In en om Assen





Assen Oud-Zuid


Bronvermelding:
'Assen Oud-Zuid'. De teksten werden geschreven door Jan Battjes (stedebouw) en Johan Kruiger (architectuur).. Tekstbijdragen kwamen van Michiel Gerding en Peter Zweegers. Samenstelling: Comité Open Monumentendag Assen (Jan Battjes, Fred van den Beemt, Bertus Boivin, Jan Ennik, Michiel Gerding, Joke Klosters, Jan Lagendijk, Henk Specht (t), Arnold den Teuling en Peter Zweegers) Eindredactie: Bertus Boivin (in samenwerking met Joke Klosters). © 1990 Comité Open Monumentendag Assen



Een overzichtsfoto van Assen Oud-Zuid aan het begin van de jaren '60. Markant middenin lag toen nog het Parkhotel (foto KLM Aerocarte)


Inleiding

Wie bij monumenten alleen denkt aan middeleeuwse kerken, barokpaleizen en grachtenpanden uit de Gouden Eeuw, is in Assen tamelijk snel uitgekeken. Wie echter ook kan genieten van andere bouwwerken die met veel liefde en zorg door onze voorouders tot stand zijn gebracht, komt in Assen royaal aan zijn trekken. In dat opzicht heeft de wijk Assen Oud-Zuid - zo zal op deze pagina blijken - verrassend veel te bieden aan de toeschouwer die is geïnteresseerd in het gevoel voor esthetiek en het vakmanschap van vroegere generaties. Mede geïnspireerd door landelijke initiatieven en provinciaal onderzoek besloten wij dan ook om de gebouwde omgeving in de periode 1850-1940 als thema voor de Open Monumentendag 1990 te kiezen en als gebied de wijk Assen Oud-Zuid.

Voor een goed begrip zijn op deze pagina eerst enige algemene stedebouwkundige ontwikkelingen uit deze periode beschreven waarna we u een ruwe schets bieden van de ontwikkeling van Assen tot de Tweede Wereldoorlog. Tegen deze achtergrond wordt vervolgens meer in detail aandacht besteed aan Assen Oud-Zuid. In het tweede gedeelte zullen we u aan de hand van karakteristieke panden in Assen Oud-Zuid een 'staalkaart' tonen van de ontwikkeling van de architectuur in deze periode.

Wie de foto's op deze pagina bekijkt, zal er tot zijn schrik achter komen dat veel van wat er toen is gebouwd, inmiddels weer is verdwenen of onherstelbaar is 'opgeknapt'. Laten we hopen met deze pagina een kleine bijdrage te kunnen leveren aan het behoud van stedebouw en architectuur uit een periode die door velen jammer genoeg nog te dichtbij werd (en wordt) geacht om er met evenveel respect en eerbied mee om te gaan als met de monumenten uit vroegere perioden. Pas als je weet wat je hebt, weet je wat je kunt verliezen. . .


Stedebouw in Nederland tussen 1850 en 1940

De periode tot 1900

In de vorige eeuw deden zich in Nederland twee belangrijke demografische ontwikkelingen voor. Er was sprake van een sterke bevolkingsgroei en er begon een grote trek naar de steden. In eerste instantie werd deze bevolkingsgroei opgevangen door verdichting van de bebouwing en door een intensievere bewoning. De grote tuinen en andere open ruimten in de oude steden verdwenen, waardoor echter hygiënische problemen ontstonden. De lage huizen moesten veelal plaatsmaken voor hogere bebouwing. Dit laatste gebeurde dan vaak zonder dat er sprake was van een verbreding van de straat met alle gevolgen van dien voor de toetreding van licht en lucht. Aangezien er in de vorige eeuw aan¬vankelijk in het geheel geen overheidsbemoeienis was, hadden speculanten vrij spel en konden dergelijke misstanden ontstaan.

