In en om Assen





"Dooie, stijve stadje Assen" behoort definitief tot 't verleden


Bronvermelding:
'Het industrienummer van de Drentsche en Asser Courant'. 1961. Een artikel van ". Mr. P. P. Agter, burgemeester der gemeente Assen.



Tijdens een bijzondere raadsvergadering werd burgemeester Agter in april 1958 in de Statenzaal aan de Brink tot eerste burger benoemd.


Weerstanden door shocktherapie overwonnen

"Een burgemeester van een „kerngemeente" heeft in nog sterkere mate dan zijn collega's een heel merkwaardige taak: aan de ene kant moet hij trachten tegenover de buitenwereld zijn gemeente zo goed mogelijk te „verkopen": hij moet op verantwoorde wijze de positieve factoren naar voren schuiven en zó groeperen, dat een alleraardigst en aantrekkelijk geheel ontstaat waarvan iedereen bij lezing (hopelijk!) zal zeggen: .daar moet ik heen!' terwijl in datzelfde spel past, dat de onvolkomenheden, welke zijn gemeente als elke andere natuurlijk ook kent, zeker niet verzwegen, maar wél op elegante wijze als voorbijgaande ongemakken worden voorgesteld. Intern daarentegen moet steeds weer het accent vallen op dit laatste: jongens, dit is dè tijd om het ijzer te smeden, dit en dat moeten we nog rechttrekken en dus... (onparlementair gezegd) zet 'm op! Dit spel kan gevaarlijk worden. Het is misschien goed, dat iemand, die al tientallen keren zijn gemeente op deze wijze heeft moeten verkopen, dit eens duidelijk in dit gezamenlijke nummer van de Drentse dagbladen uitspreekt. Alle teveel schaadt, zowel naar de ene als naar de andere kant en kan in uiterste gevallen zelfs leiden tot afkeer en defaitisme.

'Waarde lezer, die tot zover gevorderd is: de burgemeester van Assen beseft dus dat hij het risico loopt met dit zoveelste propagandaartikel voor zijn gemeente het doel volkomen te missen, omdat u zich geïrriteerd afwendt. En eigenlijk hoopt hij door deze inleidende woorden — praktische psychologie noemt men dat, geloof ik ! — dit risico aanzienlijk verminderd te hebben... ! En wanneer dit niet helpt, dan moge het volgende ons steunen: wij Assenaren van deze tijd geloven in onze stad en haar toekomst, we willen daarvan getuigen en ervoor werken. Dit geeft ons natuurlijk bepaald niet het recht om vervelend en eenzijdig te worden, maar wij geloven niet dat land en gewest er voordeel bij hebben, wanneer de Drentse hoofdstad de weliswaar karakteristieke en stijlvolle, maar toch wel zeer eenzijdig georiënteerde plaats blijft, die zij tot het midden dezer eeuw was en achten het verantwoord, daarvan te getuigen. Er mogen dus alle moderne geesteswetenschappen ons de juiste middenweg bij de benadering van onze medeburgers wijzen, maar wilt u, lezer, ons vergeven wanneer wij eens naar de ene of andere kant „uitschieten".

Assen is in het eerste jaar van zijn aanwijzing tot ontwikkelingskern niet zo vlot van de grond gekomen als enkele andere plaatsen. De oorzaak ? Deze lag bepaaldelijk niet in het feit, dat de gemeente tegenover haar collega's zoveel achterstand had. Natuurlijk: er zijn steeds omstandigheden waardoor een bepaalde industrie een voorkeur zal hebben voor de ene gemeente boven de andere: ligging, verbindingen, de aanwezigheid van bepaalde categorieën geschoolde arbeiders enz. Dit is niet erg. Maar wij constateerden al gauw een bepaalde, soms haast niet eens concreet merkbare weerstand in den lande, wanneer de naam van onze woonplaats viel.



