In en om Assen





Oude ambachten in Drenthe
De Bakker


Bronvermelding:
'Gedane zaken; de twintigste eeuw in 32 portretten'. Redactie Harrie Gras en Anja Schuring. 2001 H. Gras, Groningen.
ISBN 90 76535 02 7. Een interview van Ingeborg Harkema d.d. juli 1996


Bron schoolplaat: Antiquariaat De kantlijn Bredevoort


Hendrik Kamphuis vertelt over zijn leven als bakker


Hendrik Philippus Kamphuis begon in 1915 op z’n twaalfde als leerling-bakkersknecht, maar al gauw kreeg hij ambities om ooit zelfstandig bakker te worden. Door zijn vakmanschap en zakelijk inzicht vond hij altijd gemakkelijk een nieuwe werkkring, voordat hij zich in 1933 voorgoed in Bonnen bij Gieten vestigde.

Hendrik werd op 1 juni 1903 geboren in Veendam. Drie jaar later verhuisde het gezin naar Klazinaveen, waar vader Kamphuis schilder werd bij de turfstrooifabriek van Scholten. Als kind leed Hendrik nogal onder een zwakke gezondheid. Van schoolgaan kwam daardoor lange tijd weinig terecht, maar hij leerde thuis uit het lesmateriaal dat broer en zus van school meebrachten. Hierdoor kon hij na zijn herstel de vijfde klas gemakkelijk oppakken. Toen Hendrik van school kwam, wilde hij wel, net als zijn vader, schilder worden. Heet bleek echter dat hij kleurenblind was. Gelukkig zag Stoker, een plaatselijke bakker, in Hendrik wel een geschikte leerling-knecht.

Hendrik werd inwonend bij de baas. ’s Zaterdagavond ging hij naar huis en op maandagochtend om vijf uur stond hij weer paraat. Bij Stoker leerde Hendrik de grondbeginselen van het bakkersvak: kneden, bakblikken insmeren en brood en koek bakken. Alles gebeurde nog met de hand, zelfs het afmeten van de ingrediënten en het schatten van de juiste oventemperatuur. Hendrik maakte nog mee dat het deeg met de voeten werd gekneed. Later gebeurde dat door het deeg met een “holten scheppie te mengen, dan drei keer hen en weerom deur de trog en dan nog drei keer met de haanden.” Vervolgens deed een elektrische machine zijn intrede, maar dat ging volgens Kamphuis ten koste van de smaak.

Ook brood van windgemalen meel smaakte beter dan dat van mechanisch gemalen meel. Stokers specialiteit was het zurige, Duitse roggebrood. Vers uit de oven woog dit maar liefst 24 pond. De stoeten, brood van tarwemeel, wogen gewoonlijk 8000 gram. Daarnaast werden er krenten- en rozijnenbrood en “aolde wievenkoek” gebakken. Rond Nieuwjaar bakten ze speciaal voor de kinderen “plassies”, een soort bitterkoekjes. Iedere dag na de koffie gingen “de baos en ik met ons beidens uut venten”. Met paard en zwaar beladen wagen werd het brood in de wijde omgeving bezorgd. Om half twee waren ze weer thuis voor het eten. Tijdens de Eerste Wereldoorlog steeg de broodprijs en kwam het brood op de bon.


Hendrik stookte de steenovens met takkenbossen

Stoker, “de op één na dikste bakker van Drenthe”, beschikte als enige in de omgeving over vergunningen om tot vlak bij de Duitse grens te mogen venten. Hij verkocht zijn brood ook langs de ‘Smokkelwieke’ over de grens. “Dat mocht niet, maar dat kon wel.” Omdat Hendrik na de lagere school een schriftelijke cursus Praktijk Boekhouden had gevolgd, hielp hij Stoker een tijdlang op zondagochtend met de boekhouding. Daarna ging hij op de fiets naar de kerk. Daar viel hij dan in slaap: “Ik was niet dood, maor wel meui!” Op zijn zestiende besloot Hendrik zijn geluk elders te beproeven. Hij werkte onder anderen bij Knol in Erica. Knol had een grote en een kleine knecht in dienst en zelf ventte hij langs de weg.

Verder grossierde hij zijn beschuit aan de plaatselijke winkeliers. Hendrik hielp zijn baas met venten: op de fiets aan beide kanten Duitse roggebroden en voorop de stoeten en de gewone, nog opgesneden roggebroden van 12 pond. Toen de grote knecht hogerop wilde, kon Hendrik diens plaats overnemen. Maar daar voelde hij niet voor. Hij zei tegen Knol: “As ik de kaans heb, wil ik deurleren en niet alle jaoren een baos hebben.” Dus ging hij weg om zich bij anderen verder in het vak te bekwamen. Zo kwam hij terecht bij bakkerij Speelman in Bonnen. Aanvankelijk vond weduwe Katrien Speelman hem te jong, maar aangezien hij in Erica zijn capaciteiten om grote knecht te worden had bewezen, kreeg de zeventienjarige toch een kans.

De eerste werkdag kreeg hij om vijf uur ’s ochtends zijn instructies en daarna ging Katrien “weer op bedde”. Om half tien tijdens de koffie inspecteerde de weduwe de oven: “Zukke mooie stoeten har ze nog nooit zien”. Hij kon blijven en in plaats van de afgesproken zeven kreeg hij acht gulden in de week. en bakte er voornamelijk roggebrood, bruine en witte stoeten. Het meel werd gemalen in de molen naast de bakkerij. Er werd nog veel geruild: de plaatselijke boeren brachten rogge en bij Speelman werd het gemalen en gebakken. “Dan brachten ze een puutie en dan konden ie der van bakken. Amet haj van vief méensen wat in de oven staon”.


