In en om Assen





Oude ambachten in Drenthe
De Boer


Bronvermelding:
'Gedane zaken; de twintigste eeuw in 32 portretten'. Redactie Harrie Gras en Anja Schuring. 2001 H. Gras, Groningen.
ISBN 90 76535 02 7. Een interview van Ingeborg Harkema d.d. april 1997


Bron schoolplaat: Antiquariaat De kantlijn Bredevoort


Roelof Westebring vertelt over zijn leven als boer


Roelof Westebring heeft bijna de hele twintigste eeuw bewust meegemaakt. Als boer met een gemengd bedrijf te Ekehaar in de toenmalige gemeente Rolde werd hij geconfronteerd met de grote crisis in de jaren dertig en de grote veranderingen in de landbouwsector na de Tweede Wereldoorlog. Met de tractor heeft hij nooit goed overweg gekund.

Roelof Westebring werd op 16 februari 1899 geboren aan de Grote Brink in Rolde. Net als zijn vader en beide broers werd hij boer. Met dertien ging hij van school af, “want deurleren was er niet bij, hé. Dat was maor veur een enkeling weglegd.” Het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog in de zomer van 1914 kan Roelof zich nog goed herinneren. Toen hij op een dag met zijn vader en broers bezig was korenmaaien, werden ineens de kerkklokken geluid. Van brand was niets te zien, maar al snel werd er van veld naar veld geschreeuwd: “Het is oorlog, het is oorlog!” Een tijd van hard werken brak aan, want veel jonge werkkrachten werden gemobiliseerd en paarden werden gevorderd.

Gelukkig verhuurde de Nederlandse Heidemaatschappij soms paarden aan de boeren: “Dat waren de eerste Belgen die wij hier toen zagen.” In 1924 trouwde Roelof met Marchien Westebring uit Ekehaar. Heel in de verte waren ze nog familie van elkaar; ze hadden een gemeenschappelijke overgrootvader. Na zijn huwelijk kon Roelof de boerderij van zijn schoonouders overnemen. Met veertien bunders en zeven koeien was het een gemengd bedrijf van gemiddelde omvang. Door ontginning van heidegronden en het aankopen van rundvee en nieuw land breidde hij het echter gestaag uit. De sterke opkomst van kunstmest omstreeks de eeuwwisseling maakte het mogelijk de omvangrijke woeste gronden in vruchtbaar land om te zetten.

Dit betekende overigens wel het einde van de broodwinning van veel schepers die hun schaapskudden niet meer konden laten grazen op de tot dan toe uitgestrekte heidevelden. Ontginning vond plaats op drie manieren. Ten eerste door de boeren zelf die hun heidegrond omploegden, ten tweede door particuliere grondbezitters van elders en tenslotte op initiatief van de overheid. Door de laatste was de Nederlandse Heidemaatschappij in het leven geroepen die hiervoor met name in de crisisjaren werkverschaffingsprojecten opzette. In de andere gevallen voerden mannen uit de omgeving de zware werkzaamheden uit. Ze hadden hieraan een flink neveninkomen: “Je kunden een gulden daogs verdenen. Dat was toen wat extra’s, want een gewone daghuur was twaalf stuvers.”


Met de hondenkar werden de melkbussen naar de boerderij vervoerd.

Toen Westenbring in 1924 begon, nam hij zelf de ontginning van zijn heidegrond ter hand. Voor moeilijk te ontginnen stukken kon hij subsidie aanvragen bij de Heidemaatschappij, die vervolgens door inzet van werklozen de klus klaarde. Nadat de grond was omgeploegd, werd de schrale grond bewerkt met kalk en kunstmest. