In en om Assen





Bij het 140-jarig bestaan van Assen


Bronvermelding:
Provinciaal Drents maandblad 'Drente'. 18e jaargang, nr. -2-, juni 1947. Een artikel van Dr. R. D. Mulder


'In het braamsche'. Egbert van Drielst (1745 - 1818). Het levende landschap Drenthe in negen achttiende-eeuwse prenten.


Het lof van Assen

Assen was in 1686, toen de beroemde Groningse dichteres Titia Brongersma in de bundel "De Bronzwaan" "Het lof van Assen" bezong, meer bos dan stad, want in haar dagen bestond hier nog slechts een kloostergebouw, omgeven door enkele boerderijen en eenvoudige woonhuizen: pas 120 jaren later zou het officieel een „stad" worden. We kunnen de ontwikkeling van de Drentse hoofdstad ongedwongen in vijf perioden verdelen:

a. die vóór 1258;
b. van 1258 tot 1600;
c. van 1600 tot 1807;
d. van 1807 tot 1907 en
e. van 1907 tot 1947.


a. De periode vóór 1258;

Wanneer we in het kort de voornaamste feiten uit elk van de perioden beschrijven, valt over de tijd vóór 1258 weinig te vertellen.


b. Van 1258 tot 1600;

Het was een „eenzaam oord in de marke van Witten, onder het kerspel Rolde gelegen", waarheen in 1258, met krachtige steun van de abt van Aduard, het klooster, dat de Drenten als zoenoffer voor hun in de slag bij Ane vermoorde landsheer, de Utrechtse bisschop OttoII, moesten bouwen, verplaatst werd, nadat eerst tussen Coevorden en Schoonebeek en daarna onder Deurze pogingen waren gedaan de kloostergebouwen op te richten. Eindelijk dan had men een betrouwbaar en geschikt terrein gevonden, op de linkeroever van het Anreperdiepje, waarvan de grond hoog en zandig genoeg was om geen overlast van water te hebben.

Een vijftal beekjes zorgde voor voldoende groenland in de omgeving en daar één ervan het kloosterterrein begrensde, behoefde dit slechts aan drie zijden kunstmatig door een (gegraven) gracht van de overige landerijen te worden gescheiden. Deze vijf beekjes waren omstreeks 1900 nog grotendeels aanwezig en enkele zorgen thans nog voor de afvoer van het Asser rioolwater op het Anreeperdiep: het zijn de Stadsbroekloop, welke achter de Zuiderbegraafplaats onder de Beilerstraat doorgaat; de Bosbeek of Vulsloot, die langs de Kerkhofslaan, door de Hertenkamp en achter de H.B.S. en de Oude Vijver loopt en achter het Parkhotel bij de overweg in de Plataanlaan uitkomt in de Nijlandsloop.

Deze laatste vindt zijn oorsprong bij 't Noord Willemskanaal en gaat onder de Rolderstraat, Oranjestraat en Stationsstraat door naar het landgoed Oversingel om bij het Oosterhoutje zich te verenigen met de tak welke van de Zuidersingelgracht af komt. Die tak kan men, verder terug, nog vervolgen in zijn oude loop, welke begon als zg. Weyersdiepje, tussen Stegeweg en Kanaalstraat, vervolgens tussen Kruisstraat en Alteveerstraat stroomde (waar nu de Hoekstraat is en vroeger de windmolen stond), dwars onder de tegenwoordige Marktstraat door zijn weg zocht naar de tuin ten Zuiden van de Torenlaan om daar aan te sluiten bij de Zuidersingelgracht.

Zo was dus, toen het kloosterterrein door een gracht omgeven moest worden, door de begrenzing welke het Weyersdiep bood, het graven van een Westersingel overbodig, zodat kon worden begonnen bij de tegenwoordige Hoekstraat naar het Noorden (thans Gedempte Singel) en Oosten (thans Noorder- en Oostersingel) en tenslotte naar het Zuiden (de nog bestaande Zuidersingel), waar de gracht weer op het natuurlijke stroompje aansloot. Deze singels waren bezet met zwaar opgaand eikenhout. De toegang tot het daardoor omsloten kloosterterrein bevond zich op het punt waar nu de Kruisstraat samenkomt met de Gedempte Singel. Hier stond het kruis, waaraan de eerstgenoemde straat zijn naam ontleent.

