In en om Assen





Molukkers onder anderen. Lesmateriaal voor scholieren


Bronvermelding:
'Molukkers onder anderen'. Auteur Ruud Spruit. Uitgegeven onder auspiciën van ministerie van cultuur, recreatie en maatschappelijk werk; 1982. ISBN 90 238 1443 6. Video afkomstig van vijfeeuwenmigratie.nl


Molukse KNIL-militairen, ingezet in de Atjeh oorlog (foto TLV)


Inleiding door Ruud Spruit


Molukkers vertellen; Nederlanders schrijven op

Molukkers vertellen. Eeuwenoude verhalen, gebruiken, gewoonten en waarden worden mondeling doorgegeven. Grootouders vertellen aan hun kleinkinderen en nemen daarmee een wezenlijk deel van de opvoeding voor hun rekening. Bij feestelijke en plechtige gebeurtenissen, staan vooral de ouderen spontaan op en vertellen rechtstreeks vanuit hun hart datgene, waarvan zij vinden dat het gezegd moet worden. Zo is de Molukse cultuur eeuwenlang van generatie op generatie doorgegeven.

Nederlanders schrijven op. Het verleden van Nederland ligt opgeslagen in boeken, prenten, reglementen, brieven, notulen, aantekeningen. In de Nederlandse geschiedenisboekjes vinden we een neerslag van die enorme stapel papier. Het is de geschiedenis gezien vanuit Nederland of, tegenwoordig wat ruimer genomen, vanuit Europa. Ook over de relatie met de vroegere overzeese gebiedsdelen is veel opgeschreven; door ambtenaren, militairen en zendelingen. Dit gebeurde uit winstbejag, belangstelling, nieuwsgierigheid of pure verveling. Van wat men zag of hoorde, werd vaak niet veel begrepen. Weinig Europeanen hadden daar trouwens behoefte aan.

Sinds dertig jaar worden Molukse kinderen in Nederland opgeleid binnen het Nederlands onderwijs (Noot: het boekje is geschreven in 1982.) . Het is dan ook opmerkelijk en bewonderenswaardig dat de Molukkers in Nederland hun taal, gewoonten en gebruiken hebben weten te bewaren en door te geven. Juist bij de jongeren bestaat zelfs een toenemende belangstelling voor de eigen Molukse cultuur. Binnen het onderwijs in Nederland komt langzamerhand ruimte voor andere culturen. Aarzelend stapt men af van het superieur stellen van de westerse cultuur.

Dit boekje toont slechts fragmenten van de rijk geschakeerde Molukse cultuur.(Noot: en deze pagina slechts enkel onderdelen van het boekje) Veel, nauwelijks bewerkt, materiaal ligt te wachten bij de Molukkers thuis, in musea, archieven of bibliotheken. Materiaal, dat het best door Molukkers zelf kan worden gehanteerd. Wie anders dan een Molukker kan immers op juiste wijze begrippen als adat, pela, masohi en muhabbat interpreteren? Wie kan beter dan een Molukker duidelijk maken wat de betekenis is van een Pattimura of een kapitein Jonker?

Dit boekje is tot stand gekomen dank zij de voortdurende en enthousiaste medewerking van vele Molukkers. Het is in eerste instantie bestemd voor Molukse kinderen. Het is echter ook bestemd voor Nederlandse kinderen. Lang genoeg hebben Molukse leerlingen zich op Nederlandse scholen moeten verdiepen in de Nederlandse cultuur. Het wordt hoog tijd dat Nederlandse kinderen kennis maken met de Molukse cultuur. Zij kunnen daar veel van leren.


Boten liggen klaar voor een grote roeiwedstrijd voor de kust van Ambon (foto 1924 KIT)


In de tangsi

Veel Molukkers in Nederland bewaren herinneringen aan de KNIL-tijd in Indonesië en het leven in de kazernes, zoals dat was vóór en enkele jaren na de Tweede Wereldoorlog. De Molukse militairen hadden weinig contact met andere Indonesiërs. Zij woonden met hun gezin in de tangsi (kazerne). Het leven in de tangsi was niet gemakkelijk. Veel gezinnen woonden bij elkaar in een grote loods, met kleine kamertjes waar net voldoende ruimte was voor een plankenbed. Als je op het bed ging staan, kon je over het tussenschot bij de buren naar binnen gluren. De kleinste kinderen sliepen bij vader en moeder in bed. De groteren sliepen op een bultzak in de ruimte onder het bed. Die ruimte heette de kolong. Indonesische kinderen scholden de KNIL-kinderen uit voor kolongkinderen.

