In en om Assen





Hekserij en het derde 'andere ik' van Albert Steenbergen


Bronvermelding:
'Drenthe', onafhankelijk maandblad voor en over Drenthe. Januari /februari 1991




De "Clapper der Calkoens"

"De dingen, die verzonnen worden, zijn meestal echter dan de werkelijkheid". Deze woorden van Godfried Bomans zijn wonderwel van toepassing op de Hoogeveense literator Albert Steenbergen (1814-1900). Deze maand is het 91 jaar geleden, dat hij stierf in zijn woning aan Het Kruis, eens het onderdak van de rentmeestersfamilie Calkoen. Nog steeds houden mensen zich bezig met de vraag, hoe Albert Steenbergen er toe kwam, een gefingeerde geschiedenis te schrijven. Wilde hij met de "Clapper der Calkoens" de gevestigde wetenschappers bij de neus nemen? Of moet zijn werk over Drentse en Hoogeveense historie gezien worden als practical jokes, waarbij het aan de lezers werd overgelaten, om zelf de grens te trekken tussen fantasie en werkelijkheid?

Hij was niet de eerste, die op deze w ijze literair en historisch bezig was. Een eeuw eerder trok de Schotse dichter James McPherson de aandacht met zijn zogenaamde vertalingen van Keltische heldendichten, toegeschreven aan de legendarische Ierse verhaler Ossian. Jacob van Lennep, een tijdgenoot van Steenbergen, putte voor zijn historische avonturenromans Ferdinand Huyck en De Roos van Dekama uit papieren, die een mejuffrouw Stauffacher zou hebben nagelaten. Albert Steenbergen heeft als lid van het Fries Genootschap zelf het opduiken meebeleefd in 1867 van het Friese Oera Lindaboek: de zogenaamde uit de dertiende eeuw stammende familiekroniek met stamsagen van de Friezen vanaf de ondergang van Atlantis

Het werd al spoedig als vervalsing herkend, vooral dankzij de gebrekkige verwerking van het 'oude' materiaal. Toen de Drentse rijksarchivaris Joosting in het begin van deze eeuw, kort na het heengaan van Steenbergen, hem als 'vervalser' ontmaskerde, was bij velen de verontwaardiging groot. Ineens werd zijn kunstenaarswerk als veel minder waardevol gezien. Men voelde zich in Drenthe en daarbuiten bij de neus genomen. Pas veel later is men zich gaan afvragen, wat de Hoogevener ertoe heeft bewogen, om historische verhalen te schrijven met gefingeerde geschriften als bron. "Voorzeker had hij zich met edeler werk kunnen bezig houden, dan de wereld te dupeeren; doch ieder heeft zo zijne neigingen en zijn aanleg", schreef Joosting aan het slot van de brochure, waarin hij Steenbergen aan de schandpaal nagelde.


Hij is overtuigd gaan geloven in zijn eigen verhaal.

In 1932 veronderstelde R. van der Kleij in het Haagsch Maandblad, dat Steenbergen met zijn werk "vooral historici, die vaak zo gewichtig doen over hun bronnenstudie, er in heeft willen laten lopen". De Hoogeveense historicus dr. J. Wattel daarentegen sloot 35 jaar geleden wraakneming als motief uit. "Er is ons geen geval bekend, dat een historisch opstel of studie van Steenbergen door historici zou zijn afgekamd. Waarschijnlijk heeft hij eenvoudig een grap willen uithalen". Wattel heft verwijtend de vinger tegen hen die, omdat het een 'vervalsing' zou zijn, geen waardering meer hebben voor Steenbergens werk.

"Is het schilderij De Emmaüsgangers minder mooi, nu gebleken is, dat Van Meegeren de schilder is en niet Vermeer? vraagt hij. Jan Poortman, die in zijn werk ook dikwijls Wahrheit und Dichtung vermengde, noemde Steenbergen "een begaafd kunstenaar, een volbloed romanticus en een uitloper van die grote Europese beweging." Prof. Dr. H.J. Prakke, die in 1975 de herdruk van Steenbergens Faust-vertaling inleidde, zoekt de oplossing van het raadsel van de persoon Albert Steenbergen in diens jaren lange bezig zijn met Goethe's Faust. Men verdiept zich niet enkele jaren zo intens in dat werk, "zonder geraakt te worden door deze rusteloze zoeker naar de diepste zin van het leven".

