In en om Assen





Assen; geschiedenis van een stad en haar inwoners


Bronvermelding:
Assen een geschiedenis van een stad en haar inwoners'. Redactie en samenstelling: Fred van den Beemt. Paul Brood. Michiel Gerding, Jelle Hagen en Menno van der Laan. Tekst: Peter Zweegers. De inhoud van deze pagina is vervaardigd in opdracht van de gemeente Assen en verscheen eerder als: 'Ach Lieve Tijd, Tien eeuwen Drenthe en de Drenten, deel 15, de Drenten en hun hoofdstad'


Inleiding


Sinds omstreeks 1600 zetelt in Assen het bestuur van Drenthe. In de eeuwen daarvoor was het 'maer een klooster'. Assen kan in tegenstelling tot vele andere provinciehoofdsteden in ons land niet terug zien op een roemrucht middeleeuws verleden.Toch is zijn geschiedenis boeiender dan velen denken. In 1260 of 1261 werd, op de plaats waar nu het Drents Museum en het Rijksarchief staan, een cisterciënzer nonnenklooster gebouwd. Dit klooster heette Sancta Maria de Campe ofwel Mariënkamp en het heeft veel voor Assen betekend. Met de komst ervan kwamen waarschijnlijk de eerste bewoners en met de opheffing werd Assen bestuurscentrum van het gewest. Daarna groeide heel langzaam een stadje rond de oude kloostergebouwen.


Op deze plattegrond uit het begin van de 19e eeuw is goed te zien hoe klein Assen was. De bebouwing bevond zich, met uitzondering van de Vaart, binnen de Singels. Er woonden toen ook nog erg weinig mensen. Pas aan het eind van die eeuw is Assen flink gaan groeien.


Een 'eensaem oord' bij Rolde

Om de stichting van Mariënkamp en de verplaatsing ervan naar Assen te begrijpen, moeten we terug naar het jaar 1227. In dat jaar vond de slag bij Ane plaats Opstandige Drenten trokken ten strijde tegen hun heer Otto, bisschop van Utrecht. Otto sneuvelde. Zijn opvolgerWilbrand, die niet slechts in geestelijke zaken, maar ook in krijgsvoering bedreven was, slaagde er niet in de macht van de bisschop in Drenthe te herstellen. Otto III, de opvolger van Wilbrand en broer van de machtige graaf Floris van Holland, lukte dit wel. Hij wist een zo sterk leger op de been te brengen, dat de Drenten eieren voor hun geld kozen en ijlings afgevaardigden naar Utrecht zonden om met de bisschop te onderhandelen.

Ze kregen als boete onder andere opgelegd een klooster te bouwen voor cisterciënzer zusters en aan dat klooster zoveel grond te schenken dat de zusters van de opbrengst konden leven. In de buurt van de plaats waar de Utrechtse bisschop was gesneuveld, is tussen 1234 en 1246 dit klooster gesticht. Het heeft er niet lang gestaan. Al in 1253 klaagden de zusters dat de akkers veel te drassig waren en nauwelijks iets opbrachten. Ze vroegen of ze mochten verhuizen. De bisschop stemde hierin toe. Voor de zusters werd in 1260 of 1261 een nieuw klooster gebouwd in een hoger gelegen 'eensaem oord' in de parochie van Rolde. Dit oord werd voordien Assen of Hassen genoemd. Het moet er nagenoeg verlaten zijn geweest; ideaal voor de stiltezoekende zusters. Er liep alleen een weg van Witten naar Rolde langs, die een aantal waterloopjes moest passeren en dus moeilijk begaanbaar was.

Hoe het klooster er aanvankelijk heeft uitgezien, is onbekend. De situatie van na een brand van 1418 is beter bekend. Rond een vierkante hof in het midden liep een kloostergang. Aan de noordzijde stond de kerk. De zusters sliepen in cellen op de bovenverdieping van de westvleugel. Los van het eigenlijke klooster stonden nog enkele gebouwtjes en op de plaats van het huidige Drostenhuis, als zuidwesthoek, de woning van de abdis. Een grote kloostergemeenschap was het niet. Aan het hoofd stond de abdis. Zij was de persoon die bij officiële gelegenheden naar buiten optrad. Haar plaatsvervangster was de priorin, die was belast met de dagelijkse leiding van de abdij. Zij werd hierin bijgestaan door de subpriorin.

Dan was er een bursaria of penningmeesteres, een cellaria of kelderse die zorgde voor de voedselvoorraden van het klooster en een kosterse. Een groot gedeelte van de dag brachten zij door met bidden. Het lichte veldwerk en de huishoudelijke arbeid was een taak voor de leke- of werkzusters. Op de boerderijen van het klooster werkten lekebroeders die er voor zorgden dat de opbrengsten regelmatig bij de kelderse binnenkwamen. Verder verbleven er op het kloosterterrein nog proveniers. Dat waren leken, die geen gelofte hoefden af te leggen. De abdij verstrekte hen eten, kleding, schoeisel en een slaapplaats en verzorgde hen als ze ziek waren. Als tegenprestatie schonken de proveniers aan het klooster een geldbedrag en verrichtten zij werkzaamheden, zoals het bewaken van de toegangspoort.

Bij het klooster woonden ook twee priesters die dagelijks de kerkdiensten verzorgden. Zij hadden elk een eigen woning. De kelder van de ene priesterwoning maakt momenteel nog deel uit van het Ontvangershuis. De andere woning stond midden op de Brink, schuin tegenover de hoofdingang van het Drents Museum.


W. van Uye maakte omstreeks 1850 deze tekening van de Brink. Duidelijk is te zien wat er verdwenen is: de huisjes links hebben plaats gemaakt voor een 'modern' gebouw en op de plek van het gebouw in het midden staat nu het gemeentehuis. Maar de overige panden zijn nog nauwelijks veranderd.


