In en om Assen





Oude ambachten in Drenthe
De scheper


Bronvermelding:
'Gedane zaken; de twintigste eeuw in 32 portretten'. Redactie Harrie Gras en Anja Schuring. 2001 H. Gras, Groningen.
ISBN 90 76535 02 7. Een interview van Joke Wolff en Anja Schuring


Bron schoolplaat: Antiquariaat De kantlijn Bredevoort


Wessel Luten vertelt over zijn leven als schaapsherder


In 1947 was Wessel Luten in Ruinen nog de enige zelfstandige scheper met Drentse heideschapen onder zijn hoede. Dat jaar nam de Natuurbeschermingswacht Meppel en omstreken het initiatief dit schapenras voor uitsterven te behoeden en vroeg daarbij Wessels medewerking. Inmiddels is zijn kudde uitgegroeid van 70 naar 250 schapen en bovendien zijn er nu ook kuddes Drentse heideschapen en Schoonebekers in Dwingeloo, Ruinen, Balloo, Havelte, Orvelte, Exloo en Hijken. De kuddes zelf zijn niet meer rendabel, hun voortbestaan is voor een groot deel afhankelijk van het toerisme.

Wessel Lutten werd op 28 februari 1930 geboren in de buurtschap Engeland in Ruinen. Hij was de jongste van acht kinderen, zes meisjes en twee jongens. Zijn vader was schaapherder met een eigen kudde van ongeveer vierhonderd schapen. Ook Wessels groot- en overgrootvader waren scheper “en zo ik weet niet hoeveul generatie terug”. Vader Luten verkocht in het najaar op de veemarkt de helft van zijn kudde voor de slacht en daarnaast verkochten de Lutens de wol. De familie had er ook een klein boerenbedrijfje bij om het inkomen aan te vullen. De kudde werd gehoed op het Kraloose veld (thans onderdeel van het Dwingelderveld). Met de schapenhouderij was het echter een aflopende zaak.

De grote kudden van weleer waren sinds de eeuwwisseling gedecimeerd en al in de jaren twintig werden er geen schapenmarkten meer gehouden. Eeuwenlang speelde het Drentse heideschaap een grote rol in het gemengde bedrijf van de Drentse boeren; het schaap produceerde wol en mest en was gewild vanwege zijn vlees. Aan het eind van de negentiende eeuw daalde de wolprijs en werd bovendien de kunstmest geïntroduceerd. Er kwamen steeds kleinere kuddes en de boeren die nog wel schapen hadden, kwamen voor steeds grotere kosten te staan om de gezamenlijke scheper te betalen. Bovendien begonnen de boeren massaal de heide te ontginnen waardoor er minder ruimte overbleef voor de schapen.

Waren er in heel Drenthe omstreeks 1900 nog ruim 100.000 schapen, in 1930 waren dat er nog ongeveer tienduizend. Wessel herinnert zich uit zijn jeugd heel goed het jaarlijkse wassen van de schapen. Dat gebeurde half juni in een plas bij het Drostenveen, in de omgeving van Ansen. Dan hielpen ook mensen uit het dorp mee want “er wordde nog wel ies wat bij drunken”. Na het wassen moesten de schapen nog een week zweten voordat ze werden geschoren. Zodoende kwam er weer vet in de wol en dat knipt beter dan droge wol. Het is zaak precies tussen de oude bovenvacht en de nieuwe ondervacht te knippen. “Dan kriej ze ok mooi glad, want aj in dat aolde haor zit te rossen dan blieft er van die dooie koppies opzitten en dan kriej later van die stiekelvarkens”.


Wessel had altijd zijn kloetschuppe bij zich

Al op zijn dertiende werd Wessel hulpscheper bij zijn vader. In 1946 nam hij de kudde, die inmiddels was geslonken tot ongeveer zeventig schapen, over. In die tijd liep op de Kraloose heide ook nog een gezamenlijke kudde van drie plaatselijke boeren met een vaste herder, maar die werd in 1947 opgeheven. “Toen waren de Dreintse heideschaopen zo goed as uut-estörven”. De Natuurbeschermingswacht Meppel en Omstreken (NMO) wilde uitsterven voorkomen en tevens het “olde in ere holden”. De NOM had her en der bij boeren een aantal Drentse heideschapen gekocht en vroeg Wessel deze onder zijn hoede te nemen. In 1949 bouwde de NMO voor hem een kooi op het nabij gelegen Kloosterveld waar hij ook zijn eigen kudde kon stallen.

In 1951 zag Wessels van verdere samenwerking af. Het boterde niet tussen beide partijen. Hij verkocht het gros van zijn kudde aan de NMO, die in zijn plaats scheper Willem Huizing in dienst nam. Wessel zelf ging verder met een stuk of vijftien schapen die hij veelal gewoon bij huis had lopen. In 1963 ging Wessel opnieuw bij de kudde van Ruinen werken, maar nu als invaller. Hij werkte drie á vier dagen per week en hele weken tijdens de vakantie van Pauwel Mos, die de plaats van Huizing had ingenomen. De NMO was inmiddels opgegaan in de Stichting Het Drentse Heideschaap. In het veld had Wessel naast zijn rugzak met proviand altijd zijn zitstok – een stok met een uitklapbare zitting – en zijn kloetschuppe bij zich.

