In en om Assen





Assen - stad der paleizen -


Bronvermelding:
'Assen, stad der Paleizen'. Uitgave: VVV Assen en Rijksarchief Drenthe. samenstelling: Comité Open Monumentendag Assen (Fred v.d. Beemt, Bertus Boivin, Jan Ennik, Corneille F. Janssen, Joke Klosters, Jan Lagendijk, Henk Specht, Arnold den Teuling en Peter Zweegers) . Eindredactie: Bertus Boivin (in samenwerking met Joke Klosters).



'Gezicht op de stad'. W. van Uije, 1855 (collectie Drents Museum, Assen)


"Qualijck soo groot of fraij als Scheveninge"

Van de provinciale hoofdsteden in Nederland mag Assen, 'het kloppend hart van Drenthe', zich er op beroemen in de loop van de tijd de meeste toegevoegde benamingen te hebben gehad. Soms moest deze bijnaam aangeven hoe klein de hoofdplaats van de provincie wel was en dat Assen eigenlijk het aanzien van een dorp had, soms ook moest de toegevoegde benaming duidelijk maken dat Assen, ook al had het niet het voorkomen van een stad, desondanks wel degelijk met andere provinciale hoofdsteden kon wedijveren. Van recente datum, maar op oudere situaties teruggrijpend, zijn de wellicht niet algemeen bekende benamingen 'het Drentse Haagje' en 'het Drentse Canberra'.

Met 'het Drentse Haagje' (verwijzend naar de Residentie, Den Haag) meende men de bestuurlijk-administratieve functie van Assen in de Drentse samenleving naar waarheid aan te duiden, terwijl 'het Drentse Canberra' (verwijzend naar de tussen 1923 en 1927 gebouwde federale hoofdstad van Australië) duidelijk moest maken dat Assen als bestuurscentrum kunstmatig geschapen werd, nadat het landschapsbestuur na de doorvoering van de kerkhervorming in en na 1598 de beschikking kreeg over het gebouwencomplex van het voormalige klooster waarin het bestuursapparaat onderdak kreeg. Dat de kloosternederzetting Assen na 1602 het bestuurscentrum van Drenthe werd, had tot gevolg dat zich allengs personen met hun gezinnen in Assen gingen vestigen die op enigerlei wijze met het bestuursapparaat van doen hadden.

Dat waren niet alleen ambtenaren, maar ook ambachtslieden. Johan Picardt schreef in 1660 dan ook: "Is voortijds maer een klooster geweest, maer neemt soo toe, dattet metter tijdt een vleck sal werden." Picardt bedoelde met de aanduiding 'vleck ' te zeggen dat Assen zou gaan bestaan uit een verzameling van straten en huizen, kleiner dan een stad en groter dan een dorp. Dat het nog geruime tijd zou duren dat Assen zich zo zou hebben ontwikkeld kon de schrijver niet voorzien. Tot dan was Assen "qualijck soo groot of fraij als Scheveninge" vond Jan van Vliet, een neef van dichter Jacob Cats, die in 1643 in gezelschap van de taalkundige Fransiscus Junius een reis door de drie noordelijke provincies van ons land maakte, waarbij ook Assen werd bezocht.

In 1792 werd Assen nog immer als 'vleck' beschouwd. Toch was het aanzien van de plaats al aanmerkelijk veranderd in die tussenliggende bijna anderhalve eeuw. Behalve het overgebleven gedeelte van een klooster stonden "in dit Vlek een aanzienlyk Huis, bij de Heer Drost in gebruik, als mede de Wooningen van den Ontfanger-Generaal en van den eersten Klerk; voorts 's Lands Gevangen huizen, en verscheidene niet onaanzienlyke Woonhuizen van onderscheidene Regeeringspersonen." De toegevoegde benaming voor Assen, Stad der paleizen, moet in ieder geval van na 1792 dateren. Wanneer en door wie werd deze benaming geïntroduceerd?


Hoek Van der Fellzpark / Beilerstraat; links de oude HBS, rechts het 'Grote Holt', op de achtergrond de oude Buitensociëteit / restaurant De Hertenkamp (fotoarchief Drents Museum, Assen)


Spotters

De schilders Louis Albert Roessingh en Hans Heyting waren de initiatiefnemers van 'de Drentse Schilders', later 'het Drents Schildersgenootschap' geheten. Beiden waren veelzijdig kunstenaar. Roessingh, de nestor der Drentse kunstschilders5, hanteerde niet alleen op voorbeeldige wijze het penseel maar had ook als Drents dialectdichter grote gaven. Het bundeltje 't Diggelhoes en haast alle jaargangen van de Drentse Volksalmanak uit het tweede kwart van deze eeuw getuigen daarvan6. Heyting zou zich na 1950 met het toneel en het schrijven gaan bezighouden. In het najaar van 1950 liet Roessingh in een brief aan zijn vakgenoot Heyting weten dat hij doende was een roman te schrijven.

Hij moet met deze roman gedoeld hebben op zijn jeugdherinneringen aan Assen welke kort nadat hij te Elp op 18 januari 1951 was overleden, onder de titel Stad der paleizen bij Van Gorcum & Comp. te Assen werden uitgegeven. In de inleiding van dit boekwerkje, opgedragen aan zijn vroegere stadgenoot Jan Fabricius, schreef Roessingh: "Waarom spotters mijn geboorteplaats de stad der paleizen noemden? Ja, er was een Paleis van Justitie en wij spraken van het paleis van de gouverneur. Maar voor de rest was de Drentse hoofdstad niet veel meer dan een groep herenhuizen bij een bos gelegen en omgeven door de grote hei." Roessingh ging er dus van uit dat stad der paleizen een spottende benaming was voor Assen. Was dat een juiste gedachte?


Het nijdige Kampertje

Johan Antoon Willinge, geboren te Emmen in 1834 als zoon van burgemeester Jan Jakob Willinge, was in 1854 studerende te Groningen en wilde in de herfst van dat jaar zijn familie ta Coevorden gaan bezoeken. Van zijn reis per postwagen maakte hij als redactielid van de Groninger Studentenalmanak een verslag. De reis ging van Groningen naar Zuidlaren en via Vries, Assen, Rolde, Zweeloo en Sleen naar Coevorden. "Ik was blij", schreef Willinge, "eindelijk de stad der paleizen — zooals het nijdige Kampertje steeds Drenthe's hoofdplaats noemt — tusschen 't geboomte te zien opdoemen. "

Met het nijdige Kampertje doelde Willinge op de Kamper Courant, waarin op ondermeer 1 juli 1841, 5 augustus 1841 en 5 juni 1843 artikelen verschenen met de bedoeling zaken en personen in Assen belachelijk te maken en in het bijzonder om het bestuur van die plaats verdacht te maken en als geheel ongeschikt voor te stellen. In de Drentsche Courant van 9 juni 1843 verscheen als reactie daarop een anoniem ingezonden stuk met de titel 'Is laster geen misdrijf meer', terwijl de toenmalige gemeentesecretaris van Assen, W.J. Meinsma, onder het initiaal M, in datzelfde jaar een pamflet liet uitgaan gericht tegen de Kamper Courant onder de titel Curiositeiten van X, Stad der Paleizen.

Maar niet alleen in de Kamper Courant werd Assen spottend de stad der paleizen genoemd. Een der 'Drie Podagristen', vermoedelijk Harm Boom, die in 1869 het uiterlijk van de jonge hoofdstad Assen spottend als popperig, lilliputsch en Neurenburger-speelgoedachtig kenschetste in vergelijking met andere provinciale hoofdsteden, stelde ook nog eens dat de aanduiding kleine stad der paleizen als een roekeloosheid moest worden beschouwd. Tot zover zou Roessingh dus gelijk hebben gehad. Weinig goede woorden over het uiterlijk van de stad Assen. En dat terwijl J.A. Oostkamp al in 1834 in zijn Aardrijkskundig schoolboek van de provincie Drenthe had geschreven: "Een aanmerkelijk aantal nieuwgebouwde huizen geeft aan deze plaats een bevallig aanzien" en "een aangename wandelsingel, maar vooral het meer dan honderd morgens uitgestrekte Sterrebosch. .. strekken zeer, om het verblijf te, zoo wel als het uiterlijk voorkomen van Assen te veraangenamen. "Assen, stad der paleizen. Werd deze benaming door de Kamper Courant geïntroduceerd? Of was de benaming al eerder, en dan ook om de stad belachelijk te maken, gebruikt?