Na het invoeren van bouwverordeningen (vanaf ongeveer 1860) werd een verdere intensivering van de bebouwing beperkt en konden de eerste echte stadsuitbreidingen plaatsvinden. Hier waren het bijna altijd de grondeigenaren die zelf hun grond verkavelden. Zij streefden naar een zo winstgevend mogelijke exploitatie en zij waren - binnen de ruime grenzen van de bouwverordening - vrij in de bestemming van hun gronden. Aan deze negentiende-eeuwse uitbreidingsplannen lag dus geen programma ten grondslag, geen verkenning van toekomstige behoeften en ook was er geen aandacht voor voorzieningen als openbaar groen. Laat staan dat men rekening hield met de plaats die een uitbreiding innam in de structuur van de stad.

Er werden eenvoudigweg enige straten toegevoegd aan de bestaande structuur, waarbij bij de verkaveling de eigendomsgrenzen doorgaans bepalend waren. Aangezien de grondeigenaren zelf de bestemming van de grond konden bepalen (zonder rekening met elkaar te hoeven houden) kon het voorkomen dat in woongebieden bedrijven en fabrieken ontstonden; met alle daaraan verbonden nadelen. In ruimtelijk, milieu-hygiënisch en esthetisch opzicht ontstonden er in de laatste decennia van de vorige eeuw dan ook in tal van Nederlandse steden woongebieden van een zeer lage kwaliteit; met name voor de groepen met de lagere inkomens. Een reactie op deze misstanden kwam in de loop van de tweede helft van de vorige eeuw vooral vanuit de medische en technische wereld.

Men kreeg steeds meer aandacht voor bijvoorbeeld voldoende toetreding van licht en lucht, drinkwatervoorziening, riolering, verharding van straten en stadsreiniging. Hiermee werden wel veel misstanden weggenomen, maar het probleem van de gebrekkige ruimtelijke vormgeving, zoals rechte straten gebaseerd op eigendomsgrenzen en geen of weinig aandacht voor architectuur, bleef bestaan. Het ontwerpen van arbeiderswoningen beschouwde men in de vorige eeuw niet als een taak voor architecten. Waar gebouwd werd voor de meer welgestelden - bijvoorbeeld de vrijstaande villa's in een parkachtige omgeving - kwamen dergelijke problemen uiteraard niet voor. . .


De periode 1900 tot 1930

Zeer belangrijk voor de ontwikkeling van de stedebouw was de invoering van de Woningwet (1901) die de stadsuitbreiding tot een gemeentelijke aangelegenheid maakte. Verder ontstond rond de eeuwwisseling vanuit de architectuur een reactie op de gebrekkige ruimtelijke vormgeving. Met nadruk vroeg men aandacht voor ruimtelijk-esthetische aspecten. Dit werd de periode van de zgn. architect-stedebouwers, zoals Berlage, die veel aandacht besteedden aan gebogen straatwanden en/of een geometrische vormgeving van het stratenpatroon, aan een afwisseling in gesloten straatwanden en pleinwanden, aan de plaatsing van monumentale gebouwen op markante punten enzovoort.

Ook kwam er, vooral in de zgn. 'tuinstadbeweging', meer aandacht voor het openbaar groen. Hoewel er in deze periode dus wel iets meer aandacht kwam voor het grotere geheel, werd er toch vooral gebouwd voor de op dat moment gevoelde behoefte. Men bouwde dus meestal zonder rekening te houden met verdere toekomstige ontwikkelingen. Onder meer door de opkomst van de woningbouwverenigingen ontstond er in toenemende mate aandacht voor de architectuur in de volkswoningbouw.