De kloetschuppe had een klein schepje waarmee hij een kluitje aarde naar een afgedwaald schaap kon gooien. “Dan gooi ie hum met dat kloetie zaand um de oren en dan schrikt e en komp terug”. De kloetschuppe diende tevens als wandelstok en hulp bij het slootjespringen. Wessel hield meestal twee honden tegelijk, vaak een schapendoes en een Hollandse herder. Ze gingen zelden beide tegelijk mee het veld in. “Miestal um en um, aans jaagt ze mekaar op en dan giet het vaak een beetie te hard en daor hol ik niet zo van. Ik heb het liever wat rustiger”. De honden moesten ervoor zorgen dat de kudde bij elkaar bleef. Wessel had nooit een vaste route. “Ze wilt tenslotte niet alle dagen op dezölfde plek eten zuken”.


Wessel Luten met zijn kudde op het Dwingelderveld op een foto uit de jaren zeventig. Onder zijn arm heeft hij een 'kloetschuppe': een stok met aan de ene kant een klein schepje en aan de andere kant een vanghaak. Met het schepje kon hij een kluitje aarde pakken en dat gooien naar een schaap dat dreigde af te dwalen. De vanghaak gebruikte Wessels bijvoorbeeld om een kreupel schaap bij de nek uit de kudde te halen, zodat hij de nagels schoon kon krabben (collectie W. Luten, Ruinen)


“As ’s morgens de zun opgung, dat was het mooiste van scheper weden, het allermooiste”.

Bovendien had de kudde inspraak. Als Wessel ’s morgens de deuren van de kooi opende “muchten ze zölf weten welke kaant ze uut-ewollen. Op zukke momenten bint het wel altied dezölfde dieren die veuran in de kudde loopt, de brutaolsten”. De schapen waren het wel altijd met elkaar eens. Het was nooit ze dat de kudde in twee delen uiteen viel. Ook ’s winters ging Wessel met de kudde gewoon naar buiten. “Ieeet zölf toch ’s winters ok”. De schapen werden dan wel bijgevoerd, want soms konden ze onder de lagen sneeuw niet genoeg voedsel verzamelen, Alleen als het geijzeld had, bleven de schapen in de kooi omdat er dan te veel kans op botbreuken was.

En as de veugelties in het veld zit te fluiten, da’s ok zo mooi”. Aan onweer op het veld had Wessel een grote hekel. Als hij een bui zag komen, was er geen tijd meer om terug te gaan, want een bui gaat veel sneller dan een kudde. “Dan muj gewoon de bui ofwachten en zörgen dat de schaopen rustig blieft. Dan gung ik in een klein bultie zitten en dan dee ik alles uut en dan gung ik op het goed zitten. Als de bui over was, was het goed nog mooi dreuge en dat kun ik dan zo weer antrekken”. Een goede schaapherder moet ik Wessels ogen liefde voor de dieren hebben en “ertegen kunnen daj zunder meinsen warkt”.

Hij vindt het beslist geen eenzaam beroep: “Aj doar met veerhonderd dieren loopt, allemaol verschillend, nee ’t is niet eenzaam. Ie bint constant met de beesten bezig. Ik praot er ok met, ze hebt allemaol een eigen naam en gezicht. ’t Bint net meinsen, allent bint ze eerlijker as meinsen”. Toch kreeg Wessel in de loop van zijn carrière met heel veel mensen te maken. Geleidelijk kwamen er meer toeristen naar de kudde kijken. Met de toeristen kwamen ook de televisie en de radio “en dan kriej dat gedonder. Dan bint meinsen net schaopen, dan is’t iene kudde: allemaol achter mekaar an”. De kudde van Ruinen heeft in de lente ongeveer 500 schapen, waarvan in het najaar de helft weer wordt verkocht.


“Er komp oe een vieze weeë lucht tegemoet van parfum en poeier”

De kudde wordt inmiddels erg druk bezocht. Vooral in het voorjaar, als de lammetjes voor het eerst meegaan het veld in, vond Wessel het wel eens lastig als er veel mensen waren. “Die laompies die kent de weg nog niet en kiender die wilt ze aaien en vangen en dan loopt ze de verkeerde kaant op. En ie moet toch altied je goeie humeur bewaren want ie kunt de meinsen niet wegjagen”. De kudde zelf is namelijk niet meer rendabel, dus de stichting is afhankelijk van donaties. “Maor zo as’t nou is, hej s ‘aovends amet meer meinsen bij de kooi as schaopen”. Speciaal op warme dagen had Wessel het wel eens te kwaad. “Aj dan naor die kooi toegaot dan komp oe gewoon een vieze weeë lucht tegemoet van parfum en poeier en weet ik niet al”.

De werkdagen duurde van half elf tot half zes, “maor dat deden wij um de toeristen, aans hadden die niks te kieken”. Toen Wessel voor zichzelf hoedde, ging hij met name op warme dagen, twee keer per dag met de schapen het veld in; ’s morgens van zes tot tien en ’s middags van vijf tot een uur of negen. Het voedsel was dan veel frisser en bovendien was het dan minder warm. “Dan lupen ze niet zo te hijgen. Het was wat diervriendelijker”. In oktober 2000 stopte Wessel met het hoeden van de schaapskudde van Ruinen. Pauwel Mos en daarna zijn zoon Jan hadden deze kudde samen met Wessel onder hun hoede gehad en toen Jan ermee stopte, hield Wessel het ook voor gezien.

De kleinzoon Paul Mos is nu de scheper. Achter Wessels huis lopen een veertigtal schapen, waaronder een aantal rasechte Drentse heideschapen, maar ook een paar die zijn gekruist met een Schoonebeker. “Dan kriej een ietsie zwaorder schaop, want de meinsen wilt uuteindelijk tcoh graag een beetie meer vleis op bord hebben”. Eigenlijk ging hij niet met pensioen. “Zo warkt dat hier niet, waor aj ien keer met besmet bint, daor koj niet meer vanof”.






© 2006-2009 www.mijn-eigen-website.nl