In en om Assen





Lombok en het Aardscheveld; "doar mag'k ja zo groag over proaten"
Deel -3-


Bronvermelding:
Lombok en Aardscheveld; door Drs. Meent W. van der Sluis; 1982


Bijschrift bij foto: "Jan de Vries, slachterijlaantje". Bron: "Mijn Boek" van Leendert Van Aalst


Sietse Kooistra komt bij Gees wonen

Roel Abbing heeft zijn keet (nummer 31) van een stenen voorgevel voorzien en later van stenen zijgevels. Sietse Kooistra, een oostganger, komt er te wonen. Gees, de vrouw van Ed Philips, was er vandoor gegaan en kwam bij Sietse te wonen. Vóór 1930 komt Geert Jonkers erin. Van 1930 – 1937 is het huis bewoond en in eigendom van Gezinus Philips, een zoon van Ep en Gees Philips. Deze verhuurt het tot de afbraak in 1952 aan Imke Buistra, getrouwd met Hennie Wekema, dochter van Barelds Wekema en Aaltie Tel.

De gebroeders Bareld en Arend Wekema stonden bekend als makers van heideboenders en heidebezems, velen deden dat trouwens (winterwerk). De dopheide werd ’s zomers geplukt; in het voorjaar werden de heideboenders aan boeren en burgers verkocht ten behoeve van de schoonmaak (ook voor het schoonhouden van pannen en potten).Ebel Ukema (1480) was de stamvader van een hovelingengeslacht te Oldekerk en Noordhorn; later wordt ‘Wkeme” als ‘Wekema’ geschreven.

Het geslacht Wekema heeft een geschiedenis achter de rug die met de hoogte- en dieptepunten van ‘Het geslacht Wiarda’ van Teun de Vries te vergelijken zou zijn. Terugkomend op Aaltie Tel: zij was de dochter van Peter Tel die de bijnaam ‘de keizer van Lombok’ had. We zijn nu een ‘prins’ en een ‘keizer’ op Lombok tegen gekomen en zullen zo dadelijk nog met een ‘koning’ kennis maken.

Wij zijn nu aangekomen bij de keet van Karst Philips (nummer 32). Karst Philips (1839 – 1915) was het jongste kind van Pieter Pieters Philips uit Assen en Henderkien Clement uit Vries. Hij is zo’n legendaris figuur dat we alleen de minder bekende zaken over hem zullen vertellen. R. Houwink Hz. (1910) schrijft: “De oude wrattenbezweerder (dit is zijn mystieke kracht) en strooper (dit is zijn vak)….”. Jan Fabricius (1946): “En welke een bewondering koesterde ik voor Kars Filips, een strooper, die op ’t Aosterveld in ’n keet woonde en van alles in ’t leven hield: heide-robijnen, patrijzen, leeuwerikken….. De reuk, dien die plaggen-hut van binnen afgaf, was als die van een oude paardedeken; maar dat scheen de jonge vogels niet te deeren. Ik vond het knap! “.

Leendert van Aalst (“Mijn boek” uit 1961-1962): “Karst Fhilips, Een grote jager Stroper”. Wander Eleveld vertelde mij in 1982: “Toen we nog jongens waren, kwamen we ’s morgens vroeg bij Karst Philips. Hij kon adders bezweren. Voor gewone slangen waren we niet bank, maar adders gingen we liever uit de weg. Kars trok een cirkel in het zand rondom een adder en zei: “Kom tegen de avond maar weer”. Toen we ’s avonds terugkwamen lag de adder nog in de cirkel. Kars wiste de cirkel uit, waarop de adder prompt wegkroop”.

Mevrouw Ten Brink (geb. 1901) bevestigde dit verhaal en vertelt dat Kars wratten bezwoor door erop te spugen, de volgende dag waren ze weg. Op neijjaorsvisite ging hij achter een kamerschot buikspreken en dan leek het alsof er een heel gevecht plaatsvond.
A.F. Cremer schreef in 1915 het jongensboek “Kars, de broodjager en z’n vrinden”. Het woord ‘broodjager’ duidt erop dat stropen / jagen voor Karst Philips zijn gehele broodwinning inhield (A.F. Cremer had in 1901 al samengewerkt met Jan Lighthart in het schoolboek ‘Op de fiets door Nederland’).


