In en om Assen




De zuivelfabriek Acmesa


Bronvermelding:

jaarverslag Acmesa over het boekjaar 1972 – 1973, website zuivelhistorienederland.nl en Asser Historisch Tijdschrift; nummer 3 / september 2009. Een artikel van Martin Hiemink



Bron foto: website van zuivelhistorienederland.nl


In het jaarverslag 1972 – 1973 van Acmesa, waarin men positief was over zowel het heden als de toekomst van de zuivelfabriek, stond het volgende beschreven:


2 November 1908

In de Drentse en Asser courant van 2 november 1908 komt een groot artikel voor over Acmesa: De aanhef luidt aldus:
“Wij brachten hedenmorgen een bezoek aan de in voller werking zijnde Asser Coöperatieve Melkinrichting en Stoomzuivelfabriek en zijn in de gelegenheid, dank zij de voorlichting van den Directeur en den Zuivelconsulent, die ons alle inlichtingen verstrekten en ons hebben rondgeleid, het volgende omtrent het hoogst interessante bedrijf mede te deelen”.

Hierna wordt een rondgang door het bedrijf beschreven, beginnende met de aanvoer van de melk. Die vond toen nog plaats in bussen en met paard en wagen en deels per boot. Vervolgens wordt uitvoerig beschreven de verdere behandeling: centrifugeren, pasteuriseren, koelen, ontromen, roomzuring, karnen en kneden van boter, het vullen van de beugelflessen met melk en karnemelk, het verpakken van de boter, enz. Assen was toen nog niet wat het nu is. We lezen n.l.: “Door een drietal venters word de melk in vertind koperen kannen door de geheele stad gereden”.

We moeten echter wel bedenken, dat ook vele veehouders zelf de melk in de stad uitventten in die tijd. Ook toen reeds was het streven van Acmesa de klant melk te leveren van hoge kwaliteit. De melk werd gepasteuriseerd afgeleverd. Bovendien stond het vee, de stallen en het gehele bedrijf van de veehouders, waarvan melk voor consumptie gebezigd werd, toen reeds onder voortdurend toezicht van een veearts. Datzelfde streven van toen is steeds richtsnoer gebleven!


Bron foto's: website van zuivelhistorienederland.nl


Vóór 1908

In het laatst van de 19e eeuw was het nog de gewoonte, dat de boerin zelf aan de karnpols stond. Op grote boerderijen had men een karnmolen, aangedreven door een hond of een paard. De melk werd te romen gezet en de room werd de volgende dag gekarnd. De ondermelk werd gebruikt als veevoer. Het uitvinden en construeren van een handkrachtcentrifuge versnelde het ontromen en schiep de mogelijkheid tot het oprichten van kleine fabriekjes, eerst allemaal particulier, waarvan de eerste in ons land werd opgericht in 1879. Pas in 1886 werd de eerste coöperatieve boterfabriek opgericht, aangedreven door een stoommachine. Maar de meeste begonnen eerst als handkrachtfabriekjes.

In 1895 waren er in Nederland 483 boterfabriekjes, waarvan 216 coöperatief werkten. In 1908, het oprichtingsjaar van “Acmesa”, was het aantal reeds 930, waarvan 685 coöperatieve en 245 particuliere. In en om Assen waren verschillende kleine fabriekjes, zowel coöperatief als speculatief. 11 mei 1897 werd opgericht een Bond voor Coöperatieve Zuivelfabrieken in Drenthe. Deze richtte op een Centrale Knederij, waar van verschillende Drentse fabriekjes de boterkorrels centraal werden gekneed. Aanvankelijk ging het goed met deze inrichting. Ze was gevestigd aan de Parallelstraat in Assen. Maar na de aanvankelijke bloei ging het achteruit tot men haar moest sluiten. Het gebouw zou publiek worden verkocht.


Het ontstaan van Acmesa

De toenmalige zuivelconsulent te Assen, de heer J.H. van Weydom Claterbos, beijverde zich om verschillende fabriekjes in en om Assen te bewegen samen een grotere fabriek op te richten. Dit gelukte en de nieuw opgerichte vereniging kocht op de openbare verkoop het gebouw van de Centrale Knederij, staande op de plaats waar nu nog Acmesa is gevestigd, want de nieuwe vereniging was de Asser Coöperatieve Melkinrichting en Stoomzuivelfabriek te Assen, welke beginletters de merknaam ‘ACMESA’ hebben doen ontstaan.  Later werd de naam: Asser Coöp. Melkinrichting en Melkproductenfabriek “Acmesa”. Op 11 februari 1908 vond de oprichting van de nieuwe vereniging plaats bij notariële akte verleden voor notaris Rambonnet te Assen.

