In en om Assen





Het eerste rode licht in Assen


Bronvermelding:
Asser Historisch Tijdschrift; nummer 1 / maart 1992. Een artikel van H. M. Luning


Van het Asser bordeel of de 'meisjes van plezier' zelf zijn geen foto's bekend, maar deze daguerreo-type uit circa 1850 (!) zal de sfeer uit die tijd aardig weergeven. Gezien de fraaie omlijsting was de eigenaar er nogal verguld mee. Foto's van naakten, in meer of minder pikante houdingen en al of niet kunstzinnig bedoeld, zijn al zo oud als de fotografie zelf (Bron: B. Bernard, Photodiscovery. Masterworks of Photography 1840-1940 (New York, 1980) afb. 42; collectie Roger Thérond, Parijs)


Een bordeel in Assen

Op de Nieuwe Huizen en in de Rolderstraat speelden zich rond 1860 duistere zaken af, waar niemand openlijk over sprak. Zelfs in de gemeenteraad gaven de leden er de voorkeur aan niet over deze 'poel der zonde' te spreken. Wat was het geval? Jacob Abraham van Kleef en zijn vrouw Zwaantje Wiltjer waren op de Nieuwe Huizen een bordeel begonnen. Voor alle zekerheid hadden ze zich trouwens maar als koopman en koopvrouw laten inschrijven. Vrij spoedig werd hun zaak verplaatst naar de Rolderstraat. Voordien kwam heimelijke prostitutie wel voor, maar een bordeel was voor Assen toch nieuw. Assen was halverwege de negentiende eeuw uitgegroeid tot een aanzienlijke plaats met 5000 inwoners. Vanaf 1842 was er een detachement militairen gestationeerd.

Nadat de gemeente eerst een gebouw had gehuurd voor deze soldaten, werden ze in 1853 ondergebracht in het ontruimde gemeentehuis aan de Groningerstraat. Intussen was het detachement uitgebreid tot een compagnie infanterie. Eén en ander bracht niet alleen meer leven in de brouwerij, ook de zonde sloop binnen. Er verscheen zelfs een ingezonden stuk in de krant waarin ie mand verzuchtte: "alle zondagavonden worden de bewoners van de Groninger straat op het gezang van beschonkenei woestaards onthaald". Uitbreiding vat het politiekorps met één à twee man zou volgens de inzender wenselijk zijn. Het is duidelijk dat het uitgaansleven zich concentreerde in de buurt van de; Groningerstraat.

Minder duidelijk is het ontstaan van openlijke prostitutie in Assen alleen te maken had met de komst van het garnizoen. Ook een enkele volksvertegenwoordiger zou zich verlopen kunnen hebben in de nog altijd spaarzaam verlichte straten. En of alle Asser huisvaders zich braaf gedroegen is eveneens de vraag. Naar mag worden aangenomen waren B. en W. wel op de hoogte met wat zich in Assen afspeelde, maar ze lieten het op zijn beloop. Doch de garnizoens-commandant zat met een aantal zieke soldaten en hij bracht het balletje aan het rollen. Via de minister van Oorlog, de minister van Binnenlandse Zaken en Gedeputeerde Staten van Drenthe viel bij B. en W. een brief in de bus.


Syfilis kon je in Assen niet oplopen!

De minister wees erop dat een groot aantal militairen in Nederland aan geslachtsziekten leed. Volgens statistische gegevens waren het er landelijk 2665 per jaar. Daarin vermindering aan te brengen was niet alleen in het belang van het leger, maar evenzeer in dat der burgers. Daarom stuurde hij meteen als voorbeeld een exemplaar van de verordening op de publieke vrouwen en bordelen van Den Haag met het verzoek ook in Assen een dergelijke regeling te treffen. Over het beweerde voorkomen van syfilis in Assen schreven B. en W. aan de geneeskundig inspecteur voor Drenthe en Overijssel, die zich er ook mee bemoeide: "dat de gemeentelijk geneesheer, die mede belast is met de geneeskundige behandeling der militairen is gehoord.