Brand in 1418

Sommige bewoners van de abdij van Assen waren van adel, zoals Hilbrant en Mechtilt, dochters van Henrick de Vos van Steenwijk. De meeste nonnen kwamen uit welgestelde families. Zo was de vader van zuster Margaretha, die in 1287 intrad, schout van Drenthe en die van zuster Alijt burgemeester van Groningen. Oorspronkelijk waren de leefregels in het klooster streng, maar in de loop der jaren werd daar steeds minder de hand aan gehouden. In toenemende mate kwam het voor dat de zusters over eigen inkomsten beschikten. Zo schonk Coppijn Jarghes, vader van de non Alijt, in 1501 aan de abdij jaarlijks een som geld, maar hiervan reserveerde hij telkens twee gulden voor zijn dochter die er kruiden 'ende andere kleijne ware' voor mocht kopen.

Door schenkingen aankoop of ruiling verwierf de abdij zich boerderijen, huizen en andere bezittingen in een aantal plaatsen in Drenthe. Zelfs de hele marke van Witten kwam in haar bezit. Een groot en rijk klooster is Mariënkamp echter nooit geworden. Op 13 juni 1418 werd nagenoeg de gehele abdij door brand verwoest. Ook de kerk met toren en de bijgebouwen vielen ten prooi aan de vlammen.Ten behoeve van de wederopbouw vaardigde Frederik van Blankenheim, bisschop van Utrecht, op 21 maart 1421 een aflaatbrief uit waarin hij aan een ieder die aan het herstel van het klooster van Assen zou bijdragen een aflaat - kwijtschelding van straf in het vagevuur - van veertig dagen beloofde. Dankzij de aflaatbrief volgde een spoedige wederopbouw.


Alimentatiebrief voor zusters

In de tweede helft van de zestiende eeuw kwam het voortbestaan van het klooster in gevaar. De Tachtigjarige Oorlog, de opstand van de protestantse Nederlandse gewesten tegen hun katholieke landsheer Filips II, was uitgebroken. Op 10 mei 1598 legde Willem Lodewijk. stadhouder van Groningen, Friesland en Drenthe, het protestantisme dwingend op. Alle katholieke geestelijken moesten hun werkzaamheden neerleggen en er voor zorgen dat de pastorieën en kerken binnen drie weken zouden zijn ontruimd. Over de abdij van Assen werd nog niets besloten. Deze kon dus nog even blijven voortbestaan. In 1600 nog traden een provenier en een provenierster toe tot de kloostergemeenschap.

Spoedig echter zou ook voor Mariënkamp het doek vallen. Op de Landdag van 29 oktober 1600 besloten de Staten van Drenthe zich de kloostergoederen toe te eigenen. Spoedig daarna werden de bezittingen van de abdij geïnventariseerd. Verschillende kleine goederen zoals ketels en schotels werden onder de zusters verdeeld. Andere bezittingen, waaronder tweehonderd bomen uit het Asser bos, werden verkocht om de schulden van het klooster af te betalen. Op 30 januari 1602 kreeg elke zuster van de Landschap Drenthe een zogenaamde alimentatiebrief, waarbij aan ieder van hen een jaargeld werd toegekend.

Abdis Margarethe van Eirthen kreeg voor de rest van haar leven een toelage van honderd gulden en kelderse Lamme Avinge kreeg 65 gulden. De vier werkzusters Mareitien Smeinge.Thisken Grevinge, Hille van Norch en Swaene van Linge kregen elk jaarlijks vijftig gulden. Deze bedragen waren laag. De abdis van het andere Drentse klooster, Dikninge, kreeg driehonderd gulden per jaar. Dikninge was kennelijk een rijker klooster en dus konden de jaarlijkse uitkeringen aan de zusters daar ook hoger zijn. Vanaf 1603 mocht de abdij van Assen geen nieuwelingen meer aannemen. De aanwezige zusters konden tot hun dood in het klooster blijven wonen. Op deze wijze zou vanzelf een einde komen aan het kloosterleven in Assen. Van de 22 zusters die een alimentatiebrief kregen uitgereikt, waren er zeven die Assen spoedig verlieten. De laatste nog in Assen woonachtige zuster was Lijsebeth Balthazars, die al vóór 1608 huwde metTonnis Steenmetselaer, ontvanger van het tol- en weggeld. Lijsebeth overleed eind 1638 of begin 1639.


Vrijheid van turfgraven

De opheffing van het klooster betekende voor Assen het begin van een nieuwe periode. Een gloednieuw begin, van waaruit het plaatsje zou uitgroeien tot de hoofdstad van Drenthe. Het gewestelijk bestuur bestemde namelijk de kloostergebouwen tot vergaderplaats voor het College van Drost en Gedeputeerden. In het klooster werden een vergaderkamer - Collegie geheten -, werkkamers en woningen voor enkele ambtenaren ingericht. De gedeputeerden kregen elk een eigen werkkamer in het kloostergebouw op de eerste verdieping, waar vroeger de zusters sliepen. De heren gedeputeerden woonden nog niet in Assen. Als ze voor hun werk aanwezig moesten zijn. logeerden ze in de herberg van landschapsdeurwaarder Johan Helinge en zijn vrouw in de huidige Kloosterstraat.

In 1615 werd Johannes Rusius benoemd tot predikant van Assen. Gezien het kleine aantal inwoners was zijn komst opvallend. Deze was dan ook vooral te danken aan de gedeputeerden die een dominee verlangden bij het openen en sluiten van hun vergaderingen. De kerkdiensten hield Rusius in de vergaderkamer van het klooster. De abdijkerk zelf was een ruïne geworden. Nog in april 1601 was een zekere Jacop Blauwe uit Groningen verzocht om te komen kijken of de zeer bouwvallige toren van de kloosterkerk nog te redden viel. Voordat hij echter een kijkje had kunnen nemen, stortte de toren op 24 mei 1601 's nachts tussen tien en elf uur in. Een groot deel van de kerk werd hierbij verwoest. Het bleek onbegonnen werk de schade te herstellen. In de jaren daarna werden de houten balken, stenen en dakpannen van de kerk verkocht.