Over de kloostergebouwen vermeldde de bekende Drentse kroniekschrijver Dr Joh. Picardt in 1660: „Dit Klooster is voortydts een swaer en royael Gebouw geweest, met groote onkosten voltrokken. Want alle de Benthemer Steen moest van Benthem over Landt met Wagens gehaelt werden. De Backsteen wierde meest van Groningen gehaelt en een stucks weegs te Scheep gebracht, maer daer nae met wagens gehaelt, die in die tydt meest van Ossen getrocken wierden". „Assen," laat hij erop volgen, „is voortydts, maer een klooster geweest, maer neemt soo toe, dattet metter tydf een Vleck sal werden." Het gebouw — staande aan de Oostzijde van de tegenwoordige Brink — had de vorm van een rechthoek (met een grote binnenplaats), waarvan de Abdijkerk (het voormalige gemeentehuis) de Noordelijke zijde vormde.

De nonnen behoorden tot de Cisterciënser orde en aan het hoofd van het klooster stond een abdis. Vele dochters uit bekende, oude en invloedrijke geslachten in Drente en Overijssel vinden we onder de kloosterlingen, bv. Margaretha van Elethe, Machteld de Vos van Steenwijk en Wilhelmina van den Cloester. De bezittingen van het klooster bestonden uit boerderijen (waarvan er drie aan de Brink lagen en 9 te Witten stonden), landerijen en pachten in verschillende delen van Drente, Groningen en Overijssel. In de bloeitijd van het klooster waren er in totaal 39 boerenerven en alleen in Groningen al 295 grazen land. Krachtens een overeenkomst met de stad Groningen hadden de kloosterlingen vrijdom van tol bij het passeren van de Punterbrug in de weg naar Groningen, hetgeen nog eeuwen na de Hervorming voor alle Assers gold.

De zorg voor landbouw en veeteelt, tuin en hof, ambacht en geestelijke plichten vormde de dagtaak van de kloosterlingen, die bijgestaan werden door knechten en meiden. In de belangrijke studie van pater dr M. Arts over het Drentse dubbelklooster Dickninge kan men heel het leven in dit klooster beschreven vinden; dat te Assen zal weinig daarvan hebben afgeweken. Mr Joosting gaf een inventaris van de stukken en bescheiden welke uit de abdij te Assen bewaard bleven, die in het Rijksarchief berusten. Na eèn bloeiperiode in de 14de en 15de eeuw volgde een langzame achteruitgang, versneld door de vele plunderingen en ander oorlogsgeweld in Drente op het einde van de 16de eeuw.

Toen in 1602 de doorvoering van de hervorming in Drente een einde aan het kloosterleven maakte, mochten de enkele nog aanwezige nonnen blijven wonen in een deel van de gebouwen, die — evenals de overige vaste goederen — aan het Landschap kwamen.


'Te Yde'. Egbert van Drielst (1745 - 1818). Het levende landschap Drenthe in negen achttiende-eeuwse prenten.


c. Zo komen we dan aan de derde periode in Assens geschiedenis, die van 1600 tot 1809.

In het begin daarvan telde de plaats, behalve het kloostergebouw en de drie bijbehorende boerderijen, nog slechts enkele tientallen huizen: er woonden toen 50 gezinnen, die eerst in Rolde ter kerk gingen, tot in 1615 Assen een eigen predikant kreeg Assen bezat nog volkomen een landelijke sfeer toen in 1602 Drost en Gedeputeerden hier hun zetel vestigden en Assen aldus tot officieel centrum van het Olde Landschap maakten. In 1608 en 1614 vergaderde de Etstoel in het kloostergebouw, ter vernieuwing van het Drentse Landrecht. In 1610 behartigde de Prov. Synode, hier in vergadering bijeen, de belangen van de nieuwe Hervormde godsdienst.

Wel waren in 1608 de oude bomen langs de singelgrachten gekapt en de aangrenzende gronden in huisplaatsen verdeeld en in erfpacht uitgegeven, maar toch vond men in Assen nog slechts de woningen van de ontvanger, van Wervelde genaamd, de predikant Rusius, de schoolmeester Nicolai en van enige neringdoenden en ambachtslieden (bakker, schoenmaker, wever, kleermaker, metselaar, brouwer en molenaar). De voormalige priesterswoning aan de Brink was boerderij geworden, waardoor hij „so met biesten als met peerden, calver en ander rustique bedrijft, wordt geschendet ende tho niete gebracht", zoals een rapport van de rentmeester over 's Landschaps goederen luidde.

