In en om Assen





Beeldende kunst in Drenthe


Bronvermelding:
'Drenthe 1920 - 1940; Een bundel opstellen. J.D.R van Dijk e.a. Drents Museum 1989. ISBN 90 70884 24 0



De kunstenaar A. Briët (1867 - 1939) maakte rond de eeuwwisseling dit olieverfschilderij van het achterhuis van een Drentse boerderij. Ruw afgewerkte eiken hanebalken overspannen de ruimte waar het eigenlijke woonhuis als het ware ingebouwd wordt. (DMA)


Drenthe 'het land van de kunstschilders'

'Drenthe trok mij aan door de heide, de zandverstuivingen, de schapen, de rieten daken en de oude eiken. Maar de heide wordt ontgonnen, de zandverstuivingen worden beplant en de schapen verdwijnen, het riet wordt vervangen door cementpannen en de oude eiken worden geveld... En ik ben als iemand, die veel verloren heeft en in de kasten snuffelt om te zien, wat hem nog rest.' Zo luidde het antwoord van Louis A. Roessingh (1873-1951) op de vraag die redactie van het maandblad Drenthe in 1929 voorlegde aan enkele kunstschilders die in die tijd veel in Drenthe werkten: 'Wat is het, dat in het landschap en de bevolking van Drenthe u steeds weer aantrekt, en waardoor u bij voorkeur uw objecten (ook) in Drenthe zoekt?" Van de tien kunstenaars aan wie deze vraag werd gesteld, was Roessingh een van de drie die in Drenthe waren geboren. Van de overige woonden er nog twee in de provincie, maar de rest kwam hier slechts af en toe werken. Het gaat dan ook wat ver om Drenthe 'het land van de kunstschilders' te noemen, zoals J.G.C. Vegter dat in de Nieuwe Drentsche Volksalmanak van 1916 gedaan heeft.

Voor de Eerste Wereldoorlog bestond er nauwelijks een traditie op het gebied van de beeldende kunst. In de negentiende eeuw zijn er slechts enkele schilders van Drentse afkomst geweest die langere tijd in de provincie gewerkt hebben, onder wie Albert Steenbergen (1814-1900) uit Hoogeveen en Petrus Kiers (1807-1875) uit Meppel. In de tweede helft van de vorige eeuw kwamen er wel af en toe landschapschilders uit andere delen van Nederland naar Drenthe. Door de aanleg van het spoorwegnet werd het noorden steeds gemakkelijker te bereiken en veel schilders van de Haagse School bezochten deze nog zo ongerepte provincie. Enkele van hen, Willem Roelofs (1822-1897), Taco Mesdag (1829-1902) en diens vrouw G. Mesdag-van Calcar (1850-1936) en Julius Jacobus van de Sande Bakhuyzen (1835-1925), verbleven er zelfs langere tijd.

Pas in de periode na de Eerste Wereldoorlog, toen het zuiver agrarische karakter van de provincie zich door de opkomende nijverheid en industrie enigszins wijzigde en er een wat groter publiek kwam met interesse voor cultuur, gingen zich enige kunstenaars echt in de provincie vestigen en kozen ook meer Drenthen voor een loopbaan in de beeldende kunst. De plaats waar dat het eerst merkbaar werd was Meppel. Tegen de Eerste Wereldoorlog werden hier voor het geven van tekenlessen aan de diverse instellingen voor voortgezet en beroepsonderwijs van buitenaf tekenleraren aangetrokken. Sommige van hen, zoals Johan Christiaan Nijland (1888-1974) en Tiete Jan Geursen (1889-1945), hadden een opleiding gevolgd aan een academie voor beeldende kunsten.


De amateurleden kwamen uit alle lagen van de bevolking

In of kort na de Eerste Wereldoorlog verenigden zij zich samen met enkele amateurschilders in de vereniging 'Kunst en Vriendschap', kortweg KeV genoemd, dat ongeveer twintig jaar heeft bestaan. Naast de wekelijkse tekenavond, trok men er in de zomer geregeld op uit om in de natuur te tekenen en schilderen. Verder werden er af en toe kunstbeschouwingen gehouden, meestal onder leiding van Geursen, en eens per jaar werd er een tentoonstelling georganiseerd, waarvoor altijd een grote publieke belangstelling bestond en waar menig werk verkocht werd, wat voor de makers ervan vaak een welkome aanvulling op hun inkomen betekende.