Bijschrift bij foto: "Karst Philips". Bron: "Mijn Boek" van Leendert Van Aalst


De verhalen over Karst zijn erg geromantiseerd

Het verhaal speelt in of vlak na 1870, omdat de spoorlijn Groningen – Zwolle er al is. Karst is in het verhaal nog vrijgezel, maar in werkelijkheid was hij in 1869 al getrouwd. Zijn moeder is weduwe en woont, wederom volgens het verhaal, bij Karst in de keet.
Zij is inderdaad weduwe geweest en zou best bij haar jongste ongetrouwde zoon ingewoond kunnen hebben. Volgens het boek liep ze naar de zeventig en was Karst om de dertig. In werkelijkheid overleed de weduwe Philips op 73-jarige leeftijd in 1865 toen Karst 26 jaar was.

De afloop van het verhaal zal weinig realiteitswaarde hebben. Meester Johannes Kroeze die op de vrijdagmiddag in 1924-1925 in een muisstille zesde klas van de Aardscheveldseschool uit het boek voorlas zei: “Het verhaal is erg geromantiseerd, Karst was in werkelijkheid niet zo’n beste”. De illustrator P. Swillens is blijkens zijn drie tekeningen niet van te voren in Drenthe geweest. Karst Philips en Aaffien Schipper uit Muntendam / Veendam zijn in 1869 te Assen getrouwd.

Volgens een anekdote uit de mond van een oomzegger zijn ze als volgt aan elkaar gekomen: “Kas was in de gevangenis wegens stropen. Aaf zat in de gevangenis wegens het stelen van een spint geld. Door klopsignalen op de tussenmuur kregen ze contact met elkaar. Na de vrijlating gingen ze bij elkaar wonen en trouwen en zijn tot het eind bij elkaar gebleven”.


Job woonde in een aardwoning

Job ‘Keinver’ heette feitelijk Jacob Kemfert (geb. 1839 te Drouwen en overleden 28 januari 1913 te Lombok). Meester Johannes Kroeze (geboren 1898 te Gieten): “Job Keinver kwam vaak in de smidse van mijn vader te Gieten en zong een beetje bij zijn trekharmonica. Het refrein luidde: “de boer, de boer, de boer…….”. Dit sloeg hoogstwaarschijnlijk op de Boerenoorlog in Zuid-Afrika. Leendert van Aalst schrijft: “Later was hij de ‘Kommesaal’ bij Karst Philips in diens hut op Lombok…. Daar betaalde hij kostgeld….vijftien stuver met een fles petroleum”. Job Keinder heeft een tijdje in een aardwoning bij Rolde gewoond. Leendert van Aalst: “Job Keinver…een holbewoner, jaren gewoond ‘in’ Rolde, in een hoge Heidebult toen destijds ongeveer naast…overleden schilder Boon”. Bedoeld wordt: kunstschilder Arie Boon (1886 – 1961) die aan de Asserstraat 50 te Rolde woonde.

R. Houwink Hz. (NDVA 1910) schrijft ook over een ‘aardwoning’ links van de rijweg Assen – Rolde (ca. 1890), die door een paar oude mensen bewoond werd; zij waren dus blijkbaar niet de laatsten. In het Geïllustreerde Weekblad ‘Buiten, 1e jaargang, Amsterdam 6 juli 1907 wordt een foto van Job geplaatst. In het daarin opgenomen artikel wordt door twee dames een bezoek aan Job gebracht.


Het hol is een tree of drie de grond in

Job vertelt dat hij vroeger in Drouwen gewoond heeft en ongeveer drie jaar in het zelfgemaakte hol woont. Dus van ca. 1902 tot 1905, want sinds 1905 staat hij te Assen ingeschreven Het hol is een tree of drie de grond in, van een ruw houten deurtje voorzien en zeven á acht vierkante meter groot met een hoogte van nog geen twee meter. Een losse plag bedekt het rookgat in de zoldering. In twee muren zijn bedsteden uitgegraven, van binnen met een paar oude stukken behangselpapier beplakt en een enkele lap en kussen vormt het beddengoed.