Daar de bij de secularisatie aan het Landschap gekomen kloostergebouwen een zeer geschikte plaats vormden om het zich ontwikkelende eigen bestuur van Drente onder te brengen, werd Assen dus tot officieel middelpunt van het gewest: Hier zetelde de Drost (die meestal op zijn particulier landgoed, bv. te Laarwoud bij Zuidlaren, woonde en pas in 1775 in Assen een ambtswoning kreeg), hier kwam de Etstoel bijeen, hier vergaderde de Prov. Synode, hier was het „gevanghuys" (in 1609 gebouwd) en hier was ook de plaats van de vergelding voor allen in Drente, die zich zwaar misdragen hadden: de Galgenkamp aan de Groningerweg, waar — indien nodig — de uit Groningen ontboden scherprechter en zijn dienaren hun taak verrichtten.

Zo werd bv. „ter gruwelycker afschrick van andere boosdoenderen" in 1730 hier een zekere Albert Alberts veroordeeld en terechtgesteld om „Levendigh te werden gerabraakt en zijn hooft afgeslagen, het Ligchaem op een radt gelegt en het hooft op een penne geset.".

Als belangrijke Asser figuren uit deze periode 1600-1807, welke ook voor Drente van grote betekenis waren, kunnen worden genoemd:
• Ds Jac. Nyloë, die behalve theoloog (hij was hier predikant van 1696 tot 1709) een voortreffelijk kenner en beoefenaar van de Nederlandse taal was.
• Ds Joh. Alberti, in 1698 te Assen op de molen geboren, waar hij zijn eerste onderricht van de knecht kreeg, werd een beroemd theoloog en professor te Leiden.
• Mr. Joh van Lier, ontvanger-generaal van het Landschap Drente (1726-1785), die behalve jurist ook bioloog, geoloog en archaeoloog was en als eerste natuurwetenschappelijk onderzoeker van Drente publiceerde over slangen en adders en over de Eexter grafkelder, terwijl hij ook de samensteller was van het bekende werk „De Tegenwoordige Staat v. h. Landschap Drente" (1792).
• Wolter Hendrik Hofstede, de man die het verwaarloosde Asser bos tot „Landschapsplantage" herschiep (± 1760), de stuwende kracht was bij het tot stand komen van de Drentse Hoofdvaart (± 1780) — waarbij Assen zeer gebaat was —, een vooruitstrevend ontginner en vervener, o.a. te Witten en op het landgoed „Vredeveld".

Tegen het einde van de 18de eeuw bedroeg het aantal inwoners van het vlek Assen — dat nog altijd onder het schuitambt Rolde behoorde — ongeveer 500. „Een fraay beplante cingel omringt hetzelve; een uitgestrekt Bosch, waarin men vele en welonderhouden wandelpaden aantreft is er onmiddellijk aangelegen. Behalve het overgebleven deel van het klooster waarin de Landsvergaderingen gehouden worden, staat in dit vlek een aanzienlijk huis, bij den Heer Drost in gebruik, alsmede de woningen van den ontvanger-generaal, en de eerste Klerck, voorts 's Lands gevangenhuis en verschillende niet onaanzienlijke woonhuyzen van onderscheidene Regeeringspersonen", aldus de schrijver van de „Tegenwoordige Staat", Mr Joh. van Lier, in dit in 1792 verschenen werk.


'Te Westerborg'. Egbert van Drielst (1745 - 1818). Het levende landschap Drenthe in negen achttiende-eeuwse prenten.


d. Van 1807 tot 1907

De eerste dertigjaren van de 19de eeuw zijn voor de ontwikkeling van Assen als „stad" en als gewestelijk centrum van grote betekenis geweest. Het was op aandrang van de actieve „goeverneur", Mr Petrus Hofstede — een man die voor de ontwikkeling van geheel Drente buitengewoon veel heeft gedaan — dat in 1807 Assen een zelfstandige gemeente werd, waaronder in 1811 ook de buurtschappen Anreep, Loon, Peelo, Steendijk, Vredeveld en Witten en in 1834 een deel van Kloosterveen werden gebracht. Het was ook onder invloed van Hofstede, dat Koning Lodewijk Napoleon bij zijn bezoek aan Drente, in Maart 1809, Assen tot stad verhief, zodat het — evenals Meppel en Coevorden — in 1814 5 leden naar de Staten kon afvaardigen.