Hendrik Kamphuis (links op de foto) in de bakkerij van De Jong te Klazienaveen omstreeks 1924. (collectie M. Kolthof-Kamphuis, Gasselte)


Voor 7310 gulden kocht hij de bakkerij


Hendrik verliet bakkerij Speelman begin jaren twintig, toen hij in militaire dienst ging. Jaren later kwam hij tijdens het venten in Veendam de zoon van Katrien Speelman weer tegen. Deze wilde zijn bakkerij verhuren en daar had Kamphuis wel oren naar. Hij tekende een driejarig contract dat per 1 mei 1933 inging voor tien gulden per week. Datzelfde jaar trouwde hij na tien jaar verkering met Engeltje Annechien Edens uit Veendam. Het echtpaar trok in bij Speelman en zijn vrouw. Tussen 1934 en 1944 zouden ze vier kinderen krijgen, twee jongens en twee meisjes. In 1937 ging Speelman failliet. Kamphuis kreeg nu eindelijk de kans om zelfstandig bakker te worden.

Tijdens de publieke verkoop in het café bracht hij zijn bod uit een voor 7310 gulden was de zaak beklonken; de bakkerij met dubbele woning en de elektrische aangedreven molen waren voor hem. Al na een maand besloot Kamphuis de molen te verhuren omdat deze te weinig winst opleverde. Ook op andere momenten toonde Kamphuis zijn handelsgeest. Toen er vlak voor de tweede Wereldoorlog goedkope rogge uit de Sovjet-Unie op de markt kwam, zag hij hier handel in. Hij kocht zo’n 10.000 kilo op en verkocht een deel daarvan door aan collega-bakkers. Zo deed hij dat ook met goedkope zuidvruchten uit Suriname. Tijdens de oorlog verwierf Kamphuis een “vergunning tot turfhandelaar aan huis”.

Hij stap zelf turf uit het veen en verkocht een deel aan huishoudens in Gieten. Met de rest stookte hij zijn steenovens. In die tijd waren er negen bakkers in Gieten, waarvan Kamphuis één van de drie beste was. Hij was vooral vermaard om zijn lichte, smeuïge roggebrood. Door een combinatie van de verschillende bereidingswijzen van het Groningse, Drentse en Duitse roggebrood en door het gebruik van warm water, had dat van Kamphuis een geheel eigen smaak. Ook zijn “aolde wievenkoek” was zeer geliefd. Door het deeg lang te laten rijzen, werd de koek heel luchtig, zonder “streepies”. De exacte recepten wil Kamphuis nog steeds niet prijsgeven


Pas op zijn 78-ste ging Hendrik Kamphuis definitief op zijn lauweren rusten.

De collega-bakkers konden goed met elkaar overweg en verkochten ook wel elkaars waren. Niettemin was de concurrentie groot, ondanks het streven van de plaatselijke bakkersvereniging om onderlinge prijsverschillen tegen te gaan. Een nieuw initiatief vlak na de oorlog was de oprichting van een coöperatie, waarin voortaan voor gezamenlijke rekeningen zou worden gebakken. Alle andere bakkers sloten zich aan bij “de Centrale”. Als secretaris van de bakkersvereniging was Kamphuis aanvankelijk bij de oprichting betrokken. Maar toen moest worden opgegeven hoeveel iedereen bakte om de verdeling te beoordelen, bleek dat hij er zelf niet op vooruit zou gaan. Van de 21 mudden rogge kon hij er maar enkele opgeven, want de rest was ruilrogge en stond dus niet in de boekhouding.

In overleg met zijn vrouw zag hij toen af van deelname. Ze wilden hun zelfstandigheid niet verliezen. Bovendien gingen ze er in inkomsten op achteruit en dat was met vier opgroeiende kinderen niet verstandig. De komst van een maalderij bij de melkfabriek van Gieten was in 1953 aanleiding de molen stil te leggen. Voortaan kreeg Kamphuis fabrieksmeel en bloem aangeleverd van De Waard uit Assen, Wagenborg uit Groningen en Koopmans uit Leeuwarden. Toen zijn vrouw in 1954 overleed, zette Kamphuis in zijn eentje de zaak voort. Het was erg zwaar, want hij had geen knecht meer. Wel hielpen de kinderen mee in de zaak en met het venten met de transport- en bakfiets en later de brommer.

Niettemin maakte Kamphuis erg lange werkdagen. Toch was hij niet te beroerd om bijvoorbeeld ’s zaterdagsavond na zes uur nog wat brood bij een klant langs te brengen. ’s Avonds deed hij de boekhouding en pas na tienen was er tijd voor de kinderen. Wellicht heeft Kamphuis het dankzij deze mentaliteit langer kunnen volhouden dan de Centrale. Maar de kinderen zeiden op den duur: “Pa, dat gaat niet goed, je werkt je kapot!” In 1960 hield Kamphuis het bakkersvak daarom voor gezien. Daarna heeft hij tot zijn pensioen bij slachterij en vleeswarenproducent Udema in Gieten gewerkt en vervolgens was hij nog twintig jaar marktmeester in die plaats. Pas op zijn 78-ste ging Hendrik Kamphuis definitief op zijn lauweren rusten.

Hendrik Kamphuis overleed op 21 juni 1999






© 2006-2009 www.mijn-eigen-website.nl