De bestuurlijke drukte rond de kloostergebouwen trok veel mensen, vooral ambtenaren naar Assen. In 1630 woonden in Assen twintig gezinnen en drie alleenstaanden, in totaal 113 personen. Het bestuur van de Landschap Drenthe zag zich genoodzaakt regels te stellen om de vestiging van nieuwe inwoners in Assen in goede banen te leiden. Vanaf februari 1637 mocht het timmeren van huizen en het aanleggen van moestuinen alleen nog maar plaats vinden na vooraf verkregen toestemming van het College van Drost en Gedeputeerden. Een jaar later werd de grond binnen de singels in bouwkavels verdeeld en in erfpacht uitgegeven.

Vestiging in Assen werd aantrekkelijk gemaakt door het verlenen van vrijstelling van belastingen en vrijheid van turfgraven. Tegenover deze voordelen stonden wel enige verplichtingen. Zo moesten de inwoners van Assen, wanneer de heren vergaderden, de meegebrachte paarden in hun weiden laten grazen. De straten die naar de Brink liepen, moesten ze schoon houden en in de winter sneeuwvrij. Elke inwoner kreeg een gedeelte van de weg voor zijn rekening.


Op dit schilderij van G.L. Kiers is te zien hoe de Brink er in 1860 uitzag.


Alles is verbraent

In 1650 woonden in Assen vijftig gezinnen. Naast de landschapsambtenaren, de predikant en de schoolmeester waren er twee bakkers, twee schoenmakers, twee kleermakers, een wever, een metselaar, een brouwer en een molenaar. De overigen werkten uitsluitend in de landbouw of de veeteelt. Assen was een vlek, zoals men dat toen noemde, met een beperkt aantal huizen. Aan de Brink overheersten de vroegere kloostergebouwen, waarin het bestuur zetelde. Aan de huidige Kloosterstraat woonden enkele ambtenaren aan de ene kant en aan de andere kant stond een boerderij. Aan de overkant van de Brink woonden de ambachtslieden. Alleen de huidige Kruisstraat was verder nog bebouwd. Hier woonden onder anderen de kleermaker, de smid en de schoenmaker.

De Collegiekamer in het klooster werd spoedig veel te klein voor het houden van kerkdiensten. De gelovigen stonden "dickwijls met meenichten buytten de deuren ende vensters'. In 1650 verzocht daarom een aantal Assenaren het provinciaal kerkbestuur, de synode, om de wederopbouw van de abdijkerk bij de Landdag aan te bevelen. Er gebeurde niets en een jaar later richtten de gezamenlijke ingezetenen van Assen zich rechtstreeks tot de Landdag. Dit had meer succes. Maar pas in 1661 volgde de eigenlijke opdracht tot herbouw van de kerk. Een jaar later kon deze al in gebruik worden genomen. Op de avond van 11 augustus 1676 voltrok zich in Assen echter een ramp.

Door het drogen van vlas bij open vuur brak een brand uit, die in korte tijd grote schade aanrichtte. Ruim twintig woningen -één derde van het totale huizenbestand - gingen in vlammen op. De brand had de Assenaren volkomen verrast. Steven Hendriks Rademaker, timmerman en maker van wagenwielen, schreef dat het onmogelijk was geweest om ook maar iets van zijn inboedel of administratie te redden: Alles is verbraent, soodat ik gehel elendych ben geslagen...' Ook de gebouwen van het gewestelijk bestuur bleven niet gespaard. De oostvleugel, waar nu het Rijksarchief staat, ging in vlammen op. Deze had onderdak geboden aan de predikant en aan de drost als hij in Assen verbleef en deed sinds 1609 gedeeltelijk dienst als gevangenis. Ook de ambtswoning van ontvanger-generaal Coenraad Ellents brandde uit. Ellents kreeg toestemming om zijn eigen huis in Anloo als kantoor te gebruiken.

Pas in 1698 werd op dezelfde plaats aan de Brink, gedeeltelijk van oude materialen, een nieuw ontvangershuis gebouwd. Dit pand is momenteel het oudste huis van de stad. In de loop van de achttiende eeuw ontwikkelde Assen zich steeds duidelijker tot bestuurscentrum van Drenthe. Het College van Drost en Gedeputeerden trok in de loop der tijden steeds meer bevoegdheden aan zich. De macht concentreerde zich rond de oude kloostergebouwen in Assen, waar inmiddels ook de Etstoel en de Landdag, bestaande uit Ridderschap en Eigenerfden, vergaderden. Het inwonertal van Assen was echter nog steeds gering en als er geen vergaderingen waren, was het er erg stil.


Eene goede vertoning

In de tweede helft van de achttiende eeuw veranderde het straatbeeld van Assen. Op de Brink, voor de deur van het tegenwoordige Ontvangershuis, lag het kerkhof. In 1760 was er geen plaatsje meer over. Drost en Gedeputeerden wezen daarom op 15 februari van dat jaar een nieuwe begraafplaats aan, op de plaats waar nu het Paleis van Justitie staat. Westelijk ervan, langs de huidige Brinkstraat, werd een gracht gegraven. Men wilde voldoende water bij de hand hebben als er in de buurt van de landschapsgebouwen brand mocht uitbreken. De angst hiervoor was groot. In 1758 en 1759 had de rooie haan gekraaid in de schuur van het Ontvangershuis, waardoor de gebouwen van de Landschap in groot gevaar waren geweest. Een reeks van maatregelen volgde.

In de eerste plaats werd een nacht- of ratelwacht ingesteld. Voortaan liep elke nacht een tweetal wachters door het plaatsje om alarm te slaan bij brand of ander onheil. Elk uur liepen ze, voorzien van piek, ratel en lantaarn een vastgestelde ronde. Daarnaast werd voor 1200 gulden in Haarlem een enorme brandspuit besteld. De aanleg van de gracht of brandkolk langs de huidige Brinkstraat was de laatste en meest ingrijpende maatregel. Tientallen boeren uit de hele provincie werden opgetrommeld om gratis voor het Landschapsbestuur te graven. Hun enige beloning bestond uit een hartversterking. Voor bier en jenever was honderd gulden beschikbaar gesteld.

