In en om Assen





'De Domeneer van Turfland; passages uit het boek van W. de Weerd


Bronvermelding:
'De "Domeneer" van Turfland', tien jaren evangelisatie-arbeid in de Drentsche veenkoloniën'; door W de Weerd. Uitgeverij D. A. Daamen - 's Gravenhage. 1916. 220 blz.



Vanaf Doorsnede kwam men via het Westerdiep uit op de zuidzijde van de Runde. Daar stond de Nederlands hervormde kerk en de pastorie van Emmer-Compascuum. Ooit predikte hier de bekende evangelist en autuur dominee W.H. Braak Hekke. Het gebouw verdween rond 1930 (bron foto en tekst; 'Historisch album Drenthe')


De benoeming en wat daaraan vastzat

...Zorgvuldig heb ik steeds bewaard een Zondagschool-belooningkaartje, 8 bij 12 cm. groot , met een vuurroode roos en den tekst Ps. 56 10 : „Dit weet ik, dat God met mij is." Trouwens, de geheele correspondentie vanaf de eerste briefkaart van coll. Braak-Hekke is nog in mijn bezit. Wat nu dat kaartje betreft, het geeft meer te lezen dan genoemden tekst. Op de andere zijde staat n.l. in net handschrift het volgende :

„Den Eerw. Heer de Weerd,

M. !
Bij dezen heb ik de eer U te berichten, als dat gij met meerderheid van stemmen benoemd zijt als Godsdienstonderwijzer te Klazienaveen-Noord.
Bericht me direct even of U de benoeming aan neemt Namens de Commissie, Groetend met alle achting :

Klazienaveen-Noord 19 — 1 —"04."

Zoowel de voor- als achterzijde had mij veel te zeggen. Aan den eenen kant las ik een roeping door menschen, en aan den anderen kant een roeping en bemoediging Gods. Eigenaardiger kreeg zeker niemand ooit een benoeming thuis, maar evenmin meer sprekend.

En ik kan verzekeren, dat het heel onopzettelijk in zijn werk was gegaan. Bij gebrek aan papier had de schrijver maar een voor de hand liggend kaartje van een zijner kinderen genomen en, blij aan zijn opdracht voldaan te hebben, stuurde hij het, met de vermelding der benoeming er op, weg. En hij was ook op godsdienstig gebied waarlijk nog te naief, dan dat hij op die wijze een beetje de voorzienigheid zou hebben kunnen spelen.Maar dat direct antwoord was me toch te kras. In de vier dagen tusschen mijn preek en ontvangst van benoeming, had ik geen besluit genomen of kunnen nemen. Ik vroeg daarom veertien dagen uitstel, in dien tijd in aller belang in nader overleg te treden met het hoofd der firma. Het werd toegestaan...


Een en ander over het arbeidsveld.

...Hoewel ik de eerste Evangelist was te Klazienaveen, beteekende dat niet, dat er nog niets was gedaan. Collega Braak-Hekke had opgemerkt, dat ook te Klazienaveen het ontginningswerk een aanvang zou nemen. Hij heeft voor de Veenkoloniën een hart als weinigen en 't was geen wonder, dat hij erover ging denken, of er voor Klazienaveen niet iets kon worden gedaan. Denken en doen liggen bij hem zoo heel ver niet uit elkaar. Toen hij dan ook op zekeren Zondagavond, komende van Oranjedorp, waar hij had moeten preeken, den bijna 3 uur langen weg langs marcheerde, die hem ook dwars door Klazienaveen (toen nog Smeulveen geheeten) voerde en hij de steenen voor de huisjes der a.s. koloniebewoners zag staan, was zijn besluit genomen.

Aan den eigenaar te Groningen schreef hij, of die zoo goed wilde zijn, waar men in den regel in een nieuwe kolonie begon met een kroeg, hier eens te beginnen met een kerk. En 't resultaat was, dat men in Gr. dat voorstel accepteerde en er te Klazienaveen een houten kerkje werd gezet. Het was een waarlijk net gebouwtje met inventaris van, geloof ik, f 1800 met ongeveer 130 zitplaatsen. Maar de Heer S. had de voorwaarde bedongen, dat, als hij bouwde, Br. Hekke er preeken zou. Die voorwaarde was aanvaard.