De amateurleden kwamen uit alle lagen van de bevolking en hadden zeer uiteenlopende beroepen, variërend van notaris en belastingambtenaar tot kantoorbediende en winkelier. Een aantal van hen gaven hun beroep echter op den duur op om zich geheel aan de schilderkunst te wijden. Dit waren onder meer kruidenier Albert Torie (1896-1969), Antony Keizer (1897-1961), winkelier in beddegoed en Piet Zwiers (1907-1964), kantoorbediende bij Brocades. De belangrijkste was echter Klaas Smink (1879-1969), oorspronkelijk PTT-ambtenaar, die, nadat hij begin jaren dertig op wachtgeld was gesteld, een centrale rol zou gaan spelen in het Meppeler kunstleven. Rond hem ontstond eind jaren dertig de kunstkring 'De Oase', waarin een aantal van de meer professioneel ingestelde kunstenaars elkaar ontmoetten.

Deze groepering is echter pas na de Tweede Wereldoorlog naar buiten gaan treden. De enige volledig professionele kunstenaar die in het interbellum langer dan enkele jaren in Meppel verbleef, is Hugo van Schaik (1872-1946) geweest, die aan de academie in Den Haag was opgeleid. Hij woonde vanaf 1922 tot aan zijn dood in Meppel, maar heeft zich nooit erg intensief met de kringen van KeV of De Oase bemoeid. Voor kortere tijd hebben ook nog André Idserda (1879-1952) en Aad Zwart (1903-1981) in Meppel gewerkt. De eerste had zijn opleiding gekregen in Amsterdam en Antwerpen, de tweede in Den Haag. Zij hebben gedurende hun verblijf in Meppel (Idserda in ca. 1920-24, Zwart in ca. 1938-45) wel vriendschap met Meppeler kunstenaars gesloten en daardoor een merkbare invloed uitgeoefend.


J.H. Bach schilderde rond 1900 de drukte in de haven van Meppel (DMA)


De economische basis voor een bestaan als kunstenaar in Drenthe was te smal

Jannes de Vries (1901-1986), die tijdens zijn middelbare schooltijd in KeV aktief was geweest, had zijn geboortestad Meppel toen echter reeds verlaten om in Amsterdam een opleiding tot tekenleraar te gaan volgen. Na verdere studie in Parijs en Rome vestigde hij zich uiteindelijk in Groningen, waar hij tekenleraar werd aan het Praedinius Gymnasium en zich aansloot bij De Ploeg. De band met Drenthe heeft hij nooit verbroken; tot op hoge leeftijd is hij er regelmatig blijven schilderen. Een andere kunstenaar die in Meppel geboren werd, maar die plaats al vroeg verliet om een kunstopleiding te gaan volgen en zich daarna elders te vestigen, is Jan M. Meine Jansen (geb. 1908). Net als De Vries is hij, zij het voornamelijk tot aan de oorlog, Drentse motieven blijven tekenen en schilderen.

Van een geregeld onderling contact tussen schilders, waarbij men samen werkte of exposeerde, was buiten Meppel voor de Tweede Wereldoorlog geen sprake. Zo trokken bijvoorbeeld de in het begin even genoemde Roessingh en Reinhart Dozy (1880-1947), die beiden al van voor de Eerste Wereldoorlog vlak bij elkaar in Elp een huis hadden, nauwelijks met elkaar op. Roessingh was in Assen geboren, waar zijn vader president van de rechtbank was. Reeds op 17-jarige leeftijd trok hij naar Antwerpen om daar aan de academie een opleiding te volgen. Hij bleef echter geregeld naar Drenthe terugkeren en liet in 1909 een huis bouwen in Elp, 'De Zandhof', waaraan tot 1921 regelmatig stukken werden aangebouwd. Uit het feit dat hij enige jaren lid was van de Gemeenteraad van Westerbork (waar Elp onder viel) blijkt wel dat hij hier volledig was ingeburgerd.