Er staat een wrakke, verveloze houten tafel, een paar oude stoelen met gehavende matten zittingen en een plank langs een muur draagt enig keukengerei: een oude pan, een paar gescheurde borden, een koffiekan, wat kopje zonder oor, een stuk of wat kommetjes en twee of drie flessen. Het kind van zijn dochter Dine slaapt in een mand onder lappen en vodden. Dine Kempert was getrouwd met Johan Rosee e zong bij zijn trekharmonica muziek. De man van Dine blijkt tijdens het bezoek van de dames in de gevangenis te zitten. Dine stond algemeen bekend als een publieke vrouw in Assen en zij was niet de enige. Wander Eleveld vertelde dat over haar gezongen werd, dat zij ‘de grootste hoer van het Asser bos’ was. Prostitutie is begrijpelijk vanuit het sociale klimaat van deze pauperkolonies.


Bijschrift bij foto: "Job Keinver twee dagen voor zijn dood". Bron: "Mijn Boek"van Leendert Van Aalst


Smies was van goede Haagse afkomst

Bij de keet van Karst Philips langs liep een paadje achteruit naar een woonbak van Amerikaans spekkistenhout, dicht tegen de Stadsbroekloop aan gelegen. Hierin woonde ‘Koninkie’ en Egbertie Piel (nummer 33). Koninkie heette in werkelijkheid Salomon de Koning, geboren te Gouda en in 1910 op 68-jarige leeftijd in zijn bak op Lombok overleden. Egbertie legde Koninkie op een kruiwagen en kruide hem het spoor over naar de begraafplaats aan de Beilerstraat.

Ze legde hem daarvoor de voeten van de toenmalige beheerder neer en liep direct weg. Het interesseerde haar helemaal niet wat er met Koninkie ging gebeuren, ze kon hem zelf niet langer meer in huis hebben en daarmee was voor haar de kous af. Na de door van haar man heeft Egbertie (overleden 1917) nog een keer een huwelijksaanzoek gehad van Wilke Smies, een bekend Asser straattype.
Maar toen hij haar opzocht in haar woonbak was hij snel verdwenen; het was er namelijk een grote troep en Egbertie zag er nu ook niet al te fris uit.

Leendert van Aalst: “Smies (zijn eigenlijke naam kan ik direct niet zeggen) was muziekant…des avonds (op de bruiloft van Albert en Mal Alertie uit de Kattegang). Hij speelde Harmonika schreef – Briefjes”….voor jonge meisjes” die hij dacht en zei binnenkort graag te zullen trouwen”. Wilke ‘Smies’ was een lange magere vent met dwarsgezette benen en een perkamentachtig gezicht en veel rimpels in het voorhoofd, die volgens eigen zeggen van goede Haagse komaf was. ‘Smies’ beweerde dat de alcohol hem in Veenhuizen had doen belanden omdat hij als zwerver was opgepakt.

Onderzoek van de heer Lucas A. Ocken geeft een andere wending aan 'de goede Haagse komaf' van Wilke Smies. Hij schrijft: "... Dat verhaal kan niet juist zijn, al was het alleen maar omdat hij in Veenhuizen is GEBOREN, dus niet op latere leeftijd er beland. Maar laten we ons tot de feiten beperken: Vader Rokus Smies huwde moeder Alida Magdalena Pieper op 02-09-1836 te Vledder. Rokus, toen zaalopziener, was geboren te Axel op 01-08-1807, zoon van Jan Smies en Levina Lamaire. Levina Lamaire was in 1836 koloniste (te Veenhuizen). Mama Alida Magdalena Pieper, geboren te Vlagtwedde 12-01-1811, was in 1836 dienstmeid. Haar beide ouders waren kolonisten, maar daarbij moet wel aangetekend worden dat naam van haar moeder, Gesina Catharina Burggraaf, wijst op een betere afkomst. Hoewel Burggraaf in de 19e eeuw nogal heen en weer schiet in status, waren zij in de 18e eeuw in het Oldampt goed genoeg om een van Swinderen te kunnen trouwen…".


Opmerkelijk trekje van ‘Smies’ was dat hij, naar gelang de noten hoger werden, een steeds weemoediger gelaatstrek kreeg. Hij dankte zijn gehoor altijd met een fraaie, diepe buiging. Wander Eleveld vertelde mij dat hij Smies goed gekend had en hem als mens gewaardeerd had. Op het laatst woonde hij in het Armwerkhuis, weeshuis en later bejaardenhuis van de Ned. Herv. Diakonie, op het laatst ‘Avondrust’ (Wagenmakers, 1971, p. 103) genoemd en gelegen aan de Rolderstraat van 1851 tot 1967, toen het afgebroken werd.

