In en om Assen





Het bezoek van koning Lodewijk Napoleon aan Assen


Bronvermelding:
Nieuwe Drentse Volksalmanak 1962. Een artikel van Drs. E. J. Werkman, Rijksarchivaris in Drenthe


Het regeringscentrum van Drenthe aan de Brink in Assen in de 18e eeuw. Tekening van Jan de Beyer (geb. 1703)


,,Journal du voyage de Sa Majesté"


De vraag of koning Lodewijk Napoleon, toen hij op l3 maart 1809 aan het destijds uitdrukkelijk als zodanig aangeduid dorp Assen de rang van stad verleende, op eigen initiatief handelde, dan wel op uitdrukkelijk verzoek van de land - drost mr. P. Hofstede, is niet met zekerheid te beantwoorden. Voor laatstgenoemde zienswijze zou men argumenten kunnen ontlenen aan de considerans van 's konings besluit, waarin gezegd wordt, dat Zijne Majesteit ,,de vergrooting en verbetering ", waarvoor het departement Drenthe vatbaar was, in aanmerking genomen had. Hofstede had in zijn correspondentie met de koning herhaaldelijk op die vergroting en verbetering de aandacht gevestigd en zal dat op 12 en 13 maart 1809 in zijn toespraken tot en gesprekken met de vorst ook wel hebben gedaan.

In zijn brieven gaat het hem echter steeds om het departement in zijn geheel, nooit alleen om de hoofdplaats Assen. Heeft soms de koning gemeend het departement in aanzien te kunnen doen stijgen, door de hoofdplaats tot hoofdstad te maken, zonder dat mr. Hofstede deze verbetering beoogd had? Het is volstrekt niet onwaarschijnlijk, dat de landdrost door het besluit van zijn impulsieve soeverein over - rompeld is geworden en min of meer tegen zijn zin voor een voldongen feit geplaatst werd. In elk geval heeft hij, nadat het Koninklijk besluit tot stand gekomen was, van zijn kant weinig gedaan om het nieuwe stadsbestuur in werking te brengen, terwijl hij aan de andere kant wel heeft getracht bevoegdheden, die eigenlijk door dat nieuwe bestuur zouden moeten worden uitgeoefend, aan zich te houden.

Hij was nu eenmaal evenzeer een autocraat als de vorsten, die hij gediend heeft en kon het juist daardoor in den regel zo goed met hen vinden. Op de tentoonstelling ,,Lodewijk Napoleon en het Koninkrijk Holland ", die van 20 maart - 25 mei 1959 in het Rijksmuseum te Amsterdam gehouden werd, was een boekje geëxposeerd, getiteld ,,Journal du voyage de Sa Majesté". Het was afkomstig uit het kabinets- archief van de koning, dat berust in de Archives de France te Parijs, en bevatte een résumé van een reis van l3 april - l mei 1809 van het Loo via Grave naar Bergen op Zoom.

Op de vraag, die ik destijds richtte tot de directeur général des archives de France, of er in het kabinetsarchief een dergelijk boekje berustte over 's konings reis van 26 februari - 24 maart door Gelderland, Overijssel en Drenthe, werd geantwoord dat dit niet het geval was, maar dat wel een aantal losse blaadjes met korte aantekeningen over deze reis voorhanden waren. In september 1960 had ik te Parijs gelegenheid deze notities in te zien. Zij zijn kennelijk afkomstig van een lid van het gevolg van de koning en zijn tijdens de reis door Drenthe alleen opgemaakt te Coevorden en Assen. Al is hun inhoud niet bijzonder belangrijk en al lossen zij de in de aanhef van dit artikel besproken vraag niet op, toch leek het mij nuttig ze in deze almanak mede te delen, omdat ze ons de achtergrond laten zien van verschillende ons uit de Nederlandse archieven bekende besluiten van de koning. De aantekeningen, geschreven op drie afzonderlijke blaadjes papier, luiden als volgt:


Blad 1

11 Mars. Coevorden.

Parti de Hardenberg, passé par Gramsbergen et 't Laar, visité les fortifications. Les Juifs demandent f 1000.- pour leur église. 500 fl.

Les Juifs demandent pouvoir queter pour Ie soutien de leurs pauvres, comme les autres communions. Accordé, prendre un mesure général. fait.

Les Catholiques demandent un traitement pour le curé et des secours pour les pauvres. accordé 500 fl. fait.

Les entrepreneurs des fournitures militaires ne sont pas payés depuis deux ans, il leur est du f 2000.-

On demande à établir un bac sur le chemin d'ici à Gramsbergen. fait.

Un canal d'ici dans le Vecht. accordé.


Blad 2.

Assen, 12 Mars 1809.

Parti de Coevorden.
Passé par Dalen, Erm, Emmen, Odoorn, Borger, Gasselte et Rolde.

Reçu à Gasselte par le landdrost du département Drenthe, le quartier Drost et la garde d'honneur du département.

Reçu à Assen le landdrost et I'administration départementale, la cour de justice, les ecclésiastiques, la municipalité.


Blad 3.

Assen, le 13 Mars 1809.

