In en om Assen





De Broeklaan, onze wereld aan de andere kant van het Asserbos


Bronvermelding:
Asser Historisch Tijdschrift; nummer 2 / juni 2010. Een artikel van Bertus Boivin


De Broeklaan in het midden van de jaren zestig (collectie Martin Hiemink)


Als je klein bent, is de wereld nog kleiner dan de straat van je jeugd.

Sinds mensenheugenis loopt aan de westkant van het Asserbos de Broeklaan van de Witterstraat naar de Hoofdlaan en daarna door naar het Sportpark en het zwembad. Zo herinneren de meeste Assenaren zich de Broeklaan van vroeger: op mooie zomerse dagen als je naar zwembad De Wilg fietste of om op zaterdagmiddag naar ACV of zondags naar Achilles te gaan kijken. Alleen wie er geboren en getogen is, kent de wereld aan de andere kant van het bos en herinnert zich de gezichten van de straat. AHT-redacteur Bertus Boivin werd in 1951 in de Broeklaan geboren op nummer 54. Hij beschrijft de straat van zijn jeugd vanuit zijn eerste herinneringen.

Als je klein bent, is de wereld nog kleiner dan de straat van je jeugd. Mijn wereld was de tuin van Broeklaan 54, mijn geboortehuis. Een tuin waar geen eind aan leek te komen. Een tuin met kippen, konijnen en poes Wolly. Achter het hekje begon de groentetuin. Keurige bedjes met groente en aardappelen die mijn vader als langs een liniaal in het gelid aan de aarde had toevertrouwd. Alle tegels van het tuinpad hadden er een hoekje af dat mijn vader zelf met beton gevuld had. Achteraf hoorde ik dat'ie ze voor prikkie op de kop getikt had na afloop van de DOEN tentoonstelling ('Drenthe Oud En Nieuw') in 1949 op het Sportpark. Het waren de tegels waar de vlaggenmasten in gestaan hadden. Lange tijd meende ik dat echte tegels er allemaal zo'n stukje af moesten hebben. Achterin de tuin lag een sloot met steile wallenkanten, die ons van het Westerpark scheidde. De hele buurt stortte zich in het voorjaar met frisse tegenzin op de sloot als de schouw van het Waterschap zich aandiende. (Later realiseerde ik me dat onze sloot de lang vergeten 'genormaliseerde' Stadsbroekloop moest zijn.)

Aan weerszijden van onze tuin lagen twee wel zeer verschillende opvattingen van tuinaanleg en -onderhoud. Aan de ene kant op nummer 52 had je de tuin van buurman Roel Bergsma. Een bijzonder mens die zijn hele huis verhuurd had aan verpleegsters en onderwijzeressen en zeifin de garage woonde. Buurman Bergsma had al een wilde tuin voor iemand de uitdrukking 'wilde tuin' bedacht had. De hanenpoot was de eerste plant die ik bij naam kon noemen. Mijn vader spitte stukken zinken golfplaat in de grond in een bij voorbaat tot mislukken gedoemde poging om de opmars der hanenpoten tot stilstand te brengen.


Opvallende beelden vanaf de step.

Nee, dan de buren aan de andere kant op nummer 56: de familie Groenhof met vader, moeder, Cor en Hans. Hans was mijn hele jeugd lang mijn boezemvriend. Anders dan mijn vader hield meneer Groenhof niet echt van tuinieren en had hij een groot deel van de tuin met fruitbomen ingeplant. In zijn boomgaard groeide verder vooral gras en op een gegeven moment hadden de Groenhofs zelfs een schaap in een hokje in de tuin staan om het gras in de boomgaard kort te houden. Regelmatig sta ik ook met het schaap op de foto. Hoe oud waren we toen Hans en ik per autoped de straat van onze jeugd gingen verkennen? Ik was een jaar of vijf, zes, schat ik.