Deze verklaarde gedurende het laatste jaar geen geval van syphilis bij een soldaat te hebben opgemerkt waarvan de besmetting hier was ontstaan. Dat de enkele gevallen bij militairen waargenomen allen worden opgemerkt bij hen die of hier voor 't eerst in garnizoen of van verlof terug kwamen". Anders gezegd: het komt wel voor, maar in Assen kun je het niet oplopen! Met dit antwoord nam de minister geen genoegen. Uit officiële cijfers was hem gebleken dat van 1855-1859 51 militairen die hun garnizoen in Assen niet hadden verlaten aan syfilis hadden geleden. Dat bewees volgens hem de onjuistheid van de bewering dat op dit ogenblik geen vrouw in Assen aan de ziekte zou lijden. De minister verzocht B. en W. daarom alsnog een verordening te maken en het toezicht te regelen.

Noodgedwongen kwamen B. en W. vervolgens met een ontwerpverordening die het toezicht op de publieke vrouwen en de openlijke huizen van ontucht regelde. Tijdens de behandeling in de Raad wenste geen der raadsleden er het woord over te voeren. Nadat alle artikelen waren voorgelezen werd slechts stemming verzocht. Met acht tegen drie stemmen werd de verordening vastgesteld. De officiële afkondiging vond als gewoonlijk plaats in de Drentsche en Asser Courant. In tegenstelling tot andere verordeningen die altijd integraal werden opgenomen, was het nu slechts een korte aankondiging. Het gemeentebestuur ging zeer discreet te werk! De neiging om in Assen geen verordening te willen maken is niet uniek.


Men hoopte dat de geheime prostitutie vanzelf zou verdwijnen door gebrek aan klandizie

In Amsterdam ontstond hierover verschil van mening tussen de burgemeester en het hoofd van de politie. De eerste wilde geen toezicht, de tweede was voorstander van de op Franse leest geschoeide reglementering. Het gemeentebestuur wees overheidstoezicht af en motiveerde dit door te stellen dat regelgeving juist een verdere aanmoediging van de prostitutie teweeg zou brengen. Ook in andere plaatsen was men van oordeel dat het voor de goede zeden eerder nadelig zou zijn. Met name in Zwolle vreesde men dat het op de denkbeelden der jeugd een schadelijke werking zou hebben wanneer de bordelen op publiek gezag zouden worden toegestaan. Het motief van de regering voor de regelgeving was dat het de enige manier zou zijn om geslachtsziekten tegen te gaan.

Men wilde het noodzakelijke kwaad zo veel mogelijk onder toezicht brengen en hoopte dat de geheime prostitutie dan vanzelf zou verdwijnen door gebrek aan klandizie. De doelmatigheid werd echter in twijfel getrokken en niemand durfde openlijk de andere verbreider van geslachtsziekten aan te wijzen, met name de prostituant. Men richtte zich alleen op vrouwen. Belangrijk was dat publieke vrouwen volgens de verordening voortaan ook in Assen genoodzaakt waren zich te laten inschrijven in een daartoe bestemd register. De aangifte diende door henzelf te geschieden of ambtshalve door de burgemeester. Na inschrijving ontving de vrouw een boekje met persoonlijke gegevens en keuringsresultaten van de gemeentelijke geneesheer.

Het was verplicht het boekje te tonen aan de bordeelhouder en aan de klant als die er om vroeg. Gemeentelijk geneesheer J.A. van der Scheer, die in 1859 zijn vader als zodanig was opgevolgd, verrichtte het wekelijkse onderzoek kosteloos. Volgens de verordening was elk verblijf waar gelegenheid werd gegeven tot ontuchtige bijeenkomsten in een huis van ontucht. Niemand mocht zo'n huis oprichten of houden zonder schriftelijke vergunning van de burgemeester. Artikel 21 van de verordening refereerde duidelijk aan de militairen. Wanneer de militaire autoriteit een vrouw als syfilistisch had aangeduid en de gewone geneesheer vond dit niet juist, moest dit onmiddellijk ter kennis worden gebracht van de garnizoenscommandant.