Vu l'église Le local départemental Le bois La ferme du landdrost Vu a Eeck Ie lit des Hunnes Aldo et revenu à Assen.


De afdoening van staatszaken te Assen

Bij de notities van zijn functionaris heeft de koning zelf, die een vrijwel onleesbare hand schreef, enkele aantekeningen gemaakt, die in het bovenstaande cursief zijn weergegeven. Bij de aantekening over de niet betaalde leveranciers van militaire goederen heeft hij een paar krabbels gezet, die ook door het personeel van de archives de France niet konden worden ontcijferd. Van een prompte betaling van de achterstallige vorderingen is mij niets gebleken. Beschouwen wij thans wat ons uit onze archieven in verband met de Parijse aantekeningen bekend is. Nog op 11 maart 1809 tekende de koning te Coevorden een besluit, waarbij aan de joden in het gehele koninkrijk werd toegestaan collecten ten behoeve van hun armen te houden, evenals dit aan de andere kerk - genootschappen vergund was en zonder dat te hunnen nadele enig onderscheid mocht worden gemaakt.

Het te Coevorden gedane verzoek heeft dus voor de joden in het gehele land een gunstig gevolg gehad. Eigenlijk was discriminatie van de joden in dit opzicht al verboden krachtens artikel 6 van de constitutie van het koninkrijk, maar zij vond nog steeds plaats. Eveneens op 11 maart bepaalde de koning dat de pastoor van de Roomskatholieke gemeente van Coevorden een jaarlijks traktement van f 400,- zou genieten, ingaande op l april 1809 en te vinden uit de begroting van de minister van eredienst. Voorts werd op genoemde datum nog in een Koninklijk besluit vastgelegd, dat het kanaal van Coevorden naar de Vecht zo spoedig mogelijk in ieder seizoen bevaarbaar moest worden gemaakt, terwijl bij besluit van 13 maart 1809, gegeven te Assen, f 1000,- voor een pont over de Vecht in de weg Coevorden -Gramsbergen ter beschikking van de minister van binnenlandse zaken werd gesteld.

De aantekeningen die te Assen zijn gemaakt, zijn zeer summier. Er valt wel uit af te leiden - wij weten dit trouwens ook uit andere bronnen - dat de Asser dagen voor de koning en zijn gevolg zeer vermoeiend moeten zijn geweest. Na de lange reis van Coevorden naar Assen heeft de koning nog een receptie gehouden, terwijl de volgende dag geheel met excursies gevuld is geweest. Maar we weten dat ook aan de afdoening van staatszaken te Assen veel aandacht gewijd is geweest; tal van besluiten, die volstrekt niet alleen Assen en Drenthe betroffen, zijn door de koning te Assen getekend. Vermoedelijk is de functionaris uit zijn gevolg, die de aantekeningen maakte, zodanig met schrijfwerk overstelpt geweest, dat hij zich, wat het koninklijk bezoek op zichzelf betreft, tot de spaarzame notities, die thans nog te Parijs berusten, beperkte.

Wat hij intussen uitdrukkelijk vermeldt, is dat de koning op de avond van de 12de maart ook het gemeentebestuur van Assen ontvangen heeft. Merkwaardig is, dat in het notulenboek van dit bestuur, dat ten stadhuize te Assen berust, over dat feit niets vermeld wordt. Wat de excursies betreft, te Assen heeft de koning slechts twee gebouwen bezichtigd, nl. de kerk en de bureaus van het departementaal bestuur. Beide moeten op hem maar een povere indruk hebben gemaakt, de kerk was klein (eerst in 1817 is het gebouw belangrijk vergroot) en de departementale bureaus namen slechts een gedeelte in beslag van het oude klooster, dat bovendien huisvesting verleende aan het hof van justitie en aan het gemeentebestuur. Indrukwekkender dan de gebouwen was het bos.

De volgorde, waarin de zaken te Assen bezichtigd werden, verklaart misschien de opeenvolging van de op dezelfde dag uitgevaardigde Koninklijke besluiten no's 10, 11 en 12. Bij no. 10 werd Assen tot stad verheven, bij no. 11 kreeg de nieuwe stad het bos ten geschenke en bij no. 12 werd bepaald dat alle vreemdelingen, die zich in de stad Assen zouden nederzetten en in staat waren om in hun nooddruft en die van hun familie te voorzien, gedurende de tijd van tien achtereenvolgende jaren bevrijd zouden blijven van de verponding (grondbelasting) voor de door hen te bouwen huizen of te ontginnen landerijen. Alles was er kennelijk op gericht de hoofdplaats van het departement meer luister te geven; het dorp Assen moest een werkelijke hoofdstad worden. De besluiten, die de volgende dag werden uit - gevaardigd, gaan van dezelfde gedachte uit.