Bij de inwijding was de eigenaar zelf aanwezig en de Heer Br.H. sprak de inwijdingsrede. Des Zondagsmiddags hield hij nu geregeld godsdienstoefening, doch hoe ijverig hij ook mocht wezen, hij kon geen belangstelling voor de zaak bij de bewoners opwekken. Vaak deed hij een vergeefschen tocht en dat, zooals het toen nog moest, steeds te voet. Wadende door den modder dikwijls. Men wilde een eigen Evangelist hebben, of ,,domeneer", zooals men zei, en dan godsdienstoefening in den morgen. Dan zou 't beter gaan...


Maar die drank, die drank !

...Een dag of wat later riep onze onderwijzer mij, en wees mij op een dronken troepje, dat een kind met zich voortsleepte. Dat kind was een stomdronken jongen van 16 jaren. Juist zou ik een vergadering bij een der Bestuursleden bijwonen en was dus gekleed om uit te gaan. Ik er op af. Maar toen gingen allen terug en in de heide liggen. Op mijn verzoek stonden ze evenwel op en gingen mee naar hun woningen. Maar het kleine kereltje wilde mij een trap geven, doch een der mannen een R.K., de eenige R.K. bewoner onzer streek, greep hem bij zijn been en zei met een vloek : „dat zal niet gebeuren."

Beiden vielen en ons kereltje zei tot zijn opponent : „hoor je dan niet, hoe hij jou uitscheldt voor „poepe" ? Dat was een benaming, tegenovergesteld aan die van „geus", en waarmee al de Duitschers bedoeld worden, doch ook de R. Katholieken van Barger-Compascum, als oorspronkelijke Duischers. Langzamerhand kreeg het een, voor Roomschen, beleedigende beteekenis. Dit nu maakte den man razend. Fluks kwam een groot mes voor den dag en achter mij aanwaggelend en eindelijk zelfs dravend, riep hij al maar : „Hij zal d'r an, „hij zal kapot."

Mij restte niet veel anders dan te bakkeleien of hard te loopen. 't Eene leek mij even gek als 't andere. Mijn ambt kwam hier-, mijn leeftijd daartegen in verzet. Toch deed ik het laatste, want zonder vrees was ik nu bepaald ook niet en hoewel ik vaak een sabel getrokken had, had ik nog nooit tegenover een kerel met een mes gestaan. Zoo moest ik loopen, wilde ik een gevecht of een ongeluk, of beide, vermijden. Niemand stak een hand uit. Gelukkig was ik dichtbij het bestuurslid, waar de vergadering zou worden gehouden. Die was meteen veenopzichter en dus zou onze vriend voor hem wel staan blijven.

Maar jawel, de kerel rent zijn „baas" bijna omver, al maar brullend : „hij zal d'r an." Vlug pakte de huisvrouw mij in den kraag en zei: ,,ga maar in de kamer." Maar dat viel ook al niet mee. 't Was snikheet en in plaats van in een kamer, kwam ik in de provisiekast te zitten, waarbij ik ook nog mijn hoed kwijtraakte. Later bleek mij, dat men de provisiekast ,,de kamer" noemt. Toen de woedende man binnenkwam, zat ik net achter de deur, maar eer hij tijd had zich te bezinnen, had de huisheer, die ook niet zoo malsch was, hem in den kraag en in een ommezien bij zijn eigen vrouw (een protestantsche) door de deur gegooid.

Toen ik een uur later naar huis ging, wachtte de man mij op en maakte zoo goed en kwaad als dat ging zijn excuses. Hij was bang voor de politie, nog meer voor den Directeur, maar meest voor zijn pastoor, 't Was anders waarlijk, dat bleek later, een goede kerel. Maar die drank, die drank !...


„Lieve tijd, nou is alles d'r uut."

...Meer ontsteld kwam ik een andere maal thuis. Ik had een man ontmoet, een Baptist, en naar ik dacht, een Christen. Hij praatte zeer vroom en ik was blij iemand te ontmoeten, die tenminste de mij zoo bekende godsdienstige termen gebruikte. Vreeselijk werd ik ontnuchterd, toen ik op zekeren dag bij den baas binnenstapte. Hij was juist bezig, met nog een ander een paard te slachten. Hij begroette mij op de volgende liefelijke wijze :

,,zoo ben je daar weer (een vloek) d...r maar op, ik wou, dat er een donderslag kwam, die jou en de heele kraam uit mekaar knetterde." Ik was verstomd en kon alleen nog zeggen : „man, ik zal voor je bidden," maar kreeg de vriendelijke vermaning mee, dat maar te laten. Datzelfde vriendelijke heerschap zei een week of drie later, toen hij weer in de kerk was geweest en ik hem op zijn veranderlijkheid wees: „ja, meneer, 't is altijd een zegen als een mensch weer tot verandering komt."

