In en om Assen





‘Zeven eeuwen Assen – en meer!’


Bronvermelding:
Een voordracht van dr H.J. Prakke op de bijzondere bijeenkomst van de Landdag 1959 van het Drents Genootschap op 6 juni 1959 in het Concerthuis te Assen t.g.v. de viering van ‘700 jaar Assen – 150 jaar stad’.


‘Assen is groter dan Assen’

Assen is ouder dan men gewoonlijk denkt. Heel wat mensen hebben er al van opgehoord, dat wij hier ‘Zeven Eeuwen Assen’ wilden herdenken. Toch is hen daarmee in wezen zo-te-zeggen nog de helft niet aangezegd. Want ‘Assen is groter dan Assen’, gelijk de heer Koning (van Loon) het zo spits in ons orgaan Drenthe formuleerde. Tot de gemeente Assen toch behoort ook een krans van agrarische dorpen en buurtschappen rondom het stedelijk centrum. En daarbij zijn er, die als menselijke nederzetting bepaald belangrijk ouder zijn dan zevenhonderd jaar! Met name door Loon en Peeloo is het, dat onze gemeente terug kan tasten naar een boeiend praehistorisch verleden. Maar daarvoor wonen wij dan ook in de Olde Lantschap Drenthe.


Een olieverfschilderij van Simon Drost van de reconstructie van een Bronstijdnederzetting (DMA)


8000 jaar voor Christus

Wie waren de eerste mensen, die het huidige grondgebied der gemeente Assen betraden en wanneer moet dat geweest zijn? Waren het de rendierjagers van de Hamburger cultuur, die destijds ook Drenthe tot jachtgebied kozen, dan ligt dat tijdstip ‘maar-zo’ 100 tot 140 eeuwen voor Christus. Zekerheid hebben wij eerst van de jagers en vissers ener latere periode, die van de Tardenoisien-cultuur, wier sporen hier in de bodem teruggevonden werden: Fijnbewerkte miniatuurwerktuigjes van vuursteen  bewijzen ons hun aanwezigheid in een tijd, die moet liggen tusssen 8000 en 4000 jaar vóór Christus.

Van onze eerste vaste nederzettingen op Asser gebied getuigt publiekelijk het meer dan 4000 jaar oude hunebed bij Loon. Deze hunebedbouwers – dragers van de Trechterbekercultuur – waren de vroegste Landbouwers van onze noordelijke provinciën. Hun dodencultus, waarbij de afgestorvenen ‘bijgraven’ in het graf meekregen, vertelt ons al iets meer van de mens-van-toen; die bijgraven immers getuigen van een primitief geloof in de voortzetting van het leven na de dood.


De befaamde houten ploegschaar uit Loon

Andere bodemvondsten op Asser territoor uit de ‘leerschool van de spade’ van Van Giffen en Waterbolk: Standvoetbekers, een strijdhamer, vuurstenen spaanmessen en vuurstenen bijltjes, gevonden in graven bij Peeloo, bewijzen dat niet veel later (omstreeks 2000 voor Christus) ook de veehouders van de Standvoetbekercultuur binnen de grenzen van het tegenwoordige Assen woonden. Sporen van de oudste handelaars in onze contreien – de dragers van de Klokbekercultuur, die omstreeks 2000 v. Chr. Van zich doen weten – zijn binnen de gemeente nog niet gevonden, wel wat noordelijker, bij Oudemolen.

De tijd schrijdt voort: Een grafheuvel, bij Peeloo ontdekt, bleek omgeven geweest te zijn door een houten paalkrans, hetgeen wijst op bewoning daar ook in de Bronstijd, tussen 1400 en 1000 v. Chr.  Uit de laatste periode van de bronstijd stammen de oudste dubbel conische urnen uit een urnenveld daar vlak bij. Dan cremeert men hier zijn doden dus. Dit urnenveld bleek in gebruik tot in de vóór-Romeinse Ijzertijd, en uit die tijd werd ons ook overgeleverd de befaamde houten ploegschaar uit Loon: 500 jaar v. Chr. De agrariërs onder ons kunnen in hun arbeid op Asser bodem op wel zeer oude tradities terugzien!