Op 17 februari 1908 werd deze akte geregistreerd en op zaterdag 21 maart 1908 afgekondigd in de Nederlands Staatscourant. De oprichting geschiedde door in totaal 131 veehouders verdeeld over de volgende dorpen: Zeijerveen (6), Zeijen (33), Benkoelen (4), Peelo (4), Ubbena (2), Rhee (2), Kloosterveen (15), Loon (17), Anreep (9), Schieven (4), Het Aardsche Veld (1), Ter Aard (6), Ter Aardsche Weg (3), Veeningerland (3), Wortelkamp (1), Eleveld (8), Duurze (13). De oprichting van Acmesa was dus een gevolg van een fusie van verschillende kleinere fabrieken, ofschoon dat woord toen niet werd gebruikt. Fusie is dus van de aanvraag af een bekend begrip geweest voor Acmesa.


Tijdens de crisisjaren werden bovenstaande sluitzegels verspreid. (bron: jaarverslag Acmesa 1972 - 1973)


Aan de oprichting deden de leden van de fabriekjes te Graswijk, Zwartwatersweg, Kloosterveen, Loon, Zeijen en Deurze (toen nog Duurze geheten). Het boterfabriekje te Witten deed aanvankelijk niet mee. Ook aan de Essstraat te Assen, later verhuisd naar de Witterstraat, stond een fabriekje. Deze was echter particulier bezit. Het heeft nog jarenlang naast Acmesa bestaan, maar door verloop van leveranciers moest het uiteindelijk sluiten. Na een verbouwing van de Centrale Boterknederij en aanschaffing van machines kon op 16 augustus 1908 de eerste melk worden ontvangen en verwerkt. Tot directeur was benoemd de heer J. de Lange uit Frederiksoord. Aanvankelijk werd alleen boter gemaakt en ging de ondermelk en de karnemelk terug naar de veehouders.


Door de aanschaf van turf werd de ketel onder stoom gehouden

Na enkele maanden werd begonnen met de verkoop van consumptiemelk in de stad. In een groot artikel in de krant van 2 november 1908 beschreef een journalist zijn bezoek aan de fabriek. Uit dit artikel blijkt, dat de fabriek toen voor die tijd zeer modern was opgezet. Vanaf het eerste begin is het devies geweest kwaliteitsproducten te maken. Acmesa ontwikkelde zich snel en gezond. De oorlogsjaren 1914 – 1918 deden echter de melkaanvoer geducht dalen en aan het eind van de oorlog was deze weinig groter dan in het eerste boekjaar. Daarna steeg de melkaanvoer echter weer snel. In 1916 volgde de heer M. Krol de om gezondheidsredenen teruggetreden heer De Lange op als directeur.  De jaren na de eerste wereldoorlog brachten velerlei moeilijkheden mee.

De kolenvoorziening was lang niet altijd verzekerd. Vaak moesten grote partijen turf worden aangekocht om de ketel onder stoom te houden. Bovendien werd de melk gedistribueerd met alle narigheid van dien. Kort na de oorlog werd begonnen met de bereiding van caseïne (Caseïne is een dierlijk eiwit dat voorkomt in melk. Het is veruit het belangrijkste melkeiwit. Het is belangrijk voor de voeding van het jong, want het is gemakkelijk afbreekbaar in essentiële aminozuren voor de synthese van andere eiwitten.) en enkele jaren later met de bereiding van nagelkaas en melkpoeder. Tot 1962 werd alleen de melk, bestemd voor consumptiemelk, twee maal per dag opgehaald van de veehouders. In 1926 werd besloten alle melk in de zomermaanden twee maal per dag op te halen. Dit in verband met een ander besluit: het bouwen van een geheel nieuwe kaasfabriek. In 1927 wordt meer dan 10.000.000 liter melk ontvangen.


Bron foto's: jaarverslag Acmesa 1972 - 1973


In 1928 begon Acmesa als eerste fabriek in Nederland met de productie van weibrokken. Tot dan was wei een afvalproduct, dat gedeeltelijk als veevoer weg ging, maar voor een ander groot deel in het afvalwater terecht kwam. Dit gaf moeilijkheden in Assen, vandaar dat Acmesa die wei ging drogen en de weibrokken aan een handelaar verkocht. In hetzelfde jaar werd besloten tot tbc – bestrijding onder het rundvee. Leider van de gezondheidsdienst voor dieren van Acmesa wordt Dr. J. Staal, vader van onze huidige dierenarts. In 1930 werd door de Minister van Binnenlandse Zaken en Landbouw onze gezondheidsdienst officieel erkend.