Door de regenten werd mede uit statusoverwegingen hard gewerkt aan de uitbouw en verfraaiing van hun residentie. Het Asser Bos werd uitgebreid, de oude woning van de abdis en later van de rentmeester werd afgebroken en daarvoor in de plaats verrees het statige Drostenhuis. Een tijdgenoot beschreef Assen in 1800 treffend als 'een open vlek, daer binnen weijnig jaaren vele goede huizen gebouwt zijn; anders van weijnig belang. De wandelweegen zijn daer zeer fraaij - 't Landschapshuijs is van buiten niets, 't Drostenhuijs is pas even volbouwd en maakt eene goede vertoning'.


Een door G.L. Kiers gemaakt schilderij van het huis Overcingel omstreeks 1860. Het werd Overcingel genoemd omdat het aan de overkant van een singelgracht lag. Van het oude landschap is nog ruim vier hectare tuin over. Het is de enige tuin in Assen die nog grotendeels in de staat van 1825 behouden is gebleven (collectie H.J. van Lier Lels, Assen)


De herensociëteit

Aan het einde van de achttiende eeuw bracht de zogenaamde patriottenbeweging politieke onrust in het rustige dorpje. In Drenthe kregen deze anti-orangisten die naar democratie streefden, de meeste aanhang in het zuidwesten en vooral in Meppel. Onder hen bevonden zich ook enkele regenten. In een poging de eenheid onder de Drentse regenten te bewaren, richtte drost Van Heiden op 21 maart 1780 te Assen een sociëteit op, waarvan alle heren, ongeacht hun politieke opvatting, lid konden worden. De sociëteit was open op de dagen dat de Landdag of de Etstoel vergaderde. Na afloop daarvan konden de heren gezellig nog wat napraten. Van de 55 leden van het eerste uur waren er enkele patriotsgezind, onder wie de gebroeders Tonckens en Carel de Vos van Steenwijk. De meesten, zoals Petrus Hofstede en de drost zelf, waren prinsgezind. De verplichte vriendelijke omgang, die voorgeschreven stond in de 'wetten' van de sociëteit, kon echter niet voorkomen dat de politieke meningsverschillen in de jaren na 1780 steeds hoger opliepen.

In verschillende plaatsen werden zelfs gewapende patriotse vrijkorpsen opgericht. Aan de pogingen van de patriotten om meer invloed op het bestuur te krijgen, kwam in 1787 plotseling een einde, toen stadhouder Willem V, die aan de kant van de zittende regenten stond, militaire steun kreeg van zijn zwager, de koning van Pruisen. Veel patriotten verloren toen hun ambtelijke en politieke functies. Voor hen was het wachten op betere tijden. Die kwamen in 1795. Het Franse leger trok toen Nederland binnen om ook hier de ideeën van de Franse revolutie, nauw verwant aan die van de patriotten, desnoods gewapenderhand te verspreiden. Een revolutionair comité trok naar Assen en zette de zittende regenten af. Geruisloos maakte de oude regering plaats voor een nieuwe. Eenmaal aan de macht bleken de nieuwelingen minder radicaal. Veel van het oude bleef gehandhaafd en de meeste regenten keerden spoedig terug.

Er vormde zich in Assen een nieuwe 'herenkring', maar nu met een bredere basis. De oude sociëteitsfamilies vermengden zich met vooraanstaande personen die hun opkomst aan de omwenteling hadden te danken. In 1806 gaf de herensociëteit van 1780 weer tekenen' van leven. De heren Van Heiden. Alting en Van Lier richtten zich, namens de meest notabele ingezetenen van Drenthe, tot de secretaris van de Landschap. Ze deden het verzoek één van de schathuizen van het Drostenhuis - het gebouw waar nu de VVVen het Drents Genootschap in zijn gehuisvest - te mogen kopen om er een passend lokaal in te richten. Het verzoek werd ingewilligd. Voor duizend gulden werd de sociëteit eigenaresse van het gebouw, waarin ze tot in deze eeuw gehuisvest zou blijven. Petrus Hofstede was inmiddels teruggekeerd in het bestuur van de Landschap.

Na zijn vertrek in 1795 had hij zich met grote energie geworpen op de ontginning van woeste gronden. Zo kocht hij in 1796 uitgestrekte terreinen aan bij Witten om er bouwland en bossen van te maken. Op 17 oktober 1804 kwamen op uitnodiging van Hofstede 42 vooraanstaande Drenten bijeen in de kerk te Assen. Het doel van de bijeenkomst was wegen te vinden om de zelfstandigheid van het gewest Drenthe te herwinnen. Bij Franse hervormingen was Drenthe samen met buurprovincies tot één departement gemaakt. Het verzoekschrift dat na afloop werd opgesteld, bracht hij zelf naar Den Haag. In juli 1805 werd Drenthe weer zelfstandig. Petrus Hofstede werd secretaris van het nieuwe Landschapsbestuur. Op 8 mei 1807 benoemde koning Lodewijk Napoleon hem tot landdrost van het departement Drenthe. Hij zou zich voor Drenthe en vooral voor Assen bijzonder verdienstelijk maken.


Gezicht op de Torenlaan omstreeks 1905 waar nieuwe aanplant van bomen heeft plaatsgevonden. De architect van Lodewijk Napoleon, Giudici, had van de Torenlaan een brede allee willen maken


Grootse plannen van Lodewijk Napoleon

In het begin van de negentiende eeuw was Assen al twee eeuwen het bestuurscentrum van Drenthe, maar het was nog steeds een dorp. Dat zou echter in snel tempo veranderen. De bevolking vertwintigvoudigde in honderd jaar: van 621 inwoners in 1807 tot ruim 12.500 in 1907. Assen breidde zich in de vorige eeuw voornamelijk in drie richtingen uit. In noordelijke richting vond de uitbreiding plaats tot aan het Noord-Willemskanaal. In oostelijke richting gebeurde dat tussen de Brink en de spoorlijn Groningen-Zwolle. En in westelijke richting breidde Assen zich uit langs de Vaart, tot aan de plaats waar nu de kazernes staan. Assen werd in 1807 bestuurlijk losgemaakt van Rolde en gepromoveerd tot een zelfstandige gemeente.