De '60 gerealiseerde „nieuwjaarsstunt"

Assen in het verleden moge dan vele deugden bezeten hebben — en het heeft hardnekkige verdedigers! — maar het heeft zeer stellig niet de naam verworven van een door een dynamisch tempo voortgedreven stad te zijn geweest! Deels is dit historisch te verklaren, deels kwam het doordat de in Assen verblijf houdende militairen aldaar het werkwoord „met je ziel onder je arm lopen" grondig leerden vervoegen. Slechts weinigen van deze laatsten — eerlijk gezegd, maar één ! — heb ik over Assen horen getuigen als een gezellige garnizoensstad, de meeste oordeelvellingen gingen „iet wat" een andere kant uit. De weerslag hiervan, toen de stad nieuwe impulsen kreeg, was enorm. Men was graag bereid om de stad vele nog niet ontdekte kwaliteiten toe te kennen, maar dat dit „dooie, stijve" stadje een injectie van moderne industriële ontwikkeling zou verkrijgen en dus ook de daarvoor qua mentaliteit en tempo geschikte arbeidskrachten zou kunnen leveren, werd volkomen ondenkbaar geacht.

Tegen dergelijke „psychologische" weerstanden is het slecht vechten. We konden met cijfers en getuigenissen van de industriëlen, die in de afgelopen decennia hun bedrijven in onze stad tot bloei hadden gebracht, aantonen dat Assen zijn nieuwe taak wèl aankon en dat de Noorddrentse arbeider een prima arbeidskracht bleek te zijn, maar wanneer het geloof bij de hoorders ontbreekt, is het slecht praten. Toen hebben we in grote eensgezindheid van gemeentebestuur, industrie, middenstand en bevolking de „shock-therapie" toegepast: door de vermaarde in september '60 gerealiseerde „nieuwjaarsstunt" hebben we getracht deze weerstand met één slag te doorbreken. Tien maanden later mogen we geloof ik zeggen, dat dit doel voor 90 procent bereikt is. We hebben het enorm belangrijke resultaat bereikt, dat de „mensen", wanneer ze de naam „Assen" horen, andere gedachtenassociaties krijgen dan vroeger, er groeit zelfs een respect voor de pioniersgeest, waarmede een bevolking eensgezind een stad grondig wil vernieuwen.

En met stelligheid mag ik verklaren dat, wanneer Assen over een vijftal jaren, óók als centrumgemeente, een ander „gezicht" zal hebben gekregen, dit voor een deel ook een direct gevolg van onze stunt zal zijn. Dit neemt niet weg, dat hier en daar nog enige twijfel leeft aan de „moderne" instelling van de arbeidskrachten uit Assen en omgeving Dat is jammer, maar je kunt niet aan het „stunten" blijven, en het zal dus moeten uitzieken. De ontwikkeling van de stad zal dit genezingsproces ongetwijfeld i.i een snel tempo doen verlopen.



Een aantal industrieën uit het Westen besloot een bedrijf in Assen te openen.

Na de „stunt" is van verschillende zijden de vraag gesteld, óók in Drenthe: wat wil Assen nu eigenlijk ? Is 't jaloers op Emmen of Hoogeveen, of gevoelt het zich bedreigd door Roden, Coevorden, Meppel of Nieuw-Buinen ? Het reeds vaak gegeven antwoord moge hier herhaald worden: Assen is zich ervan bewust, dat iedere plaats zijn eigen historie, actualiteit en ontwikkelingsmogelijkheden heeft en dat onze enige taak is, de kansen van het heden te grijpen en uit te buiten. Alle „concurrentie" in de echte zin van het woord is daarbij eenvoudig dwaasheid, al kan het wel eens een ogenblik zuur zijn, wanneer een bepaalde industrie aan de ene gemeente de voorkeur geeft boven de andere. Ieder moet zijn krachten naar vermogen ontplooien en zijn kansen trachten te grijpen. Voor Assen geldt dat wij in nog sterkere mate dan nu het geval is het „hart van Drenthe" willen zijn, waarin op zo harmonisch mogelijke wijze alle aspecten van het Drentse leven tot uiting komen welke door hun samenballing en intensiteit hunnerzijds weer krachtinjecties aan het ganse gewest kunnen geven.