De stad kreeg f 20.000,- voor de bouw van nieuwe huizen, de minister van binnenlandse zaken moest zorgen dat er een uitbreidingsplan, dat tot een regelmatige bebouwing zou leiden, werd opgemaakt en er moesten maatregelen genomen worden om in Assen de nodige genees -, heel- en vroedkundige hulp te krijgen en om in de stad een opvoedingsinstituut te vestigen. Het is zeker dat de besluiten aangaande de beide laatste punten door de landdrost zijn uitgelokt; uit allerlei verspreide gegevens weten wij, dat deze dingen hem na aan het hart lagen. Kennelijk is het mr. Hofstede op de 14de maart gelukt persoonlijke wensen in vervulling te doen gaan door bij zijn voorstellen aan de koning aan te knopen aan de ideeën, waaraan deze in zijn besluiten van de vorige dag uiting gegeven had.

Wat betreft de aantekening over het bezoek aan de boerderij van de landdrost, uit het bericht over het koninklijk bezoek aan Assen, opgenomen in de Koninklijke Courant van 20 maart 1809 no. 66, weten wij dat mr. Hofstede de koning zijn grote ontginningen onder Witten heeft laten zien. Hij kon daardoor als het ware het bewijs leveren voor welke verbeteringen het departement, als de ontginning met kracht werd aangepakt, vatbaar was. De vraag rijst, waarom men op 13 maart de koning, die het toch al zo druk had, helemaal naar Eext heeft laten reizen, om hem een hunebed te laten zien. Daarvoor had men toch dichter bij huis, te weten te Loon, Ballo of Rolde terecht gekund. Overleg met zijn broer, de ontvanger -generaal mr. J. Hofstede, zal de landdrost ertoe hebben gebracht de koning tot een reis naar Eext uit te nodigen.

Zijne Majesteit zal daar niet, althans niet in de eerste plaats, het hunebed, gelegen bij de tegenwoordige Eexterhalte hebben bezocht, maar de in 1756 ontdekte grafkelder bij het dorp Eext. Mr. J. Hofstede, die zich serieus met archeologische onderzoekingen bezighield en ook een ver - zameling prehistorische voorwerpen bezat - zie hierover het in deze almanak opgenomen artikel van E. Pelinck en schrijver dezes - interesseerde zich zeer voor deze grafkelder. Men beschouwde deze destijds als een nieuw ontdekt hunebed. De ontvanger -generaal hoopte nog meer van deze verborgen megalieten te kunnen vinden en zelf te kunnen onderzoeken. Deze laatste wens is in vervulling gegaan ook. Mr. J. Hofstede wist de belangstelling van de koning voor de archeologie te wekken door hem de grafkelder te laten zien en hem zijn kabinet van oudheden ter plaatsing in het Nationaal Museum - het latere Rijksmuseum - ten geschenke aan te bieden.

De koning aan- vaardde de verzameling dankbaar en verzocht de schenker met zijn nasporingen door te gaan, hij zou dan zorgen dat er uit de schatkist gelden voor beschikbaar werden gesteld. Hofstede werd hierdoor de officiële archeoloog van het departement. Toen dan ook enige tijd later bij Emmen een grafheuvel of hunebed ontdekt werd, kon de landdrost niet anders doen dan bij besluit van 21 april 1809 no. 8 ,,Mr. J. Hof- stede als door Zijne Majesteit geauthoriseerd om de antiquiteiten in dit departement op te sporen, te inviteren om zig in persoon naar Emmen te begeven, vergezeld van den landmeter Aardenburg, ten einde op de plaats zelve daaromtrend verder onderzoek te doen en eene accurate teekening van de gevondene grafkelder of hunebed door de laatste te doen vervaardigen en dezelve met zijn rapport ter dezer tafel over te leggen ".

Reeds op 30 april 1809 zond mr. J. Hofstede een rapport over het zeer nauwkeurige onderzoek, dat hij had verricht, in. Het is afgedrukt in het bekende boek van prof. dr. A. E. van Giffen, De Hunebedden in Nederland, Tekst, deel 11, blz. 32. Hofstede geeft in dit rapport als zijn mening te kennen, dat het monument bij Emmen niet behoorde ,,tot die eigenlijk zoogenaamde grafkelders, als waarvan er onder anderen een bij Eext in dit departement is gevonden, maar dat deze zal moeten gerangschikt worden onder dat soort van steenen hunebedden, waarvan een menigte in deze streken, als te Ballo, Rolde, Eext, Borger, Emmen en elders voorhanden zijn". Duidelijk volgt uit deze opsomming, dat hij de hunebedden te Ballo, Rolde enz. als de gewone beschouwde en dat hij de koning te Eext iets bijzonders heeft willen laten zien.

Dat het gevonden grafmonument te Emmen bleek te behoren tot de gewone categorie zal een lichte teleurstelling voor de ontvanger-generaal zijn geweest. Wat ten slotte de laatste op de 13de maart gemaakte aantekening betreft, met het woord Aldo - het blijkt weer uit de Koninklijke Courant - is Anlo bedoeld; de koning is dus over Anlo naar Assen teruggekeerd. Hoe spaarzaam de aantekeningen van 13 maart ook mogen zijn, zij leveren het duidelijk bewijs, dat koning Lodewijk, zwak van lichaam als hij was, geen inspanning schuwde om ook die gedeelten van zijn rijk, die destijds golden als onbelangrijk en afgelegen, door persoonlijke aanschouwing te leren kennen.






© 2006-2009 www.mijn-eigen-website.nl