In de jaren ’50 werd een zuivelwinkel aan de Singelstraat aangekocht

In 1932 komt de heer Krol te overlijden en werd als directeur opgevolgd door de heer W. Idema. Ter opvoering van de kwaliteit van de aangevoerde melk werd in 1935 besloten deze mede uit te betalen naar kwaliteit. De bepaling van de kwaliteit werd reeds jarenlang uitgevoerd. Twee nieuwe karnkneders werden aangeschaft. In 1937 werd na een stilstand van 10 jaren opnieuw begonnen met de productie van caseïne en de capaciteit van de poedermakerij werd verdubbeld. De melkveestapel van Acmesa was als eerste in Nederland reeds zo goed als tbc – vrij. Het reactiepercentage was gedaald tot 0,3 % hetgeen nog veroorzaakt werd door aankopen van buiten ons gebied.

Wij zijn nu in de slechte vooroorlogse jaren terechtgekomen met lage prijzen en overschotten. Direct daarop volgden de oorlogsjaren met de moeilijkheden van dien. De melkaanvoer daalde tot 1/3 van normaal. Machines konden niet worden vervangen. Het rijdend materieel werd slecht. Dat duurde tot enkele jaren na de oorlog. Onmiddellijk na de oorlogsjaren werd de installatie in de kaasmakerij nog een tijdlang gebruikt voor de bereiding van een geneesmiddel! Na de oorlog kon weer worden begonnen, zij het eerst langzaam met vernieuwing van alles, wat verouderd was geraakt. De melkaanvoer steeg in enkele jaren tot ver boven het vooroorlogse peil. Men had in de oorlog het voedingsmiddel melk beter leren waarderen en het verbruik per hoofd van de bevolking steeg tot het dubbele van voor de oorlog.

De vraag naar verpakte melkproducten werd steeds groter. In 1947 werd de melkinrichting al voorlopig uitgebreid, maar in 1955 kwam een grote nieuwbouw gereed. In hetzelfde jaar werd aan Acmesa een gouden medaille toegekend voor het 10 jaar achtereen behalen van een diploma bij de boterkeuringen. Een nieuw kantoorgebouw verrees naast de fabriek. Een zuivelwinkel aan de Singelstraat werd aangekocht. Begonnen werd met de verkoop van zogenaamde bijproducten door de melkverkopers. Naast de aanwezige enkele kleine bezorgauto’s voor de buitenroutes werden de eerste motortrucks aangeschaft voor de melkbezorging. De heer W. Idema werd in 1957, na 25 jaar directeur te zijn geweest, opgevolgd door de huidige directeur, de heer T. Oosterloo.


Foto links: de zuivelwinkel in de Singelstraat eind jaren '50. Foto rechts: De melkman van Acmesa; een bekend beeld in Assen in de jaren '60 en '70. (bron foto's: jaarverslag Acmesa 1972 - 1973)


Eind jaren ’60 wordt voor de dagmelk overgegaan op verpakking in plastic zakjes

De ontwikkeling van het bedrijf ging nu in snel tempo voort. In 1957 werd weer pionierswerk verricht. Als eerste fabriek in Nederland werd door de Acmesa vierkante kaas geproduceerd, dit in afwijking van de traditionele soorten Gouda en Edam. Er kwam hiernaar vraag vanuit de markt. (Nu wordt er jaarlijks meer dan 4.000.000 kg vierkante Acmesa – kaas gemaakt) In 1958 traden de leden van de zuivelfabriek “Smilde” toe tot Acmesa. De kaasmakerij werd aanzienlijk uitgebreid en gemoderniseerd. Het stoken van kolen werd vervangen door automatische oliestook. Het laboratorium werd vergroot en gemoderniseerd en kreeg een afdeling eiwitonderzoek.