‘Two prostitutes’ by Cellar-fcp. Drawing for the illustration book "Erotica".


Anna werd op sadistische wijze mishandeld

Opmerkelijk is dat de Asser verordening niets zegt over de ramen van een huis van ontucht, die aan de straatzijde meestal voorzien moesten zijn van ondoorzichtige gordijnen die nimmer opengeschoven mochten worden. In vrijwel elke plaatselijke verordening kwam dit voor. Hoewel een groot aantal vrouwen voor langere of kortere tijd in het Asser bordeel werkte, vielen de inkomsten voor het echtpaar Van Kleef toch tegen. De dames droegen de helft van hun inkomsten af aan vrouw Van Kleef die de dagelijkse leiding had. Daarnaast stimuleerden zij de bezoekers het drankgebruik in de tapperij te verhogen. Al met al leverde het de familie Van Kleef een bescheiden boterham op. In 1867 dreigde sluiting van het bordeel omdat het patent voor de uitoefening van het cafébedrijf niet was betaald.

Zelf verklaarde Van Kleef dat hij zich had aangegeven voor het patentrecht, niaar het bewijs daartoe kon hij niet leveren. Na betaling van een boete was de zaak gered. Lange tijd was het rustig rondom het bordeel, tot in 1869 een waar tumult losbrak. De vrouwen waren juist teruggekeerd van de keuring op het gemeentehuis. Anna Bleker was echter afgekeurd door dokter Van der Scheer er gaf te kennen meteen te willen vertrekken. Vrouw Van Kleef stelde haar man daarvan onmiddellijk in kennis. Deze riep Anna bij zich en mishandelde haar op een wel zeer sadistische wijze. De andere vrouwen kwamen op het rumoer af, maar konden niet veel uitrichten. Anna werd door hen op een bed gelegd en behandeld, waarbij vrouw Van Kleef de zalf verstrekte.

Voor de rechter verklaarde Van Kleef later beschonken te zijn geweest. Maar de vrouwen die tegen hem getuigden verklaarden dat hij niet meer als gewoonlijk had gedronken. Van Kleef werd veroordeeld tot achttien maanden gevangenisstraf en f 100.- boete. Zowel de beklaagde als de officier van justitie gingen in hoger beroep. De officier was van mening dat de valse en wreedaardige wijze waarop het misdrijf was gepleegd een zware straf rechtvaardigde. Bovendien wilde hij voorbedachte rade ten laste leggen en dat betekende dat Van Kleef een straf van vijf jaar boven het hoofd hing. In een volgende behandeling van de zaak voor het Provinciaal Gerechtshof deed Van Kleef eerst een poging uitstel te krijgen.


Vergrijp tegen de zeden

De termijn hiervoor was echter verstreken. Vervolgens verzocht hij de advocaat Ronkel uit Groningen toe te laten. Ook dit ging niet door omdat deze geen stukken kon overleggen, waaruit zijn kwalificatie kon blijken. Daarop verklaarde Van Kleef dat alles zich anders had toegedragen dan in de stukken stond en ontkende hij alles. Hij verklaarde zelfs geweten te hebben dat Anna een geslachtsziekte had en dat hij, omdat zij hier ter stede op de baan liep, de politie had gewaarschuwd, die vervolgens haar verwijdering had gevorderd. Van Kleef verzocht vrijspraak, omdat hij niets had gedaan. Het mocht echter niet baten. Hij werd veroordeeld tot twee jaar gevangenisstraf. Op 21 maart 1870 werd hij overgebracht van het gevang in Assen naar de strafgevangenis in Hoorn om daar zijn straf verder uit te zitten.

