In en om Assen





Evangelist W. Braak-Hekke


Bronvermeldingen:
'Door den vreemd'ling met eerbied te naderen', tijdsbeeld van een veenkolonie. Auteur: Sietse van der Hoek. Mei 1979.
ISBN 90 70295 01 6
'Terug in de Bruine Wereld van Emmer-Erfscheidenveen 1898 - 1948 - 1998' door Dr. Meent W. van der Sluis., 2002 Boon uitgeverij Groningen. ISBN 90 75913 14 1.


W. Braak-Hekke.geboren 1865. Van 1895-1930 Nederlands Hervormd prediker in Emmer-Compascuum. Overleden en begraven in 1930 te Emmer-Compascuum.


De Chr. Muziekvereeniging Prins Hendrik.

Voor Elisabeth Roffel-Veenhoven was het 'Oom Braak-Hekke'. Haar vader en Braak-Hekke hebben veel betekend voor het confessioneel georganiseerde leven in Emmer-Compascuum. Wieger Veenhoven: Veenbaas voor onder anderen Meijering, Ten Kate, Wiebe Bakker (Ter Apel) en Jan Horring. Later zelf vervener, eigenaar van plaatsen tegen Emmerschans aan. Lantaarnaansteker. Lid van de kerkeraad. Winkelier; eerst een kruidenierswinkel op het Hoofdkanaal, later een winkelhuis aan de Runde waar nu het parkeerterrein van de voormalige AKU-fabriek ligt. Orgelspeler en niet alleen in de eigen kerk, maar per fiets reisde hij ook naar Roswinkel, Klazienaveen en naar meer kerken. Hij was medeoprichter op 1 mei 1905 van de Chr. Muziekvereeniging Prins Hendrik in Emmer-Erfscheidenveen.

'De eerste tijd was het een hele toer om muziek te krijgen, zodat Veenhoven heel wat muziek zelf heeft gemaakt, voor alle parturen. Het eerste werk van 'Prins Hendrik' in het openbaar was een ovatie te brengen aan K. Geerts en dokter Lubberman, toen die in de gemeenteraad kwamen', lees ik op een vergeelde eerste poging tot notulen. En in een ander schrijven: '...en ook natuurlijk de Oranjefeesten niet te vergeten. Dat ging zoo door tot de Eerste Wereldoorlog inviel in 1914. Toen moesten natuurlijk de muzikanten ook onder de wapenen en lag ons Prinsje stil. Totdat er in 1916 een Evangelist in Barger Compas kwam met name de Heer v.d. Gronden. Die ook een liefhebber van de muziek was. En in aanraking kwam met den Heer Braak-Hekke, Evangelist te Emmer-Compas.

En toen kwam het al gauw over de muziek en dat er nog hoorns waren. Nu jongen, zegt v.d. Gronden, dat moet weer opgericht worden. En dat is dan ook gebeurd en wel op 7 Juni 1916. Met leiding van den Heer v.d. Gronden'. Veenhoven heeft de Prins 27 jaar gediend. Over zijn zwager wordt gezegd: 'En zoo was dan in alles weer den Heer W. Braak-Hekke van Emmer-Compascuum, die toen bij leven Eere voorzitter was.' Braak-Hekke was getrouwd met Jantje Veenhoven. Hij preekte eerst in een café op het Oosterdiep. Later tijdelijk aan de Middenweg in het 'Buurthuis' (een schuur met stoelen) tegenover de plaats waar de Nederlandse Hervormde kerk nu staat. W. Braak-Hekke, in 1865 geboren in de Gelderse Achterhoek, zondagschoolonderwijzer en daarna evangelist, opgeleid tot godsdienstonderwijzer.


Daar vechten en snijden ze alles kort en klein.

Hoorde van een bevriende dominee uit Groningen, dat er twee Bonds-Evangelisatiën vacant waren: Emmen en Emmer-Compascuum. Braak-Hekke schreef op beide. Van Emmen hoorde hij niks; van Emmercompas de uitnodiging om eens te komen spreken. Men schreef het jaar 1895. Braak-Hekke in zijn 'boekske' Evangelist in de venen 'Den laatste Zondag in September zou ik er heen. Maar waar lag de plaats? De atlas ingezien, maar nergens was zij te vinden. Een zeer ontwikkeld man meende, dat Compascuum in Brabant of Limburg zou zijn. Op het postkantoor werd ik gewaar, dat het in de buurt van Ter Apel lag. Op een Zaterdagmorgen ging ik op stap. Toen ik te Groningen in de trein naar Nieuwe Schans zat, kreeg ik een gevoel alsof ik er haast was.