Ik merkte later wel, dat hij, om groot te doen, en in de gunst te komen van zijn medeslachter, een goddeloos man, zoo tegen mij was uitgevaren. Tweemaal overkwam mij het volgende: Bij mijn binnenkomen was de vrouw aan 't koffie drinken. Ze had zichzelf, voor de zooveelste maal, juist weer ingeschonken en pakte reeds voor „meneer" een groote, mooie met goud en bloemen en dus ook met stof, bedekte kop. En omdat men in de venen ook koffie drinkt om zielen te vangen, zei ik, op de vraag, „ook een kopje ?" gemoedelijk „ja".

De kan werd boven 't kopje gehouden en — „lieve tijd, nou is alles d'r uut." Moedertje zelf had 't laatste drupje er net uitgeschonken. „Das nou ja toch jammer," klaagde 't vrouwtje, maar ze wist raad. „Hier, drink jij dat maar op" en meteen schoof ze mij haar kop over. Er volgde een edele wedstrijd. Ik wou haar niet berooven en zij wilde in edele zelfverloochening het niet weer hebben. Ik moest er aan gelooven en dronk twee monden vol, toen stuitte ik op een massa dik. Hoe vaak was die kop al gevuld en geledigd dien dag ? Ik wil geen pleidooi voor 't rooken houden, maar toch opmerken, dat ik toen heel blij was, een sigaar in mijn zak te hebben...


„Ziezoo, nu weet jelui iets van de eerste reformatie."

...Den derden dag wordt de boom onttakeld en zijn versierselen naar de grens gedragen, waar 't dien avond feest zal zijn. Wat zijn die kleuters daar blij. Zoo iets kenden ze nog niet. In hun armelijke hutten ontbrak vaak alles wat een kinderleven veraangenamen kan. En dan kenden ze daar ook het groote wee, verwekt door den sterken drank. Ook daar werd, als overal, veel gegeten en gedronken en de kerstgeschiedenis verteld door een der broeders. Wat werd er geluisterd, wat schitterden die oogjes, die oogjes, die zoo vaak schreiden, ook al omdat ze de vreeselijke tooneelen moesten aanschouwen, die zich als gevolg van sterken drank in hun woningen afspeelden en waarvan zij de slachtoffers waren.

God zegene die kleinen en de duivel hale den drank ! Op zulke tochten werden geen liederen Hamaaloth gezongen, al waren ze soms wel in 't hart. Ieder begrijpt dat. Ik wil u nog een eigenaardige vertelling meedeelen van een der broedersleiders, op het eerste kerstfeest. Ik hield mijn hart vast, toen de man aan die kleinen van 4 tot 14 jaar ging vertellen van de heidensche volken, voor welke Jezus tot zegen was. Ze hadden n.b. nog nooit godsdienstonderwijs genoten, uitgezonderd twee maanden Zondagschool.

Hij begon bij de „Saracenen" (d. w. z. afstammelingen van Sara, zei onze vriend, maar dat liegen ze, ze stammen van Abraham en Hagar af). Hij gaat langs de Mohamedaansche volken en komt zoo bij de Saksers en Germanen met Wittekind, dan bij de Friezen met Radboud terecht, noemt Bonifacius, zit ineens bij de Waldenzen, brengt vervolgens het verschil naar voren tusschen Luthersch en Protestant, doet Calvijn uit Zweden komen, zegt, dat de Roomschen het erg mis hebben, maar dat ze toch een pastoor moeten groeten en eindigt aldus : „Ziezoo, nu weet jelui iets van de eerste reformatie."

Het was toch een goede avond en ik troostte mij met 1 Cor. 12 : 28, waarin van „behulpsels" wordt gesproken. We zijn niet verwend en wie aan betere redenaars gewoon zijn, zullen zich moeilijk kunnen begrijpen, dat ik nog in mijn schik was ook. Er was aan den arbeidsboom een nieuw takje ontsproten en al is 't gevaar groot, dat het weer gaat kwijnen, toch gaf het zien er van al vreugde. Ieder begrijpt, dat zulk een winter nog voorbijvliegt...


