In en om Assen





Lombok en het Aardscheveld; "doar mag'k ja zo groag over proaten"
Deel -4-


Bronvermelding:
Lombok en Aardscheveld; door Drs. Meent W. van der Sluis; 1982


'Woning in het veen'. (collectie het Geheugen van Nederland)


Recht op ondersteuning had de behoeftige niet

Voor de stichting van het “Freule Van der Wijck gebouw” was er zoals gezegd al een Ned. Herv. Zondagschool in de Aardscheveldschool; verder was er toen zondagschool in een wit huisje tegenover het huis van Wander Eleveld aan de Rodeweg 19. Deze werd gehouden onder leiding van ‘meester Mennega’, de oude gereformeerde schoenmaker van de Gedempte Singel en werd bezocht door alle ‘soorten’ kinderen, zelfs de katholieken.

Schoenmaker Mennega evangeliseerde ’s avonds door de week in de schuur van Zingstra aan de Anreeperweg en zelfs achteraan op de Bokkestreek in een schuurtje bij Willem Zwiers. Mevrouw Hazeveld bezocht als kind met haar grootmoeder al rond 1900 deze bijeenkomsten. De bemoeienissen van kerkelijke en burgerlijke Armbesturen met de armen vóór 1900 waren uiterst gering. Recht op ondersteuning had de behoeftige niet; wel mocht men een beroep doen op de weldadigheidzin van beter gesitueerden. Deze opvatting was de algemene burgerlijke mening in de 19e eeuw en werd met nadruk verkondigd door de (oude) Provinciale Drentsche en Asser Courant onder redactie van mr. J.A. Willinge Gratema (Prakke, 1951, p. 178).

Diaconie of burgerlijke weldaad in de 19e eeuw, het was alles op filantropie gebaseerd. We noemen met opzet de diaconie eerst daar eerst de kerk moest helpen, pas daarna kwam de burgerlijke overheid; dat was al zo vanaf de middeleeuwen (‘subsidiariteitsbeginsel’). Onder invloed van de Franse Revolutie was bij de invoering van de grondwet van 1798 de algehele scheiding tussen Kerkelijke en Burgerlijke (algemene) Armenzorg tot stand gekomen. Volgens het berucht geworden artikel 13 van de landwet van 1818 betreffende de armenzorg had de armlastige géén recht op onderstand; doch het Kerkelijk en Burgerlijk Armbestuur hadden: “Regt op verhaal tot restitutie’ in het geval dat er geen ‘verjaring’ opgetreden was (‘restitutiestelsel’).

Dat wil zeggen dat het Armbestuur de kosten van ondersteuning van de armlastigen kon verhalen op het Armbestuur van de plaats waar de armlastige het voorlaatst gewoond had of geboren was; deze plaats werd dan het ‘domicilie van ouderstand’ genoemd. Deze restitutie kon het Armbestuur echter alleen verkrijgen als de armlastige binnen een periode van vier jaar tot armoe vervallen was. Had de armlastige meer dan vier jaar als niet-hulpbehoevende burger in een plaats gewoond en was hij pas daarna tot armoe vervallen, dan was er sprake van ‘verjaring’ van het recht op verhaal tot restitutie, m.a.w. de meest recente woonplaats van de armlastige was dan tevens zijn domicilie van ouderstand.


Een aaneenschakeling van afschuifmethoden

Een burgerlijk Armbestuur kon het Burgerlijke Armbestuur, maar ook het Kerkelijk Armbestuur van een andere plaats aanspreken op een restitutie; hetzelfde gold omgekeerd voor een Kerkelijk Armbestuur. Het wordt nog verwarrender! Sinds een Kon. Besluit uit 1825 neemt het Burgerlijk Armbestuur in de meeste dorpen de taak over van de diaconale armenzorg en schrompelt deze laatste, voornamelijk bij gebreke aan middelen voor een toenemend aantal armlastigen over geheel Nederland, samen tot een rudimentair orgaan (iets dat niet of nauwelijks meer tot ontwikkeling komt).