Willehad; ‘De Apostel der Drenthen’

Nog later wijzen nederzettingssporen, thans weer bij Peeloo, op contacten met de Romeinen in de eerste eeuwen onzer jaartelling, en zelfs op import uit de Romeinse provincie, zoals een hier gevonden scherfje van terra-sigillata aantoont. Ren slotte wijst op bewoning in Larolingische tijd een zilveren siergreep met de afbeelding van een leeuw, wederom gevonden in Loon, - een der fraaiste stukken uit ons rijke Provinciaal Museum hier ter stede, waar men al deze praehistorische Asser schatten met grote zorg verzameld en geconserveerd heeft.

De Karolingische tijd – dat is voor ons ook de tijd van Sint Willehadus, de ‘Apostel der Drenthen’, die hier in de 70’er jaren van de 8e eeuw als eerst het christendom predikte. Later werkte hij meer oostelijk in het gebied van de Wezer en stichtte daar, op aandrang van Karel de Grote, het bisdom Bremen, welks eerst bisschop hij werd. Uit deze namen en feiten en de meer nauwkeurige datering, bemerkt u, dat wij dan ook hier, met het doordringen van de christelijke cultuur, uit de praehistorie de tijd der geschreven geschiedenis binnentreden.

Of Willehad bij zijn tochten door Groningen, Friesland en Drenthe ook wel de Asser bodem betreden heeft? Zeker is, dat eerst door zijn arbeid hier de plaats Assen kon ontstaan, gelijk ze ontstaan is, nu zeven eeuwen geleden: Als klooster-nederzetting. Kloosters waren voor heel de Middeleeuwse Christenheid een wezenlijk bestanddeel van de christelijke cultus. Zij vormden tevens centra der nieuwe beschaving, die zich toen ook over ons land verbreidde.


De ‘Slag bij Coevorden’

Het klooster, dat in 1259 alhier aan de Brink (ter plaatse waar zich nu het Provinciehuis bevindt) gegrondvest werd, had al een verleden, nauw verbonden met een der meest roemruchte bladzijden onzer gewestelijke geschiedenis. Dertiende-eeuwse Drentse boerenvrijheidszin had geleid tot opstandigheid tegen het wereldlijke gezag van de bisschop van Utrecht. Daartegen richtte zich in 1227 een ‘straf-expeditie’ van een bisschoppelijk leger, dat echter in de ‘Slag bij Coevorden’ door ons boerenlegertje onder Rudolf van Coevorden geheel verslagen werd. Meer door list dan door geweld; De zwaarbewapende Stichtse riddermacht werd in een moeras gelokt, en kwam er jammerlijk om. Daarbij ook de bisschop Otto 2e zelf.

Dat gaf een schok! Het vrije karakter der Drentse boerenmarken werd sindsdien door de opvolgende bisschoppelijke landheren niet meer aangevochten, en bleef grondslag van het maatschappelijk bestel in het oude Drenthe tot in de 19e eeuw. Wel werd de Drentones omdat zij in deze ‘Drentse Guldensporenslag’ een bisschop gedood hadden, als zoenoffer voor het zielenheil van de gesneuvelde het bouwen van een klooster opgelegd. Als stichters moeten dus ‘de Drenthe’ in hun totaliteit aangemerkt worden. Dit klooster nu, aanvankelijk op een minder welgekozen plek bij Coevorden gebouwd, was het, dat nog in diezelfde eeuw naar hier werd overgeplaatst.


Otto II van Lippe gaat vechtend ten onder in de slag bij Ane (Frederik Zürcher, 1825-1876).


“Maria in Campis’

Het moet in 1259 geweest zijn, dat Eppo, abt van Aduard en vaderabt van de Asser abdij, de kloostervestiging hier fundeerde op ‘een eenzame plaats’ (gelijk de Kroniek vermeldt), die toen al onder de naam Assen (of wel Hassen) bekend stond. De bouw nam enige jaren in beslag. De verhuizing der kloostergemeenschap hierheen vond vermoedelijk in 1260 of ’61 plaats. Drie-en-een-halve eeuw heeft deze kloostergemeenschap, ‘Maria in Campis’ genaamd, hier geleefd en gearbeid. Het was een abdij van Cisterciënzer nonnen, over welker bestaan wij eerst nu een overzicht – en een voortreffelijk overzicht! – hebben door de studie van dra. De Bakker, ter gelegenheid van deze herdenking verschenen.