Het is dus helemaal niet belangrijk of Assen de „grootste" stad van Drenthe blijft. Dat zullen we natuurlijk wel leuk vinden, en we zullen er ons best wel voor doen, maar veel belangrijker is, dat de harmonie van de facetten van het Drentse leven en de intensiteit van de beleving daarvan de stad op haar geheel eigen wijze de haar toekomende plaats doen innemen. Door deze doelstelling kan voor Assen de solidariteit met de overige kerngemeenten en met de omringende plattelandsgemeenten (met haar geheel eigen om een oplossing schreeuwende problematiek) verre de overhand hebben boven de concurrentiezucht, kan de stad zich verheugen over de groei en successen van de andere en met hen in één front staan, wanneer zij belaagd worden — al zullen wij uiteraard steeds trachten het nèt iets beter te doen dan zij !

Al deze woorden waren nodig om de lezer goed te doen beseffen, dat de situatie voor Assen in april '59 (het tijdstip van de aanwijzing van ontwikkelingskernen) een geheel andere was dan b.v. voor Emmen of Hoogeveen. Wij moesten beginnen in de bouwput, waar zij reeds twintig of meer jaren geleden bovenuit gegroeid waren. En nu de resultaten. Het jaar 1959 bracht niet anders dan op zichzelve niet onbelangrijke uitbreidingen van een aantal reeds ter plaatse gevestigde bedrijven. Dit was natuurlijk in feite even belangrijk als een aantal vestigingen van buiten, maar het sprak minder aan, 1960 bracht de ommekeer. Een aantal industrieën uit het Westen besloot een bedrijf in Assen te openen. Waardoor dit resultaat bereikt is ?



Ambtelijke molens draaien soms langzaam

Uiteraard door de faciliteiten, welke een ontwikkelingskern kan verstrekken, door de economische en geografische factoren, welke een vestiging in onze stad aantrekkelijk maakten, maar niet in de laatste plaats door de enorme toewijding waarmede die personen uit het overheidsapparaat, welke direct met vestigingsproblemen te maken hadden, hun taak vervulden en door de bereidwilligheid waarmede de reeds ter plaatse gevestigde industrie haar nieuwe collega's alle gewenste inlichtingen verschafte. Steeds zal er een zekere spanning bestaan tussen overheid en bedrijfsleven. Een industrieel kan, ja moet eenzijdig zijn, zich fel op zijn doeleinden richten, en daarvoor vechten. Een overheid moet bij al haar maatregelen steeds de rechtvaardigheid tegenover alle burgers betrachten en moet steeds op haar boede zijn, niet de een onrechtmatig boven de ander te bevoordelen.

Zelfs wanneer de overheid aan de industrie faciliteiten verleent, — zoals in het geval van de kerngemeente — dan gaat het uiteindelijk om het toekomstig belang van allen. De industrie moet dit begrijpen en begrijpt dit ook, maar mag harerzijds van de overheid vragen: service. Het is goed en noodzakelijk, dat ambtelijke molens soms langzaam draaien, maar ze mogen geen seconde langzamer draaien dan nodig is om alle aspecten van een zaak te overwegen. Assen heeft getracht naar deze beginselen te werken, en ik geloof met succes. Het aantal m2 bebouwd of in de naaste toekomst te bebouwen industrieterrein bedraagt thans ruim 20.000, terwijl de uitbreidingen of voorgenomen uitbreidingen van bestaande industrieën aan dit geval plm. 8000 m2 toevoegen.