De eerste landelijke (Rijks) armenwet van 1854, waartoe de grondwet van Thorbecke uit 1848 de aanzet vormde, beperkte het restitutiestelsel tot de geboorteplaats (niet gemeente). De kerken kwamen nu ook met landelijke armenzorgregelingen. In plaats van restitutie van onderstandkosten vroeg het Armbestuur van het domicilie van onderstand soms ook zijn armlastige terug; hetgeen betekende dat de armlastige gedwongen werd naar zijn vorige woonplaats terug te gaan.

Aan deze dwangtransporten kwam pas in 1870 een einde door een wet die het restitutiestelsel definitief afschafte. De woonplaats van de armlastige is in alle gevallen ook het domicilie van onderstand. De toestroming van armlastigen naar het Aardscheveld uit andere gemeenten komt dan ook vooral na 1870 opgang. De nieuwe armenwet uit 1912 zorgde voor de uniformering van het steungeldstelsel per gemeente. De door zijn eigenmatig optreden vaak gehate armmeester of armbezoeker met zijn eigen (dorps- / wijks- gewijze) administratie verdween dus in of kort na 1912.

Het subsidiariteitsbeginsel (eerst diaconale, dan pas gemeentelijke steun) bleef echter ook na 1912 van kracht. Het Kon. Besluit uit 1825 betreffende het Reglement op de invoering van Burgerlijke Armbesturen werd in 1834 in Drenthe ingevoerd en naar aanleiding van een Besluit van de Raad van State van kracht in 1847. Het Burgerlijk Armbestuur te Assen startte in 1947 met burgemeester H.J. Oosting als voorzitter; mr. A. Homanen mr. H. Vos namen zitting als leden van de raad en uit de ingezetenen van Assen maakten W.J. Meinsma als secretaris en W. Somer als penningmeester deel uit van dit bestuur. De bewaard gebleven notulen zijn een aaneenschakeling van afschuifpogingen van de armlastigen naar Burgerlijke en Kerkelijke Armbesturen van andere plaatsen; dus om restitutie van de onderstandkosten te verkrijgen


Wie niet in de kerk kwam kreeg geen hulp

Van 1846 – 1870 zijn er enorme bedelregisters bijgehouden betreffende armlastige ex-Assenaren die over heel Nederland wonen en die hun onderstand vanuit Assen ontvingen. Een van de eerste geschillen die we in 1847 in de notulen van het Burgerlijk Armbestuur tegenkomen betreft de Weduwe Pieter Philips. Ze was net weduwe geworden, had veel kinderen en de winter stond voor de deur. De zaak werd voorgelegd aan Gedeputeerde Staten, die verklaarde dat het Burgerlijk Armbestuur te Assen geen recht heeft de aldaar uitgeschrevene verplegingskosten van de Weduwe en haar gezin van de Diakenen der Herv. Gemeente van Rolde terug te vorderen. Blijkbaar heeft ze toen haar man stierf enige tijd in Rolde vertoefd of ging ze, omdat ze in de allerlaatste woning aan de Steendijk woonde ook wel eens in Rolde naar de kerk.

De bewoners van het Aardscheveld en Lombok kwamen niet in grote (NH) kerk en kregen dus ook geen diaconale hulp. Bij volkstellingen en in het gemeentelijk bevolkingsregister gaven zij, op een enkele rooms-katholieke en joodse na, allen NH als godsdienst op. Het armbankje in de grote kerk had als rugleuning alleen een smalle plank en had geen deurtje tegen de tocht en was bestemd voor de kerkelijk – meelevende bedeelden b.v. uit het armhuis. Bij bestudering van het archief van de Ned. Herv. Diakonale Armenzorg komen we net als bij het archief van het Burgerlijke Armbestuur slechts uitgebreide registers tegen betreffende de periode 1843 tot 1851; tenminste als het gaat om de armlastigen in Assen woonachtig.

