In en om Assen





Carry van Bruggen


Bronvermelding:
Artikel in ‘101 markante Drenten van de twintigste eeuw’. Van Maxine Roberta Hilbrandie-Meijer. 2001 Uitgeverij Moordboek.
ISBN 90 330 1238 3


Carry van Bruggen (een portret van Annie de Meester)


Carry van Bruggen heeft naam gemaakt als schrijfster. Als Carolina Lea de Haan kwam ze ter wereld in Smilde als dochter van de joodse godsdienstleraar lzak de Haan en zijn vrouw Betje Rubens, lzak was in 1879 op 'De Smilde' komen wonen, waar in de eerste helft van de negentiende eeuw een bloeiende joodse gemeenschap had geleefd. Carolina werd geboren op 1 januari van het jaar 1881. Bijna een jaar later, op 31 december 1881, werd haar broer, de bekende dichter, jurist en journalist Jacob Israël de Haan geboren. Het zijn deze beide kinderen uit het grote gezin De Haan, die landelijke bekendheid verwierven en Jacob zelfs in het buitenland, maar hun was geen gelukkig leven beschoren. Ze kwamen beiden te jong en op een trieste manier aan hun einde.

Toen Carry een peuter was, verhuisde de familie naar Friesland en een paar jaar later naar Zaandam. Vader lzak wist door zijn tegendraadse karakter in de meeste standplaatsen zijn geloofsgenoten tegen zich in het harnas te jagen. Naar Drenthe keerde Carry niet terug. Ze heeft in Amsterdam een opleiding tot onderwijzeres gevolgd. In 1904 trouwde ze met de journalist Kees van Bruggen en vertrok vervolgens voor een drietal jaren naar Nederlands-Indië. Ze legde zich toe op het lesgeven en het schrijven, waarmee ze, toen ze later gescheiden was, haar brood probeerde te verdienen voor haarzelf en haar twee kinderen.

Ze was geboren en opgegroeid in een tijd en in een omgeving waarin veel armoede heerste en bovendien in een orthodox-joods gezin, een minderheidsgroep, die erg op zichzelf was. Ze had zich aan dit milieu weten te ontworstelen. Ondanks het bereiken van de status van een ontwikkelde zelfstandige vrouw in een periode waarin de vrouwen ongeveer het kiesrecht hadden verworven, namelijk in 1919, was ze uiteindelijk toch geen gelukkig mens. Ze kon prachtig schrijven; de boeken hadden soms een autobiografisch karakter. In De Verlatene uit 1910 beschrijft ze het verdrietige lot van haar ouders, die hun modernere kinderen van zich zagen vervreemden. Ze schrijft over haar mislukte huwelijk en haar echtscheiding.

In 1920 huwt ze met de kunsthistoricus Aart Pit. Er volgt een tamelijk gelukkige periode. Ze schrijft in 1921 het juweeltje Het kleine huisje aan de sloot, haar populairste boekje. Hierin schrijft ze in korte novelles huis- tuin-en- keukenverhalen over haar veilige kindertijd in het joodse milieu aan de hand van de belevenissen van een negenjarige tweeling. Ze is veertig jaar oud en heeft vrede met haar verleden. Ze is een zeer intelligente vrouw, schrijft in diverse dagbladen en is bevriend met de schrijver Frans Coenen, een der redacteuren van het tijdschrift De Nieuwe Kroniek.

Met haar beroemde essaybundel Prometheus heeft ze grote invloed gehad op AAenno ter Braak, één van de belangrijkste essayisten van de twintigste eeuw. In 1927 verschijnt haar autobiografische roman Eva. Daarna gaat het helemaal mis met haar. Vanaf 1928 volgen depressies elkaar op. Ooit schreef ze op het dieptepunt van een depressie: 'huidige toestand: de dood'. De laatste jaren van haar leven verblijft ze in inrichtingen. Op 16 november 1932 beëindigt ze haar leven.