Groot was het aantal inwoners van de nieuwe stad nog niet, ruim 600, terwijl in 1808 Anlo reeds 1500, Beilen 1600, Coevorden 1700 en Hoogeveen zelfs 4500 inwoners telde. Maar Assen groeide snel, zodat in 1840 de achterstand reeds was ingehaald: er waren toen 3100 zielen, Anlo had er 2200, Beilen 2450 en Coevorden 2400. Hoogeveen bleef echter voor heel Drente de kroon spannen. „Assen is- niets anders dan een dorp," schreef in 1808 de buitengewoon gezant van de koning van Pruisen in zijn beschrijving van een reis door Drente. „De bedden in ons hotel zijn als scheepskooien in de wand en worden met deuren des nachts dichtgemaakt. Assen is echter een plaats in opkomst en breidt zich uit met huizen langs het Kanaal. De omgeving is de heerlijkste welke ik in heel Nederland ooit gezien heb!", liet hij erop volgen.

Ook koning Lodewijk Napoleon had begrepen, dat alleen het verlenen van stadsrechten Assen nog niet tot stad maakte: op zijn last ontwierp de Rotterdammer architect Giudici een gedetailleerd plan om Assen spoedig tot 6000 inwoners te doen groeien: Een groot aantal aanzienlijke openbare en particuliere gebouwen zou verrijzen, de Brink zou marktplein worden, aan de Hoofdvaart moest een koninklijk lustslot komen. Tal van brede straten en pleinen werden ontworpen, doch het bleef bij plannen. Alleen de Nieuwe Huizen en de Torenlaan kwamen tot stand, zodat de postwagen op Groningen voortaan niet meer via de nauwe Marktstraat, Kruisstraat en Oudestraat, doch langs de brede nieuwe wegen kon rijden.

Hofstede zorgde voor scholen, voor handel en nijverheid, voor medische hulp, voor een provinciale courant, kortom voor allerlei waaraan Assen en Drente dringend behoefte hadden. Toch bleef Assen in de ogen van „vreemdelingen", die het ongeluk hadden hier in een overheidsfunctie te worden benoemd en niet snel genoeg naar elders konden opklimmen, een „gat" en dat is het heden bij sommigen van die ambtenaren nog (Zij kunnen de Assers en zichzelf een groot genoegen doen door zo spoedig mogelijk weer naar „Holland" te verhuizen!).

De Amsterdammer P. J. Ameshoff schreef in 1818 over Assen: „Eene behoorlijke opvoeding kan mijn zijne kinderen alhier niet geven, daar het geheel aan gelegenheid ter bekoming van middelbaar onderwijs ontbreekt. Dit maakt het verblijf van fatsoenlijke lieden, hier te lande, zeer moeyelijk. Aan kunsten, wetenschappen, geleerdheid, al wat tot veredeling van geest en genietingen zou kunnen opleiden en over 't algemeen aan lectuur zelfs, valt hier niet te denken." De Asser predikant ds G. Benthem Reddingius kwam hiertegen met kracht op, gelijk hij ook de gehele provincie Drente tegenover de houding van „vreemdelingen" verdedigd had. „Assen is mij zeer bevallen, zelden zag ik mooier en doelmatiger schoollocalen, zelden een rijkere bibliotheek" schreef in 1840 een Duits paedagoog — die blijkbaar in eigen omgeving niet veel gewend was — na een bezoek aan de Drentse hoofdstad.

Belangrijk voor het contact met de overige delen van de provincie was de bestrating van de weg Groningen—Meppel, die vanaf Assen langs de Hoofdvaart liep en in 1839 gereed kwam, die van de Rolderweg in 1841 en die van de Beilerweg in 1856. Ook de aanleg van het Noord-Willemskanaal, in 1862 begonnen, droeg veel bij tot opleving van handel en nijverheid. Reeds in 1845 had de Asser advocaat Mr L. Oldenhuis Gratama aangedrongen op een spoorweg door Drente, doch bij de regeringsplannen van 1860 bleef Drente geïsoleerd gebied, tot eindelijk in 1870 de Drentse verzoeken werden ingewilligd en de lijn Groningen— Zwolle tot stand kwam.