Optekeningen over de uiterst slechte situatie van 1878 tot 1895 ontbreken helaas zowel bij de kerkelijke als burgerlijke armenzorg. Wat betreft de diaconale zorg betreft het over de periode 1843 – 1851 vooral ‘Registers van bedeling’ en een ‘Register van afgegeven bons voor brood en geld’. Het betreft hoofdzakelijk de huiszittende armen. We komen daar zoals uit bovenstaand betoog te verwachten valt slechts weinig familienamen tegen, die we later op het Aarscheveld en Lombok ook weer tegen komen. Sommigen blijken ook zowel kerkelijk als burgerlijk bedeeld te worden als men de lijsten vergelijkt.

Behalve brood en geld worden er nog veel andere zaken verstrekt zoals: kleren, klompen, aardappelen en turf; ook wordt 12 ½ cent betaald voor een hemd dat genaaid is door een weduwe. We komen de volgende families tegen (1843 – 1851): Roelof Eising, Zondag, Aaltje Frensen, Hendrik Nijboer, Jan Vennink, velen met de naam Dekker, Weduwe Rozee, Anna Schothorst, Jan Gerrits Kok en Johan Christoph Klaucke.


Bijschrift bij foto: "Blinde van Gelder en dochtertje". Bron: "Mijn Boek" van Leendert Van Aalst


Batha ‘Cent’ Jans Linker

Batha ‘Cent’ Jans Linker woonde schuin tegenover de Aarscheveldse school op de hoek Oosterparallelweg – Rozenstraat n.z. (later stond daar de groentewinkel van Jochem Boxma). Noordelijk tegen haar huis aan stond het huisje van Weduwe G. Bosman; achter aan deze beide huizen vast zat de woning van Martinus B. Jongma en Lammechien Sloots. Bartha ‘Cent’ woonde hier van c. 1898 tot 1907, nadat ze eerder achteraan de Anreeperweg gewoond had. Bartha was de tweede vrouw (huwelijk 1864) van Harm ‘Cent’ Jans (1823 – 1891), de zoon van Zent Jans; hetgeen de bijnaam verklaart.

Nu eerst nog iets over de afkomst van Batha. Zij was in 1835 geboren als dochter van de veenarbeiders Roelof Linker en Henderkien Geerts te Kloosterveen. Dankzij Jacob van Lennep weten we iets over het ontstaan van Kloosterveen. Aan weerskanten van de vaart werden nieuwe plaggenhutten opgericht en stonden er turfstapels als Van Lennep er in 1823 langs wandelt. Veel hutten komen er ook langs de Domeinwijk; langs deze wijk staan nu geen huizen meer. In 1834 neemt Assen een heel stuk van Kloosterveen van Smilde over en de kadasterkaart van 1832 is wat betreft de aanwezigheid van hutten niet te vertrouwen. Inwonertallen zijn ook door de trekkende veenarbeiders moeilijk te geven.

School 7 te Kloosterveen wordt in 1842 op het grondgebied van Dr. H.J. Nassau gesticht; bij een bezoek van de schoolopziener in 1844 treft hij er een 80 tal kinderen van veenarbeiders aan, maar veel kinderen werkten ook in het veen. Een Asser garnizoensdetachement moest te Smilde (1842) en aan de Norgervaart (1846) de rumoerige veen- en kanaalwerkers in bedwang houden. De jaren 1844 – 1849 waren de hele slechte jaren en we komen Roelof Linker dan ook tegen bij de afgifte van broodbons in 1847.

Bartha Jans – Linker heeft in haar leven heel wat meegemaakt, maar deed haar best er keurig uit te zien. Toch zei ze altijd dat ze geen kleren had om naar de grote kerk te gaan; er was een grote kloof tussen de Ned. Herv. Kerk te Assen met haar liberaal – elitaire inslag en de gewone bewoner van het Aardscheveld of Lombok zelfs als deze gelovig was. Mevrouw Hazeveld, de kleindochter van Bartha, die vanwege de scheiding van haar ouders bij haar grootmoeder opgroeide, kan zich voor het jaar 1904 het inkomsten- en uitgavenpatroon precies herinneren; zij was toen negen jaar oud: Inkomsten en uitgaven per week in 1904 van Bartha Jans – Linker


