In en om Assen




Spraakmakende Assenaren


Bronvermelding:
'Assen Anno; het boek bij de film'. Een verhaal van Ab Drijver



Albert en Albertje


Albert en Albertje waren eenvoudige mensjes die door hun uiterlijk opvielen en vaak beschimpt werden door de jeugd. Maar toen ze trouwden zag het zwart van de mensen bij het stadhuis.  ‘Ik kende Albertje al toen ik nog een kind was. Ze heette Albertje Scheper en was in 1865 in Beilen geboren. Toen ik haar leerde kennen woonde ze in Assen en was dagelijks bij de weg met een kinderwagentje met negotie.

Als kinderen waren wij bang voor haar en de eerste keer dat ik haar zag kroop ik in een sloot. Maar ze riep: “Kom maor kinder’n. Je huuft niet bang te wezen. Ik doe jullie niks”.Later kregen we vaak snoepjes van haar. Ze verkocht veters en andere kleinigheden en bedelde ook. Hier en daar knapte ze klusjes op waar ze een paar centen voor kreeg. Ze praatte in zichzelf en telde heel vaak de centen na die ze had gekregen.

In de Rolderstraat zat caféhouder Arend Hindriks die ook iets deed in de variétéwereld. Hij trok bijvoorbeeld met een lilliputter door het land. Dat was Kleine Ko, die 98 centimeter groot was en zogenaamd de kleinste man ter wereld was. Hindriks heeft er voor gezorgd dat Albertje kennis kreeg aan Albert. Volgens de verhalen plaatste hij een advertentie in een landelijke krant en daarop reageerde Aalbert Vlasbom.

Een mank mannetje dat uit Utrecht kwam. ‘Albert’ en Albertje mochten elkaar en je kunt eigenlijk spreken van liefde op het eerste gezicht. Hindriks heeft toen met een paar kapitaalkrachtige Assenaren een bruiloft georganiseerd voor die twee; een heel groot bruiloftsfeest in café Amicitia in de Rolderstraat. Na de bruiloft woonde het paar op verschillenden plekken in Assen.
Ze aten bijvoorbeeld een tijdje in een woonwagentje dat bij het Pitlo’s kolkje stond.Ook zijn ze naar Utrecht verhuisd maar een paar maanden later waren ze weer in Assen.


De krant van 26 augustus 1920

In de Provinciale Drentsche en Asser Courant van 26 augustus 1920 staat een verslag van de bruiloft die een dag eerder was voltrokken.

Als getuigen waren de pakhuisknechten De Vries en Faber meegekomen en B.S. Scheffer fungeerde als ambtenaar der burgerlijke stand die het jawoord van de 55- jarige Albertje en de 58- jarige Albert bekrachtigde. De verslaggever schreef:


“Vele vreemden die gisteren langs het gemeentehuis gingen, zullen zich wel hebben afgevraagd wat die groote drukte te beteekenen had en minstens gedacht hebben, dat de Koningin de stad met een bezoek vereerde. De Brink was zwart van menschen, die door een sterke politiemacht op een afstand moesten worden gehouden. Allen wilden getuige zijn van het huwelijk van Albert en Albertje, welke laatste een goede bekende stadsgenoote is.

Men wachtte en in ieder naderend rijtuig meende men het ‘jonge paar’ te zien. Een wagen van een waschfabriek werd bij vergissing zelfs met luid gejuich begroet – het was de trouwkoets niet. Eindelijk echter verscheen het rijtuig, versierd en met twee bepluimde paarden bespannen. Onder het gejuich en gejoel van de belangstellenden bestegen bruid en bruidegom de stoep en de trappen die naar de trouwzaal leidden. Daar aangekomen kwam er zichtbaar een plechtige ernst over hen.

Ze werden toegesproken en toen de heer Scheffer begon met het gewone ‘Het is u zeker bekend…..’ viel Albert hem haastig en onthutst in de rede met de verzekering dat hij in Assen helemaal niet bekend was. Op alle vragen van trouw en plicht werd met een volmondig ‘ja’ geantwoord en op een vraag zei Albertje met trots, dat ze haar naam best schrijven kon! De plechtigheid was afgelopen. Moeizaam daalde men de trappen af, Albert keurig gekleed, evenals Albertje, die met een geel boeketje in het pas door deskundige handen gekapte haar en nog zeer jeugdig uitzag.