Er moet een zekere indicatie plaatsgegrepen hebben, in het bijzonder met Faust zelf". De jonge Hoogeveense amateur historicus en dichter Albert Metselaar, die zich veel in de persoon en het werk van Steenbergen heeft verdiept, gaat nog verder dan de "zekere identificatie" van professor Prakke. Metselaar veronderstelt bij Steenbergen als kind van de romantiek en sterk gevoelsmatig leven 'een zeer sterke identificatie' tussen hem en de personen, die hij beschreef. Hij wist daarbij zelf niet goed meer de weg tussen waan en werkelijkheid en is overtuigd gaan geloven in zijn eigen verhaal.


Reizen naar zelfgeschapen werelden in de eigen geest

Er zou volgens Metselaar, bij Steenbergen sprake kunnen zijn van een gespleten persoonlijkheid. Steenbergen vereenzelvigde zich misschien zo met Faust, met Allard in de Nevelhekse en met andere papieren figuren, dat hij ze ging ervaren als een ik. In de psychiatrie zijn gevallen als deze bekend als pseudologia fantástica. De basis van het vervagen van de grenzen tussen waan een werkelijkheid en het vereenzelvigen met zijn romanfiguren ligt misschien in zijn handicap. Albert Steenbergen reed van jongs af in een rolstoel. Met het ouder worden kwamen de kwalen en werd het maatschappelijk isolement sterker Niet voor niets, aldus Metselaar, noemde hij zichzelf wel een kluizenaar. De enige manier, om te ontsnappen uit het kleine wereldje van de eigen huiskamer, de eigen tuin of het uitzicht uit de zo vertrouwde ramen was het opgaan in fantasieën: reizen naar zelfgeschapen werelden in de eigen geest.

In zijn onlangs verschenen dissertatie "Termen van toverij" beschrijft Dr. Willem de Blécourt een geval van herkserij in de velden rond Venenburg. Hij ontleent dit verhaal aan de in 1888 verschenen roman In tijden van overgang, geschreven door A.W. van Buuren. Met Venenburg wordt Hoogeveen bedoeld. Een van de figuren in het boek is de joodse voorzanger en leraar Gazan: een lichamelijk gehandicapte man, die door de schrijver geïdealiseerd wordt. Van Buuren beschrijft Gazan als een man met een harmonisch schone ziel, een zuivere heldere geest, een groot denker, spitsvondig, welbespraakt en iemand met een fijne mensenkennis. Het is nog altijd een raadsel, wie er schuil gaat achter de naam A.W. van Buuren.

Historische Kring in Hoogeveen probeert de identiteit van deze schrijver te achterhalen. Het is vrijwel zeker, dat A.W. van Buuren een pseudoniem is. Kan het zijn, dat Albert Steenbergen de auteur is? Ook hij had een misvormd lichaam. Ook hij was bijzonder scherpzinnig en veelbelezen. Wilde hij met Gazan een ideaalbeeld schetsen als evenbeeld van zich zelf? Hij was 74 jaar, toen het boek verscheen. Tot op hoge leeftijd was hij produktief. Toen hij 84 jaar was, kort voor zijn overlijden, schreef hij nog de schets Op de weekmarkt te Hardenbroeck. Met Hardenbroeck bedoelde hij Hoogeveen. Dit en andere Hardenbroeckse verhalen putte hij uit een onuitgegeven werk van J.P. Peterson: een door hem verzonnen schrijver uit de eerste helft van de vorige eeuw.

De vlotte schrijfstijl van Van Buuren zou die van Albert Steenbergen kunnen zijn. De auteur blijkt buitengewoon goed op de hoogte met wat er in de veenkolonie gebeurt. Beter dan voor welke buitenstaander ooit mogelijk zou zijn. De schrijver probeert in dit boek de Hoogeveners een spiegel voor te houden en hen een soort vooruitgangsgeloof aan te praten. Omdat hij er geen behoefte meer aan had, om opnieuw als schrijver te worden geëerd, schreef hij het onder een joodse (?) schuilnaam. Met Peterson en Calkoen zou W.A. van Buuren dan zijn derde andere ik zijn, ontsluierd na meer dan een eeuw.





© 2006-2009 www.mijn-eigen-website.nl