Toch besloot hij in 1921 zich weer in Antwerpen te vestigen, omdat hij inzag dat de economische basis voor een bestaan als kunstenaar in Drenthe te smal was. In Antwerpen, waar een internationaal befaamde kunstacademie was en een uitgebreid cultureel leven bestond, waren uiteraard veel meer mogelijkheden om te exposeren en te verkopen dan in Drenthe. Dat de verkoop daar redelijk goed liep, blijkt onder meer uit het volgende fragment uit een brief die Roessingh in 1929 schreef aan Pol de Mont, naar aanleiding van diens bespreking van een van zijn tentoonstellingen: 'Ik verkocht reeds tweeentwintig werken en kan dus zeer tevreden zijn. Dit feit heeft nu wel niet altijd veel met het kunstgehalte te maken maar... ook schilders moeten eten'.


Roessingh was gehecht aan Drenthe

Overigens was het zelfs in Antwerpen nog moeilijk genoeg om als kunstenaar rond te komen, zeker na de crisis van 1929. Het verpachten van een gedeelte van het land rond 'De Zandhof' en het verhuren van een aantal kamers in dit huis en in zijn huis in Antwerpen vormden, samen met het geven van tekenen schilderlessen, een noodzakelijke aanvulling op Roessingh's inkomen. Na 1921 bleef hij wel bijna iedere zomer enige tijd in Elp werken. Hij maakte dan voornamelijk studies en schetsen, die hij na terugkomst in Antwerpen in het groot uitwerkte. Roessingh's gehechtheid aan de provincie waar hij geboren was komt niet alleen tot uiting in zijn tekeningen en schilderijen, maar ook in zijn kleine gedichtjes in het Drents, waarvan er verscheidene gepubliceerd zijn in de Nieuwe Drentsche Volksalmanak. Een daarvan is 'Het daarp van mien verlangen' uit 1934:

Er ligt een daarpie op de hei,
Waor mien gedachten gruien,
As schaamle plaanties in de bos,
In vree en stilte bluien.

Het ligt daor op het vlakke veld,
Waor golden iemen garen,
En in de depe speurs deur 't zaand,
De wagens stillijk varen.

En as de blauwe zuddendaamp
Maank d'olle daok bief hangen,
Dan is het jao een droom geliek,
Het darp van mien verlangen!

Evenals zijn buurman Roessingh verdeelde ook Dozy zijn tijd tussen Antwerpen en Elp. Dozy was niet van Drentse afkomst, maar al op 14-jarige leeftijd naar Assen gekomen, waar zijn vader tot garnizoenscommandant was benoemd. Ook hij ging voor het volgen van zijn opleiding naar de academie in Antwerpen. Vervolgens verbleef hij enige tijd in Parijs, waar hij in aanraking kwam met de modernste stromingen in de kunst, die echter weinig sporen in zijn oeuvre hebben nagelaten. Vanaf 1906 trok hij 's zomers geregeld naar Elp, waar hij na een aantal jaren, in 1911, een huis met atelier liet bouwen. Net als Roessingh bleef Dozy het grootste gedeelte van het jaar in Antwerpen wonen; pas toen de dreiging van de Tweede Wereldoorlog voelbaar werd, vestigde hij zich permanent in Elp. Ook Dozy kon niet alleen van de verkoop van zijn werk leven en was genoodzaakt om geregeld opdrachten voor illustraties en reclame uit te voeren.