Te Zuidbroek overstappen in een paardentram. Dat kon toch niet van langen duur zijn, maakte ik mij zelve wijs. Maar het een met het ander duurde zoolang dat ik 's avonds om 9 uur op Ter Apel kwam. In de wachtkamer vroeg ik of er ook mensen uit Emmer-Compascuum waren. 'Nog niet'., werd mij geantwoord. 'Of moet meneer daar vandaag nog heen? 'Ja', antwoordde ik, 'dat kan toch nog wel?' 'Wat niet kan', zei iemand, 'maar jij liever dan ik. Voor geen vijfentwintig gulden ga ik er op een Zaterdagavond heen. Daar vechten en snijden ze alles kort en klein. De dokter hier heeft er 's Maandags werk van om te naaien en te verbinden'. Toen de man mijn hoogen hoed in 't oog kreeg, vroeg hij belangstellend: 'Of mot Domnei er morgen preeken?' 'Als dat daarzoo is, als gij zeidet, dan mag daar ook wel eens op die wijze gewerkt worden' zei ik.

En mijn zegsman oordeelde: Zoo kon het ook bezien worden. Een poosje later kwamen twee mannen binnen. Zij vroegen of er ook een meneer Br.-H. was gekomen. 'Present', antwoordde ik, en wij maakten kennis met elkaar. Dat tweetal zager nu heel niet vechtlustig uit en vol goeden moed gingen wij op pad. Na anderhalf uur kwamen wij aan bij een bakker, waar ik des nachts zou blijven. Na zulk een reis, sliep ik als een roos. Den volgende morgen vroeg ik aan den huisheer mij eens de kerk of lokaal te wijzen. 'Die is er nog niet', was het antwoord. In een herberg moest ik preeken, zei de man. In de gelagkamer van Hotel Emmer-Com-pascuum was de samenkomst. Er was een zestigtal hoorders, en wel aandacht.


'Als mijn schoenen stuk gaan, moet ik dan mijn Vader vragen om geld voor nieuwe zolen?'

Pas had ik amen gezegd, of eenige personen wilden mij een hand geven en de grootste helft vroeg meteen: 'Hoe lijkt het U toe en wat dunkt U, zolst hier wel maggen wezen?'. Des namiddags sprak ik weer, voor nog meer menschen. Aan het einde daarvan werd nog drukker gevraagd of ik toch maar wilde komen. Toen vroeg mij ook het Bestuur. Ik gaf te kennen dat het mij gewenscht voorkwam dat het Bestuur eerst met de leden vergaderde. Dat vond bijval en omdat er 's avonds nog 'zangerij' was, werd mij opgedragen af te kondigen, dater's maandagsavonds ledenvergadering zou zijn. (....) 'Op het afgesproken uur waren er ruim twintig mannen aanwezig. De voorzitter wilde dat ik de vergadering zou leiden. Wij zongen en baden.

Daarna las ik uit Paulus' brief aan Titus eenige verzen en wees er op, wat zij van een voorganger mochten vragen, en omgekeerd waarvoor ze hadden te zorgen. Nauwelijks was ik uitgesproken, of het ging weer aan het vragen, of ik nu wilde komen. Eén zelfs of ik niet dadelijk kon blijven. Dat had tengevolge, dat ik zei zeer dankbaar te wezen voor het vertrouwen, maar dat ik om te leven ook eten moest. Mij werd gevraagd of ik bij een bakker mijn intrek wilde nemen, waarop ik bevestigend antwoordde. Den bakker werd gevraagd, of hij mij in de kost wilde hebben en ook die stemde toe. Dan is nu alles in orde, zei een bestuurslid, als U het nu maar aanneemt. Mijn wederwoord was: 'Dan moet gijlieden met elkaar voor 't kostgeld zorgen. En', zoo ging ik voort, ' nu nog wat, als mijn schoenen stuk gaan, moet ik dan mijn Vader vragen om geld voor nieuwe zolen?