De kolongkinderen waren juist trots op die naam. Hun vaders waren immers dapper. Ze werden te hulp geroepen bij rellen en opstanden en kwamen terug met opwindende verhalen, 's Avonds spraken de grote mensen met elkaar over hun avonturen, terwijl de kinderen doodstil lagen te luisteren in de kolong. In de tangsi leefde je dicht bij elkaar. Je hoorde elkaar en je wist alles van elkaar. Je trok met elkaar op, hielp elkaar, maar er waren ook felle ruzies. De dag begon 's morgens om een uur of zes. Er werd op de trompet geblazen en dan gingen de gezinnen naar de wasruimten. De mannen apart. De vrouwen en kleine kinderen in de vrouwenloods. Daarna liepen de kinderen in een lange rij naar school. De vrouwen gingen naar de pasar (markt) om inkopen te doen.

Iedere vrouw had in de vrouwenloods een eigen werkruimte met een houtskoolkomfoortje. Om twaalf uur keerden de mannen van hun dienst terug. De kinderen kwamen uit school en de vrouwen sjouwden ketels rijst naar de kamertjes om te eten. Na het eten werd er gerust en om drie uur moest iedereen weer uit de kamers tot vijf uur. De kinderen speelden en ravotten in de buurt, spartelden in de rivier. Ze deden allerlei spelletjes, zoals vliegerwedstrijden, waarbij het de bedoeling was eikaars vliegertouw door te snijden. Het vliegertouw was ingesmeerd met lijm en daarna door gestampt glas gehaald. Als het touw was doorgesneden begon een wilde jacht op de losgeslagen vlieger. De kinderen vertelden elkaar de verhalen die ze van ouderen hadden gehoord, over wonderlijke gebeurtenissen, vreemde ziekten en geesten die woonden in grote bomen en watervallen.

Een overplaatsing was een grote gebeurtenis in het leven van een tangsikind. Als vader werd overgeplaatst naar een andere tangsi, dan verhuisde het hele gezin mee naar een nieuwe omgeving met andere mensen. Al gauw ging alles weer zijn gewone gang, want het leven in de tangsi was overal gelijk. Wanneer de jongens groot genoeg waren, gingen ze ook vaak in het leger net als hun vaders. De wens van iedere KNIL-militair was, dat hij zelf of één van zijn zoons het tot sergeant zou brengen. Dan mocht je met je gezin in een apart huisje wonen. Voor een Molukker was het echter heel moeilijk om het zover te brengen, want dan moest je een goede schoolopleiding hebben en de Nederlandse taal goed beheersen.


De Japanse militaire politie, de Kenpeitai, had grote ervaring in het uitschakelen van tegenstanders en waren actief in de periode 1942 - 1945. De officieren van dit in 1881 opgerichte elite-corps waren bijna allemaal afkomstig uit voormalige samoerai-families. Op de foto: Kenpeitai-officieren.


Naar Nederland

Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd Indonesië door de Japanners bezet. De meeste Nederlanders in Indonesië, maar ook militairen in Nederlandse dienst, werden opgepakt en in kampen gezet. Vooral de Molukkers van het KNIL werden door de Japanners slecht behandeld. Veel Indonesiërs waren in het begin blij met de komst van de Japanners. Nu de Nederlanders waren verdreven, dachten ze, dat Indonesië vrij en zelfstandig zou worden. Maar dat viel tegen, want ook de Japanners gebruikten Indonesië om er zelf beter van te worden. De Nederlandse regering en de koninklijke familie waren aan het begin van de oorlog naar Londen gevlucht. Koningin Wilhelmina zei in december 1942 voor de radio, dat na de oorlog zou worden gesproken over de zelfstandigheid van Indonesië.

Nadat Duitsland en Japan waren verslagen werd op Java de republiek Indonesia uitgeroepen door Sukarno. Maar dat ging Nederland veel te snel. Men gaf de voorkeur aan een bond van Indonesische staten, die nauw zou samenwerken met Nederland: de Verenigde Staten van Indonesië. Veel Indonesiërs wilden echter helemaal zelfstandig zijn. Toen stuurde Nederland soldaten naar Indonesië om met geweld de macht te heroveren. De Nederlandse soldaten vochten samen met de KNIL-militairen tegen de Indonesiërs, die een zelfstandige republiek wilden. Er vielen vele doden. De hele wereld was verontwaardigd. Men begreep niet, waarom het kleine Nederland nog langer de baas moest zijn over het grote Indonesië.