Ook werden er begrafenisattributen bewaard. Dit armhuis heeft vóór 1851 een voorloper gehad (aan de Groningerweg?), welke door de Ned. Herv. Diakonie in 1827 gesticht werd voor hulpbehoevende bejaarden, gebrekkigen, wezen en verwaarloosde kinderen en verder voor ontspoorde personen die weer in het gareel gebracht moesten worden. De heer J. Hemmes Hzn. (geb. 1890) vertelde mij de wezen nog gekend te hebben; ze waren niet gelijk gekleed of kaalgeschoren (tegen hoofdluis) zoals elders gedaan werd.

Wander Eleveld vertelde dat Wike ‘Smies’, toen deze in het tehuis zat (daarvoor was hij in de kost achter de watertoren), samen met de andere oudjes helemaal naar Graswijk moest lopen om veldarbeid te verrichten.“Dit deed je zeer” zei Wandel Eleveld. “Smies liep vaak in een afgedankte marechaussee uniform waar ze de biezen afgehaald hadden. Dat hadden de marechaussees uit de kazerne even verderop aan de Rolderstraat hem aangetrokken en hij verbeelde zich ook nog een beetje dat hij erbij hoorde” Wander Eleveld heeft enige tijd geleden het graf van Wilke ‘Smies’ aan de bosrand van de de Zuiderbegraafplaats in graf 1//6//1//36 nog eens opgezocht en het schoongemaakt. Het was onherkenbaar en dat had hij niet verdiend.


Bijschrift bij foto "Smies". Bron: "Mijn Boek" van Leendert van Aalst


Ep en Peter hadden sinds jaar en dag ruzie

We lopen van de woonbak van ‘Koninkie’ en Egbertie Piel terug naar de keet van Karst Philips; we gaan dan de weg nog even terug via het verlofje van Peter en Jobkien naar de keet van Ed Philips (nummer 34). We sluipen daarbij onder de ramen van het verlof langs omdat Peter niet goed kon opschieten met zijn broer Ep en hij de indruk zou kunnen krijgen dat wij aan Ep’s kant stonden.
Ep en Peter hadden sinds jaar en dag ruzie betreffende het overgangsrecht van het paadje naar de keet van Ep. Dat paadje liep daar dood omdat Ep’s keet tegen Ten Oeverbossie aan stond.

Peter beschouwde het gehele pad als het zijne, terwijl Ep meende er ook enige aanspraak op te kunnen maken omdat de heg die er langs stond van hem was; bovendien kon Ep met zijn gezin alleen via dit pad naar de rest van de bewoonde wereld. De jongere zoon van Ep was een beetje boos op mij omdat zijn vader altijd in ‘een groot huis’ had gewoond en niet in een keet. Diverse oudere Lombokkers hebben mij echter verzekerd dat Ep Philips vlak na 1900 een huisje bouwde op de plek van zijn keet, hetwelk hij later nog eens vergrootte. Van 1939 tot de afbraak in 1948 woonde er de familie Schothorst.

Hoe we het ook keren en wenden we moeten weer langs Peter en Jobkien en gaan dan langs Karst en Antje naar de keet van ‘de keizer van Lombok’, Peter Tel (nummer 38). Vanaf 1905 wonen Berend Daalman en Henderkien Daalman – Philips in deze keet. We weten reeds dat Henderkien Daalman Philips later met haar kinderen in de Lange Jammer aan de Stegeweg kwam te wonen. De enige afbeelding van de Lange Jammer is een tekening van A. Cieraad. Het gekleurde origineel kunnen we op het gemeentehuis te Assen zien. Vervolgens kwam Johannes Stap, die met Toon Talens samenwoonde in de keet te wonen. Sommige kinderen kregen de achternaam Talens, anderen kregen de naam Stap mee.

Heiltje Hazeveld-Ringenaldus verteld dat ze één van de meisjes uit het gezin Stap-Talens, dat door haar huwelijk in maatschappelijk opzicht nogal opgeklommen was, later in een gezelschap tegenkwam. De anderen waren nogal verbaasd dat de twee dames elkaar kenden. Nogal logisch we zijn samen op Lombok opgegroeid had mevrouw Hazeveld gezegd. De andere wilde er echter niets van weten en zei: “Maar Heiltje, we moeten nu naar de toekomst kijken”. Volgens mevrouw Hazeveld vloeide deze houding voornamelijk voort uit het feit dat ze ‘christelijk’ geworden was en omdat ze nu tot de betere burgerij behoorde. Mevrouw Hazeveld: “Ik heb mij nooit geschaamd voor mijn jeugd op Lombok”.