'O!' zei de voorzitter, 'ik begrijp het al, meneer wol zeggen: Een beetje der bie, nou hoe veule dan?' Daarop heb ik geantwoord: 'Dat moet het Bestuur zelf maar uitmaken'. 'Ook goed', zei de voorzitter. Hij riep zijn medebestuursleden even in een hoek van datzelfde vertrek. Ze fluisterden wat met elkaar, en toen kwam hij recht voor mij staan, stak mij de hand toe en zei: 'Wie zullen 't goed met oew maoken. We hadden docht honderd en vijftig gulden. Now nem ie 't toch ook aan'. En dat zeiden er wel zes of meer. Toen ben ik bezweken en heb ja gezegd. Mij werd gevraagd te sluiten met dankgebed, waaraan ik voldeed en allen gaven mij een hand, en gingen heen. Zo ben ik benoemd tot Evangelist te Emmer-Compascuum in Drenthe'.


'Het was hier nieuwjaarsdag een zwienen-bouwl'.

10 November 1895 deed Braak-Hekke zijn intree. 'Al spoedig zag ik, wat in onze plaats de hoofdkwaal was, namelijk de 'drinkgewoonte. Na eenige weken kwam nieuwjaar in 't zicht. Dagelijks had ik gelegenheid te merken dat velen er verbazend tegen op zagen. Een Katholiek vakman zei: 'Meneer, het was verleden jaar zoo erg, 'n mens is geen baas in eigen huis. Heele koppels komen je een gelukzalig nieuwjaar wenschen, en wie niet meedoet, die deugt niet. Toen verleden jaar de laatsten wegwaren, konden we de kamer wel schrobben, zoo hadden ze gemorst. Het is jammer van dat goed; als ze het nog maar opdronken, dan was het nog wat'. Een kastelein, de enige die officieel vergunning had, vroeg ik er naar, en zijn antwoord was: 'Ja, het was hier nieuwjaarsdag een zwienen-bouwl'.

Met zulke gegevens uit onverdachte bronnen, besloot ik oudejaarsavond niet te preeken. Het Bestuur oordeelde anders. Wat ik ook beweerde, dat mocht niet overgaan. Dan kwam elk in de kerk, ook die er anders nooit kwamen. Aan hun verzoek, zoo beloofde ik, zou voldaan worden. Ze moesten evenwel afwachten, wat ik zou zeggen. De mannen hadden gelijk. Er was veel volk en nog al eenigen, die ik nooit had gezien. Wat mij die preek heeft gekost, blijft een geheim tusschen mijn Zender en mij. Over de woorden van de Emmaüsgangers: 'Heere, blijf bij ons, het is bij den avond en de nacht is gedaald', sprak ik. Over het voorrecht een Christus bij ons te hebben, hetvreeselijke van een Christus bij het scheiden te missen, en het gevaar aan het wegjagen van den Christus verbonden, heb ik gesproken.

Wat was het stil. Aan het einde heb ik zooiets als een reuzentoer gewaagd. Wat mij van het vorige jaar was gezegd, heb ik verteld, en toen heb ik gezegd, dat ik niet kon en niet durfde danken met hoorders, die bij zichzelven misschien al hadden besloten het morgen zelf te willen weten. Dezulken verzocht ik heen te gaan voordat ik dankte. Toen heb ik eenige minuten gewacht. Niemand ging gelukkig heen. Met welk gevoel ik dankte kan de lezer zich misschien wel indenken. Tegen mijn hospes zei ik: 'Als we nu morgen alles nog heel hebben, dan is de zaak gewonnen'. God heeft ons niet beschaamd. Er was in jaren niet zoo'n rustig nieuwjaar gevierd. Later kwam een onzer lieve kerels mij de hand drukken en vertellen: 'Ik ben 1 Januari in huis gebleven, omdat ik bang was dat het anders met mij vekeerd zou gaan.


Aan het eind van de Jacobsladder worden de natte turven op hun plankjes van 'de loopende band' gelicht en te drogen gelegd. Op de achtergrond het kerkje in Emmer-Erfscheidenveen. Het houten gebouw dat diende als filiaal van Braak Hekke werd bezocht door arbeidersfamilies die niet aan de stakingen wilde deelnemen, waarop het werd afgebrand tijdens de staking van 1925. In 1939 werd deze stenen kerk ter vervanging gebouwd.