Binnen de kortste keren stepten we naar de Witterstraat. Onderweg namen we de aardrijkskunde van de Broeklaan kennelijk zo goed in ons op dat ik me een halve eeuw later namen en beelden moeiteloos voor de geest haal. Opvallende beelden vanaf de step. Nieman de architect, een kleine man in een grote Borgward Isabella. Daarnaast had je meneer Timmermans waarvan ik later met enig combineren en deduceren ontdekte dat hij Sinterklaas moest zijn. (Toen was ik de autopedtijd al ruimschoots voorbij en had ik als echte Asser jongen mijn eerste eigen Bartje-fiets...) Wie had je verder in de straat? Bijvoorbeeld de familie Idema, zoon Simon was van onze leeftijd, maar gereformeerd dus daar speelde je niet zoveel mee, net als Jan Tromp verderop in de straat. Dan had je oudpolitieman IJtsma en een eindje verder de familie Blomsma. Ze hadden een jongen van onze leeftijd, Jannes Blomsma die ziek werd en dood ging. Dat hadden we als kleine mannetjes natuurlijk nog nooit meegemaakt.

Dus probeerden we meneer en mevrouw Blomsma een beetje te ontlopen, wat moest je tegen ze zeggen? Een paar huizen verder richting begin van de straat stonden wat oudere huizen. Hier woonde onder andere de familie Veenstra met zoon Gerrit. Gerrit was een stuk ouder dan wij kleintjes. We liepen met hem mee door het bos naar de Emmaschool. Ik geloof zelfs dat-ie geïnspireerd door onze volgzaamheid later zelf leraar geworden is. Verderop aannemer Rotteveel. 'Rotteveel en Dood' lazen we op het bordje op de werkplaats. Waarom Dood?


"...De rij dienstwoningen van de kazerne aan de overkant van de Witterstraat, daar woonden jongens waar niet mee te spotten viel..."


Het gevaar schuilde in de Blokken

In een echte boerderij had je de manege van Homan (straks meer over de paarden van de manege) met daarnaast het vrijstaande huisje van ene Snijder. Snijder w as een NSB'er, wisten de oudere jongens in de straat te vertellen. Wij kleintjes wisten bij God niet wat een NSB'er was, maar het maakte ons op de autoped op zijn minst enigszins behoedzaam. Nog een paar blokjes kleine oude woningen van de Bouwvereniging en dan was je de straat uit.

Op de hoek van de Witterstraat bij de brievenbus en de melkautomaat van Acmesa (een pakje chocolademelk voor een kwartje) was het helemaal opletten geblazen. Niet vanwege het verkeer, ik herinner me uit die tijd zelfs helemaal geen verkeer. Nee, het gevaar schuilde in de Blokken — de rij dienstwoningen van de kazerne aan de overkant van de Witterstraat - daar woonden jongens waar niet mee te spotten viel. Indische Nederlanders zeggen we nu. Hun vaders waren voormalige KNIL-militairen die op de kazerne werkten. De jongens konden vechten als tijgers. Als je ruzie met de Indische jongens kreeg, verloor je. Zelf zou ik op het schoolplein van de Emmaschool zelfs een keer verliezen van Auke Doornbos, die nota bene een manke poot had...

Als je de Blokken overleefd had, wachtte je de volgende verrassing: de 'Oude Meer.-tens'. De man woonde op de plaats waar nu de Anton van Duinkerkenlaan op de Witterstraat uitkomt. Oude Meertens wist in zijn eentje twintig jaar lang te voorkomen dat het Westerpark doorgetrokken werd naar de Witterstraat. De man was een kluizenaar, vertelde mijn moeder. Dat betekende zo te zien dat je je niet waste en niks weggooide. Van Meertens gaat het verhaal dat-ie meteen dood ging toen hij in het Wilhelminaziekenhuis gewassen werd.


Voorbij Veenstra hield Assen op als je zes jaar was

Onze tochten eindigden altijd voorbij bakker Bos en kruidenier Veenstra. De vrouw van bakker Bos vonden we interessant, want ze had maar één tand in de mond. Begin december vergaapten we ons er voor de winkelruit aan de 'Sinterklaastafel' vol marsepein en suikergoed. Bij kruidenier Veenstra kwamen we nooit binnen. Thuis hadden we Veldhuis van vooraan op de Waterstraat als kruidenier. Veldhuis kwam elke vrijdag op de fiets het boekje halen en zaterdags de gevraagde boodschappen brengen. Voorbij Veenstra hield Assen op als je zes jaar was en alleen een autoped had.