Vrijwel gelijktijdig met Van Kleef en zijn broer Marcus van Kleef, die korporaal bij de Grenadiers en Jagers was, moesten zijn vrouw Zwaantje Wiltjer en zijn broer Marcus van Kleef, voor de rechtbank verschijnen. Hen werd feitelijk vergrijp tegen de zeden door de onzedelijkheid te bevorderen van een meisje beneden de 21 jaar ten laste gelegd. Vrouw Van Kleef had de twintigjarige Ebbelina Beukema in het bordeel opgenomen en haar zwager zou daarbij de helpende hand hebben geboden. Op zekere dag was vrouw Van Kleef naar Groningen gereisd om een meisje voor het bordeel te zoeken. Met een andere bordeelhoudster en een publieke vrouw verscheen zij in de kroeg van Johannes Avontuur en vroeg naar Ebbelina. Maar Ebbelina bevond zich in het bordeel van een zekere vrouw Bakker aan de Wal.

Daarop werd de zoon erop uitgestuurd om haar te halen, want vrouw Van Kleef wilde het meisje wel eerst zien. Ebbelina was echter niet genegen om te komen en vrouw Van Kleef vertrok onverrichterzake weer naar Assen. Later verscheen Ebbelina toch en trof in de 'Avontuurlijke' gelagkamer Marcus van Kleef, die spoedig een gesprek met haar begon en vervolgens een deel van de nacht met haar doorbracht. Daarna gingen ze op zijn voorstel op weg naar Assen. Marcus had haar voorgespiegeld dat zij daar veel geld kon verdienen. In Assen aangekomen had Ebbelina op aanraden van vrouw Van Kleef een boekje gehaald bij de burgemeester. Vervolgens bleef ze in het bordeel tot de politie haar daar weg haalde.


Over het algemeen kwamen de vrouwen via Groningen naar Assen

Aan vrouw Van Kleef en aan de burgemeester had Ebbelina opgegeven 21 jaar oud te zijn. In de korte spanne tijds van acht dagen dat ze in Assen was, had ze slechts drie keer ontucht gepleegd en verder alleen maar aan het gelag deel genomen. Vrouw Van Kleef ontkende de gepleegde ontucht categorisch, omdat Ebbelina daartoe onbekwaam zou zijn geweest wegens haar menigvuldige stonden. De dokter had haar er zelfs om weggestuurd van de keuring. Verder beriep zij zich op onwetendheid met betrekking tot de ouderdom van Ebbelina. Beide verdachten werden veroordeeld tot zes maanden gevangenisstraf, maar beiden tekenden beroep aan. Daarop volgde de behandeling voor het Provinciaal Gerechtshof.

Als getuigen traden twee publieke vrouwen op, die de beklaagden ontlastten. Vrouw Van Kleef vroeg een genadige straf, omdat ze volgens haar door Ebbelina was misleid. Haar zwager hield vol dat het meisje uit vrije wil met hem was meegegaan. Hij werd daarop vrijgesproken, maar vrouw Van Kleef kreeg drie maand hechtenis en een boete van f 25.-. Het gemeentelijk register van publieke vrouwen, dat vanaf 1860 tot ongeveer 1870 werd bijgehouden, vermeldt 47 namen. Het grootste aantal [27] kwam uit Groningen met als goede tweede Friesland [13]. Verder waren er twee uit Rotterdam, één uit Amsterdam, één uit Oost-Friesland en twee uit Overijssel. Drenthe zelf was vertegenwoordigd door een meisje uit Smilde.

Over het algemeen kwamen de vrouwen via Groningen naar Assen. Regelmatig verplaatsten de dames hun domicilie. Dit van plaats naar plaats trekken schijnt tegemoet te komen aan de vraag naar regelmatige vervanging van het bordeelpersoneel om de vleselijke lusten des mans te bevredigen. Over het algemeen lieten de vrouwen zich niet inschrijven in het bevolkingsregister. Slechts enkele vinden we terug, zoals Johanna Belt die in huis was bij de kleermaker Derk Boomgaars in de Rolderstraat. Aaltje Strabbing woonde bij het arbeidersechtpaar Adams te Peelo. Tetje Beeling was samen met haar vriend Hendrikus Kuvee bij de slaapsteehouder Kippenbroek aan de Groningerstraat. Allemaal werkten ze echter in het bordeel in de Rolderstraat op nummer 282.