Op dit olieverfschilderij legde de Duitse schider Max Liebermann (1847 - 1935) het leven op het Drentse platteland vast. De afgebeelde kleine meisjes spelen het oeroude spelletje 'boompje-verwisselen' in het dorp Zweeloo (part. collectie)


Zoodra 't menschdom wat minder rente trekt van zijn pampiertjes wordt 't miezerig

De meeste overige in Drenthe werkzame kunstenaars waren voor de verkoop van hun werk eveneens veelal aangewezen op contacten buiten de provincie. Een kunstenaar als E.B. von Duimen Krumpelmann (1897-1987), die in 1921 na zijn huwelijk met een Drentse boerendochter vanuit Amsterdam naar Zeegse was verhuisd, bleef bijvoorbeeld verkopen via Kunsthandel Van Gogh in zijn voormalige woonplaats, waar kennelijk een behoorlijke belangstelling voor zijn Drentse taferelen bestond. Over zijn eerste tijd in Drenthe heeft hij eens gezegd: 'Ik werkte dag en nacht. Alles was nieuw voor mij hier, dat landschap, de mensen, de boerderijen. (...) 's Avonds werkte ik bij olielicht de tekeningen uit die ik overdag maakte. (...)

Alles ging toen gelijk weg naar Amsterdam, want daar was de Drentse natuur volkomen onbekend en mijn werk werd daar goed verkocht.' Ook Von Duimen had in de periode voor de oorlog moeite om alleen van de verkoop van zijn schilderijen rond te komen en moest daarom af en toe illustratiewerk aannemen. Onder andere maakte hij tekeningen voor enkele boeken van de bekende journalist M.J. Brusse, die hem in januari 1922 onder meer het volgende schreef: 'De tijden zijn beroerd voor alle artiesten. Zoodra 't menschdom wat minder rente trekt van zijn pampiertjes wordt 't miezerig en durft ook geen mooie dingen meer te koopen om zijn leven wat plaisanter te maken. Ik hoop dat jullie 't saampjes op de hei toch maar wat rooien kunt en dat 't nieuwe jaar de financieele kant weer 'n beetje zal verbeteren'.

Een andere bron van inkomsten voor kunstenaars kon het geven van privétekenlessen zijn. Dit werd bijvoorbeeld gedaan door Arie van der Boon (1886-1961), die zich in 1915 in Rolde had gevestigd. Roessingh had hem daartoe bij verschillende families in de omtrek geïntroduceerd. Verder werd hij in zijn beginperiode in Rolde ondersteund door de burgemeester, die hem zijn tuinhuis ter beschikking stelde als woonruimte en atelier en hem bovendien op gezette tijden uitnodigde voor de warme maaltijd. Pas na enige tijd begon de verkoop van zijn werk enigszins op gang te komen. In een café aan de Asserstraat hield Van der Boon iedere zomer een verkoopexpositie, waar vooral zijn (zeer schappelijk geprijsde) heidelandschappen behoorlijk aftrek vonden.


Heidelandschappen waren geliefd in Amerika en Canada

Eerst na zijn huwelijk in 1926 met Henriette E. Gratama, afkomstig uit een vooraanstaande Asser familie, brak' voor hem een tijd zonder materiële zorgen aan. Hij ging zich toen vooral toeleggen op het tekenen met waskrijt en hield voorlopig op met het schilderen in olieverf, waartegen hij door zijn 'beroerde heienfabriek' een zekere weerzin had gekregen. Behalve Meppel was Assen de enige andere plaats in Drenthe waar meerdere kunstenaars woonden. Het tekenleraarschap was ook hier een belangrijke bron van inkomsten. Aan de Rijks HBS gaf Jean Krans (1851-1932) al sinds 1883 les Hij was geboren in Limburg en daarna in Delft tot bouwkundig ingenieur opgeleid, terwijl hij zich daarnaast zelf tot schilder ontwikkeld had.

