In en om Assen





Lombok en het Aardscheveld; "doar mag'k ja zo groag over proaten"
Deel -2-


Bronvermelding:
Lombok en Aardscheveld; door Drs. Meent W. van der Sluis; 1982


Interieur keet; foto 1922 (collectie het Geheugen van Nederland)


Maandag was ‘schooierdag’

“Met een muziekinstrument als excuus, n.l om te kunnen bedelen is een bekende uitspraak van de Friese heide bevolking kenner J.J. Spahr van der Hoek. Maandag was ‘schooierdag’ in Assen, andere plaatsen hadden een andere dag, verder waren er de week- en jaarmarkten waar men terecht kon. Ook werden muzikanten gevraagd op trouwerijen en andere gedenkwaardige dagen.

Asser muzikanten waren o.a. Marie Toxopeus (zang), Jan Rosee (trekharmonica) en Jan Kok (fluitist). Jan Kok is een zoon van ‘Blinde’ Jan Kok die we later nog zullen tegenkomen. Als Leendert van Aalst ‘Mijn boek’ schrijft in 1961 / 1962, zegt hij dat Rosee met mevrouw beiden overleden zijn. Jan Rosee is de bekendste Asser straatmuzikant en zijn broer Johan Rosee, die met zijn vrouw Dine Kemfert ook een duo vormden, hadden volgens de informanten beduidend minder kwaliteiten. Jan en Johan Rosee waren zoons van ‘Olle’ Wieger Rosee, een Oostganger die op de Bokkestreek woonde nummer 15.

Dat onder armen geronselde ex-KNILers op de heide terecht kwamen behoeft uiteraard geen verwondering. Op nummer 16 komen wij Thieme Philips (geb. 1853), broer van Pieter Philips (geb. 1856) en Luchie van de Stegeweg en zoon van Pieter Philips (geb. 1821) tegen. In 1882 trouwde hij met Rinske Strooisma; later wordt gesproken over Tieme en Jantie.

Volgens de Woningwet van 1901 moesten bestaande hutten worden afgebroken en mochten er geen nieuwe meer gebouwd worden. Het is elders in Nederland voorgekomen dat dit toch gebeurde. Ze werden dan onder politiedwang weer afgebroken. - Het doel van de Woningwet was: bewoning van slechte woningen onmogelijk maken en de bouw van goede woningen bevorderen. Het was eigenlijk het begin van de overheidszorg voor het wonen. Om dit te bereiken, gebruikte men een combinatie van strenge regels om slechte woningen tegen te gaan en het gebruiken van gemeenschapsgeld om de bouw van goede woningen te bevorderen. - Volgens mevrouw H. Hazeveld – Ringenaldus woonde op nummer 18 Hendrik Penning en Lien Weitering. De Pennings waren eekschillers. ( Deze schilden het eikenschors van het hout. Deze schil werd gebruikt bij het looien van huiden).

Maar eerst een korte beschouwing over de bouwwijze van de keten. Veel dorpen in Noord – Nederland bestaan behalve uit een stenen kerk vaak nog voor een groot deel uit niet-stenen woningen. Men behoeft slechts te denken aan de dorpsbranden van Beilen (1820), Enschede (1862) en Vriezenveen (1905), waarbij de gehele dorpen in de as werden gelegd. De brand te Dwingelo (1923) loog er ook niet om. Verder laten oud-Aalden en Orvelte nog iets zien van de boerderijen opgebouwd uit hout, tenen, leem en riet. Houwink, Sikkema e.a. menen dan ook dat de keet of hut een archaïsch restant is van oud-Saksische en oud-Friese boerderijtypen. Het lijkt mij niet waarschijnlijk: keten en hutten vormen een degeneratie verschijnsel als je ze vergelijkt met de architectuur van de boerderijen van Elsloo, Hijkerveld, Ezinge en Peelo.