Amerika dreigde zelfs alle hulp aan Nederland stop te zetten. Voor Nederland zat er niets anders op dan Indonesië zelfstandig te laten worden. In 1949 werd Indonesië een republiek. De republiek bestond uit zestien deelstaten. Het was een soort verbond, waarbij de staten zouden samenwerken zonder hun zelfstandigheid te verliezen. Het KNIL zou worden opgeheven. De militairen konden kiezen: militair worden in het Indonesische leger, of uit het leger worden ontslagen en gaan wonen op een plaats naar keuze. Veel militairen besloten toen dienst te nemen in het Indonesische leger. Ondertussen ging het heel anders met de republiek dan was afgesproken. De deelstaat op Midden-Java onder leiding van Sukarno wilde regeren over heel Indonesië.

De deelstaten die zich daartegen verzetten, werden met geweld overmeesterd. Ook de deelstaat waartoe de Zuid-Molukken behoorden wilde zelfstandig blijven. Toen de vrijheid van de Zuid-Molukken gevaar liep, werd op 25 april 1950 een zelfstandige republiek uitgeroepen. De Republik Maluku Selatan (R.M.S.), dat betekent de Republiek der Zuid-Molukken. Sukarno stuurde militairen naar de Zuid-Molukken. Er werd hevig gevochten. De stad Ambon werd bijna helemaal verwoest. Ook op Buru, Ceram, Tanimbar, Kei en andere eilanden verdedigde men zich dapper. De Molukkers die nog in het KNIL waren en op Java woonden volgden met spanning de gebeurtenissen op de Molukken.

Het was voor hen natuurlijk niet langer mogelijk dienst te nemen in het Indonesische leger. Ze wilden naar de Zuid-Molukken om mee te vechten voor de vrijheid van hun land. Nederland weigerde hen te laten gaan. De vierduizend Molukkers van het KNIL werden daarop ingelijfd bij de Koninklijke Nederlandse Landmacht. Twee dagen later werd het KNIL opgeheven. Dat betekende, dat een stukje van het Nederlandse leger, bestaande uit vierduizend Molukkers, zich in de republiek Indonesië bevond. Dat kon natuurlijk niet. De Nederlandse regering besloot de Molukse militairen op dienstbevel uit het leger te ontslaan en ze achter te laten op Java, of te laten brengen naar dat deel van de Molukken, dat ondertussen door Indonesische militairen was bezet.

Maar de rechter verbood de Nederlandse regering de Molukkers in de steek te laten. De Nederlandse regering besloot toen de Molukse militairen tijdelijk naar Nederland te halen, tot er een oplossing voor de problemen was gevonden. In maart, april en mei van het jaar 1951 werd aan de vierduizend militairen met hun gezinnen bevel gegeven aan boord van schepen te gaan. Onderweg werden ze ontslagen uit het leger. De diep teleurgestelde militairen en hun gezinnen, bij elkaar 12500 mensen, werden in Nederland in kampen ondergebracht. De meeste Nederlanders wisten niet wat er was gebeurd. Ze dachten, dat de Molukkers uit Indonesië waren gevlucht, ledereen was ervan overtuigd, dat het verblijf van de Molukkers in Nederland slechts kort zou duren. Na hevige gevechten werden de Molukken tenslotte door het leger van Sukarno veroverd. Vanuit de oerwouden van Ceram bleven groepen Molukkers zich verzetten tegen de soldaten van het Indonesische leger.


Gijzeling school Bovensmilde


Een historische vergissing

Zowel de Indonesische als de Nederlandse regering vergisten zich volkomen in het geduld en de vastberadenheid van de Molukkers. Op de Molukken, vooral op Ceram, werd doorgevochten voor de vrijheid. Ook de Molukkers in Nederland konden hun land niet vergeten. Zij waren ondergebracht in oude kloosters, kazernes en kampen. De twee grootste kampen waren Lunetten bij Vught en Schattenberg bij Westerbork. In de kampen werd zoveel mogelijk geleefd als in de legerplaatsen op Java. De meeste mannen liepen in hun uniform en deelden de dag in zoals dat in kazernes gebeurt. De regering stelde een dienst in, die zich met de Molukkers (Ambonnezen, zoals men toen zei) moest bezig houden.