De Cisterciënzer orde – deze machtige schepping van Bernard van Clairvaux – had in haar bloeitijd haar vertakkingen over geheel Europa: meer dan 700 mannenabdijen en ongeveer 900 kloosters voor de vrouwelijke tak. Zij hebben veel voor landbouw en ontginning gedaan; legden er zich ook wel op toe christenen, die in de handen der mohammedanen gevallen waren vrij te kopen. Tot deze Europese organisatie van 1600 kloosters behoorde dus de Asser abdij: Deze, die als enige grote weldoener op graaf Otto van Bentheim kan wijzen, heeft stellig voor de grondontginning in Drenthe verdiensten gehad, maar is nimmer bijzonder rijk op welvarend geweest. Zij bleef van bescheiden omvang.


In Duurze bezat men een molen

Men stelle zich de Asser bevolking van toen voor als een 12-tal nonnen (meest uit Drenthe; ook wel uit Groningen en Overijssel), waaronder een abdis als hoofd, een ‘celleraria’ of ‘kelderse’ voor de voorraden en een ‘bursaria’ als penningmeesteres der gemeenschap. Daaromheen in wereldlijk habijt een aantal lekenzusters en lekenbroeders, die zich uit vroomheid of wel uit zakelijke overwegingen deels als proveniers hadden ingekocht. Zij waren wel werkzuster – of –broeder, soms met een speciale taak, als organist, portier, zwijnen- of ossenhoeder. Ook is er in de stukken sprake van een carpentator (of timmerman) en van een grangiarius ( of hofmeester). De laatste ging dan vooral over een der uithoven of schuren, centra van agrarische exploitaite, die men bijvoorbeeld te Halen had.

In Duurze en in Beilen bezat men een molen. Ook verder weg, bij Coevorden, in Erm, Benneveld en Zweeloo vond men kloosterlijke bezittingen. In de loop der jaren moet het klooster voor wat de geestelijke bewoning betreft (als toevluchtsoord voor niet-getrouwde zusters, die men in gezeten kringen niet onverzorgd en onbeschermd wilde achterlaten) min of meer veraristocratiseerd zijn. Zo vergroeide het klooster allengs tot een welhaast wereldlijk ‘jufferenstift’, dat in de 16e eeuw, door geldelijke zorgen gekweld, moeite had met het aantrekken van nieuwe leden. Daarbij klaagt men als oorzaak ook wel over zekere ketterijen, die toen blijkbaar ook in de kringen der adel, uit welke men zijn novieten betrok, moeten zijn doorgedrongen. Aldus werd de Asser abdij rijp voor de hervorming, die stadhouder Willem van Lodewijk omstreeks 1600 op last der Generaliteit van de Verenigde Nederlanden voor heel het gewest in kerkelijke en in staatkundige zin van bovenaf doorvoerd


Omstreeks 1600 werd Assen de ambtenarenstad

Het verdere verloop is bekend. Dat samenvallen van kerkelijke en staatkundige hervorming maakte, dat men het doelloos geworden kloostergebouw nu wel een geschikte zetel vond voor het nieuw-gevormde ‘College van Gedeputeerden’. “Bij provisie’, zo heette het. Maar we weten hoe Assen hiermee, halverwege de zeven eeuwen zijner historie, een nieuw begin maakt. Bestuurscentrum werd en daarmee provinciale hoofdstad. De groei was aanvankelijk gering. De samenleving was nog eenvoudig van aard, en sterk op zelfverzorging ingesteld. Toch werd Assen omstreeks 1600 in kiem de ambtenarenstad, die het later (en ook nu nog) zo overheersend zou zijn.