Later bleek mij dat mevrouw Hazeveld zelf Ned. Herv. Dooplid was, naar zondagsschool en catechisatie geweest was. ‘Lorre’ oftewel Harm Talens (geb. 1912) ook een telg uit de uitgebreide Talens familie sliep tot in de zeventiger jaren in het Asser bos onder de blote hemel. Hij is aan de bijnaam Lorre gekomen, omdat hij vroeger op school de juffrouw altijd alles na zei (Nieuwsblad van het Noorden, woensdag 8 dec. 1976).


Bij de keet van Ab ontspoorde de EDS trein nogal eens

Ab Philips handelde o.a. in bloemen waarbij zijn hond Hector zijn handel in de hondenkar trok. Zijn vader was Geert Philips (geb. 1865) en had een café aan de Anreeperweg (nu Narcisstraat). Zijn vader huwde in 1885 met Adriana Magdalena Schothorst (geb. 1859). Geert Philips was een zoon van Albert Philips (geb. 1824) en Aaltje Frensen (geb. 1830) gehuwd in 1853 en in elk geval sinds 1860 in een keet op het Aardscheveld wonend in de buurt van de keet van broer Jan Philips (geb. 1853) aan de Anreeperweg. Ik geef deze afstamming omdat de nakomelingen van Ab Philips niet meer weten dat ze tot dezelfde familie als Jans, Jan en Karst Philips behoren. Bij de woning van Ab Philips op Lombok ontspoorde de EDS-trein nogal eens omdat de woning juist in een knik van het spoor stond.

Vanaf de keet van Peter Tel kunnen we via een bruggetje de Rheer Boermaden in zuidelijke richting verlaten en komen zodoende op het ‘Pepermuntveldje’, dat deel uitmaakte van het Anreeperveld en dus tot de Anreepermarke behoorde. Hier kunnen we de schaapskudde van Anreep verwachten met de scheper Harm Lodewijk die een zoon Pieter had bij Griet Koster, de oudere zus van Jans Koster. De keten op het Pepermuntveldje vormen het zuidelijke deel van Lombok. In de huisnummering werd dit gebied soms nog toe het Aardscheveld, wijk C gerekend.

R. Houwink Hz. Schrijft in 1910 dat Lombok uit hutten bestaat die “sedert menschenheugenis hebben bestaan”. We mogen daaruit concluderen dat het Lombokse gedeelte van het Aardscheveld zeker sinds ca. 1850 bestond. Maar om dat te bewijzen valt niet meer. Als Jan Fabricius (geb. 1871) schrijft dat hij de keet van Karst Philips op het Aardscheveld kent, kan deze keet best op de Anreeperweg gestaan hebben. Als Karst trouwt in 1869 en een jaar later zijn eerste kind aangeeft, woont hij op het Aardscheveld, maar waar? We weten dat hij in elk geval in twee keten op de Rheer Boermaden gewoond heeft. Het kadaster en het gemeente archief geven ook geen uitkomst.


Het Armbestuur moest de armen kwijt

Mevrouw Hazeveld zegt, dat zij van haar grootmoeder Bartha Jans – Linker (1835 – 1922) niet anders vernomen heeft, dan dat Karst altijd op de plek gewoond heeft waar hij tot zijn dood woonde. Gelukkig geeft de keet met zijn bewoners (nummer 40) wel houvast. Hier woonde Roelofje Philips – Benink (1833 – 1930). Roelofje was sinds 1865 getrouwd met Jans Philips (1832 – 1916), een oudere broer van Karst Philips.

Hun dochter Henderkien werd in 1865 op het Aardscheveld geboren; Henderkien was de moeder van Albert Geertsma (geb. 1911). In 1869 geeft het gemeentelijke bevolkingsregister aan dat Jans en Roelofje Philips op ‘Anreepwijk’ woonden; in 1880 staat er Anrijperveld. Jans Philips was in 1857 reeds eerder getrouwd geweest met Harmke Weitering (1827 – 1864); uit dit huwelijk was in 1859 een Pieter geboren. Ten tijde van dit huwelijk (1857 – 1864) staat het Aardscheveld als woonplaats aangegeven.