Inkomsten

Burgerlijke Armenzorg door meneer G.C Cool 35 cent
Huishoudhulp bij Meester Weertman 11 stuiver
Heide snijden per zak 12 ½ cent


Uitgaven

Huur aan de snikkevaarder van ‘Smilder Bootie 25 cent
½ pond suiker 2 cent
1 doos lucifer 1 cent
1 stukje sukerei (cichorei) 2 cent
1 ons koffie 8 cent
½ ons suiker ½ stuiver
1 roggestoetie 1 dubb.
1 ons boter ?
Stroop 2 cent


Bij meneer G.C. Cool aan de Groningerstraat (nu Masiun) haalde de weduwe op maandag 35 cent steun Een zak gesneden heide kon soms verkocht worden aan mensen op het Aardscheveld die een geit of schaap hielden; deze bracht 12 ½ cent op. Achter ‘Ons Huis’ (in 1903 gesticht door de Toynbee – vereniging) aan de Javastraat kon men één keer per week één kop gort of bonen en een half roggebrood (zesponder) krijgen (volgens Jans Koster ook 50 turven in de winter).

De armbezoekers die de uitdeling deden, waren volgens mevrouw Hazeveld: “Olle’ Dekker (vader van de boekbinder in de Molenstraat), Siegers (uit de Mulderstraat) en bakker De Haan (uit de Groningerstraat); ze zaten daar dan met z’n drieën aan een tafel. De armbezoekers zochten de bedeelden ook op ‘om te kijken of het nodig was’, volgens Jans Koster. Een van de laatste armbezoekers was Piet Slagman.

De uitdelingen van Armenzorg vonden ook plaats in het nu nog bestaande Nutsgebouw aan de Javastraat (in 1902 gesticht door het departement Assen van ‘de Maatschappij tot nut van het algemeen’, dat al in 1826 was opgericht). Vóór 1902 zat de Nutsbibliotheek bij winkelier Van Houten in de Rolderstraat. De weduwe Bartha Jans – Linker ging ook met haar kleindochter soms een bonnetje voor een half brood halen in het Gouvernementsgebouw. De vereniging ‘Dorcas’ (opgericht in 1853 door verschillende godsdienstige groeperingen) verstrekte naaiwerk.

De weduwe Bartha Jans – Linker ging dan naar apotheek Karsten in de Kerkstraat, waar de oude mevrouw Karsten geknipte gele (ongebleekte) katoen gaf om een hemd te maken, dit leverde 25 cent op Ook werd een laken met naad verstrekt om er een beddenlaken uit te maken, dit leverde één stoter (= 12 ½ cent) op. Op zaterdag was het altijd spannend voor mevrouw Hazeveld of er nog twee cent voor stroop over was van het wekelijkse budget. “bent d’r nog twee cent veur een beetie stroop? “ vroeg zij dan aan haar grootmoeder.


De barakken aan de Dahliastraat. Op de achtergrond de poort naar het Lod. Napoleonplein. (Tekening Herman Frankot)


De barakken aan de Dahliastraat

Op de prachtige tekening van Herman Frankot (die hij ‘naar het geheugen’ tekende) zijn de barakken achter het Rode en Blauwe Dorp te zien in 1920. Herman zijn oom Kees (Cornelis) Frankot woonde erin met zijn gezin. Er woonden twee gezinnen per barak. De barakken stonden op palen; er huisde nogal wat ongedierte zoals ratten, die uit het veentje kwamen. Ik tel 8 á 9 van deze dubbele woonbarakken aan de zuidzijde van de latere Dahliastraat op de Topografische kaart van 1921 (uitgave 1926). De bewoners zijn later in het Blauwe Dorp (gebouwd vanaf 1919) terecht gekomen. Aan het eindpunt van het weggetje zien we op de tekening het poortje en de huizen aan het Lodewijk Napoleonplein van het Rode Dorp (1916 – 1918). Er zijn ook van dergelijke barakken geweest aan de Melkweg (nu Lindelaan), aan de zuidkant van het Witte Dorp.