In hooggelegen gebieden ging men in de 19e eeuw in holen in de grond wonen; in drassige laagveengebieden waar men niet in de grond kon kruipen, bouwde men houten woonbokken (b.v. Nijbeets). Men maakte in de droge gebieden keten en hutten va materiaal dat niets kostte en zo uit de omgeving te halen was. In de hoogveenstreken werden de muren van turf gemaakt, elders van heideplaggen. De daken waren van stro (riet was te duur), van heideplaggen of van met latten betimmerd asfalt (20e eeuw). Op Lombok trof men nog al eens ‘bakken’ aan van vurenhout van Amerikaanse spekkisten en bielsen. De lege kisten stonden bij het station en de Lombokkers konden ze zo meenemen. Keten en hutten vormden niet meer dan een uiterst goedkope (in 1900; fl. 10,-) en minimale beschutting tegen de natuur.


Willem liep zo snel als een hond

Op nummer 20 woonde de weduwe Roos en op nummer 19 Willem ‘Hond’ Nijboer en zijn vrouw Jantje Nijboer, daarna zijn zoon Geert Nijboer en nog later Reinder Lenema. Jans Koster vertelde hoe Willem ‘Hond’ aan zijn bijnaam kwam. Willem had n.l. een loopse hond (dus al vóór 1898) en kreeg daardoor veel honden in zijn keet; hij heeft toen eigenhandig zijn eigen hond doodgeschoten om van de bende af te zijn.

De vrouw van Geert Nijboer (geb. 1890 te Norg) waarmee bij in 1915 trouwde en die nu nog steeds leeft, vertelde dat de bijnaam ontstaan was omdat Willem zo snel liep als zijn hond en daarmee steeds de veldwachter ontliep bij het stropen. Zo’n bijnaam ging mee van generatie op generatie en de kleinzoon van Willem had dus ook weer de bijnaam ‘Hond’. Toen anderen in de keet van Willem kwamen te wonen, ging Willem in een bak erachter wonen. Achter de keet heeft een waterput gezeten waarvan de zijwanden bestonden uit gestapelde turf.

Op nummer 23 vinden wij Jan ‘Petroleum’ Philips, zoon van Ep Philips en kleinzoon van Jan Philips (1835 – 1928) handelde in petroleum en dankte daar zijn bijnaam aan. Mensen die bij hem in huis zijn geweest, vertelden dat het hele huis naar petroleum stond. “Het is een wonder dat het niet in de brand geraakt is”, vertelde men mij. Jan had bij zijn eerste vrouw, Zwaantje, drie kinderen (Kier – geb. 1914- , Jan en Egbert). Misschien is Kier nog ter wereld gekomen met hulp van juffrouw Bergsma (vrouw van de politieman).

Een arts of een vroedvrouw liet zich op Lombok nooit zien. Had juffrouw Bergsma kort tevoren reeds een andere bevalling gehad en dus het een en ander naar binnen gewerkt, dan werd ze met zachte hand door te hulp schietende buren op een zijspoor gerangeerd. De buurvrouwen hielpen dan bij de bevalling; noaberhulp was er dus ook op Lombok. Ik ben twee gevallen van te vondeling leggen van kinderen (broer + broer en zus + broer) tegengekomen bij Lombokkers.



Zachte groene zeep

Voordat we de hele Bokkestreek terugwandelen (de weg loopt immer dood bij Jan ‘Petroleum) en richting Aoltie ‘Zundag’ gaan richten we ons eerst op deze advertentie: “De Nijverheid” –Fabriek van zachte groene zeep-, H. Westra, Hoofdvaart” Hij staat in de “Gids voor Assen en Omstreken” uit 1892; de gids die niet over het Aardscheveld rept. Schrijver en uitgever komen in hun voorwoord tot de volgende wens: “Het boekske heeft zijn dienst gedaan, als het den vreemdeling een betrouwbaren gids blijke en het iets, al is dit nog zoo gering, moge bijdragen tot den bloei van ’t aan natuurschoon rijke Assen”. Het geringe dat ik gevonden heb in deze gids is nu juist deze advertentie en niet omdat ik veronderstel dat de bewoners van het Aardscheveld zulke rijkelijke gebruikers geweest zijn van deze ‘zachte groene zeep’, die aan de andere kant van Assen gemaakt werd.