Vier jaar later werd het vergroot, weer ten koste van Rolde, met de gehuchten Anreep, Loon, Peelo, Steendijk. Vredeveld en Witten. Daarmee kreeg de gemeente ongeveer haar tegenwoordige omvang. In 1807 was Lodewijk Napoleon, de broer van de grote Napoleon, koning van ons land geworden. Hij had het goed voor met Assen en na een bezoek in maart 1809 overlaadde hij de bestuurders met cadeaus. Hij verleende Assen stadsrechten, hoewel het daarvoor eigenlijk veel te weinig inwoners telde. Ook schonk hij 20.000 gulden voor de bouw van een aantal woningen. De straatnaam 'Nieuwe Huizen' herinnert daar nog aan. Verder schonk hij de gemeente het Asser Bos. Dit oude bos was na 1760 aanzienlijk uitgebreid door Wolter Hendrik Hofstede, landschapsklerk en secretaris bij het gewestelijk bestuur.

Aan de westkant ervan had hij duizenden eiken, dennen en sparren planten. Hij liet paden aanleggen die allemaal uitkwamen op één punt in het bos. Vandaar dat het bos ook wel het Sterrebos werd genoemd. Om het geheel nog meer te verfraaien, werden er ook enkele waterpartijen aangelegd, waarvan één zelfs met een tempeltje Met de gift van dit bos waren 's konings gulle gaven geenszins gedaan. Lodewijk Napoleon vond dat Assen meer op een echte hoofdstad moest gaan lijken en hij gaf de Italiaanse architect Giudici opdracht daarvoor een ontwerp te maken. Deze kwam met een plan voor een stadje van zesduizend inwoners, met op de Brink onder andere een ruim bemeten concertzaal met sociëteit, een school voor veeartsen die tevens opleidingsinstituut voor chirurgijns en vroedvrouwen was, en twee kerken.

Aan de Zuidersingel tekende hij een kweekschool voor maar liefst duizend kwekelingen en aan de Vaart wilde hij een jachtslot voor de koning plaatsen, op de plek waar later de kazerne zou worden gebouwd. Omdat kort daarna Napoleon zijn broer als koning afzette en Nederland inlijfde bij Frankrijk, is van deze grote plannen helaas niets terecht gekomen.


Eene stad van paleizen

'Deze hoofdplaats der provincie... bestaat uit groote schoone gebouwen, met ruime tuinen daar achter, en pleinen tusschen beide. Iemand zeide mij vooruit, dat ik Assen eene stad van paleizen vinden zou. Dit is waar, in zoo verre een schoon huis in Den Haag een paleis in Drenthe heeten mag'. Aldus schreef in 1819 Gijsbert Karei graaf van Hogendorp na een bezoek aan Assen. Achteraf kunnen we zeggen, dat hij Assen wel wat te mooi heeft voorgesteld. Er stonden wel enkele aardige huizen, maar het was beslist geen stad. Het had immers geen stadsmuren en stadspoorten en vrijwel alle huizen waren van elkaar gescheiden door tuinen. Bovendien vestigden zich er pas in 1810 een apotheker, G. Vitringa Acker, en een arts.

Ook dit was weer het werk van mr. Petrus Hofstede. Het was dan ook een geluk voor Assen, dat dezelfde Hofstede na het vertrek van de Fransen uit ons land in 1814 benoemd werd tot gouverneur van Drenthe. Assen heeft sterk geprofiteerd van zijn streven om de hoofdstad aantrekkelijker te maken. In 1816 haalde hij de drukker Claas van Gorcum uit Sneek naar Assen en hij nam ook het initiatief voor een eigen Drentse krant. Op 1 april 1823 rolde het Nieuws- en Advertentieblad voor de provincie Drenthe, de voorloper van de Drentse en Asser Courant, van de pers. Provincie en gemeenten stonden garant voor eventuele tekorten. Het blad werd in 1832 bij slechts negentien Assenaren bezorgd, dus zullen er inderdaad wel tekorten zijn geweest.

Petrus Hofstede haalde in 1820 ook Hendrik Jan Nassau naar Assen, om leiding te geven aan een Franse school. Op deze school, die een voorloper was van de latere HBS, werd les gegeven in moderne talen, wiskunde, boekhouden, geschiedenis en aardrijkskunde. Nassau mocht daarnaast privélessen geven, ook aan volwassenen. De lessen die hij in zijn eigen woning gaf, kostten zes stuivers voor één mannelijke leerling, negen voor twee en twaalf voor drie leerlingen uit hetzelfde gezin. Lesgeven aan meisjes mocht alleen in hun eigen ouderlijk huis en dat was bovendien iets duurder: respectievelijk acht, tien en twaalf stuivers per les. In 1825 werd zijn Franse school gecombineerd met een Latijnse school en zo ontstond een soort gymnasium. Dit stelde kinderen van de bovenlaag in staat zich voortaan in Assen zelf voor te bereiden op een studie aan een universiteit.


In de richting van de Kruis- en Marktstraat loopt de Brink als het ware in een trechter uit. Eén van de drie oude kloosterboerderijen stond ongeveer op deze plaats: het Meijers erve. In de 17e eeuw woonden links verschillende ambtenaren, zoals de deurwaarder.


Maagd van Nederland

In 1830 kreeg Assen, zoals een provinciale hoofdstad betaamde, een eigen schouwburg.Tot die tijd kon een Assenaar voor het zien van een toneelstuk alleen in zijn eigen plaats terecht als er kermis was. Dan werd er naast de gewone kramen een grote tent geplaatst waar meestal blijspelen werden opgevoerd. Soms met zang, zoals in 1828, toen 'Turlututu, pijper des Konings van Pruissen' opgevoerd werd. LogementhouderVan Erkelens had in de zomer van 1830 echter een geheel nieuw logement en koffiehuis aan de Vaart laten bouwen. Eén zaaltje daarvan was geschikt voor toneelvoorstellingen. Veel stelde deze "schouwburg' niet voor, want er was slechts een klein en gebrekkig toneeltje waarop moest worden gespeeld. Bovendien ontbrak er nogal wat aan decors, toneelmeubilair en toneelkleding.

