bouw kan aanvangen en de gebouwen met 1 mei zouden kunnen worden betrokken".

Nu moest de financiering nog rond komen. Reeds eerder memoreerden we de opmerking van Aartspriester Muller, dat de kosten niet boven 8700 gulden mochten komen, in verband met de te verwachten Rijkssubsidie. Bij Koninklijk Besluit van 29 september 1836 werd aan de R.K. Gemeente een subsidie toegekend, groot / 8000,—. Samen met f 2000,— van de stad Assen en f 1700,— van de Aartspriester was er dus 11.700 gulden te besteden. Van Kessel hoopte dat de aanneemsom uiteindelijk dat bedrag niet zou overschrijden. De aanbesteding vond op 24 oktober plaats "ten huize van den Logementhouder H. Somer te Assen". Hendrik Boverhuis te Smilde nam het werk aan voor de som van f 11.300, — . Er bleef dus nog 400 gulden over, waarbij we in aanmerking moeten nemen dat altaar, e.d. niet in de begroting waren opgenomen. Hiervoor zou dus nog geld bijeen gebracht moeten worden.

Van Kessel zegt hierover in zijn jaaroverzicht van 1836: "Intusschen blijven wij belast met het aanschaffen van altaar, preekstoel, communiebank, doopvont (...) zonder dat wij kunnen berekenen, daar voor iets van aanbelang te bezitten. In deze verlegenheid heb ik besluit genomen om onze Katholijke medechristenen, om ondersteuning te verzoeken (...). Ik zal naderhand in de aanteekeningen van deze Gemeente naauwkeurig opgeven, welke middelen ik heb gebezigt." Op deze middelen komen we straks nog terug. Het jaar 1837 zou een belangrijk jaar voor de nieuwe statie worden. De bouw van kerk en pastorie vorderden voorspoedig, zodat pastoor Van Kessel op 14 april van dat jaar de eerste steen kon leggen.

Dit was tevens de laatste officiële daad, die hij als pastoor van Assen verrichtte voor de opbouw van de statie. Op 8 juli 1837 werd hij benoemd tot Aartspriester van Salland en Drenthe als opvolger van J.H. Muller, die op 9 juni was overleden. Zijn plaats hier werd overgenomen door J.M. Beltman. Deze ontving op 11 september 1837 de bisschop van Curium, C.L Baron van Wijkersloth, die als missiebisschop van de Nederlandse kerkprovincie de volgende dag de nieuwe kerk inwijdde en haar opdroeg aan de H. Maria ten Hemelopneming. Tijdens deze plechtigheid werd de bisschop geassisteerd door tientallen priesters uit de noordelijke provincies en Salland. De aanwezigheid van vertegenwoordigers van de Stad Assen en van andere kerkgenootschappen benadrukte nog eens, dat de R.K. gemeente eindelijk een vaste plaats in Assen had veroverd. De groei en bloei, van wat nu de parochie Maria ten Hemelopneming is, kon beginnen.


Foto genomen tussen 1900-00-00 en 31-03-1903 en toont de Vaart Z.Z. te Assen met rechts de Witterbrug over de Drentse Hoofdvaart en aan de overkant de katholieke kerk aan de Vaart N.Z.. (collectie: gemeente Assen)


"Roepstem"

We willen deze beschrijving van de beginjaren van de R.K. gemeente te Assen afsluiten met het weergeven van delen van een artikel in de "Godsdienstvriend" van de hand van Van Kessel. Deze "open bedelbrief" werd door hem geschreven op 19 november 1836, met als doel: geld inzamelen voor de inrichting van de nieuwe kerk. Het is een illustratie van de retoriek, die Van Kessel bezigde en tevens een sfeertekening van het katholieke leven in die tijd. Onder de titel "Roepstem uit Drenthe aan de Katholijken van Nederland" schreef Van Kessel het volgende:

„Het is eene daadzaak, dat de Katholijke Nederlander in het verheerlijken van zijne godsdienst, ten allen tijde uitmuntte, en deswege eenen onsterfelijken roem heeft verworven. Niet alleen tot de Gemeente waartoe hij behoort en tot den vaderlandschen bodem welken hij bewoont, maar zelfs tot over de grenzen van beide strekt zich zijne weldadige godsdienstijver uit. Hoevele hulp behoevende Gemeenten, zoowel buiten als binnen ons Rijk moeten zijne weldadig heid roemen? De noodkreet, welke hem in de ooren klinkt, dringt tot in zijn hart door: het roepen om hulp is genoeg, om aan zijne verlegene geloofsgenooten vaardig de behulpzame hand te bieden. Aldus redeneer ik, toen ik mijne opkomende gemeente in eene ongelegenheid gewikkeld zag, waaruit zij niet dan door de hulpvaardige hand van onze Catholijke Landgenooten kan gered worden.