Tenslotte moet nog iets verteld worden over de grootvader van Herman Frankot. Dat was n.l. de in die tijd de zeer bekende wonderdokter Frankot. Ik heb met veel mensen gepraat die door hem genezen zijn van hun kwalen (van wratten tot en met breuken). De wonderdokter woonde in de Steendijkbuurt en op het laatst aan de Ericastraat (nu Pelikaanstraat).

Albert Hartsuiker (1881 – 1955) en zijn vrouw Dina Hartsuiker – Jetses (1882 – 1955) hebben veel betekend voor de arbeiders in Assen. Na hun huwelijk woonde ze eerst op de Steendijk en vanaf 1918 aan de Anreeperstraat (nu Narcisstraat 54). Albert Hartsuiker was werkzaam bij de Spoorwegen te Assen. Hij werd na de spoorwegstaking in 1903 ontslagen en heeft tot zijn pensioen gewerkt als kruier aan het station. Zijn schoondochter mevr. A. Hartsuiker – Koster (een dochter van Jans Koster), vertelde dat de spoorwegstaking van 1903 hem er toe brachten zijn gereformeerde achtergrond de rug toe te keren. “Hij kon Abraham Kuyper’s houding niet met zijn geweten in overeenstemming brengen”. Zodoende kwam hij bij de Domela – beweging. Domela Nieuwenhuis bezocht al vanaf 1881 de Zaal der Werklieden Vereeniging (bovenzaal van J. van Houten, later Wilhelminazaal aan de Rolderstraat). Hij trachtte binnen de Asser Werklieden Vereeniging (‘Werkmanslust’ door de Fries Hoeke Rommert in 1871 opgericht) aanhang te verkrijgen.

Werkmanslust was een links – liberale arbeidersvereniging in de geest van het ANWV, doch geen lid van die landelijke vereniging. Domela had in die begintijd van de sociale beweging in Assen vooral Jan Draad (kleermaker uit de Groningerdwarsstraat en lid van Werkmanslust) en Douwe Boersma (beddenwinkelier uit de Kruisstraat) als voorvechters. Jan Draad’s bezoek aan de Haagse kiesrechtdemonstratie in 1885 was indirect aanleiding tot rellen in Assen, waarbij nogal wat ruiten van herenhuizen (de zogenaamde ‘Asser Paleizen’) sneuvelden.

Het was met name Douwe Boersma (volgens Jan Koster) die zich het lot van de armste Assenaren op het Aardscheveld aantrok. Douwe Boersma verscheen vanaf ca. 1892 op de meetings tussen de keten en barakken aan de Rodeweg (waar nu de Ericaschool staat). Hij zei tegen de rooie Lombokkers: “Kap maar hout voor een volksgebouw”. Op de vraag: “En als we dan gepakt worden?”, zei hij: “Dan schiet je ze naar”, en hij schijnt daadwerkelijk een revolver uit zijn zak gehaald te hebben. Men moet hierbij bedenken dat de Hongerwinter verschrikkelijke ellende te weeg brachten op het Aardscheveld en Lombok. Intussen bleef Jan Draad actief bij de komst van Troelstra in 1896 naar Assen (weer in zaal [inmiddels Willem] Van Houten, waar Jan Draad de vergadering presideerde). In het verkiezingsjaar 1904 ageerde hij tegen de veel te gematigde voorzitter van ‘Werkmanslust’: Johannes Machiel Duiker, meesterknecht in Heike Westra’s zeepziederij (ook deze vergadering was in dezelfde zaal)


De kleine stem

P.H. Walstra had in 1903 een SDAP-afdeling te Assen opgericht, die zich voorzichtigheidshalve eerst “Volkkies veereeniging” noemde, doch het programma van de SDAP volgde. In 1905 trad Albert Hartsuiker als lid toe en werd men openlijk SDAP-afdeling. Vanaf 1910 werkte Albert Hartsuiker samen met Ds. W.E.P. Gems (1878-1970), wiens rustige behaarde verschijning velen nog bekend zal zijn; sinds 1907 was deze gestichtpredikant te Veenhuizen. In 1932 ging Albert Hartsuiker over naar de OSP (Onafhankelijke Socialistische Partij) welke ontstaan was uit de meer linkse oppositie binnen de SDAP. In 1944 zette hij zich enorm in voor de tweede spoorwegstaking van de Nederlandse geschiedenis. In 1946 trad hij toe tot de PvdA. Niet onvermeld mag blijven zijn werk voor de Coöperatie ‘De Dageraad’ in Assen, die hij hielp oprichten en waarvan hij tot zijn dood ledenraadslid bleef (zie ook: Het Vrije Volk – maandag 7 maart 1955).