Bij de inwijding, op 16 september 1830, werd een aantal stukken gespeeld. De avond begon met 'Victorijn of het weeskind en de moordenaar' en er werd ook nog een hoogdravend stuk van de Amsterdamse acteur C.J. Roobol opgevoerd, waarin onder meer een God der Dichtkunst, een Genius der Kunsten en een Maagd van Nederland voorkwamen. De Assenaren vonden het prachtig, aldus de krant. In 1851 werd de zaal van Van Erkelens, die 'diamant van Neerlands gloriekroon', zoals Roobol haar genoemd had, geveild. Daarna kon de Assenaar zijn komedies en tragedies gaan bekijken in het Concerthuis aan de Markt, dat een heel wat waardiger voorloper van De Kolk was dan het zaaltje van Van Erkelens. Enkele jaren na deze schouwburg werd een gebouw neergezet, waaraan Assen wél aanzien en status kon ontlenen: een Paleis van Justitie. De vroegere begraafplaats was de plek waar dit gebouw verrees. Voorzien van de spreuk Sine Iustitia Nulla Libertas (geen vrijheid zonder gerechtigheid) werd dit Paleis in 1840 geopend.

Het werd het onderkomen van onder andere het provinciale gerechtshof. Na 1875 werd dat opgeheven, maar zolang het heeft bestaan, werden de rechters en raadsheren goed betaald voor weinig werk. Gemiddeld was er één keer per week een strafzaak en één keer per zes a zeven weken een burgerlijke zaak! Geen wonder, dat de heren juristen tijd genoeg hadden voor andere werkzaamheden. Eén van hen, mr. Lucas Oldenhuis Gratama, was raadsheer tussen 1865 en 1875.Tegelijkertijd was hij lid van de Provinciale Staten van Drenthe en van de Tweede Kamer. Bovendien was hij onder andere medeoprichter van het Provinciaal Museum van Oudheden (nu Drents Museum) en voorzitter van de commissie van bestuur van dat museum. In zijn belangstelling voor de Drentse oudheden trad hij in de voetsporen van zijn vader, mr. Sibrand Gratama. Die had in 1819, samen met gouverneur Hofstede, al een 'Genootschap ter beoefening en opheldering der oudheden en geschiedenissen van Drenthe' opgericht.

Meer dan achttien leden had dit genootschap niet gekregen en na slechts zes vergaderingen was het al ter ziele gegaan. Voorzitter Hofstede had dan ook een slecht voorbeeld gegeven. Op de oprichtingsvergadering was hij niet aanwezig geweest en de tweede vergadering was hij gewoon vergeten. In 1854 kwam er wél een museum tot stand. Op een Landhuishoudkundig Congres in Assen werd een tentoonstelling met Drentse oudheden ingericht, waarbij een deel van de prehistorische Valtherbrug de grote trekpleister was. Verder waren er onder de 234 voorwerpen 'donderbijtels', 'donderhamers' en een versteende honingraat. De tentoonstelling was een groot succes en daarom werd besloten een museum op te richten.

De provincie gaf honderd gulden om daarmee één kast in het Gouvernementsgebouw in te richten met de verzamelde oudheden. Oldenhuis Gratama was ruim dertig jaar bestuurslid van het museum en dankzij hem breidde de verzameling zich enorm uit. Het feit dat het museum ook andere voorwerpen ging verzamelen, was daar mede oorzaak van. In 1872 bijvoorbeeld verwierf het museum Drentse klederdrachten en in de jaren tachtig een aantal middeleeuwse doopvonten. De kasten in het Gouvernementsgebouw puilden al gauw uit, zodat het museum moest verhuizen. Eerst naar de Noordersingel, in 1904 naar het rijksarchiefgebouw en in 1976 naar de huidige plek.


Aan het eind van de 19e eeuw en in de eerste decennia van de 20e eeuw won de veemarkt van Assen steeds meer aan betekenis, mede als gevolg van de verbetering van de vervoersmogelijkheden zoals spoor- en tramlijnen. Hier een kijkje vanaf de Noordersingel de Gedempte Singel in, waar de koeien staan opgesteld. Gezien het bord moet het vette vee links vooraan worden geplaatst. Het pand links op de voorgrond is café De Graanhalm, later de Passage. Daarnaast heeft ooit een waag gestaan - In de Passage zit de enige echte rokerslounge in Assen - Anno 2015 is ook deze rokerslounge dankzij het beleid van de Roverheid gesloten. ✟ waardoor weer een stukje eigen verantwoordelijkheid van de burger werd vernietigd! (collectie gemeentearchief, Assen)


Gloeiende spijkers

Assen kende in 1807 al enkele middenstanders en wat nijverheid. In de Kruisstraat woonden de zilversmid Hoeksum en zijn 'ijzeren collega' Hendrik Aalderts Smit. Verder werkten er in Assen onder anderen een paar timmerlui, een wever en een schoenmaker. Er stond in 1807 slechts één man als koopman in kruidenierswaren geboekt: Harm Spandaw, die een winkel aan de Brink had. Er waren wel anderen die huishoudelijke voorwerpen en etenswaren verkochten, maar voor hen was dat een bijverdienste. Dit gold bijvoorbeeld voor F. van der Weyde aan de Markt, die bosopzichter was, en voor Remmelt Geerts, die slachter en timmerman was. In de loop van de negentiende eeuw zouden handel en nijverheid sterk groeien in Assen.

In 1840 constateerden twee reizigsters met verbazing, dat Assen drie boekverkopers rijk was. Rond 1850 treffen we al een vrij groot aantal bedrijven aan, ook al zijn het vaak nog eenmanszaken: onder andere tien beddenmakerijen, twee bezembinderijen, één scheepstimmerwerf, vier strohoedenfabrieken, twee zerksteenhouwerijen en één spijkermakerij. De sterke groei van het aantal Assenaren, maar ook de aanleg van het Noord-Willemskanaal en de spoorweg Zwolle-Groningen gaf deze bedrijven de kans om de vleugels uit te slaan. In 1861 werd aan de Witterstraat een gemeentelijke gasfabriek geopend. Hier werd gas uit kolen gewonnen. In het begin werd dit gas alleen voor verlichting gebruikt. Er was vooral behoefte aan een betere straatverlichting. Assen had wel straatlantaarns, maar die brandden niet elke nacht, behalve als er kermis was.