De Napoleontische tijd bracht de eerste versterking van het ambtelijke apparaat. Maar het was een bijzonder soort ambtenaren, dat toen in Assen leiding nam. Daar was allereerst de grote Gouverneur Hofstede, die en onder koning Lodewijk en onder koning Willem 1e niets ongedaan liet om Assen (door Lodewijk tot de rang van stad verheven en op velerlei wijze gedoteerd) tot zijn waardige ‘Residentie’ te maken. Om hem heen bewoog zich een groep Heren, die wel gaarne in de nieuwe magistratuur van die tijd traden, maar daarnaast toch ook in particuliere zaken over heel de provincie hun ondernemingslust botvierden, gedreven als zij werden door de economisch-progressieve denkbeelden van die tijd.


Markt te Assen omstreeks 1905. De handelswaar bestond voornamelijk uit landbouwproducten. Op de Collardslaan werd vooral gehandeld in zuivelproducten. (DMA)


De grote emancipatiebewegingen

Zij kwamen daardoor tot grote welstand, en bouwden Assen uit tot een voor hen zeer aangename woonstad, waarin men de elders opkomende industrie systematisch weerde; ‘een kleine stad van paleizen’ noemde Van Hogendorp het. Ja, het was een merkwaardige groep gezeten families, die het dan nog maar enkele honderden inwoners tellende Assen in de eerste helft van de 19e eeuw in velerlei opzicht tot het centrum van Drenthe wisten te maken, waardoor de stad – naar men toen zie – een ‘Amerikaanse’ groei vertoonde: De enkel honderden werden meerdere duizenden.

Levens- en wereldbeschouwelijk was het er echter ‘koekoek-één-zang’, en eerst de grote emancipatiebewegingen, die zich vooral in de tweede helft van de 19e eeuw doorzetten en pas in de jaren ’17 en ’18 van de 20e eeuw hun voltooiing vonden, brachten in het geestelijke leven onzer stad die pluriformiteit, die haar thans kenmerkt. Hand-in-hand daarmee ging een maatschappelijke omwenteling. Voortgaande democratisering deed naast de Heren (die eens alleen de touwtjes in handen hadden) ‘neringdoenden’, ‘ambachtslieden’ en ‘werkende stand’ opkomen, maakte deze groepen tot gelijkwaardige burgers, door zelfverkozen vertegenwoordigers mee beslissend over de gang van zaken in stad en staat.


De industrialisatie van Assen

De welvaartsspreiding, die met een en ander gepaard ging, deed ondernemende plaatselijke winkelbedrijven zo zeer opbloeien, dat Assen (bij een eigen bevolking van wel haast 30.000 inwoners thans) uitgroeide tot verzorgingscentrum van een gebied van wel 80.000 zielen. In de 19e eeuw waren het vooral enige joodse handelaren – Cohen, Lezer, Nathans – die als reizende kooplui een Asser textiel-traditie opbouwden. Hun wolexport is destijds voor Drenthe van grote betekenis geweest. Deze vruchtbare handelsgeest die wij ook thans bij de ontwikkeling van Assen als handelscentrum zo goed zouden kunnen gebruiken, is altijd op afschuwelijke wijze door het nazibewind van ’40-’45 voor altijd vernietigd.

Het eenzijdige stempel van ambtenarenstad – burgerlijk, rechtelijk, militair – zou met deze uitgroei tot verzorgingscentrum belangrijk verminderd zijn, ware het niet, dat door twee wereldoorlogen onze samenleving dermate ingewikkeld geworden is, dat allerwegen een sterke uitbreiding van het ambtelijke (en semiambtelijke) apparaat nodig werd. Vooral na W.O. 2 vond een concentratie en uitbreiding van bepaalde overheids – en semioverheidsdiensten en vrije bedrijfsorganisaties in de Drentse hoofdstad plaats. Maar sedertdien zijn de tijden ook in ander opzicht wel zeer veranderd, want het is nu juist vooral van ambtelijke zijde, dat de leuze ‘industrialisatie’ voor Assen met kracht aangeheven is. En gelukkig niet tevergeefs.