'Naked woman'; Vincent van Gogh, Paris 1887


Het verslag Clandestiene prostitutie

Dat de prostitutie in Assen een veel grotere omvang had dan het register laat voorkomen is zeker. De dames wilden zich namelijk liever niet laten registreren. Vooral aan de wekelijkse keuring hadden ze geen boodschap. Eén en ander blijkt ook uit het proces tegen Van Kleef. Van de zes publieke vrouwen die aan het woord komen in dat proces, vinden we slechts twee terug in het officiële register. Bedenkelijker is dat één van deze niet vermelde dames een geslachtsziekte had! Tegen Johanna van Hattem, die officieel Berendje Johanna heette, werd proces verbaal opgemaakt, omdat ze met haar vriend Cornelis Niehof bedelend was aangetroffen in Hoogeveen. Dit doet vermoeden dat zij mede door armoede gedreven tot prostitutie was gekomen.

Na een hechtenis van veertien dagen werd het paar naar Veenhuizen gezonden. Evenals vele andere vrouwen verkeerde Metje Klos in armelijke omstandigheden. Zij werd voor rekening van haar plaats van onderstand Groningen naar het ziekenhuis gestuurd voor behandeling van de hij haar geconstateerde syfilis. De verplichte behandeling in het ziekenhuis kostte Assen dus geen geld, maar diende wel het nobele doel dat de zieke zich niet zou overgeven aan "kwakzalvers en oude wijven" om genezing te zoeken. Catharina Meyer vertrok eveneens wegens ziekte en Maria Lodewijk omdat ze "ongezond" was. Ook hier laat de oorzaak zich raden. In 1870 maakte het gemeenteverslag melding van het feit dat het bestaand hebbend bordeel werd opgeheven.

Dit was echter tijdelijk in verband met de gevangenneming van het echtpaar Van Kleef. Zij keerden terug in Assen en vertrokken pas in 1874 naar Groningen. In 1870 hadden geen geneeskundige visitaties plaats gevonden. Toch vinden we in hetzelfde verslag onder het hoofdstuk 'Politie' dat er nog een overtreding was geweest op de verordening op de huizen van ontucht. Spoedig daarop waren er echter weer enkele vrouwen die zich openlijk aan prostitutie overgaven. Deze vrouwen, het waren er drie, gaven weldra hun boekje terug, "zodat publieke prostitutie als zodanig slechts kort bestond; clandestiene evenwel zoveel te meer", aldus het verslag. Clandestiene prostitutie kende men al langer in Assen.


De zedelijkheid in Assen scheen, althans naar buiten toe, gewaarborgd.

Een voorbeeld daarvan was waarschijnlijk Adriana de Bie, oftewel Brabants Naatje, de vrouw van Eise Pijl. Vanwege haar "losbandig gedrag" werd zij in de jaren veertig uit het werkhuis gezet en gedurende de tijd dat haar man in de gevangenis te Leeuwarden verbleef werden voortdurend kinderen geboren. Wanneer ze te weinig geld verdiende of kreeg van het armbestuur, probeerde ze inkomsten te halen uit waarschijnlijk kortstondige contacten met leden van het sterke geslacht. Zoveel mogelijk werden verdachte personen op last van de burgemeester onderzocht. Over het algemeen werden ze gezond bevonden. Ook de opmerking dat syfilis minder vaak voorkwam dan vroeger wijst in die richting. Later werd weer streng de hand gehouden aan de regels.

Elke zaterdag was er visitatie en het aantal ziek bevonden vrouwen bedroeg twee. Een vrouw die niet geregeld ter visitatie kwam werd verbaliseerd. Ze werd echter vrijgesproken door de kantonrechter op grond van onvolledigheid in de gemeentelijke verordening. Prompt weigerden de andere publieke vrouwen zich langer aan de visitatie te onderwerpen. Dit plezier duurde echter maar kort omdat de verordening snel werd herzien. Inmiddels was het rode licht in de Rolderstraat reeds enige jaren gedoofd en scheen de zedelijkheid in Assen, althans naar buiten toe, gewaarborgd.





© 2006-2009 www.mijn-eigen-website.nl