Zelfs de Communisten hebben een eigen Zondagsschool

En jongen, meneer, dat kon toch niet, nooit vergeet ik die preeken dat danken'. Of er sindsdien niet meer gedronken is? Was dat maar zoo! Dat ik mij met alle macht voor de geheelonthouding spande, behoef ik vast niet meer te zeggen'. Het werd Braak-Hekke niet in dank afgenomen en sommigen lieten hem dat ook duidelijk merken. Maar toch: 'Onze veenkolonisten zijn dankbare menschen om er onder te evangeliseeren. Wie ze de hand reikt en hartelijk behandelt, kan alles met hen doen; zelfs kerken bouwen. Kerk bouwen, ja! De Lezer weet, dat ik in een herberg mijn preekwerk ben begonnen. Dat ging leuk. We moesten per Zondag twee gulden betalen. Als er vijfenzeventig of tachtig menschen waren en elk gaf in de beide collecten samen twee heele centen, dan was er nog vijftig of veertig centen tekort.

Dat knapten wij dan met elkander maar op, het Bestuur en ik. Hoe het ook ging, de huisheer kreeg zijn geld. De grond om er een eigen kerkgebouw op te bouwen, was reeds toegezegd. Ook had de Heer E.J. Scholten beloofd 300 gulden te geven, als er een Hervormde kerk werd gebouwd. We gingen uitbesteden een kerkje met ruim 200 zitplaatsen voor 1380 gulden. Er moest nog meer dan 1000 gulden inkomen. Brieven schrijven geen gebrek. Onze menschen gaven zooveel ze konden en de rest kwam van buiten. Toen de kerk (halve steens-muren) klaar was, had ik wel voor 10 gulden plezier'. 'Aan een grote verscheidenheid van geloofsrichtingen ontbrak het hier toen en ontbreekt het ook nu nog niet: Gereformeerd, Christelijk Gereformeerd, Baptist, Darbisten Heilsleger, alles en nog wat is hier.

Zelfs de Communisten hebben een eigen Zondagsschool. Zijn we dan niet alleszins godsdienstig? Of ik die allen nu één voor één eens onderhanden wil nemen? (Om ze terug te brengen in de schoot van 'de grote kerk' = De Nederlandse Hervormde Kerk, SvdH.) Ik denk er niet aan. Hartelijk verheug ik mij er in, dat drie van de genoemde kerken te klein, veel te klein zijn geworden, en tot dat drietal behoort ook de onze. Naar buiten mocht ik ook één en ander doen. Twee evangelisatiën heb ik kunnen oprichten. Eén te Klazienaveen. Wilt ge er meer van weten, dan geeft U een evangelist uit de Venen den raad: Lees het mooie boek van collega De Weerd, getiteld: 'De Domeneer van Turfland'. De tweede is die van Emmer-Erfscheidenveen.


Mijn zwarte pak was versleten

Daar ook moet een kerk en woning met godsdienst- onderwijzer komen binnen korte jaren'. ( ) Op het gebied van het Christelijk on-derwijs deed ik mee en doe dat nog van harte. In Jeruzalem (dit is: eigen plaats) ben ik er mee begonnen. We hebben een eigen school met een uitnemend Hoofdonderwijzer, en dat alles is voor mijn werk een machtige steun. Ook elders mocht ik eenige schoolvereenigingen oprichten'( ) Toen ik hier drieëneenhalf jaar was trad ik in het huwelijk met de oudste dochter van één onzer bestuursleden. We huurden een arbeidershuis. Het staat er nog wel. Vijftig gulden zou de huur bedragen. Mijn zwarte pak was versleten. Een kleermaker vroeg ik te zorgen dat ik een zwart trouwpak kreeg. 'Hoe duur mag het wezen', vroeg hij. 'Geen twintig gulden', zei ik, 'Want die kan 'k niet missen'.