Buiten gekomen, daverde weer een ovatie van het publiek en Albertje maakte een deftige buiging, terwijl Albert de ‘hooge zije’voor de hen hulde brengenden afnam. Onder luid gejuich reed men af. Smies met de van ouds bekende harmonica in ’t rijtuig, om …. maar dit zullen we maar niet vermelden, het zou een schaduw werpen op de plechtigheid. Op de bruiloft, die ’s avonds in Amicitia plaats vond, zaten de menschen opgepakt als haringen in een ton.

Toen het bruidspaar aankwam, ontstond een gedrang - er zaten zelfs belangstellenden op de daken. De politie kreeg het druk. Er is feest gevierd gisteravond! Albert en Albertje waren in de zaal af en toe heel lief tegen elkaar, zoals van pasgehuwden gewoon is. Albertjes roode glimmende muts kwam er soms bij in de verdrukking. Een paar bruiloftsgasten werden ’s nachts met het oog op de publieke veiligheid opgesloten. Ze hadden al te veel pret gemaakt.

Ook een groot deel der andere aanwezigen verkeerde in dien vroolijken toestand, die men wel aanduidt als ‘onder de olie’ of ‘vroolijken dronk’.Om elf uur en later verdrongen in de Rolderstraat bij Amicitai de menschen elkaar nog. Het feest was toen nog lang niet afgeloopen. Het huwelijk en de bruiloft van Albertje en Albert zijn niet onopgemerkt voorbij gegaan”.


Albelt en Albertie in dagelijkse kleding. Waarschijnlijk is dit hun huisje aan de KLoekhorststraat in Assen


Voor Albertje werd een huwelijksadvertentie geplaatst

In het begin van 1900 leefde er in Assen een meisje dat Albertie heette. Ze was in de tweede helft van de vorige eeuw in Beilen geboren. Er waren maar een paar mensen die haar achternaam wisten; algemeen stond ze bekend als "mal Albertie". Albertie was heel klein van stuk. Op zichzelf kon dit een heel gewone oorzaak hebben, zoals een stilstand in de groei van een aanhangsel van de hersens, dat te maken heeft met de ontwikkeling van klieren en ook met de lichaamsgroei: de hypophyse. Abnormaal kleine mensen kunnen geestelijk heel normaal zijn, net zoals spastische personen dit kunnen zijn. Albertie was klein en dit feit kan haar een minderwaardig gevoel hebben gegeven. Maar, ze wilde toch ook graag zijn als de anderen. En ze stemde er in toe, toen een paar lolmakers haar aanboden, om een huwelijksadvertentie te plaatsen. Het duurde niet lang of er meldde zich een kandidaat. Hij kwam uit Utrecht en heette -hoe kon het - "Albert".

Ook Albert was heel klein van stuk en misschien heeft de naamverwantschap wel een beetje de doorslag gegeven. In ieder geval: Albertie en Albert zijn met elkaar getrouwd. Hij heette Albert Vlasbom, geb. 1862 en zij heette Albertie Scheper, geb. 1865 te Beilen. Ze trouwden op 25 augustus 1920 te Assen. Dit trouwen is, naar men zegt, georganiseerd door "Arend van Rooie Eijs Hendriks", die toen een café had in de Rolderstraat, waar later café Kamping was. Het toekomstig echtpaar had al zoveel bekendheid in Assen, dat de politie rekende op een geweldige volkstoeloop. En het wérd ook druk. Op de trouwdag werden de straten afgezet door speciaal daartoe gedetacheerde marechaussees te paard! Huzaren, zei men, met een kolbak van bont en een lange sabel. Ze stonden o.a. op de hoek van de Nieuwe Huizen en Rolderstraat het verkeer om te leiden. Als je naar het gemeentehuis op de Brink wou, dan moest je een heel eind omlopen. Je kon er alleen maar komen via de Kloosterstraat.

De trouwkoets was een hele lange, met dennegroen, roosjes en vlaggetjes versierde, Jan Plezier, waarin zo'n 20 a 25 mensen zaten. Ook Smies was daarbij. Smies speelde vrolijke deuntjes op z'n harmonika en de inzittenden zongen mee Toen de "trouwkoets" met Albert, Albertie en genodigden, bij het gemeentehuis aan kwam, stond de hele Asser Brink vol mensen. Honderden! Leendert van Aalst was er bij en hij vertelde het mij. Er stonden een paar politiemannen op de stoep van het stadhuis en toen het bruidspaar binnen was, werden ze gewoon van de stoep afgedrukt. Het volk was niet te hóuden! 's Avonds was het bruiloftsfeest in het café van Arend van Rooie Eijs Hendriks. Iedereen kon er heen. Bij de deur stond de Asser zakkenhandelaar Abraham de Jong, die toegangsbewijzen verkocht voor 1 kwartje. Op de toegangskaartjes stond gedrukt: "Zakken-handel" . . .


Zij gingen op stap met de hondenkar

Het werd een groot feest, afwisselend met voordracht, muziek, zang dans en drank. Voor deze gelegenheid trad ook daar als muzikant op, de harmonikaspeler Smies. Smies had een mooi wit vest en een blauwe marchausseebroek aan. Hij was straatmuzikant en ook een van de plaatselijke volkstypen. Tijdens het spelen op de harmonika liet hij steeds op de maat met de mond een gebrom horen. Toen men hem vroeg waarom hij dit deed, zei hij: "Er is een bas kapot en nu doe ik dat met de mond". Tussen de voordrachten door werd er zo nu en dan een optocht door de zaal gehouden. En dan was iedereen in de gelegenheid om wat geld te deponeren in een nieuwe po, welke Albert en Albertie als bruidsgeschenk hadden gekregen. Dat geld was, zo zei men, bestemd voor de luieruitzet van het geachte bruidspaar.

Zo nu en dan gaf de caféhouder gelegenheid, dat het echtpaar elkaar kon omhelzen. Tot grote hilariteit van de gasten. In de buurt van het raam stond een stoel, die bestemd was als "podium" voor de voordragers. Het raam achter die stoel was een klein eindje omhoog geschoven voor de ventilatie. Buiten stond een 10-tal kwajongens. Tijdens een van die voordrachten hebben de lummels een van de voordragers van de stoel afgedrukt. Dat deden ze met een lange stok, die ze onder het raam door staken. Het gaf een grote consternatie. Het is een geweldig feest geworden! Zo mooi, dat er nog vele jaren over werd gesproken.

Albert en mal Albertie, zo als ze nu in een adem werden genoemd, pasten goed bij elkaar. Als ze met hun negotie op stap gingen, dan gebeurde dat met de hondekar. Soms zaten ze er beiden op, maar Albert liep er ook wel naast. Ik heb ze ook wel gezien met een gewoon handkarretje. En soms met een oude, hoge kinderwagen. Grote afstanden legden ze met hun voertuig af in heel Assen en verre omgeving. Soms zat Albertie op de handkar en Albert duwde en bracht z'n vermoeid vrouwtje zo thuis. Echte liefde! Op verschillende plaatsen in Assen woonden ze, zoals bij de Bermsloot, in de Kloekhorststraat, de Groningerstraat en ook bij Pittelo's kolkie. Daar had Albert een onderkomen gebouwd van oude plankjes, stukjes blik, asfalt en oude zakken. Ze hadden allebei oogjes, die je fel en doordringend konden aankijken, vanachter de ruige oogharen en borstelige wenkbrauwen. Net alsof ze achter gordijntjes zaten te loeren. Hun gezichten waren tanig, grauw en vol rimpeltjes. Albertie had meer een spichtig vossegezichtje en dat van Albert was meer rond.


Nu ze dood zijn, léven ze!

Zij was vaak gekleed in een lange zwarte jurk of rok, die van onderen heel breed uithing en tot op de grond kwam. Zulke kleren kreeg ze wel eens als afdanker van rijke lui. Zo'n lange rok was gemakkelijk. Soms ging ze zo maar op straat op de hurken zitten en als ze even later weer wegliep, lag er een klein plasje . . . Soms deed ze de handeling staande. Vaak had ze een hele grote zwarte strohoed op. Haar handjes waren klein, smal, rimpelig en groeterig. Ze zaten aan haar armen, net alsof ze ervoor waren gemaakt om ze "op te houden"; om wat te krijgen. En met haar donkerbruine stem stamelde ze dan een woord van dank en was zichtbaar aangedaan.