Bovendien brandden ze op basis van patentolie en gaven zo weinig licht dat de lantaarns de bijnaam 'gloeiende spijkers' kregen. Daar kwam dan nog bij dat ze ver van elkaar af stonden. Assenaren die 's avonds nog op pad moesten, waren daarom genoodzaakt zelf licht mee te nemen. In de latere jaren van de vorige eeuw kwam er ook grotere industrie naar Assen. In 1866 werd door de heren Hunze en Braakman een ijzergieterij aan het Noord-Willemskanaal gebouwd, schuin tegenover de huidige brandweerkazerne. Zij bood al gauw werk aan zestig tot zeventig mensen. De fabriek vervaardigde onder andere landbouwwerktuigen en grafmonumenten. Op de Noorderbegraafplaats in het Asser Bos zijn nog enkele grafzerken van deze gieterij te vinden.

In 1884 opende J. W. Kuiler aan de Kerkstraat een grote sigarenfabriek, die spoedig werk zou bieden aan bijna honderd arbeiders. En aan de Lonerstraat werd de grote exportslagerij van Thompson en Co. gebouwd. Jaarlijks werden hier 30.000 a 40.000 varkens uit de provincie geslacht en met de trein en de nachtboot via Hoek van Holland naar Londen geëxporteerd. Toch bleef Assen een plaats waar velen een baan hadden bij de overheid. Het aantal ambtenaren nam nog toe, toen Assen garnizoensstad werd.


Welkom aan het garnizoen

In de nacht van 28 op 29 augustus 1841 ontsnapten zes gevangenen dwars door de muur van de oude bouwvallige gevangenis aan de Kloosterstraat. Dat was een onooglijk gebouw dat vroeger nog onderdeel was geweest van het oude klooster. Het wemelde ervan ratten. De vluchtelingen werden bij Leeuwarden weer in de kraag gegrepen en teruggebracht naar Assen. Ter versterking van de bewaking werd in oktober van datzelfde jaar een detachement militairen, bestaande uit 32 man, van Coevorden naar Assen overgeplaatst. In eerste instantie werden de manschappen ingekwartierd bij de Assenaren thuis, tegen een vergoeding van zeven stuivers per man per dag. Later werden ze ondergebracht 'in de schuur vanA. Harsveld' en in 1851 betrokken ze het oude gemeentehuis dat stond op de hoek van de Groningerstraat en de Oudestraat.

De aanwezige soldaten brachten veel financieel gewin voor de middenstand van Assen en herhaaldelijk zijn dan ook pogingen ondernomen hun aantal te laten groeien. In 1881 hadden de pogingen succes: er werden twee bataljons infanterie aan Assen toegewezen. De Witterheide werd schietterrein en langs de Vaart werd grond gekocht om een kazerne te bouwen. In 1893 kwam de eerste, de 'Wilhelmina', gereed. Op 2 november 1894 kwamen de soldaten. Overal hingen vlaggen. Midden op de Brink stond een muziektent met het opschrift 'Welkom aan het garnizoen'. De nieuwe ingezetenen werden door de burgemeester toegesproken. De erewijn werd gedronken en 's avonds werd er feest gevierd. In 1895 kwam de tweede kazerne, de 'Emma', gereed.

Nog in datzelfde jaar werd besloten dat de regimentsstaf met het muziekkorps van Leeuwarden naar Assen zou worden overgeplaatst. In 1903 kwam een derde bataljon en in 1905 werd de derde kazerne, de 'Hendrik' in gebruik genomen. De vestiging van de bataljons bracht vele gehuwde militairen met hun gezinnen naar Assen en zorgde voor een grote vraag naar woningen. Er werden door de militairen speciale woningbouwverenigingen opgericht, waarbij de rangen strikt waren gescheiden. Zo was de Oranjestraat speciaal voor onderofficieren bedoeld en werd op de hoek van de Oosterhoutstraat en de Parkstraat een complex officierswoningen gebouwd


Zicht op de Oranjestraat waar woningen voor onderofficieren werden gebouwd


Vrije jongens in Lombok

De militairen waren niet de enigen die bouwactiviteiten ontplooiden. De Asser Werkliedenvereniging richtte reeds in 1878 de vereniging Eigen Haard op, met als doel sociale woningbouw te plegen. Het initiatief werd door de Asser elite van harte ondersteund onder het mom 'wie een eigen huis heeft, wordt geen communist'. In 1883 werden door Eigen Haard vier werkmanswoningen aan de Steendijk gebouwd. Zij zouden echter meteen de laatste zijn omdat de woningbouwvereniging een te hoge lening was aangegaan. Pas na 1901, met het tot stand komen van de Woningwet, kon de sociale woningbouw echt van de grond komen. Financieel ondersteund en gereglementeerd door de overheid kon nu daadwerkelijk iets worden gedaan aan de vaak erbarmelijke woonomstandigheden.

Zo was ten oosten van de spoorlijn op het Aardseveld, dat gemeenschappelijk bezit was van de boeren van Anreep, een huttenkolonie ontstaan, waaraan later de naam Lombok zou worden gegeven. Tegenwoordig bevinden zich op deze plaats de gebouwen van de psychiatrische inrichting Licht en Kracht en de Van Boeyenoord-stichting. De hutten werden aanvankelijk geheel uit heideplaggen opgetrokken, maar in de loop van de tijd werd steeds meer hout in de hut verwerkt en werd de voorgevel soms van steen opgetrokken. Het hout was vaak afkomstig van kisten waarin Amerikaans spek was aangevoerd en die leeg bij het station werden achtergelaten. Betwijfeld mag worden of de bewoners van Lombok zo ongelukkig waren met hun omstandigheden. Zij laten zich kennen als de "vrije jongens' van toen, die er weinig behoefte aan hadden zich aan te passen aan de maatschappelijke orde van die dagen.