Heike Westra stichtte in 1875 een zeepziederij aan de Vaart in een periode (1867 – 1888) dat de oude Asser Heren Regenten in macht voorbij gestreefd werden door de liberale en calvinistische burgerij. Het waren de industriëlen en middenstanders die het roer overnamen op veler gebied. Heike (geb. 1853) was de zoon van Harm Westra (geb. 1801 in Schoterland en overleden 1884 te Assen) en Sitha Mulder; Harm was landeigenaar en woonde op het oude ‘Boschlust’ aan de Beilerweg. Harm Westra kocht van de gemeente Assen vanaf 1834 o.a. het gehele zuidelijke Aardscheveld en de Rheer – Boermaden en hield dit in eigendom tot zijn dood in 1884. Met andere woorden het gebied waarop zich vanaf het midden der vorige eeuw een ketenkolonie (het latere Lombok) zou ontwikkelen.

Direct na de dood van Harm Westra in 1884 werden zijn Asser onroerende bezittingen publiekelijk geveild door zijn erven; zijn vier kinderen waarvan Hieke alleen te Assen woonde. Bij o.a. een aantal percelen van het gebied, dat later Lombok genoemd zou worden, maakte Heike gebruik van het recht van inhouding, d.w.z. dat hij daarvan eigenaar werd, zoals uit de verkoopakte te lezen valt. Mr. Johannes Linthorst Homan, lid van Gedeputeerde Staten (de latere Commissaris der Koningin) en de landeigenaar Cornelis Albarda (wonende Van der Feltzpark 2), welke laatste de gehele Rheer-Boermaden kocht waren de twee prominentste kopers van het latere Lombok. Het valt op dat Hieke Westra en Johannes Linthorst Homan juist die percelen tussen Nijlandsloop en Stads-Broekloop in eigendom krijgen, waarin in 1900 de minste keten blijken te staan.

De heer Voogd, armbezoeker voor de vereniging ‘Armenzorg’ (opgericht in 1891 onder leiding van Burgemeester M.A.D. Jolles) bezocht in de 90-er jaren het Aardscheveld en vertelde verschrikkelijke verhalen over de situatie der keetbewoners (Prakke, 1951) De grote landbouwcrisis (1878 – 1895 ) en strenge winters (1890 / 1891) teisterden deze uitgestoten bevolking onder de rook van Assen. Sinds 1890 was de gemeente in wijken voor de geneeskundige armenverzorging ingedeeld. Terugkomend op Heike Westra; deze kon het geld uit de erfenis in 1884 goed gebruiken, want hij trouwde in 1885 met Kornelia Rietema uit Kloosterburen omdat de kleine Harm zich aandiende.

Misschien moest hij ook in zijn nieuwe fabriek va ‘Minerale Wateren en Gazeuse Dranken’ aan de Hoofdvaart investeren. Hij zal daarbij samengewerkt hebben met zijn oudere broer Coert Westra, die mineraalwaterfabrikant was en te ’s Gravenhage woonde; deze fabriek moet in de loop van de 90-er jaren opgeheven zijn. Zoals de heer J. Hemmes Hzn. (geb. 1890) mij meedeelde, bestond de zeepfabriek uit ‘een schuur met een flinke uitlaat, die iets naar achteren stond aan de Vaart N.Z. 78 (nu F. Philips – Zonwering).

Heike zelf woonde in het nu nog bestaande hoekhuis op nr. 76. Volgens de heer Hemmes werd de productie gestopt in 1917; meesterknecht was Johannes Machiel Duiker, voorzitter van ‘Werkmanslust’, de gematigde Asser werkliedenvereniging (opgericht in 1871). Er zijn bij zijn weten geen nakomelingen van deze Westra in Assen gebleven. Hij bezocht samen met Ludwig Westra (de tweede zoon van Heike) het ‘Instituut Rozenburg’.


Aoltie Sundag

We slaan nu, zoals beloofd, het zandpad in naar Aoltie ‘Sundag’ (nummer 24). Zij woonde in een keet met een stenen voorgevel en daarachter stond de keet van Hans Klaucke en zoon Kris (nummer 25). Nu zijn er meerdere verhalen over het ontstaan van de bijnaam ‘Zundag’ , want de echte naam van Aoltie was: Aaltje Eisen – Meints (geb. 1848 te Rolde, overleden 1934 te Assen) echtgenote van Aaldert Eisen (1837 – 1920). Volgens haar achterkleinzoon Dirk, die af en toe wel een bij mij langs komt, heeft men haar hoogstwaarschijnlijk deze bijnaam gegeven omdat de moeder van haar man weduwe was van een man die Zondag heette en dit blijkt juist te zijn.