Aan opvoeden en eredienst werd al vroeg gedaan in het veen. Het kerkje stond eerst in het Smeulveen en werd op 23 oktober 1917 verkocht voor fl. 650,- aan de Evangelisatievereniging te Barger-Compascuum en daarna overgeplaatst. Het staat nu in het veenmuseum ' 't Aole Compas' in Barger-Compascuum, waar alles wat met veen te maken had met zorg is bijeengebracht. (bron foto en tekst; 'Drenthe in de kaart gekeken'.)


Den afgejakkerden huisheer

...Toen spande hij aan. Toen de equipage voorkwam, bleek het een mestwagen te zijn, waarop ik niet kon zitten, voor er een zak was opgelegd. Aan één zijde was de ladder weggenomen en bengelend met mijn beenen tusschen voor- en achterwiel, reed ik naar de pastorie. Het gulle onthaal deed weldra de ellende vergeten, en naar lichaam en geest verfrischt, aanvaardde ik den volgenden dag de terugreis.

Nu ik over voetreisjes praat, nog het volgende. We verwachtten onzen eersteling en hadden een wagentje gekocht. Het ding moest anderhalf uur ver worden gehaald en na nauwkeurige kasopname bleek het er niet aan te zitten, iemand er op uit te sturen. De a.s. papa zou 't zelf dan maar doen. En omdat ik niet graag had, dat mijn luidjes mij zagen sjouwen met het attribuut van mijn a.s. vaderschap, ging ik, 't was winter, bij schemeravond op weg. Om acht uur zou ik weer thuis zijn. Even op den terugweg brak er een geweldige storm los. En 't was pikduister.

Geen nood, langs den weg stonden telefoonpalen, en daar, waar ik moest afdraaien, zou het licht uit de pastoorswoning te Barger Oosterveld mij wel den weg wijzen. Ongelukkig had die heer, vanwege den storm, zijn blinden gesloten. En zoo al maar doorloopend, tastend van paal tot paal, met den wagen achter mij, kwam ik te Nw. Dordrecht inplaats van te Klazienaveen. Ik had thuis kunnen zijn en was er nu nog ongeveer vijf kwartier vandaan. Daarbij lag tusschen die plaatsen een erger dan onbegaanbare veenweg. 't Was toen al half tien. Wadend, plassend, en zweetend ging het verder. Bijna iedere minuut lag ik in een sloot of viel ik in den modder.

Evenals een schepeling in noodweer den vuurtoren, zag ik eindelijk vol blijdschap de sluislantaarns. Tot op heden weet onze sluiswachter nog niet, dat ik zoowat een kwartier bij zijn sluis gelegen heb, in storm en noodweer. Ik kon niet verder. Met mijn hoed schepte ik het water en dronk. Den eenigen keer, dat ik kanaalwater proefde. Om kwart na twaalf kwam ik thuis, maar haast onkenbaar. Vrouw en dienstmeisje zaten natuurlijk in doodsangst. Maar weldra jeremieerden ze nog meer over den mooien wagen dan over den afgejakkerden huisheer...


Mijn angst was zeer groot en de eenzaamheid zoo drukkend.

...Mijn vrouw was al weer aan 't sukkelen geraakt. En in den geweldigen storm van 28 op 29 Dec. 1914, moest onze woning het opgeven. Met vrouw en kinderen en dienstbode vluchtte ik in den vroegen wintermorgen naar onzen buurman-winkelier, die ons vriendelijk opnam. Eenige dagen brachten we daarna nog in onze bouwvallige woning door, waarvan herstel uitgesloten was, gehoord de adviezen van den bouwkundig opzichter der firma S. Het dak was losgewaaid en had met donderend geweld de toch reeds erg gescheurde muren gebeukt en gehavend. In druipenden regen verhuisden we in Januari naar een nieuw getimmerde arbeiderswoning, op één uur afstand van de kerk en geheel tusschen het hoofdkanaal en ,,zijwijken" gelegen.