De melkontvangst werd geautomatiseerd. De poedermakerij werd verbouwd en werd een indampinstallatie rijker. De opslagcapaciteit van melk werd uitgebreid. Naast deze enorme investeringen werden nieuwe werkmethodes ingevoerd. Steeds werden nieuwe werkwijzen in het zuivelbedrijf op de voet gevolgd of zelf ontwikkeld. In september 1958 werd het 50 – jarig bestaan van de vereniging gevierd. Ongeveer 4000 personen bezochten de receptie en de feestavond! De heer W. van der Spoel recipieerde in 1959 ter gelegenheid van zijn 25 – jarig voorzitterschap..Er wordt een nieuwe poedermakerij gebouwd en ingericht. Na een uitgebreide studie op dit terrein wordt in 1960 de eerste rijdende melkontvangst besteld.

De melkbezorging wordt gesaneerd. In de fabriek wordt de procesbeheersing ingevoerd met de daaraan gekoppelde prestatiebeloning. Een tweede rijdende melkontvangst verschijnt op de weg. Een rijdende spoelmachine voor bussen wordt ontwikkeld en in gebruik genomen. Een marktonderzoek naar de detailafzet wordt in 1964 uitgevoerd in Assen. 1965 is het jaar van de derde gouden medaille voor boter. Ook weer een prestatie, die in Nederland nog niet eerder is geleverd. In november 1966 treden de leden van de Zuivelfabriek “Halen” te Hooghalen toe tot Acmesa. Voord de dagmelk wordt overgegaan op verpakking in plastic zakjes. Een nieuw merkbeeld wordt geïntroduceerd.


In Assen vormt Acmesa de oudste industrie

In 1967 wordt overgegaan op het stoken van aardgas in het geheel vernieuwde en geautomatiseerde ketelhuis. Een positieve bijdrage aan het tegengaan van luchtverontreiniging. De hoge schoorsteen wordt sindsdien niet meer gebruikt. Sinds 17 mei 1967 vindt de melkaanvoer te Assen uitsluitend plaats met rijdende melkontvangsten. De leden van de zuivelfabrieken te Zuidlaren en Peize treden toe tot Acmesa. Een verstuivingstoren voor melk en wei wordt in gebruik genomen. De oude karns worden vervangen door een roestvrijstalen kegelkarn. De kaasmachines worden vervangen door vier grote met 2 draineerbakken. Een eerste rijdende winkel wordt aangeschaft.

Het gehele jaar door wordt wei bijgekocht en in de wintermaanden ondermelk. De totale verwerking bedroeg in het voorlaatste boekjaar 110 miljoen kg melk en wei en in het laatste boekjaar 141 miljoen kg. Een nieuw diep pekellokaal is in gebruik genomen. In de poedermakerij staan nu drie indampinstallaties. De melkontvangstations te Zuidlaren en Peize worden gesloten, zodat behalve in Hooghalen overal de melk wordt opgehaald met rijdende melkontvangsten. Bij de veehouders worden steeds meer melkkoeltanks geplaatst. Het aantal rijdende winkels is nu 8 stuks. In de voorbereiding zijn verschillende voorzieningen voor koelwater en afvalwater.

De vier pijlers waarop Acmesa steunt, zijn: kaas, melk- en weipoeder, consumptiemelkproducten en levensmiddelenhandel. Getracht wordt deze mogelijkheden zoveel mogelijk te benutten. Nu, 65 jaar na de oprichting is Acmesa nog springlevend en is haar naam in de Nederlandse zuivelindustrie ingeburgerd. In Assen vormt Acmesa de oudste industrie. Het ondernemerschap, door de veehouders in de verre omgeving van Assen getoond, heeft zeker resultaten opgeleverd! In haar opdracht een zo hoog mogelijke prijs voor de melk van haar leden te maken, is Acmesa goed geslaagd. Dit alles was mogelijk door het vertrouwen van haar leden en de bereidheid te investeren.


Overzicht van het Acmesa complex in het jaar 1962. (Bron foto: website van zuivelhistorienederland.nl)


Acmesa zal tot in lengte van dagen ‘een bron van gezondheid’ voor de consumenten blijven

Zodoende kwamen er voor het bedrijf meerdere productiemogelijkheden en verbreedde dit al vroegtijdig de basis. Mede door de werklust en de toewijding van vele medewerkers in het bedrijf is het gelukt om nu vandaag met trots te kunnen zeggen: “Dit is Acmesa”. Technisch bij de tijd, financieel gezond en goede mogelijkheden voor de toekomst! Acmesa, dat onwrikbaar als een gletsjersteen voor haar kantoor een belangrijke plaats inneemt in het land van Bartje, zal ook voor de consumenten tot in lengte van dagen blijven: “een bron van gezondheid”.