Naast zijn betrekking aan de HBS, die hij zo'n veertig jaar bekleed heeft, was hij als directeur verbonden aan de gemeentelijke tekenschool en voerde verder ook portretopdrachten uit. In het begin van de jaren twintig werd hij aan de HBS opgevolgd door W.A. Kortenhorst (1884-1966), die zijn opleiding in Amsterdam had genoten. In Assen was ook Krans' zoon Louis (1875-1932) werkzaam. Na eerst les van zijn vader te hebben gekregen, studeerde hij, net als Roessingh en Dozy, aan de academie in Antwerpen. Hij was een van de weinige Drentse schilders die wel aardig kon rondkomen van het schilderen. Naast landschappen en stillevens maakte hij, net als zijn vader, veel portretten. Verder vervaardigde hij copieën naar oude meesters, waarmee hij — in 1921 — ƒ 25,— per week verdiende. Zijn werk werd ook naar het buitenland verkocht; via een veilinghuis in Amsterdam vonden veel van zijn doeken hun weg naar Amerika en Canada, waar vooral heidelandschappen met schapen zeer geliefd waren.

Dat ook in Nederland dergelijke taferelen populair waren, is al hiervoor bij de bespreking van de loopbaan van Van der Boon gesignaleerd. De bewondering voor de heidegezichten van Louis Krans 'ijkt onder meer uit de volgende passage uit een brief, die een Groningse koper in 1932 aan hem stuurde: 'In antwoord op uw zending kan ik niet anders dan stille bewondering wegslikken. Uw heidelandschap is werkelijk een sieraad van mijn kamer en bevalt me steeds meer'. Voor de uit Assen afkomstige Hein Kray (geboren 1901) was een dergelijk succes voor de Tweede Wereldoorlog nog niet haalbaar. Hij moest zijn brood voorlopig verdienen met het maken van spotprenten voor het satirische weekblad 'De Houten Pomp' (dat verschenen is tussen 1922 en 1930) en het tekenen van strips. Pas aan het eind van de jaren dertig ging hij zich, op aandringen van zijn vrouw, toeleggen op het schilderen van Drentse landschappen en dorpsgezichten.


J. van der Sande Bakhuysen legde vooral in de jaren 1870 tot 1920 het Drentse landschap vast op schilderdoek. Dit tafreel (fragment) zal in de maand augustus zijn geschilderd. De oogst staat al ten dele op stapels. En de boer keert met de 'rief' op zijn schouders huiswaarts (DMA)


Het Drentse landschap en het leven van de Drentse boerenbevolking bleef de belangrijkste bron

Omdat er in Assen weinig gelegenheid was om te exposeren, had Kray in een erker van zijn woonhuis aan de Zuidersingel een etalage ingericht, waar permanent werk te zien was. De meeste kunstenaars die in het interbellum in Drenthe gewoond hebben, waren voor het exposeren en verkopen van hun werk aangewezen op gelegenheden buiten de provincie. Vaak waren zij lid van kunstenaarsverenigingen in het westen, zoals Arti et Amicitiae (Kortenhorst, Van Duimen, Keizer) en St. Lucas (Roessingh, Keizer, van der Boon), beide te Amsterdam. Ook met Groningen, de dichtstbijzijnde grote stad, bestonden vanzelfsprekend diverse banden. . In 1918 was daar 'De Ploeg' opgericht, waarvan de leden vooral de moderne richtingen in de beeldende kunst aanhingen. In de eerste jaren na de oprichting mochten echter ook nog wat meer traditioneel ingestelde kunstenaars meeexposeren.

Zo namen Dozy en Kortenhorst in de periode 1918-1923 bijna jaarlijks deel aan de Ploeg-tentoonstellingen, terwijl verder Roessingh en Van Duimen een enkele keer vertegenwoordigd waren. Verschillende Groningse Ploegleden gingen geregeld in Drenthe schilderen, met name Johan Dijkstra (1896-1978), Jan Altink (1885-1971), Jan Jordens (1883-1962) en de al genoemde Jannes de Vries. De kleurige expressionistische taferelen van bovengenoemde Ploegleden behoren tot het modernste werk dat tussen circa 1920 en 1940 in Drenthe is ontstaan. De meeste in deze periode daar werkzame kunstenaars hebben zich vooral gebaseerd op de verworvenheden van de Haagse School en het impressionisme. De enige vermeldenswaardige uitzondering hierop vormt het werk van Jan Zondag (1891-1982)