Als men haar eerlijkheid in tijfel trok kon ze heel venijnig uit de hoek komen. Daar kon een of andere Assenaar over meepraten. Het was in de tijd, dat er een hele grote tentoonstelling in Assen was gehouden. De "NEETA". Toen de stands weer afgebroken werden zijn er door heel veel mensen grote hoeveelheden materiaal gestolen. Ook veel hout. Een van de mensen, die men algemeen verdacht, zei eens gekscherend tegen Albertie, dat ze zo'n mooi huisje had. En toen heeft Albertie heel vinnig gezegd: "Ja hè! En er is nog gien plankie bij van de Neeta!" En de ander stond met de mond vol tanden. Maar als Albertie eens wat pakte wat niet van haar was, dan deed ze dat, omdat ze honger had. En dat had ze vaak . . .

Het is gebeurd, dat een caféhouder aan de Groningerstraat een stuk leverworst op tafel had liggen en dat dit opeens zomaar verdwenen was. Toevallig was Albertie ook net in de buurt. Hij vroeg of zij er meer van wist, maar kreeg meteen de wind van voren. Wat dacht de man wel! Opeens kreeg de caféhouder een ingeving. "Ja kiek", zei hij, "het is anders niet zo erg, maar ik had er vergif in gedaan. Voor de ratten ..." En Albertie heeft alles weer uitgespuugd. Jaren lang hebben Albert en mal Albertie hun tochten gemaakt. En al die jaren hebben ze aan duizenden mensen, zonder dat ze het wisten, ontspanning en lol gegeven. Maar zelf hadden ze het arm. Zelf leden ze 's winters kou.

Twee eenzame arme luitjes, die niets anders hadden dan elkaar. Twee tanige oudjes, die altijd oud geweest zijn. Die zich op hun oude dag maar moesten redden en vaak zonder eten en tot op de botten verkleumd, de deur uitgingen. Om te proberen, of ze zich in leven konden houden. Die door veel mensen voor de gek werden gehouden. Albert en mal Albertie. Ze zijn nu al jaren dood. Maar voor de hele omgeving zijn ze toch een begrip gebleven. Haast iedere oud-Assenaar kan je — nu met weemoed — vertellen over die twee kleine mensjes, die hebben gestreden tegen hun eenzaamheid en gevochten voor hun geluk. Sociale zaken bestond nog niet. De dood moet voor hen beiden een uitkomst zijn geweest. Maar dood zijn ze niet! Toen ze lééfden waren ze dood! Nu ze dood zijn, léven ze! In het verleden . . .


Bronvermelding:

'Een Asser jongen vertelt'. Hans Seidel. Herdruk 1986


Jan Rosee


De muzikanten


De muzikant in het rijtuig van het bruidspaar was Wilke Smies. Een lange magere man die vaak plechtig verklaarde dat hij geboren was in een goed milieu in Den Haag maar door de drank aan lager wal was geraakt.Na een verblijf in Veenhuizen was hij in Assen terechtgekomen waar hij al snel een populaire muzikant werd die veel gevraagd werd op bruiloften en partijen. Smies speelde ook op straat en dankte zijn gehoor altijd met een diepe buiging.

Heel bekend waren ook de broers Johan en Jan Rosee. Jan zong met zijn echtgenote Marie Toxopeus en het paar werd vaak bijgestaan door fluitist Kok die in een woonwagen woonde achter café Boele Geerts aan de Groningerstraat.Maandag was in Assen altijd ‘schooiersdag’ en dan trok Jan vaak alleen met zijn trekharmonica langs de huizen.


In juni 1945 reed een Canadese legertruc de winkel van bakker Holtman op de hoek van de Nieuwe Huizen en de Rolderstraat binnen. Hierbij verongelukte de bekende straatzanger Jan Rosee (foto A.P.B.)


Johan speelde ook harmonica en kwam in 1945 om het leven bij een ongeluk op de hoek Groningerstraat – Rolderstraat. Hij stond daar te praten met drie stadsgenoten toen de chauffeur van een Canadese legerwagen de bocht te ruim nam en tegen de gevel van de bakkerij op de hoek Nieuwe Huizen – Rolderstraat tot stilstand kwam. Rosee werd platgedrukt en overleed ter plaatse.
In het ziekenhuis overleed later nog een slachtoffer (was het tweede slachtoffer Grietje Prinsen?). De beide anderen kwamen met de schrik vrij.