Toen wij aankwamen verlieten de timmerlieden het huisje. Het was er zeer vochtig. Wegens ernstige krankheid harer moeder, had onze dienstbode ons moeten verlaten en daar zaten we midden in den winter, ver van de kerk, zonder hulp, terwijl mijn vrouw door al de emoties het bed niet meer kon verlaten, wat soms vanwege de koude toch nog noodzakelijk was. Gelukkig bezorgden vriendelijke menschen uit onzen kring ons hulp. Toen kwam de slag. Mijn vrouw moest naar een Sanatorium. En onze tijdelijke helpster kon maar tot Maart blijven. Ik heb toen in een roes geleefd en gereisd. Mijn drie kinderen bracht ik eerst naar de familie in Groningen en Gelderland. Daarna mijn vrouw naar Hellendoorn.

En dertien weken leidde ik weer mijn kluizenaarsleven van voor elf jaren. Maar nu was 't vreeselijker. Mijn angst was zeer groot en de eenzaamheid zoo drukkend. Vriendelijke buren, die na de eerste paar weken, naast mij kwamen wonen, deden veel om mijn leven eenigszins dragelijk te maken. En ook anderen hielpen en steunden mij vriendelijk en niemand heeft er ook maar met een woord over gesproken, dat mijn werk toen alles behalve volmaakt was. Ik was evenwel haast niet gerust te stellen, zelfs door de geneesheeren niet. Alle telefonische gesprekken en berichten over ons vroeg gestorven dochtertje waren gunstig geweest en toch was 't einde zoo tragisch. En dit werkte nu na. Telkens was ik natuurlijk op reis. dan naar de kinderen en dan naar mijn vrouw, die ik maar om de twee weken mocht zien...


De Evangelist is nu eenmaal middelpunt van heel den arbeid.

...Trouwens, dan ook een geheelen dag. Grooten dank ben ik verschuldigd aan Ds. en Mevr. B. te Hellendoorn, wier gastvrijheid en groote toewijding ik evenmin ooit zal vergeten als kunnen vergelden. Na dertien weken moest ik weer verhuizen. Dat was voor mij, zonder vrouwelijke hulp, een heel ding. Maar zij, die mij hielpen, waren voorzichtig, als gold 't hun eigen boeltje en ik kwam nu weer dichter bij de kerk. In der haast was een nieuw arbeidershuisje op 15 min. afstand van de kerk gebouwd. Toen ik daar een week had doorgebracht, kwam ons nieuwe dienstmeisje en kon ik de beide oudste jongens, die bij grootvader en tante in Twello liefderijk waren verzorgd en daar met vrucht de school hadden bezocht, terug halen.

En eindelijk, na een verblijf van 18 weken in 't Sanatorium deed mijn vrouw weer haar intrede in 't haar onbekende huisje, en een week later ging ze bij haar ouders onze kleinste, die haar ontgroeid was, opzoeken. De scheiding was voor grootouders en kleinkind beide een heel ding. De kleine was daar in huis en hart ingeburgerd. De hereeniging gaf een blijdschap, die de smart der scheiding zelfs overtrof. Mijn vrouw was wel wat opgefrischt, doch weldra bleek, dat haar werk, 't welk ze noodgedwongen weer had opgevat, haar te zwaar viel. Voor 't huiswerk was ze evenmin sterk genoeg. Ondanks alle geruststellende verzekeringen, rust en tuberculinebehandeling, was ze een paar maanden na de sanatoriumkuur weer bijna even ver als voor dien tijd.

Van mijn inkomen kon geen hulp in de huishouding worden genomen. Geheel buiten ons om kregen we evenwel dezer dagen van het hoofdkantoor der firma S. het bericht, dat mijn vrouw gerust haar ontslag kon nemen, en in dat geval genoemde firma mijn salaris zooveel zou verhoogen, dat we daarvoor ruim voldoende hulp kunnen krijgen. In dit verband is het mij behoefte er op te wijzen, dat het mij moeite en zelfoverwinning gekost heeft over onze huiselijke omstandigheden te schrijven. Een mijner geachte correctors zou dat kunnen bevestigen. Maar ik deed het met een bepaald doel.

Niet om voor ons zelf, hoe drukkend de omstandigheden soms waren, medelijden op te wekken, maar om door het schetsen van wat wij doorleefden, de aandacht te vestigen op de zorgen in vele Evangelistengezinnen in ongunstiger positie dan wij, waar het bescheiden inkomen in normale omstandigheden nauwelijks toereikend is voor de meest eenvoudige behoeften. Laat staan als ook nog ziekte de woning intreedt Als verder in dit boek mijn eigen persoon wat veel naar voren komt, vraag ik daarvoor verschooning. Ik kon, hoe ik 't ook probeerde, dat niet voorkomen. De Evangelist is nu eenmaal middelpunt van heel den arbeid...