Zondag werd geboren in Annen als zoon van een eenvoudige landarbeider, maar net als De Vries en Meine Jansen verliet hij Drenthe om elders zijn opleiding te volgen en zich daarna niet meer in zijn geboortestreek te vestigen. Wel keerde hij er nog met enige regelmaat terug om te tekenen en schilderen, maar voor de Tweede Wereldoorlog had hij met andere Drentse kunstenaars nauwelijks contact. Hij verbleef lange tijd in Frankrijk, waar hij beïnvloed werd door de nieuwste stromingen, die ook zijn werk van na zijn terugkeer naar Nederland aan het eind van de jaren dertig bepalen. Ook andere kunstenaars hebben buiten de provincie nieuwe inspiratie gezocht. Toch bleef het Drentse landschap en het leven van de Drentse boerenbevolking voor de meeste een belangrijke bron van onderwerpen.


Een ode aan Drenthe

Wat hen daar zo in aantrok valt op te maken uit de antwoorden op de in het begin genoemde rondvraag uit 1929. In de eerste plaats oefende de ongerepte natuur een sterke aantrekkingskracht uit. Sommige kunstenaars, zoals Roessingh, signaleerden dan ook met spijt dat de vooruitgang steeds sterker zijn invloed liet gelden. Daarnaast sprak veel kunstenaars zeer aan dat, vooral in de kleinere dorpen, het leven nog sterk bepaald werd door oude gebruiken en tradities. In het antwoord van Dozy komen deze beide aspecten naar voren:

'Drenthe trekt mij, die geen druppel Drentsch bloed in mij heb om velerlei reden geweldig aan, en niet enkel omdat 't landschap mij ten zeerste bekoort, waarover hierna, maar misschien nog meer om de menschen, die trouwens een deel van 't land zelf uitmaken. Aan de Drenthen, zooals aan alle lieden van 't Noorden, kan men terdege bemerken, dat zij nooit overheerscht zijn geworden, noch door adel noch door een kerk. Dat heeft een waardig, zelfbewust en zelfstandig denkend ras gevormd, afkeerig van slaafsche vormen, en met een hun speciaal eigen gevoelsleven, dat ik zeer hoog stel, een ras daarbij vol latente kracht en dat niet gedesoriënteerd is door al hetgeen de moderne tijd al voor verandering heeft medegebracht. (...)

Dat geeft eene gemoedsverfijning die bizonder weldadig aandoet als men vele maanden aaneen gezeten heeft midden in het tumult en de kilte en de harteloosheid van een groote stad. Daarbij zijn de lui uit 't Noorden werkers, die eerbied afdwingen. Zoo de menschen, zoo 't land. Een zeldzaam frissche lucht, een fijn geschakeerd zilveren licht, een ruime horizon, die de gedachten wijd uit doet gaan. (...) Dan vind ik in 't Noorden nog menig hoekje waar 't er uitziet als een wereldje van vroeger, met boom- en struikgewas dat groeit zonder menschelijke tusschenkomst; de rechte lijn is zelfs in de huizen in Drenthe dikwijls ver te zoeken. Drenthe kan heel somber zijn, maar ook heel grootsch erbij. (...)'.


Een olieverfschilderij van M.W. Liernur uit 1895 getiteld 'Koopman met hondenkar in Drents dorp'. (DMA)


Waar de boer nog boer is, één met z'n heilige aarde, z'n vee, z'n volk, z'n hoeve.

In het antwoord van Antony Keizer, die veel gereisd had, zijn deze beide aspecten eveneens duidelijk aanwezig: 'Na gezworven te hebben en verschillende landen te hebben doorkruist, keer ik terug naar mijn eigen Drentheland om daar te vinden, wat ik in den vreemde tevergeefs heb gezocht. Italië b.v. was voor mij een aaneenschakeling van schoonheid, zoo schoon, dat het op mij als noorderling, die gewend is aan het eenvoudige nuchtere van ons land, een te overweldigende indruk maakte. Die eenvoud in alles, waardoor bij uitstek ons Drentheland zich kenmerkt, als te zijn van ware schoonheid, mist men daar (...). Het land met zijn plaggenhutten waar de armsten wonen, is mij lief. Zij zijn in deze natuur in alle eenvoud ermede vergroeid. Zij dragen het stempel der armoede met geduld; onbewust als zij zijn van alle gewoel der maatschappij, wordt hier in lijdend verzet geleden de strijd om een zeer klein bestaan. (...)