Het vermoeden ligt voor de hand dat Jans Philips tot en met 1865 aan de Anreeperweg gewoond heeft in de buurt van zijn broers Pieter, Albert en Jan. In datzelfde jaar overleed hun moeder, de weduwe Philips – Clement op het Aardscheveld. Tussen 1865 en 1869 is hij dan op het Anreeperveld komen wonen. De conclusie van dit langdradige verhaal moet het volgende zijn: Als R. Houwink Hz. (1910) schrijft over de sinds menschenheugenis bestaande hutten van Lombok en als Harm Boom in 1879 in de Asser Courant spot: “Dat Aardsche Veld, met woningen als molshoopen, de voorstad in den dop van Assen” (Prakke, 1951, p. 182) hebben wij dus te maken met keten aan de Anreeperweg tot en met de keten op het Anreeperveld.

De opmerkingen van Houwink en Boom slaan dus op het Aardscheveld inclusief dat deel dat later Lombok genoemd zou worden. De keten op dit Lombokker gedeelte van het Aardscheveld dateren dus in elk geval al uit de periode 1865 – 1869. De keten van het eigenlijke Aardscheveld langs de Anreeperweg zullen vrij zeker al rondom 1847 (grond verkoop door de erven van Petrus Hofstede) ontstaan zijn. Bewijzen zijn er niet, wel aanwijzingen.

Vanaf de Steendijk kwam de weduwe Philips met haar kinderen in 1849 op het Aardscheveld te wonen en vanuit het ‘eerste gangje aan de Veeneweg’ kwam in 1847 Roelof Weitering met zijn vrouw Henderkien Brink en kinderen er te wonen. Roelof was een oom van Harmke Weitering die met Jans Philips getrouwd is geweest. In deze slechte tijd moest het burgerlijk en kerkelijk Armbestuur deze armen kwijt; wat betreft de weduwe Philips komen wij hierop terug. Harm Boom heeft amper melding gemaakt van de ‘molshopen’ van het Aardscheveld in 1879 of er komt in een raadsvergadering van Assen in 1882 een adres ter tafel van “ Meijering e.a., allen bewoners van Anreep en Schieven, verzoekende dat in hunne gehuchten evenals Loon een vaste nachtwacht moge worden aangesteld” (Prakke, 1951, p.119).

Overlast en stroperij waren o.a. de oorzaak van dit verzoek. Toch ook werkten veel mensen van het Aardscheveld en het latere Lombok als los arbeider bij de boeren van Anreep en Schieven b.v. in de hooiing en bij de oogst. Mevrouw Hovenkamp-Geertsma (de oudere zus van Albert Geertsma) vertelde dat de struik van ‘Lubbestok’ (Levisticum officinale), ook wel lavas genoemd, door Roelofde Philips-Bennink gebruikt werd als vochtafdrijvend medicijn. Officieel staat de plant te boek als een maggiplant, een keukenkruid.

Op nummer 41 vinden wij de keet van Hendrik Geertsma en Henderkien Philips (dochter van jan Philips en Roelofje Benink). De laatste bewoner van dit huisje op het Pepermuntveldje (Anreeperveld0 was Jan Boelens. Het huisje is vlak vóór 1931 afgebroken.
Volgens Aaldert Eisen is de bak van Cornelis Blijleven (nummer 43) niet ver van de woning van Harm Weitering gelegen in het Veenveld op het Anreeperveld. Harm Weitering (geb. 1884, zon van Roelof Weitering) woonde sinds 1880 met zijn vrouw Albertien Vennink (verkoopster van molsla) en kinderen op het Veen – Eschje niet ver van Anreep.

De bak van Cornelis Blijleven stond halverwege tussen Hendrik Geertsma en Harm Weitering, vlak onder het Anreeperdiep en onder de later tramlijn. Nu is dit het begin van de Berkenlaan op Hendrik van BoeijenOord. De vrouw van Cornelis Blijleven heette Henderkien Hadders (geb. 1879). Bij Henderkien had Cornelis twee zonen t.w. Cornelis (geb. 1872) en [ook weer een] Cornelis (geb. 1902 te Rolde)



De aardscheveldseschool

Even een uitstapje naar de Aardscheveldschool. Deze school werd in 1870 gebouwd als een schoolgebouw met twee klaslokalen en een hal; de lengterichting van het gebouw stond loodrecht op de spoorlijn. Boven de toegangsdeur in de hal, bevond zich een raam waar volgens sommigen de turfzolder zich achter bevond. Rond 1900 waren er twee klaslokalen achter een vast gebouw; het was toen een viermansschool. Later zijn er nog twee klaslokalen achter ‘geplakt’ en kwam de totale bezetting op zes personeelsleden. In 1919 waren dit: Van der Berg, Benus, Meertens, Van Boven en de juffen Greveling en De Wit.