De periode na 1930

Na 1930 kwam er - ondermeer onder invloed van sociologen - meer aandacht voor de maatschappelijke behoeften. Plannen waren niet langer gebaseerd op de actuele behoefte, maar op een programma waar de toekomstige behoefte aan woningen, verkeer en groen en openbare voorzieningen centraal stond. Voortaan werd een stadsuitbreiding nadrukkelijk bezien in relatie met de totale ruimtelijke structuur. Men ging steeds meer over tot uitbreidingen in de vorm van 'wijken' in plaats van het toevoegen van een aantal straten. Bovendien vond er steeds meer een ruimtelijke scheiding plaats van de functies wonen, werken, voorzieningen, verkeer en recreatie. Na 1930 werd de ruimtelijke vormgeving dan ook niet meer zozeer bepaald door esthetische aspecten, zoals de architect-stedebouwers dat altijd hadden gedaan, maar vooral door functionele aspecten.


Stedebouwkundige ontwikkeling van Assen tussen 1850 en 1940

De periode tot 1900

Assen is ontstaan als een kloosternederzetting waarbij de bebouwing zich in de loop der eeuwen vooral aan de Brink en aan de huidige Kruisstraat en Marktstraat ontwikkelde. In de eerste helft van de vorige eeuw was de bebouwing nog in hoofdlijnen beperkt tot een aantal wegen in het 'oude' gedeelte van het huidige winkelcentrum (vooral Kruisstraat, Marktstraat, Oudestraat, Nieuwe Huizen, delen van de Gedempte Singel, de Ooster- en Zuidersingel). Voorts was enige bebouwing ontstaan ter weerszijden van de Vaart. Bekijken we de situatie rond 1850, dan blijkt de bouw van woningen voornamelijk te hebben plaatsgevonden door verdichting van de bestaande kern en door een begin van bebouwing van een aantal uitvalswegen (Rolderstraat, Groningerstraat, Molenstraat, Venestraat en dergelijke).

Assen zat in een fase van een relatief snelle groei: de bevolking zou tussen 1850 en 1900 toenemen van 4.365 inwoners tot 11.327 inwoners (waarna de stad verder groeide tot 20.560 inwoners in 1940). Het proces van verdichting van de bestaande kern en van bebouwing van de uitvalswegen zette zich tot circa 1900 voort. Het aantal nieuwe wegen bleef beperkt tot straten als bijvoorbeeld de Gymnasiumstraat, het Van der Feltzpark, de Hertenkamp, de Esstraat, de Stationsstraat, de Javastraat, de Kloekhorststraat, de Groningerdwarsstraat, de Venegang en de Schoolstraat.


De periode van 1900 tot 1940

Pas na de eeuwwisseling vonden in Assen uitbreidingen op wat grotere schaal plaats: - Tussen 1900 en 1925 was er woningbouw over het spoor waar de 'Dorpen' werden gebouwd, ten zuiden van het centrum, ten noorden van de Stationsstraat (Oranjestraat, Julianastraat, Prins Hendrikstraat), in het gebied ten zuiden van het Noord-Willemskanaal (Kanaalstraat, Nijlandstraat, Paul Krügerstraat) en ten westen van het centrum (Witterstraat, Broeklaan, Emmastraat). Ook was er woningbouw langs uitvalswegen als de Molenstraat en de Venestraat. - Tussen 1925 en 1940 werd er vooral gebouwd ten zuiden van het centrum, in Assen-Oost en langs de uitvalswegen (met name de Anreperstraat, de Steendijk, de Lonerstraat).

Grofweg gesteld blijkt dus dat veel van de bebouwing tussen 1850 en 1940 verspreid is gebouwd langs de uitvalswegen en dat er slechts vier grotere gebieden zijn waar men in deze periode meer aaneengesloten bouwde. Van twee van deze gebieden (de 'Dorpen' en het gebied ten zuiden van het Kanaal; in beide gevallen ging het om arbeiderswijken) is de bebouwing geheel of grotendeels gesaneerd. De twee resterende grotere gebieden met overwegend bebouwing uit de periode 1850-1940 zijn dus het gebied ten noorden van de Stationsstraat en het gebied Assen Oud-Zuid.


