In en om Assen





Anarchistische cultuur van Drentse veenarbeiders


Bronvermelding:
Gedeelte van een referaat voor de Internationale Tagung der Historiker der Arbeiterbewegung die 8-12 september 1981 te Linz plaatsvond. Afgedrukt in Arbeiterkuttur und kulturelle Arbeiterorganisationen bis zum zweiten Weltkrieg, Wien 1983, p.266-273. Vertaling Floor van Gelder en Ger Harmsen


1 Mei optocht in 1920 in Emmer-Compascuum (Bron foto: 'Anarchisme in Drenthe'; Harmen van Houten)


Sociale aspecten van de anarchistische arbeiderscultuur

Laagveen en vooral hoogveen bedekten in het verleden grote delen van Nederland. Vooral het hoogveen in het noordoosten was bijzonder uitgestrekt. Het vormde een barrière voor menselijk verkeer en maakte bewoning onmogelijk. Sedert de 17de eeuw nam de economische betekenis van turfwinning toe. Een lange periode diende turf als huisbrandstof en als energiebron voor de industrie. Pas na de Eerste Wereldoorlog drong de steenkool de turf vooral in de industrie drastisch terug. Waar het hoogveen afgegraven was, kon de blootgekomen ondergrond ontgonnen worden. Dit maakte dat de veeneigenaren er belang bij hadden dat de turfwinning doorging toen deze - in de jaren twintig - op zich niet lonend meer was.

Op de technische aspecten van de turfwinning en de daarbij optredende arbeidsdeling gaan wij niet in. Enkele sociale aspecten zijn voor het begrijpen van bepaalde trekken van de anarchistische arbeiderscultuur wel van belang.Een vlottende bevolking Ten eerste ging het om een vlottende bevolking, aangezien voortdurend nieuwe en verder weg liggende venen ontgonnen werden wanneer de oude verveningen ten einde liepen. Die in Drenthe kwamen het laatst aan de beurt en vanuit de omliggende oude veenstreken trokken de arbeidersgezinnen hierheen. Dit betekende een periodieke migratie. De overheid deed weinig of niets om deze stroom van duizenden gezinnen naar een nieuwe vervening op te vangen.

De arbeiders bouwden zelf hun plaggenhutten met het materiaal dat bos en veen hun verschaften. Turfwinning was seizoenarbeid Ten tweede was turfwinning seizoenarbeid. Dit had tot gevolg dat het jaarinkomen in korte tijd verdiend moest worden. Ontvankelijk - in de eerste helft van de 19de eeuw - trokken tegen de tijd dat het seizoen begon duizenden tijdelijke arbeidskrachten -vooral uit Duitsland - naar de venen. Tegen het einde van de 19de eeuw deden omgekeerd Nederlandse veenarbeiders buiten het seizoen pogingen tijdelijk elders werk te vinden. Rond de eeuwwisseling viel vooral in het Roergebied bij de stadsuitbreidingen veel zwaar ongeschoold werk te doen. De veenarbeiders die dichter bij huis in de buitenlucht ander werk deden, hadden in de wintermaanden, doordat het lang donker was, veel vrije tijd.

Zeker de politiek en cultureel geïnteresseerden zullen hiervan gebruik gemaakt hebben om te lezen of zich anderszins te ontwikkelen. Turfwinning was gezinsarbeid Ten derde was turfwinning in belangrijke mate gezinsarbeid. Bepaalde werkzaamheden werden vrijwel uitsluitend door vrouwen en kinderen gedaan, zodat veenbazen het liefst gezinnen aannamen. Wel begonnen de vrouwen, die voor het huishouden, het eten van de mannen en de kinderen te zorgen hadden, later en ook de kinderen maakten kortere dagen. Het gezin vormde dus een economische eenheid en dit zal ook in socialistische kring de gezinsideologie tot iets onontkoombaars gemaakt hebben. Overigens is het interessant hoezeer de mannen die lang van huis waren vanzelfsprekend kookten en het huishouden deden.


Het loon moest ieder jaar opnieuw overeengekomen worden

Ten vierde moest het loon - dat uiteraard evenredig was aan de geleverde arbeidsprestatie - ieder jaar opnieuw door de veenbazen met de arbeiders overeengekomen worden. Regelmatig ging dit met harde stakingen gepaard, waar wel actievoerders en appels aan te pas kwamen, maar nauwelijks vakorganisaties. De 'gedwongen winkelnering' van de veenbazen kwam in feite neer op een soort slavernij. De veenarbeidersgezinnen betaalden in de winkels van de veenbazen, waar zij gedwongen waren hun inkopen te doen, veel hogere prijzen, maar bovendien maakten zij in de winter, vooral wanneer het een slecht seizoen geweest was, schulden die in de zomer moesten worden afgelost.