Info in Biografisch Woordenboek van Nederland 2 (Den Haag 1985) Een artikel van W. Otterspeer


Carolina Lea de Haan (1881-1932)

Carolina Lea de Haan (bekend onder de naam Carry van Bruggen , pseud. o.a. Justine Abbing) schrijfster, essayiste (Kloosterveen gem. Smilde 1-1- 1881 - Laren (Nh) 16-11- 1932 ). Dochter van Izak de Haan, godsdienstleraar (gazzen), en Betje Rubens. Gehuwd op 6-1-1904 met Cornelis Johannes Antonius van Bruggen, journalist en letterkundige. Uit dit huwelijk werden 1 zoon en 1 dochter geboren. Na echtscheiding (24-2-1917) gehuwd op 20-7-1920 met Adriaan Pit, kunsthistoricus. Uit dit huwelijk werden geen kinderen geboren. Carry van Bruggen kwam uit een orthodox-joods gezin, bezocht te Zaandam de gemeentelijke ULO-school, volgde vanaf ongeveer 1895 aan de normaalschool een opleiding tot onderwijzeres en vestigde zich als zodanig vanaf oktober 1900 te Amsterdam.

Hier kwam zij door toedoen van haar broer Jacob Israël de Haan in contact met een studentikoos en artistiek milieu. Na haar huwelijk op 6 januari 1904 vertrok zij met Kees van Bruggen naar Indië. Haar verblijf aldaar moet haar weinig vreugde gebracht hebben. 'We hadden dat land niet lief en we zouden er geen innig-lieve vrienden laten', zou zij er in 'Bij 't heengaan' (De Nederlandsche Spectator 48 (1907) 234) van zeggen. De dubbele moraal die ze er aantrof in rechtsgevoel en seksuele opvattingen heeft in haar romans Goenong-Djatti (1909) en Een Indisch huwelijk (1921) haar kritische neerslag gevonden. Wel debuteerde zij in Indië, met boekbesprekingen en een vrouwenrubriek in de Deli Courant, waarvan haar man redacteur was, en met novellen in het Weekblad voor Indië.

In 1907 keerde het echtpaar terug naar Amsterdam en debuteerde Carry in boekvorm met de bundel schetsen In de schaduw. Dit is het eerste van een vijftal boeken die zij tussen 1907 en 1910 het licht zou doen zien en die deels handelen over het leven in de tropen, deels zich afspelen in het joodse milieu van haar jeugd. Ze zijn alle geschreven onder invloed van de literaire mode van die tijd, het naturalisme, waarbij de gedetailleerde sfeertekening van een dominant milieu het belangrijkste thema vormt. Haar beste en meest succesrijke werk uit deze periode was De verlatene (1910), waarin zij in vier kinderen even zovele afwijkingen weergeeft van het orthodox-joodse patroon van de vader. Na haar aankomst in Nederland werkte zij ook als recensente mee aan tal van bladen en heeft zij zich, na grotendeels op eigen kracht Frans, Duits en Engels geleerd te hebben, intensief met vertaalwerk beziggehouden. Zo vertaalde zij werk van Sheridan en Shaw, en later nog van De Musset, Galsworthy, Hugh Walpole en Dumas (père).

In 1913 sloeg zij met de roman Heleen een heel andere, eigen weg in. De schrijver Frans Coenen, met wie zij in deze tijd een relatie onderhield die de grenzen van de toen heersende huwelijksopvattingen te buiten ging, noemde dit haar eerste boek, omdat zij hierin 'voor het eerst zich aan zichzelf en de wereld openbaarde'. In het enige interview met haar dat bekend is, met André de Ridder in Den Gulden Winckel 14 (1915) 97-102, zegt ze dat het realisme niet bij haar paste, dat ze met Heleen zichzelf geworden was, omdat de gemoedsbeschrijving hoofdzaak geworden was. Deze roman omvat daarmee een bijna compleet program voor haar latere werk. De stemming van het boek is Heleens deernis met al het bestaande, de fundamentele opdracht die zij zich stelt aan de weet te komen 'waarom alles is... zooals het is'.

Heleen komt echter niet verder dan de kwelling van de cirkelredenering, dan het inzicht dat al wat leeft - d.w.z. zich onderscheidt - eenzijdig en absurd is, maar dat haar verlangen naar eenheid, naar de oorsprong, waarin alles samen en redelijk is, niet anders dan verlies van individualiteit, dan doodsverlangen is. In de kloof tussen ideaal en praktijk verliest zij ten slotte haar laatste illusie. De liefde die alles moet goedmaken, die zij een man onomwonden toont, wordt uitgelegd als een flirtation. In een laatste brief aan deze man legde Carry in Heleens pen haar eigen opvattingen over de strijd voor gelijke rechten voor de vrouw en de ideale relatie met een man: 'Ik geef niets om mijn rechten in dien zin; ik wil wel dienen, maar ik wilde niet mijn mindere dienen. Ik heb gedroomd van den man, die mij aan zijn voeten zou kunnen zien, zonder mij als zijn slavin te behandelen' (302-303).