Tot dusverre is 10 ha industrieterrein uitgegeven, terwijl het aantal reële contacten dusdanig is, dat plm. 30 ha bouwrijp wordt gemaakt. Het aantal nieuwe gebouwen op het industrieterrein bedraagt 12, terwijl er op 't ogenblik nog twee in aanbouw zijn. Ook overigens komt in tal van nieuwe vestigingen de plaats van Assen als centrumgemeente geprononceerder tot uitdrukking. De ontwikkeling van Assen op industrieel gebied gaat snel verder. Hoe zal het verder met deze groei gaan ? Zal zij zich ongelimiteerd voortzetten ? Het gemeentebestuur van Assen heeft,- in nauwste samenwerking met het Deti en het Gewestelijk Arbeidsbureau- , steeds een uiterst realistische politiek gevoerd: wat wij zeggen moeten wij waar kunnen maken. Niemand in het Noorden is ermede gediend, wanneer de kerngemeenten een acquisitiepolitiek zouden gaan voeren, welke zelfs de nu nog bestaande grote mogelijkheden in dat Noorden zou gaan overtreffen.



Wait and see !

Wanneer alle in de komende twintig jaren in onze gewesten vrijkomende arbeidskrachten zich in Assen zouden vestigen, kunnen we rustig nog een paar mammoetbedrijven aantrekken. Maar is een dergelijke speculatie reëel ? Zal de bodemgebonden arbeider van het Noorden althans voor wat de eerste generatie betreft, zijn werk niet in de buurt van zijn huis zoeken ? Assen voert een enthousiaste, maar nuchtere politiek om het bevolkingsoverschot van zijn rayon en degenen die eertijds door gebrek aan werkgelegenheid naar elders vertrokken maar graag terug willen, op te vangen met rijk gevarieerde arbeidsmogelijkheden en meent te mogen zeggen, dat het bezig is, hierin te slagen. Dan hebben we een stad, waarin wat gebeuren kan en waarvan iets uitstraalt. En daarna ? ? Wait and see !

Reeds vóórdat de in versneld tempo voortgezette naoorlogse aanpak deze resultaten opleverde, was, alleen al voor het blote feit van de nieuwe doelstellingen en popularisering daarvan, een daarmede gepaard gaande versnelde aanpassing van de bevolking en van het gehele maatschappelijke leven merkbaar. De spreekwoordelijk zuinige, voorzichtige Drent van vroeger, die de gehele dag geploeterd had, maar dan ook gauw in bed kroop en wel eens te weinig interesse had voor gemeenschapsuitingen buiten zijn eigen directe levenssfeer, verdwijnt. Het bedrag, hetwelk door de Asser bevolking in de laatste twee en een half jaar geofferd is voor doelstellingen, welke beogen de ,fleur" van het stedelijk leven te verhogen (dus ongerekend de talrijke normale collecten !) bedraagt bijna een ton (carillonfonds, sjakoactie voor de J.W. F.-kapel, wijkgebouwen, hulp aan het getroffen Aubusson in Frankrijk, enz.), terwijl het cultureel programma zodanig door de burgerij wordt gedragen, dat tot dusver slechts een gemeentesubsidie van 9% van de kosten nodig is geweest.

Het tempo van het stadsleven wordt hoger. Zakenpanden worden vernieuwd en de „aardigheid" van de burgerij in gemeenschapsuitingen stijgt zienderogen. Een belangrijke bijdrage hiertoe leverde stellig de nauwe samenwerking tussen garnizoen en burgerij, welke op sportief en cultureel gebied uitstekende resultaten gaat afwerpen. Het ergste lot, dat een stad kan treffen, is, dat zij groeit over de hoofden van haar inwoners heen. De Assenaar gevoelt voor zijn stad en wil ervoor vechten. En in tienduizenden harten zal hopelijk straks een diep gevoel van trots leven op „hun stad", die in het midden van de twintigste eeuw, tegen veler ongeloof en scepticisme in, de kracht vond zich grondig te vernieuwen en in dynamiek en levenstempo te worden een der brandpunten van het „nieuwe Noorden".