Uit de antwoorden op de rondvraag kan geconcludeerd worden dat de aantrekkingskracht van Drenthe voor beeldende kunstenaars voor een groot deel voortkwam uit de wat achtergebleven positie, die de provincie ten opzichte van de rest van Nederland leek in te nemen, ook al viel dat in werkelijkheid enorm mee, zoals in de vorige artikelen uit deze serie is aangetoond. Vooral uit het antwoord van Johan Dijkstra is dat duidelijk op te maken: 'Ik hou van mijn geboortegrond, het bonte, lichtelijk luidruchtige Groningerland. Ik heb het lief om de kleur en de bonkige vormen, z'n oude wierdedorpen (ook z'n nieuwe heldere dorpen!), z'n waterland, z'n vruchtbare 'anderijen, eeuwenlang door zee en menschenhanden doorploegd. Maar in de herfst, als ik moe ben van het drukke zomerleven, zoek ik liefst de stilte.

Dan komt in de blauwe neveldagen het heimwee naar kleurige bosschen en eenzame heidevelden, naar het fijne kant van de Drentsche horizon, naar de donkere, grauwbemoste dorpen, waar het leven bijna geluidloos schijnt voort te glijden. Als de ziel moe is van het moderne, mechanische, vlucht ze naar het oerleven. Ze zoekt een land waar de hand nog eeltig is van het aardsche werk, en het verstand nog onbewust, onberoerd van verfijnd en speelsch vernunft. Waar traditie nog staat boven nieuwe, wetenschappelijke denkwijzen, waar de stadslucht nog ver is en de stilte rond de boerderijen nog niet verstoord door het schelle geluid van de claxons. Waar de boer nog boer is, één met z'n heilige aarde, z'n vee, z'n volk, z'n hoeve.


'Drenthe verandert. Wordt het gelukkiger?'

Waar nog gezwoegd wordt en gezweet in de donkere schuren met hun spelonkachtige openingen en dramatisch verwrongen daken. (...) Drenthe —! Dat is het land der stilte. Waar de esch blank beblokt ligt met de roggevelden blijft het ook in de oogsttijd stil. De kleine kinderen liggen in de schaduw der opgezette schovenhokken; zoet-zangerig is de stilte, de lange zeis maait ruischend door de rogge, zwijgend doet de weister haar werk; fijne boerenmeisjes gaan gebukt bij 't schovenbinden, heffen zich bij 't binden van de tweede band rond de schoof, dat is als een eerbiedig gebaar, de roode of sangen doek los om het hoofd De heele familie werkt, eensgezind, zonder heftige haast en voortdurende hunkering naar straks — "holdert".

(...) En ook 's avonds zijn ze nog vaak aan het werk op hun land, hun akkers, tot de zon rood is weggezonken achter de zachte glooiing van het veld en de maan rijst boven het donkere eikenloof rond de esch. Dan staat het Groningsche volk reeds lang met schoongewasschen gezicht voor het huis en rookt z'n pijp en luistert naar de stilte of — naar het drenzige geluid van de loudspeaker die buiten staat op het terras van het woonhuis van de boerderij'. Met enig leedwezen constateerden de meeste aangeschreven kunstenaars in 1929 dat de vooruitgang ook in Drenthe niet te stuiten was. Dijkstra merkte dat eveneens op en besloot zijn beschouwing daarom als volgt: 'Drenthe verandert. Wordt het gelukkiger?'


Met dank aan de heren J. Bolt en A.J.L. Krans en de heer en mevrouw Kray-Sijsma voor de informatie die zij ter beschikking stelden.






© 2006-2009 www.mijn-eigen-website.nl