De dienst heette Commissariaat van Ambonnezenzorg (CAZ). Het CAZ zorgde voor voedsel en kleding en gaf de gezinshoofden drie gulden zakgeld per week. Hierdoor kreeg het CAZ veel macht. Maar de Molukkers kozen kampraden om voor hun problemen op te komen. De minister van onderwijs vond, dat de Molukse kinderen naar school moesten. Het leek hem het beste dat ze les zouden krijgen op de Indonesische manier. Ze zouden immers spoedig teruggaan naar een gebied, dat door de Indonesische regering in bezit was genomen. Dat wilden de Molukse ouders natuurlijk niet. Dan liever onderwijs op Nederlandse scholen. Thuis konden de kinderen dan Maleis leren, zoals dat op de Molukken werd gesproken.

De ouders zelf vertelden hun kinderen over de Molukse geschiedenis en gewoonten, zoals dat altijd was gegaan. Na een paar jaar werd duidelijk, dat het wel eens lang kon gaan duren, voordat de Molukkers zouden teruggaan. De Nederlandse regering zat met de handen in het haar. De regering durfde niet voor de Molukkers op te komen, want dan zou de Indonesische regering woedend worden en men wilde niet opnieuw ruzie. De Kerk durfde de Molukkers niet openlijk te helpen, uit angst dat de zendelingen in Indonesië zouden worden tegengewerkt. De vakbonden waren ertegen, dat Molukkers werk gingen zoeken om hun gezin te kunnen verzorgen. Daardoor zouden immers banen van Nederlanders in beslag worden genomen.

Voor de Molukkers brak een heel moeilijke tijd aan, maar ze gaven de moed niet op. De Indonesische en de Nederlandse regering probeerden ondertussen Molukkers over te halen naar Indonesië terug te gaan. Weinig Molukkers gingen op dat aanbod in. Tenslotte probeerde de Nederlandse regering de Molukkers onder de Nederlandse bevolking te verspreiden. Men hoopte, dat de jongeren hun taal en gewoonten zouden vergeten. Het werd de Molukse leider ir Manusama verboden zijn mensen toe te spreken. Andere leiders mochten kampen niet meer bezoeken. De regering vergiste zich echter volkomen in het Molukse volk. Zo lang al woonden Molukkers verspreid over heel Indonesië. Maar altijd was men trouw gebleven aan elkaar, de eigen taal en gewoonten.

Er kwam fel verzet tegen de regeringsmaatregelen. Tenslotte gaf de regering haar plannen voorlopig op. De Molukse leiders kregen weer de vrijheid in het openbaar te spreken. Ze maakten van de gelegenheid gebruik om in de hele wereld aandacht voor hun problemen te vragen. Op allerlei plaatsen in Nederland werden woonwijken gebouwd, waar Molukkers bij elkaar konden wonen. Inmiddels was het Molukse volk in Nederland gegroeid. Bij de Molukkers zelf was de jarenlange strijd oorzaak van verschillen in opvatting. Hierdoor ontstonden allerlei groepen en partijen. Veel jongeren hadden niet het geduld van hun ouders. Zij vonden dat de toekomst steeds uitzichtslozer werd.

Ondertussen begon de Indonesische regering de macht op de Molukken, na jarenlange strijd, in handen te krijgen. De president van de R.M.S., mr dr Soumokil, werd in 1963 gevangen genomen en ter dood veroordeeld. Hij werd in 1966 gedood. Ir Manusama volgde hem op als president van de R.M.S. in ballingschap. De onrust onder de Molukkers werd steeds groter. In april 1970, toen de R.M.S. twintig jaar bestond, trokken nog meer Molukkers dan anders, vooral jongeren, naar Den Haag voor een demonstratie. Toen kort daarop de Indonesische president Suharto werd uitgenodigd voor een staatsbezoek aan Nederland, barstte de bom. Op 31 augustus 1970 bestormden 33 Zuidmolukse jongeren de Indonesische ambassade.

Bij de aanval kwam een agent die op wacht stond, om het leven. De Indonesische ambassadeur sprong in zijn pyjama uit het raam en ontsnapte. Alle andere mensen in de ambassade werden gegijzeld. Tegen de avond werd de gijzeling beëindigd. Het staatsbezoek van Suharto werd bekort tot een bezoek van slechts twee dagen. De bezetters werden naar de gevangenis in Scheveningen gebracht. Molukkers uit het hele land kwamen voor de gevangenis bijeen om de gevangen Molukkers een hart onder de riem te steken. In Nederland en over de hele wereld was er nu aandacht voor het Molukse probleem. Toch veranderde er slechts weinig. Er volgden nieuwe gijzelingen. Op 2 december 1975 werden de passagiers van een trein bij Wijster gegijzeld.