Steeds meer gebouwen verrezen in en om de jonge stad: in 1827 het Armhuis van de Diaconie, in 1832 de Synagoge, in 1837 de R.K. Kerk, aan de Vaart, in 1838 het paleis van Justitie, in 1848 de Herv. Kerk aan het Kerkplein. Het werd de „stad der paleizen", zoals Harm Boom Assen noemde. De Brink werd in 1844 tot „wandelplaats" ingericht, het bos kreeg omstreeks 1852 zijn Hertenkamp en de stad haar garnizoen. De grachten in de binnenstad werden gedempt (± 1860) en de R.H.B.S. verrees (1868) (het Gymnasium had al sinds 1825 bestaan). De oude kloostergebouwen moesten in 1882 plaats maken voor de huidige provinciale griffie. Assen werd een echt ambtenaarsstadje, waar bureaucratie en verschil in standen en standjes soms de algemene belangen nadelig beïnvloedden.

Schreef niet in 1877 de bekende Zweeloër predikant ds Lesturgeon over „Asser Despoten"? De vernieling van het Oude Bos aan de Beilerstraat, waar in 1875 op initiatief van de burgemeester een villapark moest komen, waarvoor talloze eeuwenoude eiken moesten vallen, gaf veel critiek, maar kon helaas niet worden tegengehouden. Ook elders om Assen moest het natuurschoon plaats maken voor woningen, bv. op het schilderachtige Aardse Veld met zijn „Gunsters veentie", waar de hutten voor en na verdwenen en waar, toen de spoorlijn dit gebied van Assen afsneed, een geheel afzonderlijk stadsdeel ontstond. Ook in het Westen „over 't schut", achter de „Lange Jammer", waar, op 't Luchiesland, bos en heide plaats moesten ruimen voor Talmastraat en omgeving.

Gelukkig is de industrie in Assen nooit zodanig tot bloei gekomen, dat daardoor veel natuurschoon werd vernield. In 1866 werd de Ijzergieterij (thans verdwenen) opgericht, in 1861 kreeg Assen een gasfabriek, de Bronwaterleiding (thans gemeentebedrijf) dateert van 1896, de exportslagerij van 1887. De spoorlijn Groningen—Zwolle, geopend in 1870, deed de bedrijvigheid sterk toenemen, evenals de uitbreiding van het garnizoen in 1895, waardoor veel nieuwe huizen werden gebouwd. In 1900 had het Rijksarchief voor Drente te Assen een eigen gebouw gekregen, in 1903 werd de Ambachtsschool geopend.

Telde Assen in 1807 ruim 600 inwoners, in 1857 was dit aantal gestegen tot bijna 5000 en in 1907 tot 12500 (thans in 1947 zijn er rond 25000). Er was dan ook alle reden om in 1907 het 100-jarig bestaan van de gemeente op waardige wijze te vieren. Bij die gelegenheid kwamen twee boekjes uit, waarin de geschiedenis van Assen wordt behandeld, nl.: Alb. Oltmans: „De gemeente Assen in hare wording en ontwikkeling" en J. A. R. Kymmell en IJ. Zijlstra: „Na een eeuw, gedenkschrift".


'Te Anlo'. Egbert van Drielst (1745 - 1818). Het levende landschap Drenthe in negen achttiende-eeuwse prenten.


e. Van 1907 tot 1947

Over de periode 1907-1947 kunnen we vrij kort zijn: de stadsuitbreiding geschiedde naar alle zijden, zonder enig van tevoren opgemaakt plan, dat rekening hield met de toekomstige eisen van verkeer, economie en natuurschoon. Zo ontstond lintbebouwing op grote schaal, die hier — evenals overal elders — de toegangswegen tot de plaats begeleidt: Komt men van Anreep of van Rolde, van Loon of van Peelo, van Kloosterveen of van Witten, overal staan de huizen en huisjes opeengedrongen langs de veelal te smalle verkeersweg. De Beilerstraat vormt een gunstige uitzondering. In de binnenstad verrezen scholen en kerken, kantoren en winkels: de R.K. Kerk aan de Nassaulaan, de Raad van Arbeid, het Rijks-kantorengebouw, de Openbare Leeszaal, de Muziekschool, het Wilhelminaziekenhuis enz.