'Buksingen kamgaren is veel duurder' zei hij, 'maar zwarte dikke mantelstof is goedkoop'. Toen heb ikgekozen. Hij heeft het gemaakt en alles te zamen voor den prijs van 18 gulden en wat centen. Gij vraagt of 't mooi was, vraag liever of het nieuw was, en dan zeg ik 'ja'. En nog heden ten dage ben ik er zeker van, dat ons huwelijk er geen haar minder om is. Als twee zielen hun God en elkander hebben gevonden, dan schikt vaak het andere. Voor de huismeubeltjes zorgden mijne menschen. Behalve bed en kachel hadden we alles ten geschenke. Beklaag, zeg ik U, geen man, die zoo'n gemeente heeft'. (....) 'Van behelpen sprak ik. Mijne vrouw had werken geleerd, ook naaien. En omdat we nog maar met ons tweeën waren, deed ze er voor deze en gene wel eens wat naaiwerk bij.

Een kwartje voor het maken van een kleine, of acht stuivers voor een grote schort, kwam ons soms o zoo te stade. Eens had zij weer een schortje klaar en kon dus 'n kwartje beuren. Zaterdagsavonds, toen ik mijn werk in orde had, schreef'keen brief aan mijn Leermeester, en hoopte, dat die menschen het schortje zouden halen en betalen, dan kon ik een postzegel koopen, anders niet. Maar het schortje werd niet gehaald. Des Maandags stelde ik voor het weg te brengen in de hoop De vrouw die het in ont vangst nam, zeide, ze had nog meer werk voor de Juffrouw en zou de volgende dag zelve even bij ons komen. Gij denkt misschien, Lezer, dat ik toen op den terugweg naar mijn woning den vuist heb gebald om in groote ontevredenheid uit te roepen: Is mij dat ook een werk, De drommel mag hier ook Evange list wezen.


'Gebroken Hekke'.

Mis, Lezer. Zelfs heb ik niet eens in 't geheim geneuried: 'Denk aan mij, o God in't klagen', enzovoort. Ik zong zoiets als: 'Onze God zal uitkomst geven'. Immers rekende ik uit, dat mijne vrouw nu kans had, die week er noch acht stuivers bij te verdienen. Dinsdag heb ik den brief gepost, maar eerst den datum veranderd'. Braak-Hekke legt vervolgens de betekenis uit van de naam 'Compascuüm', gemeenschappelijke weide, en wijst op een mogelijke ontleding van zijn eigen naam tot 'gebroken hekke'. 'Is dat niet aardig?,' wil ik vragen. Immers, als het hek stuk of gebroken is, kan zoo gemakkelijk samenweiden er op volgen. Mag ik daar dan maar uit afleiden, dat de plaats en de man bij elkaar hooren? Gemeenschappelijk weiden en een Hek dat Braak ligt, is te vinden vlak op de grens onzes lands in de Drent sche veenkoloniën.

Als ooit Emmer-Compascuüm een zelfstandige burgerlijke gemeente wordt, en het wapen moet aangewezen worden, dan stel ik als ik nog hier ben voor: Een groene weide met op elkander in grazend vee. Ook wil ik dat nog wel per brief vragen aan onze geliefde Koningin. Mij dunkt, Hare Majesteit zal het goedvinden. Ons Christelijk fanfarecorps liet onlangs een vaandel maken, daar staat 't al zoo op. Alleen zijn zij nog verder gegaan en hebben er ook een gebroken hek bij getekend. Den lezer begrijpt wel, dat heeft alleen beteekenis, zoolang ik hier nog ben. Dat het er zoo op staat, kan ik niet helpen. Dat hebben mijn Collega Van der Gronden, de directeur van ons corps, met onze muzikanten samen uitgevonden'.

Na meer dan 2500 keer opgetreden te zijn voor zijn gemeente en na meer dan 1000 begrafenissen, vierde de heer W. Braak-Hekke op 10 november 1920 in een stampvol kerkgebouw met zijn gemeente het 25-jarig jubileum als evangelist in de venen. In de voormiddag was de jubilaris in de bijzondere school gehuldigd als grondlegger van het christelijk onderwijs in Emmer-Compascuum. 's Ochtends, 's middags en 's avonds luisterden de zangvereniging en het fanfarecorps Prins-Hendrik de feestelijke plechtigheid op.