J. van Ravenswaay: 'Gezicht op Assen vanaf de Beilerstraat in 1841'. Het gebouw geheel links is het gymnasium, gebouwd in 1825. Uiterst rechts ziet u het huis Overcingel en in het midden het Drostenhuis en de Abdijkerk. (Drents Museum Assen)


De stedebouwkundige ontwikkeling van Assen Oud-Zuid

De situatie in 1832

We hebben 1832 als uitgangspunt voor onze schets van de stedebouwkundige ontwikkeling gekozen, omdat de situatie in dat jaar minitieus is vastgelegd in de kaarten van de Kadastrale Atlas. In het noorden en westen vormden, net als nu, de Zuidersingel en de Beilerstraat de begrenzingen van het gebied. In het zuiden was de Boschbeek (ongeveer ter plaatse van de huidige Port Natalweg) een natuurlijke grens. In het oosten, waar nu de Overcingellaan en de spoorlijn duidelijke grenzen vormen, ontbrak in 1832 zo'n begrenzing. Het noordelijk deel van het gebied bestond voornamelijk uit weilanden en enkele percelen bouwland. Het schilderij van Jan van Ravenswaay, gemaakt in 1841 vanaf de Beilerstraat, geeft een beeld van dit gebied.

Het zuidelijke gedeelte bestond uit een groot bosperceel (met een oppervlakte van bijna 11 ha). Dit perceel omvatte ondermeer de huidige Oosterhoutstraat en Bosstraat en werd in het zuiden begrensd door de Boschbeek. Het werd wel het 'Asserholt' of het 'Kleine Holt' genoemd, ter onderscheiding van het 'Grote Holt' dat ten westen van de Beilerstraat ligt. Beide bossen hoorden indertijd tot de bezittingen van het Asser klooster. Het gebied tussen de Zuidersingel en de Boschbeek was eigendom van een beperkt aantal eigenaren. Het noordoostelijk deel (o.a. het voormalige Wilhelmina Ziekenhuis en het landgoed Overcingel) was nagenoeg geheel eigendom van de familie Van Lier. Het zuidelijk deel - met ondermeer het eerder genoemde bosperceel - was grotendeels eigendom van Petrus Hofstede, de toenmalige gouverneur.

Het grootste gedeelte van het noord-westelijke stuk (met onder meer de huidige Esstraat en het westelijk deel van de Wilhelminastraat) was in 1832 in het bezit van de weduwe Izaak Collard. De families Van Lier, Hofstede en Collard hoorden tot de kleine kring die in alle opzichten het gezicht van het 'Herenbolwerk' bepaalden. Langs de Zuidersingel (ten westen van de Beatrixstraat) en langs de Oosterhoutstraat waren enige percelen in eigendom van A. ten Oever die weliswaar niet tot de Asser upper ten hoorde, maar eveneens een 'man van gewicht' was in de Asser samenleving. De wegen in het gebied waren beperkt tot de Beilerstraat en de Zuidersingel. In het gebied zelf bevond zich in 1832 slechts één (doodlopend) pad, namelijk het noordelijk deel van de huidige Oosterhoutstraat (oneveer tot aan de huidige kruising met de Beatrixstraat).

Ook bebouwing was nog nauwelijks aanwezig. Aan de Zuidersingel en de Beilerstraat stonden in totaal slechts negen woningen: - Aan de Zuidersingel bevonden zich ten oosten van de Oosterhoutstraat in 1832 vijf panden die inmiddels allemaal zijn verdwenen. De namen en beroepen van de bewoners waren Vennink (timmerman), Buining (opzichter waterstaat), Schoenmaker (timmerman), van Marle (klerk bij het gouvernement), Boer (timmerman) en mr. Wolter Hofstede (griffier der Staten van Drenthe). Drie van de bewoners waren tevens eigenaar (Buining, Schoenmaker en Boer). - Ten westen van de Oosterhoutstraat stond aan de Zuidersingel slechts één pand dat in 1832 werd bewoond door schoenmaker Naber.