Aoltie kwam tussen 1880 en 1883 op het Aardscheveld wonen; daarvoor woonde zij op het Loonerveld. De bewoners van de keten van het Loonerveld (Nieuwe – Loon) maakten deze nederzetting tot ‘de schrik der omgeving’ volgens R. Houwink Hz (1910, pag. 177). De nederzetting staat al aangegeven op de oudste topografische kaart van 1852; de kadastrale kaarten en optekeningen zijn bijzonder onbetrouwbaar ten aanzien van keten en hutten en bij verkopingen kan men in de meeste gevallen geen vermelding vinden in het kadaster.

In één van de laatste huisjes woonde de scheepsjongen Nienhuis. De keten van Aoltie ‘Zundag’ en Hans en Kris Klaucke worden dan ook niet vermeld in de veiling en verkoping van 1884, waarbij de zeepfabrikant Heike Westra het betreffende perceel inhoudt. Het bijgevoegd kaartje suggereert dat het hele Lombokker gedeelte van het Aardscheveld ‘keetvrij’ is. Zeep zou veertig jaar na de dood van Aoltie Zundag geheel ten onrechte een rol spelen in de mythevorming rondom Aoltie, maar daar komen we zo dadelijk nog op terug.



Vijf kinderen stierven als zuigeling

Aaldert Eisen vertelde mij het een en ander over het leven vroeger op Lombok. Hij benadrukte de vrijheid die de Lombokkers lief had. Ik teken daarbij aan dat die vrijheid in de natuur en ten aanzien van burgerconventies ook gezien kan worden als een noodzakelijke vlucht om de groet ellende te kunnen verwerken. Van de negen kinderen (allen zoons) die Aoltie ter wereld bracht, zagen er zeven het eerste levenslicht op Lombok; vijf daarvan stierven als zuigeling.

Ook kleinzoon Jan (geb. 1915), broer van Berend en Aaldert is slechts 18 jaar geworden. Hij zong in de arbeiderszangvereniging voor kinderen; ‘De Kleine Stem’ onder leiding van de koordirigent Leendert van Aalst. Oud raadslid van Assen, de heer J. Linker (geb. 1906), vertelde mij dat hij als lid van de pas opgerichte Arbeiders Jeugd Centrale veel via Lombok richting Balloërkuil wandelde. “Dat was in die tijd onze enige ontspanning”.

“In 1920 liepen we weer eens op Lombok toen Leendert van Aalst ons aanhield en zei dat Aolties keet was afgebrand. De ongeveer 20 AJC-ers hielpen Van Aalst en timmerman Eleveld door de ‘zudden’ aan te geven voor de wederopbouw van de keet. Dit karwei was dezelfde dag nog geklaard. Als dank kregen we van Aoltie allemaal chocomelk, die van geitenmelk was gemaakt. We hebben die dag ontzettend veel plezier gehad”. Aoltie heeft een hard leven achter de rug. Haar man Aaldert Eisen was in 1920 overleden op 82-jarige leeftijd. Hij was op 7 oktober 1837 geboren in het Armhuis (der Ned. Herv. Kerk?) aan de Groningerweg nr. 85a. Dat Armhuis zal wel dicht bij de Kattegang (Groninger Dwarsstraat) gelegen hebben; een echte buurt van paupers. Aaldert was een ‘onecht kind’ van de sinds enige jaren weduwe zijnde Jantjen Klaassens Zondag – Tol. In 1838 werd het kind ‘gewettigd’ door het huwelijk van Jantjen met Roelof Eisen.

We treffen Roelof Eisen aan bij de keikloppers in de winter van 1842 / 1843. De keiklopperloods lag aan de vaart bij de eerste knik; even verder lag het beruchte ‘Ford Loevestein’ met zijn vele arme gezinnen. Bij de Steen rekeningen treffen we ook andere Aardscheveldse families aan zoals: Nijboer, Schothorst, Klaucke, Meijer en Cornelis Boer. De gemeentelijke Commissie voor werkverschaffing (‘Steencommissie’) was in 1842 opgericht en hield boekhouding tot 1850. Mr A. Homan (wethouder) was voorzitter en Mr. S. Gratema (raadslid) was secretaris.