In ditzelfde jaar werden er uit 119 sollicitanten de heren Johannes Kroeze, Jan Boering en Wolting benoemd. Een houten school met vier lokalen werd ook in 1919 tussen de bovenmeesterwoning en de stenen school gezet. Op mijn vraag of men geen last had van de passerende stoomtreinen, werd door oud leerlingen gezegd: “Er kwam haast geen trein langs in die tijd” of “De trein hoorde je niet meer, daar was je aan gewend”.

Meester Kroeze zei tijdens het lesgeven wel veel last van rangeren te hebben gehad. Mevrouw Hazeveld vertelde rond 1900 naar de zondagschool geweest te zijn in de Aardscheveldschool; deze Ned. Herv. Zondagschool werd geleid door de juffrouwen De Wit, Ottens en Was. In 1928 werd de Aardscheveldschool opgeheven en vervolgens afgebroken; de kinderen gingen naar de nieuw gestichte Ericaschool en Vermeerschool. Lammert Eising (1891 – 1959) was een leerling van de Aardscheveldschool en kreeg als enige zoon van Aoltie ‘Zundag’ door een administratieve fout bij de burgerlijke stand de achternaam Eising in plaats van Eisen. Hij was de vierde zoon van Aoltie die de naam Lammert kreeg, zijn drie voorgangers overleden steeds kort na de geboorte. Lammert Eising trouwde met Alberdina Lenema. Ondanks een goed huwelijk hadden zij gedurende hun verkering een korte tijd van verwijdering.

Wander Eleveld zong het volgende versje uit zijn jongens jaren:
“Alberdien, Alberdien, kom terug
Kom toch gauw eens bij Lamert terug
En anders maakt hij van zijn schoenveter een strop
En hangt hij zich dan met op”.

De houten school die tussen het huis van de bovenmeester Weertman c.q. Van der Berg en het oude stenen gebouw geplaatst werd in 1919 kwam al doende in de tuin van de bovenmeester en op het schoolplein te staan. De kinderen moesten toen haast op de straat spelen. Deze uitbreiding van klaslokalen werd noodzakelijk door de bouw van het Rode Dorp in 1916 en het Blauwe Dorp in 1919 en tenslotte het Witte Dorp.

Meester Kroeze vertelde dat eens twee grootmajoors te paard kwamen aangalopperen; de kinderen die geen verkeer op de Oosterparallelweg gewend waren en door de noodschool gedwongen waren op de weg te spelen stoven opzij. Eén kind raakte gewond. Toen enkele oudere onderwijzers er zich mee bemoeiden, zeiden de ruiters: “We hebben niks me JE te maken, waarop de onderwijzers ook ‘je’ zeiden tegen de grootmajoors. Jan ‘Petroleum’ die een eindje verderop stond schold de grootmajoors ook nog een de huis vol. Deze hebben zich op de Herensociëteit (1780-1940; nu VVV-gebouw) beklaagd. De onderwijzers moesten zich enige dagen daarna bij de politie verantwoorden (ze moesten even meekomen). Hen werd met name kwalijk genomen dat ze ‘je’ hadden gezegd.

De loods van de firma Pinster op de Oosterparallelweg werd in 1912 / 1913 gesticht als Ned. Herv. Evangelisatie en zondagschool door mejonkvr. P.J.C. van der Wijck, kortweg ‘de freule’. De freule gaf rond 1900 al bonnetjes, waar de behoeftigen klompen voor konden kopen. Zij was een sympathieke oudere vrouw volgens Wander Eleveld, die haar erg mocht. Voor de schichting van het “Freule Van der Wijck gebouw” was er zoals gezegd al een Ned. Herv. Zondagschool in de Aardscheveldschool; verder was er toen zondagschool in een wit huisje tegenover het huis van Wander Eleveld aan de Rodeweg 19. Deze werd gehouden onder leiding van ‘meester Mennega’, de oude gereformeerde schoenmaker van de Gedempte Singel en werd bezocht door alle ‘soorten’ kinderen, zelfs de katholieken.






© 2006-2009 www.mijn-eigen-website.nl