Zijn vrouw Dina Hartsuiker – Jetses richtte samen met mevr. Brok – Troelstra (een zuster van Pieter Jelles Troelstra, woonachtig Rodeweg 34, waar nu H.J. Werkman woont) en mevrouw Hoetjer in het voorjaar van 1919 de arbeiderskinder zangvereniging ‘De Kleine Stem’ op. Koorleider werd Leendert van Aalst (1887 – 1967) Terloops kan hier nog medegedeeld worden dat Troelstra in de 70er jaren enige tijd te Assen woonde en het Asser gymnasium bezocht. Het Rode- en Blauwe Dorp en de omgeving van de Tuinstraat (‘Tranendal’) was zo rood rond 1926 dat de marechaussee en de politie zich er op 1 mei niet durfden te vertonen. Overal wapperden dan de rode vlag. De vader van mevrouw Hazeveld had ’s nachts voor het bezoek van Koningin Wilhelmina in 1907 de rode vlag op het Gouvernementsgebouw gezet, hij kreeg daarvoor zoals afgesproken 25 gulden.



Leender Van Aalst

Wij zijn op het eindpunt van onze wandeling beland op de Melkweg (= Tuinstraat). De familie Van Aalst zit op de foto naast hun boerderij (van wit zandsteen) tegenover de ingang van de Dahliastraat (nu Begoniastraat). Het werd kort na 1889, toen Leendert Van Aalst (1887 – 1967) met zijn ouders te Assen kwam wonen, gebouwd. In 1889 betrokken zij eerst een oud huisje op dezelfde plek.
Het witte boerderijtje werd afgebroken in 1967 toen de Fontijnschool er kwam, schuin tegenover Van Aalst woonde vanaf 1913 mevrouw H. Hazeveld – Ringenaldus. Het timmermansvak lag Leendert van Aalst niet en toen hij in april 1919 kinderkoordirigent werd van ‘De Kleine Stem’ legde hij voorgoed de hamer neer. In de loop van zijn verdere leven dirigeerde hij verschillende (kinder) koren.

Zijn kunstbroeder Louis Krans, tekenleraar aan de RHBS en kunstschilder, hielp hem bij het maken van decors voor de uitvoeringen.
Louis Krans moet naar men zegt een aantal Lombokkers geportretteerd hebben (o.a. Zwarte Peter). Leendert van Aalst speelde graag viool, zijn lijflied was: “De Schoonste feestdag” van Catharina van Rennes. Wij kunnen in de Asser Courant van 9 januari 1937 en 28 april 1944 over zijn levenswerk lezen.

Assen, ‘Stad der Paleizen’ is in hun jeugdherinneringen beschreven door de elitaire schilder Louis Roessingh en de van afkomst links – liberale schrijver Jan Fabricius. Over het Aardscheveld en Lombok met hun vele keetbewoners reppen zij niet.

Zelfs Anne de Vries, die de armoe door en door gekend heeft, beschrijft de stropers uit de huttenstreek en woonwagens in zijn boek ‘Wij leven maar eens’ (1951) als een gedegenereerd slag Assenaren, welke in sociaal opzicht mijlen ver onder de rode of gereformeerde Asser arbeider staan. Leendert van Aalst laat in ‘Mijn Boek’ (zijn korte beschrijving bij zijn plakalbum) zien dat de Lombokkers menselijke mensen waren. Sterker nog, hij heeft van hen muziek geleerd, zoals hij zelf zei. Omgekeerd heeft hij ze ook gevormd en niet alleen muzikaal.






© 2006-2009 www.mijn-eigen-website.nl