De machinist en twee passagiers kwamen om het leven. Twee dagen later werd het Indonesische consulaat in Amsterdam bezet. In mei 1977 werd bij de Punt in Drenthe wederom een trein stopgezet, ruim vijftig passagiers werden gegijzeld. Vrijwel tegelijkertijd werd een lagere school in Bovensmilde overvallen. Deze gijzelingen zouden met geweld worden beëindigd. Zaterdag 11 juni in de vroege morgen werden trein en school door mariniers bestormd. Bij de school vielen geen doden. Maar de trein werd doorzeefd met kogels. Acht mensen kwamen om het leven. Nederlanders en Molukkers waren hevig ontzet door deze gebeurtenissen. Hoewel veel Nederlanders plotseling beseften hoe onrechtvaardig de Molukkers nu al zoveel jaren waren behandeld, wist niemand een oplossing.


Inwoners van het dorp Ohoideer


Molukkers in de Molukken

Molukkers in Nederland voelen zich sterk verbonden met hun vaderland. Zij brengen zo nu en dan een bezoek aan de eilanden waar ze vandaan komen; om familie te bezoeken, problemen te bespreken en natuurlijk om het land van hun voorouders terug te zien. Het leven op de Molukken is totaal anders dan in Nederland. Het is er warm. De natuur is prachtig. Vaak zijn er brede stranden en is het zeewater glashelder. Op de belangrijkste eilanden zijn smalle asfaltwegen vol kuilen en gaten. Over rivieren en ravijnen liggen houten bruggen. Er is weinig verkeer. Soms rijden er eenvoudige busjes op onregelmatige tijden. In Kota Ambon (de stad Ambon) is het veel drukker. Tussen de auto's en vrachtwagens krioelt het van de fietsen en becaks (fietstaxi's).

Voetgangers lopen ertussendoor met allerlei vrachtjes, op het hoofd of met een pikol, dat zijn twee mandjes aan een juk dat op één schouder wordt gedragen. De belangrijkste gebouwen in een negeri (dorp) zijn de baileo en de kerk of moskee. De baileo is het best te vergelijken met een raadhuis. Het gebouw is gemaakt volgens de regels van de adat. Het is gebouwd op palen, met verhogingen in het midden en een dak van atap (sagupalmbladeren). De hele bevolking zorgt ervoor, dat de baileo goed wordt onderhouden. De radja of de kepala negeri is het hoofd van het dorp. Samen met de familiehoofden regelt hij alle dagelijkse dingen. De dorpsraad komt bijeen om beslissingen te nemen en wetten te maken.

Behalve de radja en de familiehoofden zijn er dan de tuan tanah (de heer die de verdeling van de grond regelt) en nog een paar belangrijke personen. Het kan gebeuren, dat er zulke gewichtige zaken aan de orde zijn, dat alle mannen van het dorp die ouder zijn dan 18 jaar, de vergadering bijwonen. Volgens de adat gaan de meeste functies in de raad over van vader op zoon. Tegenwoordig wordt geprobeerd ook gekozen leden aan de raad toe te voegen. De kerk of moskee is het tweede belangrijke gebouw. Hieraan wordt al evenveel zorg besteed als aan de baileo. De meeste Molukkers gaan trouw naar de kerk of de moskee. In de kerk worden de oude liederen gezongen. Altijd zijn er verschillende koren en wordt er muziek gemaakt.

Tijdens de kerkdienst is het stil op straat. Het verkeer mag dan geen toeters of bellen gebruiken. In de Molukken komen steeds meer islamieten of moslims. De islamitische feesten en plechtigheden worden er trouw gevierd. Als de lebaran wordt gevierd bijvoorbeeld, dat is het feest aan het eind van de ramadan (vastenmaand), dan gaan Molukkers uit heel Indonesië naar huis. Men koopt nieuwe kleren, er wordt lekker gegeten, gezongen en gedanst. Vaak wordt er vuurwerk afgestoken. De gewone huizen op de Molukken zijn vaak nog op de oude manier gemaakt, met muurtjes van gaba-gaba (hout van de palmboom), een dak van bladeren van de sagupalm en wanden en plafonds van de sagupalmtakken.