Burgemeester Agter


"Een woordeminentie", noemde het Vrije Volk Agter bij zijn afscheid.


Bronvermelding:
'Assen tussen droom en vrees'. 20 jaar veranderingen in de Asser binnenstad. Werkgroep Rapport. september 1979. .


Agter, stammend uit een links nest, was een man met grote ideeën. Ideeën over hoe je de samenleving in zou moeten richten; hoe mensen met elkaar om zouden moeten gaan. Het Assen dat hij aan het eind van de jaren vijftig aantrof, was een stad waar de in de negentiende eeuw op gang gekomen ontwikkeling — op het oog nauwelijks aangedaan door crisis en oorlog — voortgang vond: een ambtenarenstad met een sterke middenstand. In het eerste hoofdstuk is opgemerkt hoeveel jaar erover de Doorbraak gepraat is. Wat Assen nodig had, was een verandering van de mentaliteit. Agter nam die mentaliteitsverandering zo'n beetje in zijn eentje voor z'n rekening. Hij kon toespraken houden waar iedereen geboeid naar bleef luisteren. Zijn nieuwjaarsredes in de gemeenteraad waren geen dorre opsommingen van gebeurtenissen in het afgelopen jaar, maar meer het soort speeches dat voetbaltrainers in de rust houden: 'Jongens, nu gaan we er keihard tegenaan!'. "Een woordeminentie", noemde het Vrije Volk Agter bij zijn afscheid.

De filosofie van Agter klonk door in alles wat er na hem over Assen gezegd is. 'Assen moet met zijn tijd meegaan', 'De kansen liggen voor het grijpen — we hoeven ze alleen maar op te rapen!'. Agter was een kind van zijn tijd. Heel Nederland stond in het teken van de welvaartsstijging. In de jaren vijftig was Nederland de ellende van crisis en oorlog te boven gekomen door hard te werken. Er was welvaart gekomen, ledereen koesterde zich bij het idee dat er weliswaar veel bereikt was, maar dat er nog oneindig veel meer in het verschiet lag. Welvaart was gemeengoed geworden. Agters partij, de PvdA, had in 1959 haar beginselprogram zodanig herschreven dat het welvaartsden ken het uitgangspunt voor politiek handelen werd. Van dit denken zijn de ideeën van Agter schoolvoorbeelden. Je hoeft de hele maatschappij niet omver te gooien; je moet zo aan de maatschappij sleutelen dat iedereen z'n portie welvaart krijgt.

We zijn brutaalweg begonnen van Assen een middelgrote stad te maken, zei Agter bij zijn afscheid. Agter was niet bang om te lobbyen. Bovendien had hij uitstekende contacten in Den Haag. Zo goed, dat men in Assen dikwijls al van regelingen op de hoogte was, voor ze openbaar werden. In een interview met het Vrije Volk zei Agter over zichzelf:

"Ik was in Assen verdronken in de details als ik een doe-figuur was geweest. Ik ben meer beschouwend. Ik wou ook graag dat wethouders minstens een halve dag in de week rustig achter hun bureau gingen zitten en dat ze dan niets te doen hadden."


In memoriam Mr P. P. Agter door A. van Dijk, directeur der Drentse Vervoer Maatschappij


Bronvermelding:
Nieuwe Drentse Volksalmanak, 1970


Mr P. P. Agter werd te Utrecht geboren op 17 september 1903, hij overleed te Heerenveen op 17 november 1969. Als men zich de persoon Agter in de herinnering oproept dan denkt men al spoedig aan de vele gevarieerde eigenschappen die hem kenmerkten en aan de vele functies die hij heeft bekleed. Hij was een beminnelijk man die met zorgvuldige voorbereiding en met enthousiasme de zaken waarmee hij in contact kwam aanpakte en doorzette. Zijn liefde en waardering voor zijn medemens waren een richtsnoer bij zijn denken en handelen. Hij studeerde aanvankelijk theologie, maar na enkele jaren boeide die studie hem niet meer, zodat hij besloot een werkkring te aanvaarden bij een ziekenfondsorganisatie.