In 1923 kreeg de Evangelisatie de officiële erkenning voor haar zelfstandigheid als Nederlandse Hervormde Gemeente en Braak-Hekke de titel 'vicaris' met de rechten van hulpprediker. In 1928 werd hij benoemd tot ridder in de orde van Oranje Nassau. Overleden in 1930.


Omslag van het boek 'Evangelist in de Venen' van W. Braak Hekke


Meent van der Sluis schrijft over Braak Hekke het volgende:


In 1895 begon Willem Braak Hekke (1865-1930) zijn evangelisatiewerk (Bond van Evangelisatién) in de gelagkamer van Hotel 'Emmer-Compascuum', als filiaal van de Nederlands Hervormde gemeente te Roswinkel. Als een zoon uit een boerenfamilie kwam hij, evenals later W. de Weerd, H. Gerbscheid en H.J. Oudenampsen, uit de omgeving van Zutphen naar Emmer-Compas en omgeving om te evangeliseren en te onderwijzen. In 1923 werd de evangelisatie erkend als zelfstandige Ned. Herv.-gemeente. Door Braak Hekke werden evangelisatiefilialen gesticht te Klazienaveen-Noord (1902) en Emmer-Erfscheidenveen (1921) in houten gebouwen, (eerst tegenover en in 1925 op de plaats van de latere stenen kerk te Emmer-Erfscheidenveen.

Deze evangelisaties trokken kleine middenstanders, de nieuwe dalgrondboeren en veenarbeiders, die tot de rustige kerngroep van werkwilligen behoorden Dit soort veenarbeiders was in staat door soberheid en zuinigheid zich individueel op te werken tot kleine boer op de dalgronden, soms via een regeringsvoorschot mogelijk door de Landarbeiderswet van 1918, of tot turfschipper, winkelier, petroleumhandelaar, enzovoorts. De evangelisaties vormden in veel opzichten de reactie op de overwegend vrijzinnige signatuur van het Drentse zand . In het boek van Braak Hekke getiteld 'EVANGELIST IN DE VENEN' (1921), dat hier voor mij ligt, leest men alles over de 'evangelist', maar vrijwel niets over de 'venen'.

Volledig te goeder trouw, doch geen oog voor de sociale ellende; geen kritisch woord over het evangelisatie-bestuur, waarin minstens twee veenboeren-bakkers zaten, en geen woord over de sociaal-economische aspecten van het veenarbeidersbestaan. Wel vertelt hij over het preken, bidden, jeugdwerk, zondagsschool, bekering, belijdenis, zending enzovoorts. Ook hoort hij over vechten, baldadigheid en constateert hij dronkenschap en meet dat laatste naar verhouding breed uit, zonder vragen te stellen over de oorzaken van dit verschijnsel, dat veelvuldig voorkomt. Ook moorden kwamen naar verhouding veel voor in de veenstreken


Evangelist W. de Weerd

Heel anders stelt de ook uit de omgeving van Zutphen komende evangelist W. de Weerd (1879-1946), "De 'Domeneer' van Turfland," zich op bij zijn taakaanvaarding te Klazienaveen-Noord in 1904. In zijn boeken gaat hij uit voerig in op de miserabele situatie waarin zich de veenarbeider bevindt. Hij vestigde in heel Nederland in het begin van de twintiger jaren de aandacht op 'De Nood in de Drentse Venen'. "Als bedelmonnik zonder weerga, wist deze 'rode' orthodoxe Evangelist - "Ik ben niet 'rood'," placht hij zelf'te zeggen, "tenzij de bijbel 'rood' is" - giften te verwerven, zowel van de zijde van ons Koninklijk Huis als van de Maatschappij 'Klazienaveen' die aldaar de venen exploiteert."

Zijn salaris werd trouwens voor het grootste deel door J.E. Scholten betaald, een grote firma diende een goed opgezette evangelisatie te steunen vond men toen. Zowel Braak Hekke als De Weerd waren stimulators van de christelijke geheelonthoudersvereniging (NCGOV). De Weerd was verdediger van staatspensionering. Wel oog voor sociale ellende, doch geen echte revolutionair, die sociale structuren wil doorbreken; zijn werk blijft op filantropie gebaseerd. In die tijd stuurde men de baljurken van het liefdadigheidsbal te Den Haag naar het arme Drenthe.






© 2006-2009 www.mijn-eigen-website.nl