Op deze wijze kon het gebeuren dat de gehele uitbetaling van het loon in natura geschiedde. En wie zal zeggen of er niet met dubbel krijt geschreven werd, de ongeletterden onder de vrouwen hadden hier weinig controle op. Dit alles gaf de veenbazen veel macht, maar het wekte ook verbittering. Dat uitte zich in woedeuitbarstingen, plundering en gewelddadigheden. Het leven in de venen was rauwer en kende meer geweld dan uit het beeld van de vrije socialistische cultuur blijkt. Bij Harmen van Houten komt dit in een enkele terloopse opmerking tot uiting. Een tijdelijke verbetering van het levenspeil bracht het wegvallen van de steenkoolimporten tijdens de Eerste Wereldoorlog, waardoor er een grote vraag naar turf was.

De lonen stegen aanzienlijk en het aantal veenarbeiders groeide. Na 1918 kwam de koleninvoer echter weer op gang en bovendien was de eigen produktie in Limburg ondertussen drastisch gestegen. Dit had voor het veenbedrijf catastrofale gevolgen. Vooral de vraag naar fabrieksturf nam drastisch af. Tal van arbeiders in de veenstreken waren gedwongen elders werk te gaan zoeken. Deze van het en der gekomen veenarbeiders stonden buiten de door traditie, vaste normen en sociale controle beheerste dorpsgemeenschappen. Dit maakte dat de veenarbeiders zich gemakkelijker los konden maken van het christendom, dat zich bijzonder weinig aan hen gelegen liet liggen. De hervormde kerk liet in deze veenstreken volledig verstek gaan.


De socialistische propagandadisten

Predikanten waagden zich niet in de veenstreken, wel enkele evangelisten, die weinig steun kregen van de officiële hervormde kerk. W. Braak Hekke begon in 1895 min of meer op eigen houtje zijn evangelisatiewerk in een herberg in Emmer-Compascuum zonder dat een predikant hem inleidde. De evangelist W. de Weerd - bekend als de 'Domeneer van Turfland' - trok in 1904 naar Klazienaveen, 'een kersverse kolonie, waarvan de naastbij wonende predikant nog nooit gehoord had', zegt Bannings Handboek Pastorale Sociologie. De Groninger industrieel J.E. Scholten, eigenaar der verveningen, zag er de noodzaak van in dat zijn arbeiders ter kerke gingen en hij schonk De Weerd een zwart geteerd houten kerkje.

De Weerd noemt de hervormde kerk 'een veel te eerwaardige en deftige matrone om zich in te laten met zo iets als een veenkoloniebewoner'. De rooms-katholieke kerk en de gereformeerde kerk legden wel enige geloofs- en bekeringsijver aan de dag, maar meer nog bloeiden sekten als de baptisten en het Leger des Heils. Er waren echter ook andere predikers, die minder over de hemelse zaligheid dan over een beter leven hier op aarde spraken. Hiervoor waren de veenarbeiders wel gevoelig. Zij bezaten een ver teruggaande traditie van opstandigheid en strijd. Dit gevoegd bij hun extreme armoede en de niet minder extreme uitbuiting waar zij aan blootstonden, had tot gevolg dat de socialistische propagandisten die rond 1890 de venen in Zuidoost-Friesland en in Noordoost-Nederland bereikten, niet voor dovemansoren spraken.

Deze propagandisten behoorden tot de in 1882 gestichte Sociaal-Democratische Bond, ook wel de 'oude beweging' genoemd. Voor haar is de revolutie nabij die het socialisme zal brengen. Domela Nieuwenhuis, de leider van de SDB, had wel als eerste socialist in de Tweede Kamer gezeten en daar een wetsontwerp tegen de gedwongen winkelnering ingediend, maar hij kon daar in z'n eentje weinig beginnen tegen de 99 anderen die geen hand voor de arbeidersklasse wensten uit te steken. Voor geloof in een parlementair-democratische weg naar het socialisme en in het nut van geduldige en moeizame hervormingsarbeid was het politieke klimaat nog te volksvijandig.

In 1894 treden echter degenen die wel wat gaan zien in deelname aan de verkiezingsstrijd, in parlementaire arbeid en in een stapsgewijze hervorming van de maatschappij, uit de SDB en stichten een nieuwe partij: de Sociaal-Democratische Arbeiders Partij in Nederland, maar het zal lang duren voor deze partij in de Drentse venen weet door te dringen. Voorlopig blijft dit het terrein van de 'oude beweging', die ook de SDB ontgroeit en consequent de weg gaat die naar het anarchisme voert. Losse Vrije Groepen geven vorm aan dit geweldloze anarchisme, geïnspireerd door de geschriften van Domela Nieuwenhuis en prins Kropotkin. Vooral in Amsterdam en Noordoost-Nederland wist dit anarchisme, op een ingewikkelde wijze gelieerd aan de revolutionair-socialistische vakbeweging zoals die gestalte had gekregen in het Nationaal Arbeids Secretariaat NAS, zich tot in de jaren twintig te handhaven onder aanzienlijke groepen arbeiders in het bouwbedrijf, de havens, in de landbouw en de venen, maar ook onder de Amsterdamse gemeentewerklieden. Pas in de jaren twintig zullen deze min of meer anarchistische arbeiders onder de invloed van de CPN komen.






© 2006-2009 www.mijn-eigen-website.nl