Dit huis bestaat nog steeds (Zuidersingel 27). Naast het huis stroomde indertijd de Weiersloop in zuidelijke richting. Aan de oostzijde van de Beilerstraat iets ten zuiden van de Zuidersingel (thans staat op deze plaats het pand Beilerstraat 5-7) stonden in 1832 drie panden. De namen en beroepen van de bewoners waren De Vries (verver), Harmanus (arbeider) en Winters (opzichter bij de Waterstaat).


De Beilerstraat in het begin van de negentiende eeuw. In het gebouw geheel links is momenteel Radio Drenthe gevestigd, (foto: gemeentearchief Assen)


Veranderingen tussen 1832 en 1880

Voor het eerst kreeg het gebied een duidelijke oostgrens, toen in de jaren zestig de spoorlijn werd aangelegd. Langs de Zuidersingel vond in deze periode een verdichting van de bebouwing plaats. De grond van Ten Oever (de huidige nrs. 29 t/m 45a) bleef echter onbebouwd. Eenzelfde beeld ging de Beilerstraat in die periode vertonen; ook hier werden nog lang niet alle percelen bebouwd. Drie percelen, die in 1832 toebehoorden aan Collard met een gezamenlijke oppervlakte van ca. 4,5 ha, verkavelde men tot ongeveer vijftig afzonderlijke percelen. In dit gebied werd de Esstraat aangelegd; voorlopig nog als een doodlopende straat. Er werden tot 1880 zo'n twintig woningen gebouwd, in een waarvan in 1871 de toneelschrijver Jan Fabricius werd geboren.

Het lijkt aannemelijk dat de arbeiderswoningen aan de Esstraat moeten worden gezien in samenhang met de bouw van de (inmiddels weer afgebroken) drukkerij die later aan de gebroeders Born zou toebehoren. De toenmalige eigenaar, dr. Hartogh Heijs van Zouteveen, woonde achter zijn drukkerij op de hoek van de Beilerstraat - tegenover de voormalige HBS - in zijn villa 'Oakland' . Ook het bosperceel van Petrus Hofstede werd in deze periode opgedeeld in (circa vijftien) kavels. Het 'Kleine Holt' had in 1880 overigens geheel plaatsgemaakt voor akkers en bouwland. De bebouwing op het voormalige bosperceel beperkte zich tot vijf woningen aan de Beilerstraat, waaronder de villa 'Boschlust'.


Veranderingen tussen 1880 en 1900

De Oosterhoutstraat werd in deze periode doorgetrokken tot aan de Beilerstraat. De weg liep over het voormalige bosperceel evenwijdig aan de grens met de oude Collardkavels. De afstand tot die grens was zo gekozen dat ook het gebied tussen de eigendomsgrens en de weg kon worden verkaveld ten behoeve van woningen. Verder werd de Esstraat tot aan de Oosterhoutstraat doorgetrokken en legde men de Bosstraat aan. Deze laatste weg kwam overigens wèl langs een kavelgrens te liggen. Tussen 1880 en 1900 veranderde er in het gebied eigenlijk maar heel weinig. Er werden weliswaar enkele straten aangelegd, maar weinig woningen kwamen in deze periode nagenoeg niet tot stand.


Veranderingen tussen 1900 en 1925

In deze periode kwamen er drie wegen bij. Zo werd - wellicht in samenhang met de bouw van het Wilhelmina Ziekenhuis - de Wilhelminastraat aangelegd. Verder werd de Esstraat verlengd tot aan de Bosstraat en tenslotte werd de Parkstraat aangelegd als verbinding tussen de Bosstraat en de Oosterhoutstraat. In vergelijking met de voorgaande periode werd er in de eerste decennia van deze eeuw in dit gebied een behoorlijk aantal woningen gebouwd; vooral langs de Beilerstraat, die in deze periode werd 'volgebouwd', langs de Wilhelminastraat en langs delen van de Oosterhoutstraat. Van de Bosstraat werd het gedeelte tussen de Beilerstraat en de Esstraat bebouwd en van de Parkstraat vooral de zuidzijde.