In 1847 blijkt Roelof Eisen te zijn overleden, want in dat jaar wordt de ‘Commissie tot afgifte van Bons ter verkrijging van Brood beneden den Prijs der Zetting’ ingesteld en deze vermeldt verstrekking van brood aan de Weduwe Roelof Eisen in datzelfde jaar. We treffen veel families aan, die reeds op het Aardscheveld wonen of later zouden komen wonen, waaraan deze bonnen werden verstrekt. Eén van de grootste afnemers was de Weduwe Pieter Philips, verder treffen we aan: Cornelis Boer, Berend en Hendrik Top, Gerrit Jan Kok, Joh. Chr. Klaucke en o.a. de families Dekker, Beenink, Stoffers, Scheffers, De Ruiter, Polling, Koops, Linker, Laferte, Franke. Vennink en Schothorst

Aoltie ‘Zundag’ vertrok 25 april 1933 uit haar keet en kwam bij zoon Meint aan de Langedijk 18 te wonen. Kleinzoon Aaldert Eisen vertelde mij dat hij toen de keet had afgebroken; ongeveer een maand daarvoor had hij de keet van zijn vader Meint ernaast afgebroken. Aoltie overleed op 12 maart 1943 in de ouderdom van 85 jaar. Met de hierboven vermelde exacte data uit het gemeentearchief zijn heel wat verhalen over het einde van Aoltie ‘Zundag’ naar het rijk der fabelen verwezen.

O.a. het verhaal van de heer A. Hadderingh, die destijds bemiddelde bij de aankoop van alle gronden voor de stichting, over het helemaal schoonmaken van Aoltie toen ze uit haar keet kwam (Nieuwsblad van het Noorden, zaterdag 5 januari 1974). Aoltie zou aan een infectieziekte gestorven zijn, omdat de ‘beschermende’ laag van haar huis was afgewassen (Drentsche en Asser Courant, woensdag 15 juni 1977). Niets van dit alles dus!

Circa 1914 betrokken Meint Eisen (geb. 1876 op het Loonerveld) met zijn vrouw Jantje Speelman en kinderen de keet van Hans Klaucke en zijn zoon Kris. Meint was de oudste zoon van Aoltie Zundag en ging in 1890 al het huis uit naar Rolde. Het voorste gedeelte van de keet was inmiddels van steen toen deze, zoals gezegd, een maand vóór de afbraak van de keet van Aoltie afgebroken werd door haar kleinzoon Aaldert Eisen (maart 1933).

Voor de keet stond een krentenboom, vertelde Aaldert mij. Dat de keet toch niet stevig in elkaar zat blijkt uit het feit dat Meint toen hij in bed lag door de zijmuur heen naar buiten is gerold. De kleine bedsteden in deze keten waren meestal onder de laagste dakkanten tegen de zodenmuur gesitueerd. Kakkerlakken, pissebedden en vlooien waren doorgaans vertrouwde huisgenoten. Soms waren de bedsteden ook tussen de voorste woonruimte en de erachter gelegen schuurruimte (voor de dieren) tegen het tussenschot aangebouwd.


Verder wandelend krijgen we aan de rechterkant vlak voor het brugje over de Stadsbroekloop de keet van ‘Blinde’ Jan Kok en zijn vrouw te zien (nummer 26).


R. Houwink Hz. Schrijft over hen 1910, p 178: “Toch ook hier weer een uitzondering. Afbeelding 3 is het bewijs, dat ook in de kleinste hut een gelukkig leven mogelijk is. Ze was bewoond door een paar menschen van 70 jaar, volgens hun zeggen hadden ze volstrekt geen gebrek, en de hut van binnen was een toonbeeld van netheid en reinheid. Overal heerschte binnen eenige vierkante meters ruimte de meeste orde en regel, een kleine, nette tafel, zindelijke bedden, versieringen overal.