Instellingen op allerlei gebied vestigden afdelingen of kantoren te Assen: het Nut, de Volksuniversiteit, de Jeugdherberg, de Prov. V.V.V., de Centrale Ver. voor de Opbouw v. Drente. Assen kreeg een groot, prachtig gelegen sportpark en een zwembad, een nieuw marktterrein en een abattoir. Bus en tram geven snelle verbindingen met bijna alle omliggende dorpen, maar toch liggen Groningen en Meppel te dicht bij om Assen het monopolie van koopstad voor Drente te verschaffen. Assen was op kerkelijk terrein in 1926 „de stad van de Synode", het is sinds jaren voor heel Nederland en het buitenland „de stad van de T.T." Toch blijft het onder alle normale omstandigheden het rustige provinciestadje, waar men in de talloze verenigingsbesturen steeds weer dezelfde kleine groep van actieve werkers tegenkomt; centrum voor Drente van vele overheidslichamen: „Als wij naar Assen moeten," vertelde me eens iemand uit de provincie, „dan is het altijd voor iets onaangenaams: ziekenhuis, rechtbank of belastingkantoor."

Tenslotte nog een enkel woord over de toekomst, waarin Assen vele en moeilijke — en zeer kostbare — problemen zal hebben op te lossen.

1. De centrale riolering zal geheel herzien en uitgebreid moeten worden, waarbij aan de zuivering van het rioolwater — dat sinds jaar en dag het Anreperdiep tot een stinkende modderstroom maakt — alvorens het te lozen, de grootste aandacht dient te worden besteed.

2. Het doorgaand verkeer zal radicaal om en niet door Assen moeten worden geleid. Een centuurbaan is dus nodig om Noord met Zuid en Oost met West te verbinden.

3. Assen gaat een nieuw stadhuis bouwen. Daarover is reeds veel geschreven en gesproken. Een heftig pleidooi voor behoud van het Stadhuis aan de Brink hield dr J. Naarding in het maandblad „Drente" van Januari 1940, dat eindigde: „Assen waartoe dient Uw Brink, Uw mooie en beroemde Brink, als niet Uw nieuw stadhuis verrijzen mag bij de schaduw van zijn bomen?" Er zijn nu plannen de Zuidkant van de Brink voor de bouw van het nieuwe raadhuis te gebruiken. Wanneer men toch eenmaal bezig is, zou het zeker een grote verbetering geven, als de woningen, welke nu nog als wig geklemd zijn tussen Torenlaan en Westelijk Brinkgedeelte, meteen verdwenen. En dan geen grote verkeersweg over de Brink, hoogstens er langs!

4. Bus en tram zullen van het thans veel te drukke Stationsplein moeten verdwijnen naar een terrein bij de veemarkt.

5. Bij de ontwikkeling van de stad moet allereerst de bebouwing erop gericht zijn de ruimte te behouden, waar die nog is, en moet men niet — zoals we jaren geleden meemaakten, bij het beruchte „pand van Gans" — overal trachten nog iets tussen te plaatsen. Vooral dient daarbij behouden te blijven, als recreatiegebied, het fraaie, zo prachtig centraal gelegen landgoed „Overcingel" met zijn zware beuken en eiken en het open weiland aan de Stationsstraat. Hetzelfde geldt voor de randen van het Stadsbos en voor de resten van het tijdens de bezetting zo geplunderde bos „Vredeveld" tussen de Looner- en de Rolderstraat.

6. Gaat men dan nog de binnenstad grondig „saneren" (we denken aan de Groningerstraat en omgeving, de „Hanebijtersgang" en de Varkensmarkt), dan zal Assen weer in letterlijke betekenis worden, hetgeen het nu reeds in figuurlijke zin is: de „nette" stad, waarvan het oude kinderrijmpje zegt:

„Assen is een nette stad,
Daar wonen nette mensen.
Van net me dit, van net me dat,
Wie zou dat anders wensen?"






© 2006-2009 www.mijn-eigen-website.nl