In 1914 gingen Carry en Kees van Bruggen uit elkaar, maar de officiële scheiding werd pas in 1917 uitgesproken. Carry vestigde zich in Laren en voorzag door lesgeven en het houden van lezingen in het onderhoud voor haar en haar twee kinderen. Veel van haar ervaringen van haar huwelijk en echtscheiding verwerkte Carry in Een coquette vrouw (1915), waarin zij ook voortborduurde op het slot van Heleen en het probleem van de liefde die dienstbaar is zonder vernederend te zijn. 'Liefde', zegt ze hier, 'ligt... in de strooming van het Onsterfelijke, het Eeuwige. Daarin bovenal zoeken we iets van dat "Eeuwigheids-heimwee" tot vervulling te brengen, als tegenwicht van het vluchtige, wisselende van de dingen van ons tijdelijk bestaan' (Een coquette vrouw, 108).

Tijdens de oorlog publiceerde zij weinig, maar concentreerde zij zich vooral op haar filosofisch hoofdwerk Prometheus (1919). In dit boek, dat blijkens de ondertitel, de ontwikkeling van het individualisme in de literatuur onderzoekt, spelen de begrippen levensdrift en doodsdrift een centrale rol. In de werkelijkheid manifesteert de eerste zich als collectieve distinctie, waarvan stand, klasse en natie de meest tastbare vormen zijn. Prometheus is dan de individualist, de ketter, de rebel. Zijn eenheidsverlangen uit zich in de strijd tegen de collectiviteit. Zijn tragedie is dat hij alleen kan afbreken. Zou hij worden tot bouwer van een nieuwe orde, dan handelt hij in strijd met zijn eigen wezen. Toch biedt Prometheus, met wie Carry zich niet geheel kan vereenzelvigen, als boek meer soelaas dan Heleen. Aan het eind staat de acceptatie van het paradoxale leven, de bereidheid op pad te blijven gaan.

Na dit essay deed Carry, vooral onder het pseudoniem Justine Abbing, wat mindere romans het licht zien als Uit het leven van een denkende vrouw (1920) en Het verspeelde leven (1922). In 1925 paste zij de grondgedachte van Prometheus toe op de taal in Hedendaagsch fetischisme. Dit boek is minder emotioneel dan Prometheus, veel ironischer, en is vooral uit op de ontmaskering van de eerbied voor de taal - in welke vorm dan ook, landstaal, voertaal, kunsttaal - als de absurde distinctiedrift van een kaste. De beide boeken vonden een slecht onthaal. Huizinga vond Prometheus 'eerzuchtig gedoe' en J. Prinsen J.Lz. meende Hedendaagsch fetischisme het best te omschrijven met 'onbekookt gewawel'. Uit de afkeer van Carry van Bruggen voor academische titels en 'pompeuze geleerdheid' valt af te leiden hoe haar dit gekwetst moet hebben.

In 1920 hertrouwde Carry met de 21 jaar oudere, fijnzinnige kunsthistoricus A. Pit. In de gelukkige eerste jaren van dit huwelijk schreef ze de uitstekende verhalenbundels Het huisje aan de sloot (1921), Avontuurtjes (1922) en Vierjaargetijden (1924), die vooral opvallen door de zachte herinnering, de acceptatie van het verleden. Het huisje aan de sloot behaalde zelfs de prijs van de Haagsche Post, die de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden toekende aan de beste roman van dat jaar. Een zeer goed onthaal vond haar laatste roman, Eva (1927). Dit boek wordt algemeen beschouwd als haar meesterwerk, zowel naar de vorm als naar de inhoud. Vormtechnisch is het een opvallend boek door de hantering van de 'stream of consciousness', de wisseling van vertelperspectieven en het aanbrengen van consistentie door herhaling van beelden en motieven. De belangrijkste motieven zijn seksualiteit, dood en de eenheid van een levensvisie.