De ondernemende ‘koopmanskoninkjes’

’n Enkele oudere plaatselijke zaak had zich trouwens al eigener beweging een grotere markt verworven, en daarmee een grossiers-, dan wel een industrieel karakter verkregen. Merkwaardig: dit samenvallen van tendenties! Het besef, dat men niet alleen verzorgend, maar ook creatief werkzaam moet zijn, wordt levendig, zowel bij handel en industrie, als in de ambtelijke wereld. Hij heeft wat van de ondernemende ‘koopmankoninkjes’ van vóór anderhalve eeuw in zich, die ambtenaar- en semiambtenaar-Nieuwe Stijl. Met hem vertoont Assen opnieuw die openheid voor het nieuwe, waarover ik in het Assennummer van ‘Drenthe’ schreef, door toepassing van wat de moderne wetenschap van nu economisch, sociologisch, planologisch biedt, ook voor plaatselijke en provinciale ‘planning’.

Met hem treedt Assen als hoofdstad de provincie met nieuwe dienstverlening tegemoet. En bij alle ‘planning’ blijkt een verheugend streven de toekomst in historisch perspectief te zien. Wij vormen ten slotte maar een schakel in een lange tijdsketen, van welker uiteindelijk verloop wij zelf maar weinig bepalen …. Historisch perspectief …. Met zevenmijlslaarzen snelden wij met elkaar de eeuwen door.


Een zeer zeldzame foto van de Asser ijzergieterij aan het Noord-Willemskanaal. De foto is genomen vanaf de Groningerstraat en dateert vermoedelijk al van voor 1895, toen de fabriek nog in bedrijf was (DMA)


Een historisch perspectief

In praehistorische tijden zagen wij hier jagers en vissers komen. Dan vestigden zich hier de eerste landbouwers, gevolgd door de eerste veehouders. De oudste handelaars trokken in onze verbeelding langs. De vroegste cultuurvoorwerpen op Asser bodem eens in gebruik geweest, passeerden de revue. Daarop traden wij met de vestiging van ‘Mariënkamp’ voor 700 jaar de geschreven geschiedenis binnen. Bij de agrarische werkzaamheden – oudste traditie hier – voegde zich nu geestelijke en verzorgingsarbeid. Vervolgens trad, halverwege de ‘zeven eeuwen Assen’ de ambtenaar op ons toneel om er hoe langer hoe de hoofdrol te gaan vervullen. Naast hem zagen wij ‘neringdoenden’ en ‘ambachtslieden’ zich hier vestigen, moeizaam strevend naar wijder arbeidsveld, gelijk de ‘werkende stand’ (gelukkig met succes) naar eigen levenskansen.

Ten slotte zagen wij – als happy ending – ambtenaren-Nieuwe-Stijl roepen om schepping van een ‘industrieel klimaat’ en om industriële en commerciële ondernemers met visie, als tegenspeler op het Asser toneel, teneinde tot een harmonischer opbouw van de plaatselijke samenleving te geraken. Zo zagen wij elke periode weer iets bijdragen tot beeld en karakter van het Assen-van-nu.


Plaatselijk historische belangstelling is dun gezaaid

Zeven eeuwen Assen, en meer …. Ik trachtte in dit korte tijdsbestek het wisselend patroon der Asser samenleving te schetsen, en daarbij vooral het verst weg liggende en meest onbekende wat meer vorm en kleur te geven. Plaatselijke historische belangstelling is onder ons helaas niet dik gezaaid. Wat weten wij van de eigen culturele erflaters? Het is ook daardoor, dat men Assen voor jonger houdt dan het in werkelijkheid is.

Moge het gezonde ‘lokaalpatriottisme’, dat bezig is onder het bewind van onze tweede spreken (de burgemeester van Assen, mr. P.P. Agter) op te bloeien, en dat zich o.m. in deze feestelijke herdenkingsweek uitspreekt, ook daarin een wending ten goede brengen. Assen is ouder dan men gewoonlijk denkt. En het heeft een boeiend verleden, dat waard is beter gekend te worden. Om zichzelf wille, maar ook om de inspiratie, die ervan uitgaat voor wie aan de verdere uitbouw onzer goede stad deel heeft.


Assen in heden en verleden (collectie Drents Archief, Assen)






© 2006-2009 www.mijn-eigen-website.nl