Interessant is verder dat er in deze periode in het gebied enige belangrijke openbare gebouwen tot stand kwamen:

- het Wilhelmina Ziekenhuis (1910) aan de Oosterhoutstraat,
- de Nederlands-Hervormde Kapel (1913) aan de Oosterhoutstraat,
- de Dr. de Visserschool (1913) aan de Oosterhoutstraat,
- de Rijkskantoren (1914) aan de Wilhelminastraat,
- het Parkhotel (1917) aan de Bosstraat,
- de Gereformeerde kerk (1924) aan de Zuidersingel. (De kerk werd gebouwd op het perceel van Ten Oever; hier werd in 1926 de bekende Synode van Assen gehouden.)

In deze periode moesten op basis van de Woningwet voor het eerst stedebouwkundige plannen worden gemaakt. Nadat een eerder plan uit 1910 was afgekeurd verscheen in 1913 een 'Plan tot uitbreiding van Assen' dat voorzag in uitbreidingen ten noorden, ten oosten en ten zuiden van het centrum. Voor het gebied waar wij het over hebben, is interessant dat ten zuiden van de Bosstraat een villawijk werd ontworpen, die zich kenmerkte door een zekere mate van symmetrie en door gebogen straatwanden. Opmerkelijk is verder dat in dit plan reeds veel aandacht is geschonken aan de onderlinge verbindingen tussen de verschillende stadsuitbreidingen. Dit plan is in deze vorm echter nooit tot uitvoering gekomen. Alleen de aanleg van de Meidoornlaan (na 1925) lijkt hierin te passen.


Het Parkhotel opende in 1917. Ondanks het luisterrijke interieur is het nooit rendabel geweest. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd het in beslag genomen door de Duitse bezetter. In 1945 diende het als onderkomen voor het Bijzonder Gerechtshof. Tenslotte kwam het gebouw in bezit van Homas Gezelschapsspelen. In 1979, nadat Homas was verhuisd naar het industrieterrein, werd het Parkhotel gesloopt en is de huidige Parkflat gebouwd, (foto: gemeentearchief Assen)


Zandwegen

De straten in Assen Oud-Zuid waren in het begin van deze eeuw nog onverharde wegen die bij het minste of geringste in modderpoelen veranderden. Dit leidde tot een omvangrijke stroom klachten. Enkele bewoners van de Bosstraat bijvoorbeeld klommen in 1913 in de pen. Dat de aanhouder wint, moge blijken uit het feit dat hun straat in 1924 werd verhard. De reden dat een en ander zo lang moest duren, was gelegen in het feit dat niet de gemeente, maar de huiseigenaren de weg in hun bezit hadden. Het gemeentebestuur stelde zich op het standpunt dat eerst alle benodigde grond moest worden afgestaan en dat de betrokkenen mee moesten betalen in de kosten van bestrating en riolering. Elf jaar later pas was iedereen zo ver..


Veranderingen tussen 1925 en 1940

Voor Assen Oud-Zuid is de periode tussen 1925 en 1940 een belangrijke, omdat een zeer groot deel van de woningen in die jaren werd gebouwd. Tegenover het Parkhotel werd een pleintje ontworpen, waarop, behalve de reeds aangelegde Bosstraat en Parkstraat, de Burg. Gratamastraat, de Burg. Jollesstraat en de Plataanweg uitmondden. In deze periode werden ook de Meidoornlaan, de Iepenlaan, de Vogelkerslaan en de Kastanjelaan aangelegd, alsmede het gedeelte van de Port Natalweg tussen de Kastanjelaan en de Plataanweg. De aanleg van de Plataanweg, de Iepenlaan, de Vogelkerslaan, de Kastanjelaan en het genoemde gedeelte van de Port Natalweg was gebaseerd op het 'Uitbreidingsplan Gemeente Assen', dat in 1937 werd vastgesteld. Ook in dit plan was veel aandacht geschonken aan de verbindingen vanuit dit deel van Assen met de rest van de stad:

- De Burg. Gratamastraat zou in noordelijke richting worden aanaangesloten op de Oostersingel.
- De Burg. Jollesstraat zou worden verlengd tot aan het station.
- De Plataanweg zou een verbinding geven met Assen-Oost en zou de spoorlijn met een tunnel kruisen.
- In samenhang hiermee zou de Parkstraat worden verlengd tot aan de Zuidersingel waarmee een goede verbinding tussen Assen-Oost en het centrumgebied zou zijn verkregen.
- De Port Natalweg en de Iepenlaan zouden verlengd worden in de richting van de Beilerstraat.

Van deze plannen zijn na de oorlog uiteindelijk alleen de verlenging van de Parkstraat (de huidige Beatrixstraat) en de aanleg van de Port Natalweg tussen de Beilerstraat en de Kastanjelaan gerealiseerd


Veranderingen na 1940

Het uitbreidingsplan uit 1937 voorzag in een doortrekking van de Iepenlaan naar de Beilerstraat, waarbij de Iepenlaan in twee takken zou worden gesplitst. Een noordelijke tak zou ten noorden van 'Boschlust' op de Beilerstraat uitkomen, terwijl een zuidelijke tak met een vloeiende beweging wat zuidelijker op de Beilerstraat zou aansluiten. Beide plannen zijn niet doorgegaan, maar wel is de aanleg van de Gouverneur Hofstedelaan gerealiseerd - die niet was opgenomen in het plan van 1937 - waardoor het huidige driehoekige plantsoentje is ontstaan. Tenslotte nog een overzicht van vier bestemmingsplannen die samen het naoorlogse gezicht van dit deel van de stad in belangrijke mate hebben bepaald:

- In 1950 is een bestemmingsplan voorbereid op basis waarvan de Beatrixstraat is gerealiseerd. Hiervoor moest een woning aan de Oosterhoutstraat worden afgebroken. Op basis van dit plan werden naast enige woningen ook de Anne de Vriesschool en de Prof. Kohnstammschool gerealiseerd.
- In 1952 kwam er een bestemmingsplan dat voorzag in woningbouw langs de Vogelkerslaan.
- De aanleg van de Gouverneur Hofstedelaan, de bebouwing aan deze weg en die ten noorden van de Port Natalweg tussen de Beilerstraat en de Kastanjelaan, is gebaseerd op een bestemmingsplan dat in 1955 is vastgesteld.
- Tenslotte kwam er in 1960 een bestemmingsplan gereed op basis waarvan de Overcingellaan is aangelegd.


Straatnamen

Bij raadsbesluit van 16 mei 1884 zijn de namen van een groot aantal straten, wegen en pleinen in Assen vastgesteld. Ook de Brink, de Markt, de Kruisstraat - die natuurlijk al lange tijd zo werden genoemd - heten dus pas vanaf die datum officieel zo. In dit raadsbesluit komen we naast de Zuidersingel en de Beilerstraat slechts twee andere namen uit Assen Oud-Zuid tegen. Zo treffen we op de lijst de Houtstraat aan, die nu Esstraat heet. 'Officieus' heeft de straat nog een andere naam gehad, want Jan Fabricius woonde in zijn jonge jaren naar eigen zeggen 'op 't Holtesch'. Sinds 1884 is de officiële naam dus Houtstraat, op 17 april 1930 veranderde de gemeenteraad deze naam in Esstraat. In het raadsbesluit van 16 mei 1884 werd de Oosterhoutstraat vermeld als 'nieuw geprojecteerden weg die vanaf de Beilerstraat tot aan den Zuidercingel loopt'. Op 30 december 1887 werd de naam Oosterhoutstraat officieel toegekend.






© 2006-2009 www.mijn-eigen-website.nl