Sportdag in het Molukse woonoord Schattenberg in de jaren '50



Een Molukker hoort bij zijn rumah tangga

Langzamerhand wordt er steeds meer modern materiaal gebruikt, zoals cement voor de vloeren, tegels langs de wanden en glas in de ramen in plaats van de bambuluikjes. Wie het kan betalen, laat elektriciteit aanleggen. Maar de meeste mensen hebben een soort olielampen die een suizend geluid maken en een helder licht uitstralen. Moderne apparaten, zoals wasmachines, stofzuigers en gasfornuizen ontbreken bijna altijd. Wel komen er steeds meer radio's, cassetterecorders en t.v.-toestellen. Meestal is er ook geen douche of toilet. In plaats daarvan gebruiken de mensen de kali (rivier), een put, of een openbare kraan langs de weg. Er is veel werk te doen. De vrouwen gaan naar de pasar (markt), werken op het land, koken en doen de was in de kali.

De mannen helpen op het land, gaan op visvangst, of werken op kantoor of in een fabriek. Het voedsel is eenvoudig, 's Middags wordt rijst of sagu gegeten, met groenten en vis. De rest wordt 's avonds opgegeten en er wordt ook nog iets bewaard voor het ontbijt van de volgende dag. Iedere Molukker probeert een dusun (stukje grond, dat familiebezit is) te bewerken. Daarop worden aardappelen, cassaves, groenten en fruit verbouwd. Een paar vrucht- of kruidnagelbomen zorgen voor de schaduw en houden met hun wortels de vruchtbare grond vast. Als er geen schaduw is, groeit de dusun vol met alang-alang (kusu-kusu, zegt men op Am¬bon), een scherpe grassoort die alles overwoekert.

Sommige grond is bezit van het dorp, andere stukken behoren aan een familie of zijn iemands persoonlijk eigendom. Vaak zijn de grenzen tussen de stukken grond niet duidelijk aangegeven en dat geeft grote problemen. Vooral als er gebrek is aan tuinen, zoals op Ambon. In dunbevolkte streken, zoals op Ceram, wordt de grond soms nog op de oude manier bewerkt. Een stuk bos wordt platgebrand en tot akkertje gemaakt. De dunne laag aarde is snel uitgeput en raakt na een paar jaar weer overwoekerd door onkruid. Ondertussen dreigt het gevaar, dat hevige regen de aarde van zo'n kaal stuk grond helemaal wegspoelt, zodat een onvruchtbaar, woest land achterblijft. Met de vroeger zo visrijke zeeën in de Molukken gaat het ook slecht.

Met hun motorboten halen de vissers enorme hoeveelheden vis uit de zee. Japanse vissers hebben van de Indonesische regering toestemming in de Molukken te vissen. Ze hebben vaak varende visfabrleken, waar de vis direct wordt verwerkt. Net als in Europa dreigt het gevaar dat de zeeën op den duur worden leeggevist. Dat zou een ramp betekenen voor de Molukkers, voor wie vis zo'n belangrijk en goedkoop onderdeel van het dagelijks voedsel betekent. Het bestaan op de Molukken is niet gemakkelijk. Zeker niet in de ogen van een Europeaan. Maar de Molukkers helpen elkaar. Een Molukker hoort bij zijn rumah tangga, dat is zijn gezin en de andere familieleden die inwonen.

Dan is er de mata rumah die bestaat uit alle broers met hun gezinnen en de zonen van die broers met hun gezinnen. Vrouwen horen na hun huwelijk namelijk bij de mata rumah van hun man. De leden van de mata rumah wonen meestal dicht bij elkaar en voelen zich sterk met elkaar verbonden. Tenslotte kan een Molukker altijd nog een beroep doen op zijn overige familieleden. Dat geldt ook wanneer die familieleden op andere eilanden of in Nederland wonen. Op de Molukken wordt iemand uit Nederland beschouwd als een rijke Europeaan. Van het geld waarvoor men in Nederland één brood koopt, kan iemand op de Molukken een of twee dagen leven. Ziekenhuizen en scholen zijn er te weinig.

Veel jonge mensen moeten naar een ander eiland als ze naar een school voor voortgezet onderwijs willen. Ernstige zieken moeten naar een ziekenhuis op Ambon worden gebracht. Dokters en tandartsen moeten door de patiënten zelf worden betaald. Mensen zonder werk krijgen geen uitkeringen. Veel Molukkers maken zich zorgen over zulke toestanden. Er worden plannen gemaakt om het leven op de Molukken te verbeteren. Allerlei projecten worden opgezet om de landbouw en de industrie te verbeteren. Er komen coöperaties, dat zijn een soort verenigingen waarbij men samen materialen en produkten koopt of verkoopt, zodat men niet afhankelijk is van handelaars.






© 2006-2009 www.mijn-eigen-website.nl