In 1983 werd 'De Domeneer van Turfland' opnieuw uitgeven door uitgeverij Noorderboek.
In het voorwoord schrijft de zoon van Willem de Weerd het volgende:

Hoewel velen geneigd zijn z.g. voorwoorden over te slaan, waag ik het, als zoon van de "Domeneer van Turfland", uw aandacht te vragen voor een korte inleiding op het verhaal van een evangelist die met woord en daad in meer dan één zin, licht en verlichting heeft gebracht in de donkere veengebieden van Drente's Zuid-Oosthoek. Het verhaal begint in 1904 en eindigt in 1946.

In "De Domeneer van Turfland" beschrijft mijn vader de eerste twaalf jaar van zijn pioniersarbeid. Het is een indrukwekkende reportage van zijn persoonlijke en ambtelijke ervaringen, zijn hoop en wanhoop, zijn geloof en twijfel, zijn dromen en teleurstellingen, zijn lofzangen en klaagzangen. Binnen en buiten de grenzen van ons land is dit boek, waarin de engel van de humor ons van tijd tot tijd glimlachend passeert, bekend geworden. Het heeft rijken geschokt, armen geholpen en aanstaande predikanten aan het denken gezet. In een uitgave, die in het begin van de twintiger jaren opnieuw de aandacht vroeg voor zijn werk en zijn niet-aflatende pastorale en sociale inzet voor "zijn mensen" in Klazienaveen-Noord, schreef hij:

"In den grond ben ik bang voor publiciteit. Ik zou 't liefst met voldoende mid¬delen, rustig, onbekend arbeiden. Van nature eer vreesachtig dan moedig, word ik naar voren gedrongen door uitwendige omstandigheden en innerlijke aandrift. Ik wilde, na mijn eerste werk ("De Domeneer van Turfland") nooit weer iets schrijven, maar ik moet wei... "

Hij vervolgt dan met de opsomming van de schulden en de lasten die toen drukten op kerk en school. Zijn dankbaarheid voor de hulp van velen was groot, maar zij werd overschaduwd door een chronisch tekort aan financiële middelen, om zijn plannen te realiseren.

"Als de reddingslijn een handbreed te kort is, is er meer spijt over het tekort, dan dank voor het lange eind dat men toewierp. Want van de handbreed hangt de redding af."

Toen mijn vader wijlen koningin Wilhelmina vertelde, dat hij zo graag zendeling had willen worden, antwoordde ze: "Dat bent u dan ook gewor¬den: zendeling in eigen land." Met dit bondige antwoord had ze de pionier treffend getypeerd. Hij was er nog gelukkiger mee dan met zijn benoeming, later, tot Ridder in de Orde van Oranje Nassau. Zendeling in eigen land....

Zijn verhaal wordt nu doorverteld. Ik moet de neiging onderdrukken, om mijn bewondering voor zijn talenten, zijn ijver en volharding niet uitbundig onder woorden te brengen. Wij, zijn kinderen, zijn bijzonder ingenomen met deze herdruk van zijn eerste boek en hopen van harte, dat het opnieuw een grote en gretige aftrek vindt, zodat eventuele baten bestemd kunnen worden voor de restauratie van de kerk die in verval dreigt te raken.

Wij zijn de heren Kamphuis (oud-hoofd der school) en Van der Neut (thans de pastor loei op deze post), oprecht dankbaar voor hun geloof in-en arbeid aan de instandhouding van het werk, dat "de domeneer" in zo moeilijke omstandigheden, 80 jaar geleden, begon.

Wellicht vond hij zijn kracht in het lied, dat hij zo graag en zo dikwijls liet zingen:

Niets is hier blijvend, niets is hier blijvend, alles, hoe schoon ook, zal eenmaal vergaan; maar wat gedaan werd uit liefde tot Jezus -dat houdt zijn waarde en zal blijven bestaan.


Vlissingen, Najaar '83

W. de Weerd, emer. pred.






© 2006-2009 www.mijn-eigen-website.nl