Spoedig daarna ging hij opnieuw studeren doch nu in de rechten. In de zeer korte tijd van drie jaar voltooide hij deze studie en werd hij juridisch adviseur bij het ziekenfondswezen. In deze tijd vervulde hij een aktieve rol in de toenmalige SDAP. Van deze partij was hij o.a. gewestelijk voorzitter in Utrecht. Deze functie verkreeg hij eveneens na de totstandkoming van de Partij van de Arbeid. Na de oorlog was de heer Agter negen jaar lid van het college van gedeputeerde staten van de provincie Utrecht. In 1955 werd hij benoemd tot directeur van het Rijksasyl Dr S. van Mesdag te Groningen. Deze functie vervulde hij 3½ jaar tot zijn benoeming in 1958 tot burge- meester van Assen.

Het ambt van burgemeester werd, en dit kan ook niet anders, door de heer Agter op een zeer eigen wijze vervuld. Veel van de opgestelde plannen zijn gedurende zijn ambtsperiode in Assen gerealiseerd. Zo zag Assen het aantal arbeidsplaatsen aanzienlijk toenemen, zowel in de industriële als in de dienstverlenende sector. Velen hebben in deze periode kunnen genieten van zijn zeer goede speeches, speeches die zich kenmerkten door een vlotheid van woorden rond een kernachtige inhoud, welke een ieder die zij mochten beluisteren, iets hebben gezegd. In zijn speeches drong zijn persoonlijkheid in al haar facetten telkens opnieuw naar voren, hetgeen juist dat sterk persoonlijke cachet toevoegde aan de inhoud. In de 10½ jaar Assen werden door de heer Agter tientallen functies op velerlei terrein vervuld.

Een van de werkterreinen waarop hij actief zou blijven ook na zijn pensionering, was het VVVwezen. Tien jaar was hij de actieve stimulerende voorzitter van de Provinciale Drentse Vereniging voor Vreemdelingenverkeer, in deze kwaliteit is door hem veel gedaan voor de ontwikkeling van het VWwezen in de Provincie Drenthe. Zo werd de opbouw van de vereniging gemoderniseerd, terwijl ook zeer veel aandacht door hem is geschonken aan de publi citeit rond het vreemdelingenverkeer in de provincie. Dat dit vreemdelingenverkeer zijn grote liefde had bleek ook uit zijn bereidheid zitting te willen nemen in het bestuur van de A.N.V.V., aan de reorganisatie van welke vereniging door hem veel is voorbereid.

Dat dit werk landelijk grote waardering heeft gevonden mag mede worden geconcludeerd uit zijn kandidaatstelling voor het voorzitter schap, waarvan de verkiezing zou hebben plaatsgevonden in decem ber. De structuurcommissie van de ANW, waarvan hij de bezielende voorzitter was, had juist in het najaar zijn eerste rapport afgesloten. Een commissarisplaats in het Nationaal Bureau voor het Toerisme stond in verband daarmee voor de heer Agter open. Dan was de heer Agter nog voorzitter van de Coördinatiecommissie van de Provinciale VVV's van Friesland, Groningen en Drenthe. Twee dagen voor zijn overlijden was de heer Agter leider van een delegatie uit het VVVwezen, welke werd ontvangen door de Staats secretaris van Economische Zaken.

Hij is overleden terwijl hij nog de volheid van dit organisatiewerk stond. Hij was een man van grote lijnen met altijd precies op het goede moment de aandacht en de belangstelling voor het zinvolle detail. Zo zal men steeds aan zijn werk blijven denken, maar meer nog dan aan dat werk zal men blijven denken aan de warme, vriendschap pelijke en spontane vriend die hij voor zovelen is geweest.






© 2006-2009 www.mijn-eigen-website.nl