Ver voor mijn jeugd was de Broeklaan een zandweg door het Stadsbroek met een stuk of wat boerderijtjes. (Het enige, min of meer authentieke restant uit die tijd is Broeklaan 25, aan de andere kant van de Hoofdlaan tegenover het ACV-veld.) De straat kreeg zijn huidige vorm grotendeels in de jaren dertig toen er een groot aantal vrijstaande en dubbele 'burgerwoningen' gebouwd werden. Wij woonden onder één dak met de familie Groenhof en we hadden het mooiste uitzicht van Assen. Tegenover ons huis lagen drie weilanden waar boer Woordman van Kloosterveen zijn koeien liet lopen. We stonden er het liefst twee keer per dag op de neus bij als de melk in de emmer kletste.

Daarachter had je het Asserbos, Ons Bos. We hielden van het bos (een liefde die tot op de dag van vandaag gebleven is). Je bouwde er hutten en we hadden onze eigen roversbende De Zwarte Hand die zich toelegde op het begraven van schatten. De volgende woensdagmiddag gingen we altijd voorzichtig even kijken of de schat er nog lag. Waarom zou hij weg zijn? Schuin tegenover ons huis begon voorbij het weiland van Woordman de oneven kant van de Broeklaan met het huis van een wel zeer prominente bewoonster van de straat: Jantje Timmer.


"...Bij kruidenier Veenstra kwamen we nooit binnen..."


Die dag was Jantje Timmer onze heldin

Ze was een in onze ogen zeer oude vrouw die onze aandacht trok door bij het minste of geringste haar huis uit te stormen om ons jongens te laten weten wat we wel en vooral wat we wat haar betreft zeker niet mochten. We vonden Jantje Timmer maar een rare mevrouw. We wisten bijvoorbeeld zeker dat ze op 11 november de deur niet voor ons open deed, terwijl ze wel degelijk thuis was! Ze had zich dan als een echte 'juffrouw Kikkerbil' in het donker onder de tafel verstopt, omdat ze ons niets geven wilde. Is het dan een wonder dat we op oudejaarsavond onze rotjes bij haar op de paaltjes van het hek afstaken?

Slechts één keer slaagde Jantje Timmer er in om tijdelijk een flink eind in onze achting te stijgen. Dat was op de dag dat twee paarden van de manege van Homan op hol geslagen waren. Naast de Indische jongens van de Blokken waren op hol geslagen paarden van Homan het tweede levensbedreigende aspect van onze Broeklaan. Zo erg als die dag waren de paarden van Homan nog nooit op hol geslagen. Oorverdovend daverden ze over de klinkertjes van de Broeklaan. Net op het moment dat ze de inderhaast verlaten bakkersbakfiets van bakker Bos dreigden te verpletteren, doemde Jantje Timmer uit het niets op in een enorme roze ochtendjas waarmee ze zich voor het aandenderend hippisch geweld posteerde. De paarden steigerden, maar hielden halt. Die dag was Jantje Timmer onze heldin...

Wie woonden er verder aan de overkant van de Broeklaan voorbij Jantje Timmer? Pal naast haar had je de familie Everts Meneer Everts was melkboer bij de Acmesa. Verderop de familie Aalders. Dochter Leonoor had mooie pijpenkrullen en zat bij mij op de Emmaschool. Ze was me in de klas qua alfabet altijd een stukje voor. Geen kunst met een dubbele A... Ik wil u nog meenemen naar de twee laatste huizen aan die kant van de straat.


Loomeijer noemden wij zachtjes 'Lulmeijer.

Op Broeklaan 15 woonde meneer Muilerman met vrouw en kinderen. Hij was het hoofd van onze Emmaschool en dus een plek die je met respect passeerde (Tenzij je zoals Hans op de Sluisstraatschool zat). Daarnaast woonde op de hoek van de Hoofdlaan in een groot huis met een rieten dak en een diepe sloot met waterlelies de oude mevrouw Vriend met haar dochter Gien en schoonzoon meneer Kuster.

Musici waren het! Leraren op de Muziekschool, mensen van een andere planeet leken het. Schuin tegenover hen woonde op Broeklaan 66 de man met de grappigste naam van de straat. (Natuurlijk, elders in de straat op nummer 40 woonde meneer Loomeijer, maar die naam werd pas leuk als we hem zachtjes 'Lulmeijer' noemden.) Mr. WC. van Oordt was grappig van zichzelf vanwege zijn belachelijke initialen. Althans dat dacht je als je zes, zeven was en je wereld ophield bij Broeklaan 66...


De Broeklaan anno 2011


Foto Sietse Kooistra





© 2006-2009 www.mijn-eigen-website.nl