Gijsbert Karei van Hogendorp

De bekende Nederlandse staatsman Gijsbert Karei van Hogendorp maakte, toen hij de tijd voorbij achtte nog grote diensten aan zijn vaderland te kunnen bewijzen, in de nazomer van 1819 een reis naar Drenthe. Aanleiding voor deze reis was zijn benoeming tot lid van de Commissie van Toezicht van de in 1818 door Johannes van den Bosch opgerichte Maatschappij van Weldadigheid. De eerste kolonie was die in Frederiksoord. Van Hogendorp ging deze bezoeken. Van deze reis, die hem behalve naar Frederiksoord ook naar Meppel, Smilde, Assen, Rolde en via Zweeloo naar Coevorden voerde, stelde Van Hogendorp een uitvoerig verslag samen.

Toen hij Smilde achter zich liet en zijn reis voortzette naar Assen, schreef hij: "Waar de Smildervaart eindigt, begint Assen, eertijds eene abdij, vervolgens ingerigt tot een verblijf der regeringscollegiën. Deze hoofdplaats der provincie is open aan alle zijden, zonder reguliere straten, doch bestaat uit groote, schoone gebouwen, met ruime tuinen daar achter, en pleinen tusschen beide. Iemand zeide mij vooruit, dat ik Assen eene stad van paleizen vinden zou. Dit is waar, in zoo verre een schoon huis in Den Haag een paleis in Drenthe heeten mag." Hier vinden wij deze aanduiding voor Assen het eerst. Wie de 'iemand' in de tekst van Van Hogendorp is geweest, is niet meer te achterhalen. Het is echter Gijsbert Karei van Hogendorp die de eer toekomt de benaming, in 1819, voor het eerst op schrift te hebben gesteld.

Van Hogendorp schreef lovende woorden over Assen en merkte nog op dat het gouvernementshuis en de kerk aangenaam gelegen waren in het midden van een uitgestrekte plaats. Het bos was tegen de stad aangelegen en deed zich aanzien als een voortzetting van de tuinen. De bewoonde delen van Drenthe hadden zijn bewondering en deden hem herinneren aan de landouw van Soestdijk en van Oosterhout bij Breda. Reizigers spraken dan misschien met verachting over het aanzien van deze provincie, omdat het grootste deel woest lag en een akelige indruk gaf, over een eeuw, wanneer alles bevolkt zou zijn, zou men volgens Van Hoogendorp "gaarne den weg over Drenthe nemen."


Nassaulaan; rechts hek van de Hertenkamp (fotoarchief Drents Museum, Assen)


Negentiende-eeuws toerisme

Een eeuw zou het echter niet duren, eer er weer eens reizigers naar Drenthe kwamen. Zo maakte Lodewijk Constantin Rabo Copes van Cattenburch, burgemeester te Den Haag en lid van Provinciale Staten van Holland, in 1820 met een gezelschap een reis door Oost-Nederland. Op zaterdag 28 augustus kwam men aan in de tot rang van stad verheven provinciale residentie. Opvallend waren voor het reisgezelschap de nieuwe, niet aaneen of in enig verband met elkaar gebouwde huizen van één verdieping en het driehoekige plein waaraan aan één zijde de kerk en het landschapshuis gesitueerd waren. In het reisverslag dat door een der leden van het gezelschap werd opgesteld, werd een rondwandeling door Assen als volgt verwoord.