De oude luiden hadden allerlei goeds te vertellen”. Houwink zegt verder dat de keet van Karst Philips daarbij vergeleken “…een toonbeeld is van grootste ellende, maar ook van slordigheid”. We zullen echter zien dat er over de keet van Karst verschillend gedacht wordt. We lopen over het bruggetje richting het verlof van Peter en Jobkien (nummer 29). De bezoeker van de kroeg die ’s avonds laat de kroeg verliet in benevelde toestand stapte nogal eens naast dit bruggetje. Peter Philips (geb. 1901) een zoon van Peter en Jobkien vertelde mij echter dat het bruggetje breed genoeg was om in latere jaren zijn ijskar erover te rijden.

Het weggetje volgend gaan we door de Rheer Boermaden recht op het verlof van Peter en Jobkien af. Het verlof stond met zijn voorgevel naar het bruggetje (noorden); de jachtweide werd er later oostelijk aangebouwd. Pieter Philips was een voorechtelijk kind (geb. 1867) van Jan Philips en Maria Henderika de Ruiter, dat in 1868 bij hun huwelijk gewettigd werd. Pieter Philips en Jacobje Dekker trouwden op 1 april 1891 en kwamen op deze plaats in een keet te wonen, die geleidelijk van stenen gevel en muren werd voorzien. J. Stoffers woonde er van 1945 – 1947; Jobkien woonde alleen bij hen in omdat Pieter reeds gestorven was. Jobkien stierf in 1947 toen Roel Stoker er 2 á 3 maanden woonde; hij bleef er wonen tot 1952. Thiemen Etten was de laatste bewoner (1952 – 1954). De Stichting had dit terrein toen gekocht voor haar uitbreiding ten behoeve van de bouw van ‘Hendrik van Boeijen-Oord’.

In 1954 werd dus de laatste ‘versteende keet’ in Assen afgebroken. Behalve de inkomsten uit zijn verlof verdiende Peter in de winter aan de verkoop van zelfgemaakte ‘spielkorf’ (spijlbijenkorf) en aardappelschilmandjes van ‘doodkralen’ twijgen (twijen van de vuilboom of sporkehout). Peter kon sterke verhalen vertellen over zijn verblijf op het echte Lombok in de Oost. De Lombokkers hadden volgens Peter houten sabels, maar die waren nog scherper dan een scheermes. Een zacht tikje en….. je was er geweest. Een mede-soldaat had zo’n tikje gehad en toen ze terug gewandeld waren naar het kamp en Peter en zijn kameraad de kepi afdeden, rolde het hoofd van de laatste eraf (Nieuwsblad van het Noorden, zaterdag 16 februari 1974). Jan Philips (geb. 1897), de oudste nog levende zoon van Peter en genoemd naar zijn grootvader vertelde dat zijn vader nooit in Indië is geweest.


Bijschrift bij foto: "Antje, dochter van Karst Philips". Bron: "Mijn Boek"van Leendert van Aalst


Antje heeft de komst van de stichting voorspeld

De volgende keet die wij tegenkomen is de keet van Antje Abbring Philips (nummer 31). Leendert van Aalst over haar: “Antje, dochter van Karst Philips is getrouwd geweest met Roelf Abbing. Na eenige tijd kreeg zij een hekel aan hem, pakte kwik vanachter de spiegel weg en deed dat in zijn bord soep, maar…..hij proefde het. Een half jaar zat zij ervoor in de Gevangenis. Ik mocht graag soms met haar even praten, als wij als jongens over Lombok liepen. Zij had een zoon en die had een echte ‘zigeuner kop’.”

De scheiding tussen Roelf Abbring en Antje Philips werd voltrokken op 27 maart 1913. Op een enkele RK- en Joodse familie na gaf heel het Aardscheveld altijd op NH te zijn. In 1913 vinden we een dikke streep door dat ‘NH’ achter Antje’s naam in de gemeentelijke bevolkingsregisters. Antje Philips zei: “Ik ben met de helm geboren”. Zij was een helderziende, zij kon in het donker ’s nachts zien wat er in de toekomst zou gebeuren.

Op een donkere nacht zag zij voor haar keet in het veld dat de bossen gerooid werden en verder zag zij veel mannen en vrouwen in witte jassen (witte wieven). Dit was de plek waar later de stichting is gekomen; de witte figuren waren de doktoren en het verplegend personeel. Antje Philips heeft de stichting voorspeld!






© 2006-2009 www.mijn-eigen-website.nl