Ach! dacht ik: dat sommige regtzinnige Catholijken het wisten! Hoe! zouden zij onze verlegenheid kunnen vernemen, zonder hart en hand voor ons te openen? Zou hun ijver voor de heilige zaak van de Godsdienst bij ons alleen eene uitzondering moeten lijden? Zouden wij hen vergeefs om eene geringe ondersteuning vragen, welke tot luister van de godsdienst niet alléén, maar ook 14 tot derzelve uitbreiding in een nagenoeg geheel oncatholijk gewest van ons vaderland kan verstrekken? Neen! dat niet! Mij dacht hiertoe niets anders noodig, dan hen met den verlegenen toestand in welken wij verkeeren, bekend te maken."

Tot zover zijn inleidende woorden. Van Kessel ging verder met een beschrijving van het ontstaan van de statie en de situatie, waarin ze zich op dat moment bevond. Hij sloot af met de volgende woorden: "Ziet daar in het kort den verlegenen toestand ontwikkeld, in welke deze nieuwe en voor den godsdienst veel belovende gemeente verkeert! Wie toch, die dit alles in ernstige overweging neemt, zou de regtmatigheid van ons roepen om hulp, kunnen betwijfelen? Wie zou niet gaarne ter ondersteuning toesnellen? — Wij zouden weliswaar, gelijk tot hiertoe het geval is geweest, de godsdienst zonder bijzondere uiterlijke praal en in eenen armoedigen staat kunnen verrigten; maar in een gewest als dit, waar men op de katholijke godsdienst met minachting neerziet, is het wenschelijk, zoo niet noodzakelijk, dat hare geheimen, met den meest mogelijken luister gevierd worden.

Hebt Gij katholijke Nederlanders ten allen tijde, zoo veel belang in het welzijn en de uitbreiding van uwe godsdienst gesteld; toont gij nog dagelijks dat deze u zeer na aan het hart ligt; zijn u daarvoor geene offers te groot, — zoo vertrouw ik ten volste, dat de roepstem van de godsdienst, welke uit Drenthe; — uit eene provincie van uw vaderland opgaat en u om ondersteuning vraagt, u zal doen besluiten, om vaardig en ruimschoots in hare eerste behoefte te voorzien. De welwillendheid van onzen geëerbiedigden Koning, welke tot de vestiging dezer gemeente en tot den bouw van kerk en pastorij, zeer gunstig heeft gelieven te beschikken, zal hoop ik, behalve de beweegredenen, welke het geloof voorstelt, u aanspooren om aan deze roepstem een gunstig oor te leenen. De giften, welke gij tot dat einde zult gelieven te bestemmen, kunnen bezorgd worden, aan het Bureau van den Godsdienstvriend, aan het R.K. Kerkbestuur te Assen en aan den heeren A. Buttie te Amsterdam en J.E. van Kessel te Zwolle."

Dat deze Roepstem en de andere aktiviteiten van Pastoor van Kessel succes hadden, moge blijken uit het feit, dat de uiteindelijke opbrengst f 1789,— bedroeg, terwijl Van Kessel tegenover de redacteur van de "Godsdienstvriend", J.G. Le Sage ten Broek, een streefbedrag van / 1600,— had genoemd. Echt helemaal tot slot nog een citaat uit het dagboek van Van Kessel toen hij de statie Assen kreeg aangeboden: "Vermits ter zeiver tijd de statie van Schokland mede vacant was, heb ik lang in beraad gestaan of ik deze niet voor Assen zoude kiezen, totdat ik het eindelijk aan den Aartspriester overliet, om daarin naar goeddunken te handelen, die mij toen voor Assen bestemde." We mogen nu dankbaar zijn, dat Aartspriester Muller toentertijd deze beslissing nam.






© 2006-2009 www.mijn-eigen-website.nl