"Te dezer plaatze rond ziende, zoude men denken ongevoelig in het Brabandsche overgebragt te zijn; het wit gepleisterde kerkje toch met derzelfs spitze toren, verschien bomen, het daar aan belendende landsgebouw en de nieuwe huizen, die omgeven van houtgewas als de kom van een Vlaamsch dorp helpen uitmaken, herinneren aan Berghem en ander gemeenten in den omtrek van Antwerpen, alwaar de vermogende lieden hun verblijven in een cirkel rond om de kerk verkiezen. " Het bos gaf Assen veel minder het voorkomen van de Drentse hoofdstad als dat van de Drentse buitenplaats. Het gezelschap kon hier over oordelen, want eerder had men zich in Zuidlaren op Laarwoud bij de familie Van Heiden Reinestein laten aandienen en daar koffie gedronken.

Op maandag 31 augustus vertrok het reisgezelschap naar Frederiksoord. Het verlaten van Assen deed de schrijver van het verslag aan diens pen ontlokken: "De getimmerten en bebouwde landen van Assen, want voorsteden heeft de jeugdige stad nog niet, te boven zijnde, treedt men als het ware een openbare zee in en, op uuren afstands, ziet men geen boom, geen struik en slegts turfhoopen." Dat koning Lodewijk Napoleon Assen tot de rang van stad had verheven bij gelegenheid van zijn bezoek aan deze plaats in 1809, aan de stad het 'Sterrenbosch' en 20.000 gulden voor het bouwen van nieuwe huizen had geschonken, was tot ver buiten Drenthe bekend.

Het werd als een bijzonderheid gezien en werd derhalve in de reisverslagen van mensen van buiten Drenthe uitdrukkelijk vermeld. In het Sterrenbos waren mooie wandelingen te maken was de mening van Elisabeth Charlotta Petronella Both Hendriksen, die in de zomer van 1823 als veertienjarig meisje in gezelschap van niet met name genoemde ouderen een reis door Noord-Nederland maakte. Zij vond Assen een aardig stadje, maar het kwam haar merkwaardig voor dat er geen stadspoorten waren, en dat vrijwel alle huizen van elkaar gescheiden waren door tuinen. Zij groeide bij Amersfoort op en wist dus hoe een echte stad er uit moest zien!


Eene stad van onzen tijd

Feitelijk wijken de woorden van Elisabeth niet af van die van de Franse letterkundige en publicist Henry Havard die in 1875 op zijn reis door Nederland ook Assen bezocht. "Bij het zien van Assen, zou zeker niemand vermoeden welke hooge betrekking haar door de tegenwoordige staatkunde is toebedeeld. Zij heeft het voorkomen van een fraai dorp, volstrekt niet van eene stad en allerminst dat van eene hoofdstad. Toch is zij dit werkelijk en de groote gebouwen, bewoond door de bestuurders van provincie en stad, zijn tamelijk in strijd met de andere lage huizen, de dood eenvoudige straten, de oude boomen en de uitgestrekte grasvelden die er zich aan alle zijden vertoonen. Assen is bepaald eene schepping uit den tateren tijd.

Te vergeefs zoudt gij er die gedrukte, opeengedrongen huizen, die kromme, bogtige straten, die sombere stegen zoeken, welke de blijvende sporen zijn van het bekrompen bestaan, het gewone leven van de steden der middeleeuwen. Overal heerscht hier licht, lucht en groeikracht; alles wat voor eene stad van onzen tijd geëischt wordt. Dit mag intusschen geene verbazing wekken, omdat die hoofdstad, om zoo te zeggen, eerst sedert gisteren bestaat." Hoe Assen ook genoemd of gezien mag zijn, een "vleck", een fraai (Vlaams) dorp, een dorp gelijkend op Scheveningen of een stad zonder poorten, vele reizigers die deze plaats in het verleden hebben bezocht, zullen hebben gedacht, wat Roessingh aan het slot van zijn boek schreef: "Wel weet ik, dat Assen op 't laatste ogenblik bij mij zal zijn zó als mijn (kinder)ogen haar zagen; als een stad van vrede, van geluk. Als de stad der Paleizen"






© 2006-2009 www.mijn-eigen-website.nl