Aan het eind van de roman vindt Eva het archimedisch punt waar seksualiteit geen schaamte meer voortbrengt, waar de dood niet meer dient ter betaling van de onvermijdelijke levensschuld en waar de eenheid bereikt wordt door de acceptatie in de vorm van de zachte humor. Op 3 april 1928 wordt Carry van Bruggen tijdens een lezing onwel en verzinkt in een, volgens diagnose van dr. A. Querido, 'climacterische depressie', waaruit zij niet meer kan loskomen. Na een worsteling van vier jaar, waarin vooral het onvermogen 'iets te voelen' haar kwelde, stierf zij, hoogstwaarschijnlijk uit eigen wil, op woensdag 16 november 1932. Terwijl zij als journaliste en columniste blijk gaf van een waarlijk onbeperkte belangstelling, ligt het belang van haar beschouwend en verhalend werk in de eerste plaats in haar eigen persoonlijkheid. In het genoemde interview met De Ridder zei ze: 'Ik belijd altijd mezelf.'

Op grond daarvan is de waardering van haar werk steeds tegen de achtergrond van een biografische of psychologische interpretatie geplaatst. Vooral haar tijdgenoten hebben het daar moeilijk mee gehad. Uiterst onconventioneel als haar voorkomen en optreden was, zou alleen een man als Frans Coenen de grote menselijkheid van deze vrouw zien. Wat later was het ook een buitenstaander als Menno ter Braak die de bevrijdende werking van haar denken onderkende. Van de meer academische interpretatie legde Annie Romein-Verschoor de nadruk op Carry's gevoelens van minderwaardigheid en M.-A. Jacobs op het onaffe, onevenwichtige in haar persoonlijkheid.

Pas sedert ongeveer 1975 is er een hernieuwde belangstelling, die, vooral door het werk van Jan Fontijn, een nieuw begrip mogelijk maakt voor de specifiek romantische grondtoon van haar werk, waarin de relatie tussen zelf ontleding en algemene beschouwing veel ingewikkelder is dan in de moraliserende interpretatie van met name Jacobs, en waarin liefde en deernis de belangrijkste componenten vormen en waarvan de geest van eerlijkheid en spontaniteit veel herkenning blijkt te vinden bij het publiek van de jaren '70.


Info op schrijversinfo.nl


Werk

Proza

• In de schaduw (Van kinderleven) (verhalen) (1907)
• 'n Badreisje in de tropen (verhalen) (1909)
• Goenong-Djatti (1909)
• Breischooltje (verhalen) (1909)
• De verlatene. Een roman uit het Joodse leven (1910)
• Heleen. (1913)
• Het Joodje (1914)
• Een coquette vrouw (1915)
• Van een kind (verhalen) (1918)
• Om de kinderen (1918)
• Enkele bladen uit Helene's dagboek (1919)
• Uit het leven van een denkende vrouw (1920)
• Een kunstenaar (1921)
• Het huisje aan de sloot (1921)
• Een Indisch huwelijk (1921)
• Het verspeelde leven (1922)
• Avontuurtjes (verhalen) (1922)
• Maneschijn met koek en Al om een suikerballetje (1923)
• De vergelding (1923)
• Vier jaargetijden (1924)
• Tirol (reisbeschrijving) (1926)
• Eva (1927)
• Seideravond (monoloog) (1934)
• Heleen/Enkele bladen uit Helene's dagboek (1934)
• Vijf romans (De verlatene/Heleen/Een coquette vrouw/Het huisje aan de sloot/Eva) (1979)
• Tegen de dwang. Een keuze uit de verhalen (1981)
• Aan een draadje (bibliofiel, 89 ex.) (1984)
• Plattelandjes (door J. Fontijn en D. Schouten) (1988)
• Van het Platteland. "Deux Ecoles" (Uitg. t.g.v. heropening Larense Boekhandel) (1991)
• Verhalend proza (De verlatene/Het huisje aan de sloot/Eva) (2007)

Voor kinderen:

• De klas van twaalf (1926)

Brieven

• Vijf brieven aan Frans Coenen (J.M.J. Sicking) (1970)

Overige non-fictie

• Vaderlandsliefde, menschenliefde en opvoeding (1916)
• Prometheus. Bijdrage tot het begrip der ontwikkeling van het individualisme in de litteratuur (1919)
• De zelfvermomming der absoluten (1920)
• De grondgedachte van 'Prometheus. Een redevoering (1924)
• Hedendaags fetischisme (1925)
• Een leerstoel voor 'zuivere rede'? (1925)

Vertalingen/bewerkingen

• R.B. Sheridan, De rivalen (toneelspel in 5 bedrijven) (1910)
• Franc de Pressensé, De verschrikkingen der Russische gevangenissen (1913)
• A. de Musset, Men moet nergens op zweren (blijspel in één bedrijf) (1917)
• John Galsworthy, De Freelands (1920)
• Hugh Walpole, Drie oude vrouwen (1926)
• Alexandre Dumas, De drie musketiers (1932)