Overlijdingsadvertentie van Grietje Prinsen


Aolde Assen


Bronvermelding:
'Oeze Volk, maondblad in drents dialect'. 27 jaorgang. N0. 8, augustus 1983. Een artikel van Hans Seidel


In Assen woonden echte straotmuzikanten. De meest bekenden waren de tweej bruurs: JAN en JOHAN ROSé. JAN was trouwd met MARIE TOXOPEUS. Hij was een lange slanke man met donkere haoren - een beetie krullerig - en een snor. Meestal har e een pet op. MARIE was ok lang en slank en ook zij har donker haor. JOHAN ROSé was een beetie kleiner. En ök dikker. Ie har sluuk donker bruun haor, dat, in het vuur van zien „optreden" wel is veur de ogen gong hangen. Ok JOHAN har een snor. Een wit boezeroen zunner boord en zunner boordeknopie zat under zien vest. Daor over hen drueg e een colbert-jassie. JOHAN was trouwd met een klein vlug vrouwgie en ze heette MIENTJE. De bruurs harren beiden een trekharmonika. Heur vrouwen huelen huus an huus de centen op. Ze harren meestal een schöddeltie bij zich.

JAN speulde kwieke stukkies, as: „Mien neef die woont in Canada", „Waar int bronsgroen eikenhout" en ok wel walsies: „Varia", ',,0 Madelein, beeld mijner dromen," enz. JOHAN was meer ene van de smartlappen: „Bij de muur van 't oude kerkhof", „Kleine Lize was een meisje", „Moeder ik kan je niet missen, öf" Beelden uit mijn kinderjaren." Hij zong vaok hard met en har ok wel een goeie stem. Ast regenachtig was, kwammen ze tóch! Dan harren ze een stukkie van een aold taofelzwilk over heur instrument liggen. Elk kwam één maol in de week bij ons langes. Ze harren een vaste route en zatten mekaor nooit int vaorwaoter; as JAN int zuden van Assen speulde, dan JOHAN int noorden, 't Was kennelijk deur beident met zorg organiseerd!

Tussen 9 en 10 uur 's morrungs heurde je ze in de verte al speulen. Soms een beetie dichterbij, dan weer wieder vot. Dat kon zo uren duren, maor langzaomerhand kwamt 't geluud toch dichterbij. Et heurde bij de geluden van van Assen, geluden, die vermengd waren met voetstappen van peerden en et raotelen van waogens en handkarren, want auto's waren nog vrij sporadisch. Ok heurde daorbij et roepen of praoten van mensen en et blaffen van honnen. En een stoomboot deur de Drense Hoofdvaort, die dee: „doem- doem-doem-doem," Maor iederkeer kwam de harmonikaspeuler dichterbij. En dan zag je hum. Heel langzaom lopend. Speulend en zingend. Zien vrouwgie luep vlug van huus tot huus om heur cent. An beide kanten van de weg.

Ze mus dus éénmaol zo vlug en zo ver lopen as heur man. As ze veurbij waren, gungen ze naor de ZANDGAOTEN (Talmastraot). Et geluud klonk al maor zachter. Maor et bleef wèl. Soms heurde je nog wel een lang flarden van harmonika-muziek. Eerst in de Zandgaoten, laoter op de MEULEWEG. Langzaomerhand kwam een roepende stem dichterbij. Ok vanuut Assen. Een aold klein proemend keereltie, meteen handkarregie. Ie ruep: „Andell, andell... vodden en lompen!... Haze- of konijnevelle! De hoogste waar- deee!" En zo al maor deur. Een ander maol was dat een maogere jongeman met een driejwieler. Maor die ruep 't zölde as dat kereltie.... Heur handel verkochten ze laoter an MOOS NATHANS, die een schroot- en vellen handel har bij de Venewegsebrug.

Maor ook de stemmen van die handelaoren wuren zachter en mengden zich in de harmonika muziek. Soms kwam er nog een derde stem bij: „Oh, riesie bokkum!... Oh, riesie bokkum!" Ok dit geluud kwam uuteindelijk trecht bij de anderen. As in een smeltkroes, 't Was of die kroes int laatst heel in de verte zaggies ston te sudderen en te pruttelen en dat dat vuur int laatst ongemarkt uut gung. As dat vuur uut was, dan waren de vertrouwde geluden vot. Maor de anne re dag waren er weer neijen, die ók bij 't leven in die daogen heurden. Her innerings van niet allen wa'j zag, vuulde en rook, maor ok dat wat oj heur den: geluden





© 2006-2009 www.mijn-eigen-website.nl