Salomon van Veen in de zomer van 1955 met de handkar voor bakkerij Dorgelo aan de Pelikaanstraat (collectie Jan van Veen)


Melkventer van Veen

In het midden van de jaren zestig werkten er bij melkfabriek Acmesa aan de Parallelstraat ongeveer 35 melkventers. Onder hen Salomon van Veen, die van ongeveer 1950 tot 1972 zijn wijk in de Vogelbuurt en later de Schildersbuurt in Assen-Oost had. Op de foto, die we leenden van zijn zoon Jan, zien we de dan 40-jarige Van Veen in de zomer van 1955 met de handkar voor de bakkerij van Dorgelo aan de Pelikaanstraat. In die jaren was het bezorgen een zware baan. Dat begon meteen al 's morgens met elkaar helpen de handkarren de steile spoorwegovergang — de Tunnel was er nog niet — over te duwen. Daarna vervolgde ieder de weg naar zijn wijk. Het beperkte assortiment van Acmesa bestond uit volle melk. Op de kar was plaats voor een viertal melkbussen waaruit per liter (of een halfje) rechtstreeks in moeders melkkan werd getapt.

Verder karnemelk, karneelkse pap, kaas en enkele soorten margarine. De verkoop van vla, slagroom en roomboter beperkte zich in de volkswijken toen nog tot feesten verjaardagen. In later jaren kwam er flessenmelk (een tijdje in plastic zakken) en waren er veel nieuw ontwikkelde zuivelproducten, als koffiemelk en baby- en kindervoeding. Acmesa verkocht geen producten die niet tot de zuivelindustrie gerekend konden worden. Dus geen frisdranken, wel Rivella. In hun jeugd moesten Jan en zijn broers hun vader op zaterdag vaak helpen. Met de komst van de gemotoriseerde ventwagen (de 'Mexicaanse hond') werd het allemaal een stuk lichter. Vanaf het midden van de jaren zestig hadden de melkventers een elektrotruck. Per 1 december 1980 stopte Acmesa met de melkbezorging aan huis.


Een persbericht

De voormalige zuivelfabriek Acmesa in Assen maakt de komende jaren plaats voor 80 woningen en kantoren.

Dinsdagochtend 20 nov. 2007 is begonnen met de sloop van deze kaasfabriek van Friesland Foods. Het bedrijf werd in 1908 opgericht als de Asser Coöperatieve Melkinrichting en Stoomzuivelfabriek. Later werd de fabriek vooral bekend onder de naam Acmesa. In 2005 moest de fabriek van eigenaar Friesland Foods de deuren sluiten. Het bedrijf Arcadis nam het complex over. De sloop van de melkfabriek moet volgend jaar maart klaar zijn.

Beluister hier een geluidsfragment van RTV-Drenthe over de sloop van Acmesa


De Prins Hendrikstraat anno 2001 (foto Sietse Kooistra)


En de rest is geschiedenis ….

De Acmesa - fabriek gaat een tweede leven tegemoet als wegverharding. In februari komt er een puinbreker op het bedrijfsterrein te staan. Daarin worden steen en beton vermalen tot handzame brokjes. De steenslag gaat vanaf het Ac­mesa terrein rechtstreeks naar een weg in aanleg. "Zo bespaar je aanzienlijk op transportkosten. En hoe minder kilometers vrachtwagens maken, hoe beter voor het milieu", weet Bork. Hij schat dat er zo'n 10.000 ton puin weggereden moet worden. Zeg maar 400 grote kiepwagens.

Meedogenloos heeft een van de grijpers zijn tanden in La Gare gezet, zodat voor nieuwsgierige maar keurige blikken eindelijk de weg vrij is naar het interieur van de voormalige hoerenkeet. De helft van het dak en een gevel zijn weggevreten, maar veel meer dan wat groezelig uitgeslagen, ooit goudkleurige muren, valt er niet te zien.

Hoe verder je de zieltogende fabriek inloopt, hoe zwaarder de duisternis de overhand krijgt. De eerste hal wordt nog flauw beschenen door daglicht uit de gaten in het dak. In een hoek scharrelt een graafmachientje stukken isolatiemateriaal bij elkaar.

Verderop in de donkere fabriek moet je heel voorzichtig schuifelen. Pas op, er liggen drempels. Glas kraakt onder je schoenen. In de verte klinken lekgeluiden van regenwater, Gek: al die jaren later ruikt het er nog altijd vaag naar kaas.





© 2006-2009 www.mijn-eigen-website.nl