Bloemlezingen


Tijdschriften

• In Nederlands-Indië was haar man redacteur van de 'Deli Courant'. Carry schreef bijdragen voor deze krant met als titel 'Brieven van May'.
• Carry van Bruggen schreef lange tijd voor 'Het Algemeen Handelsblad'. In eerste instantie schreef ze de rubriek 'Van het Platteland'. In de volksmond heette deze bijdragen 'Plattelandjes' en waren zeer geliefd. Later was de titel 'Gesprekken'.
• Carry van Bruggen publiceerde o.a. in 'De Amsterdamse Dameskroniek' en 'De Groene Amsterdammer'.
• Na 1907 werkte ze o.a. voor 'Groot Nederland' en 'Elsevier's Geïllustreerd Maandschrift'.

Over Carry van Bruggen

• Een bijdrage: 'Carry van Bruggen' in 'Geschenk 1933', door Gerard van Eckeren.
• Annie Salomons schrijft in 'Herinneringen uit den ouden tijd (aan schrijvers die ik persoonlijk heb gekend)' (1957) een hoofdstuk over Carry van Bruggen.
• M. de Haan, 'C. van Bruggen, mijn zuster' (1960)
• M.A. Jacobs, Carry van Bruggen; Haar leven en literair werk (1962)
• Jaap Meijer, 'Waar wij ballingen zijn: essays over joodse letterkundigen in Nederland' (1968)
• Een hoofdstuk over Carry van Bruggen in de 'Oost-Indische Spiegel' van Rob Nieuwenhuys (1972)
• 'Over Carry van Bruggen' in 'In den verleden tijd' (1975) en in 'Proza 1' (1983) van A. Roland Holst.
• Jan Fontijn en Diny Schouten, 'Carry van Bruggen' (themanummer De Engelbewaarder) (1978)
• M. van Amerongen, 'Carry van Bruggen' in 'Vrouwen rond de eeuwwisseling', onder redactie van Aukje Holtrop (1979)
• Ruth Wolf, 'Van alles het middelpunt. Over leven en werk van Carry van Bruggen' (1980)
• Jan Fontijn en Diny Schouten, 'Carry van Bruggen, een documentatie' (1985)
• J.M.J. Sicking, C. van Bruggen, Overgave en verzet. De levens- en wereldbeschouwing van Carry van Bruggen (1993)
• Een bijdrage over Carry van Bruggen in 'Kritisch Lexicon van de Nederlandstalige Literatuur na 1945' door J.M.J. Sicking (mei 1998)
• Darja de Wever, 'Het is geen kolonie, het is een wereld: vrouwen bereizen en beschrijven Indië 1852-1912: Ida Pfeiffer, Augusta de Wit, Anna Weber-van Bosse, Marie van Zeggelen, Carry van Bruggen, Aletta Jacobs, Dé-lilah' (2003)
• Madelon de Keizer, 'De dochter van een gazan - Carry van Bruggen en de Nederlandse samenleving 1900-1930' (2006)
• Marscha van Noesel, 'Carry van Bruggen (1882-1932) en Smilde' in 'Zeuvendaagse. Wandelen met schrijvers door Drenthe', red. Ton Peters en Jan Veenstra (2008)

Diversen: (Zonder een schijn van volledigheid)

• 'Heleen' verscheen als Bulkboek 132
• Ina de Kruyff uit 'Een coquette vrouw' werd door Inez van Eijk en Rudi Wester beschreven in hun 'Honderd helden uit de Nederlandse literatuur'.
• 'De verlatene' werd in 1986 door C.J. Aarts en N. van der Meulen in hun boek 'Het literair eeuwboek. Honderd jaar het boek van het jaar' uitgeroepen tot het beste boek van 1910.
• 'Uit het leven van een denkende vrouw' werd in 1986 door C.J. Aarts en N. van der Meulen in hun boek 'Het literair eeuwboek. Honderd jaar het boek van het jaar' uitgeroepen tot het beste boek van 1920.
• 'Eva' werd in 1986 door C.J. Aarts en N. van der Meulen in hun boek 'Het literair eeuwboek. Honderd jaar het boek van het jaar' uitgeroepen tot het beste boek van 1927.
• Renate Rubinstein noemde haar verhalenbundel in 1979 'Hedendaags feminisme' als hommage aan Carry van Bruggen.