In de oogsttijd werkten zij bij de boeren in de omgeving en verder hielden zij zich onder andere bezig met het maken van bezems van heide. Stropen was een geliefde bezigheid en menig Asser burger plaatste in Lombok zijn bestelling. Met de Woningwet van 1901 werd de bouw van nieuwe hutten verboden en afbraak van bestaande mogelijk. De gemeente voerde echter een terughoudend beleid en heeft geen mensen uit hun hutten gezet. Gewacht werd tot deze uit zichzelf weggingen of overleden. In 1910 werd het aldus beschreven: "Zo zijn de bewoners van deze hutten ten laatste mensen geworden die boven de wet schijnen te staan. Zij zijn aan het leven in de hutten even sterk gebonden als konijnen aan hun holen. Maar met het uitsterven van dit geslacht zullen de hutten verdwijnen, want de nieuwe woningwet die natuurlijk allang het doodvonnis over deze hutten heeft uitgesproken, zal weldra een eind maken aan hun bestaan'.

In 1932 werden de laatste hutten afgebroken voor de bouw van de inrichtingen. De sociale woningbouw kwam in Assen in 1907 daadwerkelijk van de grond met de oprichting van de Bouwvereniging Assen, in 1917 gevolgd door de Bouwstichting Boaz. Het eerste grote project van Assen werd ten oosten van het spoor gerealiseerd. Drie architecten was gevraagd in het kader van een prijsvraag een ontwerp te maken voor woningen met een huurprijs van twee gulden en een kwartje tot drie gulden per week. Het winnend ontwerp voorzag in de bouw van 76 woningen, die in de ogen van gemeenteraadslid De Boer veel te luxe waren: "Een arbeider begeert geen mooie kamer. Hij moet hebben een groot woonvertrek, een keuken en slaapgelegenheid boven'. In 1916 zou het 'Rooie Dorp' gereed komen. De uitbreiding van de stad vond plaats naar alle zijden.

De elite woonde aan de Vaart en liet in het laatste kwart van de negentiende eeuw kasten van huizen neerzetten rond de Hertenkamp en de Beilerstraat. In de eerste jaren van de twintigste eeuw werd het gebied tussen de Zuidersingel en het Asser Bos, de oorspronkelijke es van Assen, bebouwd. Ook aan de noordkant van het centrum kwam steeds meer woningbouw.


Zicht op de Steendijk


Vermomd als sociaal-democraat

Hoewel Assen niet bepaald een industriestad was, deden de sociale tegenstellingen zich wel degelijk voelen. Zo werd in 1871 de Asser Werkliedenvereniging opgericht, met als doel de verbetering van de "stoffelijk toestand van de arbeider en de bevordering van zijn zedelijke en maatschappelijke ontwikkeling'. Men was zeer actief en zette onder andere een zieken- en begrafenisfonds op en ook een coöperatieve bakkerij. Bekende sprekers als Domela Nieuwenhuis werden regelmatig naar Assen gehaald. Sociale actie beleefde Assen in 1885, toen in het hele land de toestand zeer gespannen was als gevolg van werkloosheid en armoede. In Den Haag werd in september een grote demonstratie gehouden waarin vele rode vlaggen werden meegedragen.

Er deed één Assenaar mee, kleermaker Jan Draad. Toen hij 's avonds met de trein uit Den Haag op het station aankwam, werd hij door een zestigtal kameraden opgewacht en naar huis begeleid, waarbij de stoet aangroeide tot wel vijfhonderd man. Die avond bleef het verder rustig, maar een paar dagen later werd er een demonstratie gehouden waarbij honderden Assenaren door de straten liepen en in de Beilerstraat ruiten ingooiden. Militairen werden ingezet om de rust te herstellen. Jan Draad zelf liep niet mee, maar werd wel als indirecte aanstichter gezien. De betoging zou een incident blijken waar de burgerij zich spoedig vrolijk om zou maken. Bij de viering van de zeventigste verjaardag van koning Willem III in 1887 met een gemaskerd bal in het Concerthuis verscheen er zelfs iemand vermomd als... sociaaldemocraat.

In 1903 kreeg de SDAP in Assen vaste grond onder de voeten en in 1910 werd G. Oldenziel als eerste socialist in de raad gekozen. In 1919, met de invoering van het algemeen mannenkiesrecht, werd de SDAP meteen de grootste partij met vijf zetels, een positie die ze verder altijd zou behouden.


Assen als hoofdstad?

Hoewel Assen in de eerste plaats een ambtenaren stadje was, had het toch vrij sterke bindingen met het omringende platteland. Daar werd in kleine bedrijfjes veel varkenshouderij bedreven voor de export. In Assen was de grote exportslachterij van Thompson gevestigd. De grote crisis van de jaren dertig sloeg hier hard toe en dat was in Assen voelbaar. De ene na de andere winkel ging failliet. De stad werd geregeld het toneel van protesterende boeren die zich aaneen sloten in de radicale beweging 'Landbouw en Maatschappij'. Deze beweging dreef langzamerhand in de richting van nationaal-socialistisch ideeën en was mede verantwoordelijk voor het relatief hoge stemmenpercentage voor de NSB in Drenthe. In Assen zelf viel dat overigens wel mee.

Assen had in de jaren voor de oorlog een vrij aanzienlijke joodse gemeenschap van ruim vierhonderd personen. In de Rolderstraat waren vele joodse winkels. Hun deportatie en uitmoording - ongeveer twintig mensen keerden terug - was het meest ingrijpende oorlogsleed dat Assen te verwerken kreeg. De oorlogsschade was beperkt en ook de bevrijding door de Canadezen in april 1945 verliep in Assen vrij eenvoudig. Op de Drentse geschiedenis heeft Assen geen sterk stempel gedrukt. Tot diep in de negentiende eeuw was het niet meer dan een vlek dat zijn belang volledig ontleende aan de toevallige vestiging van het gewestelijke bestuur. Drenthe was een provincie van landbouw en turf en daarin speelde Assen niet mee. In dat opzicht was bijvoorbeeld Meppel van heel wat meer betekenis. 'De Drenten en hun hoofdstad' moet dan ook met een zekere bescheidenheid worden uitgesproken.


Assen in de jaren zestig (collectie Drents Archief, Assen)






© 2006-2009 www.mijn-eigen-website.nl