• Max Pam maakte voor HP/De Tijd (10-09-1999) een lijst met de 100 beste boeken van de eeuw.
Hij nam hierin van Carry van Bruggen op:

Op nr. 9 'Hedendaags fetisjisme' (In 1925 geschreven, maar zeldzaam modern. Een mooi voorbeeld van hoe iemand zijn tijd vooruit kan zijn).
Op nr. 33 zette hij 'Prometheus' (Wederom verbluffend modern, zonder ook maar ergens modieus te zijn).
Op nr. 91 zette hij 'Het Joodje' (Voor wie wil weten waar antisemitisme vandaan komt).

• Het Letterkundig museum publiceerde begin 2007 een top 100 van grootste dode schrijvers. Ook Carry van Bruggen was in dit 'Pantheon' opgenomen. Eind 2008 zal het museum met een permanente expositie aandacht aan deze schrijvers besteden.

Literaire prijzen

• Haagsche Postprijs 1922 voor 'Het huisje aan de sloot'.


Opmerkingen

• De meisjesnaam van Carry van Bruggen was Caroline Lea de Haan. Ze was een (oudere) zus van de schrijver Jacob Israël de Haan. Ze werd geboren in Smilde, op Tramweg 30.
• Haar vader , Izak de Haan was o.a. van 1882 tot 1885 joods godsdienstleraar (gazzan) in het Friese Gorredijk en daarvoor (van 1878-1882) in Smilde. In 1885 verhuisde het gezin naar Zaandam.
• In Zaandam volgde ze de MULO en de Normaalschool (opleiding voor onderwijzeres).
• Ze groeide op in een joods milieu. Haar vader was godsdienstleraar. Dit milieu beschrijft ze in enkele van haar boeken.
• In 1900 werd ze onderwijzeres in Amsterdam.
• Ze trouwde in 1904 met de journalist en schrijver Kees van Bruggen, die ze in 1901 had leren kennen.
• Na haar huwelijk woonde ze in Nederlands-Indië en Delhi. In Nederlands-Indië was haar man redacteur van de 'Deli Courant'. Carry schreef bijdragen voor deze krant.
• In 1907 kwam ze terug naar Nederland. Ze woonden aan de Valeriusstraat in Amsterdam.
• Carry van Bruggen debuteerde in 1907 met de novellenbundel 'In de schaduw'.
• In 1914 ging ze in Laren wonen. In 1917 scheidde ze van Kees van Bruggen.
• In 1920 trouwde ze met dr. A. Pit, een kunsthistoricus. Ze bleef schrijven onder de naam 'Carry van Bruggen'.
• Haar bekendste werk is 'Het huisje aan de sloot' (1929). 'Eva'(1927) wordt gezien als haar beste werk.
• Haar vroegste werk is realistisch-psychologisch. Haar later werk (vanaf 1910) is meer autobiografisch en geeft vaak een treffend beeld van haar jeugd en het joodse milieu.
• In de filosofische studie 'Prometheus' (1919) veegde ze de vloer aan met alle vormen van conservatisme en verstarring.
• Met 'Hedendaagsch fetischisme' (1925) schreef ze een analyse van moderne vormen van bijgeloof.
• Carry van Bruggen leed aan depressiviteit. Vanaf 1928 werd ze regelmatig in diverse verpleeghuizen verpleegd.
• Ze overleed in 1932 nadat ze een overdosis slaapmiddelen had genomen. Ze raakte in coma en kreeg tijdens haar coma een longontsteking, waar ze aan stierf. Meestal wordt dit als zelfmoord betiteld. M.A. Jacobs twijfelt hier in 'Carry van Bruggen; Haar leven en literair werk' (1962) aan. Door het vele gebruik was ze wel aan een groot aantal slaappillen gewend.
• Carry van Bruggen ligt begraven op de Algemene Begraafplaats, Hilversumsewerg in Laren (graf 9 E). Op haar grafsteen staat haar schrijversnaam.
• In de Zaandamse Spoorbuurt komt een bronzen beeld van Carry van Bruggen van de beeldend kunstenaar Helen Frik.
• Het werk van Carry van Bruggen was, behalve misschien 'Het huisje aan de sloot' bijna vergeten. De laatste twintig jaar komt er echter weer aandacht voor haar werk, ook omdat er meer aandacht is gekomen voor vrouwelijke auteurs in het algemeen.





© 2006-2009 www.mijn-eigen-website.nl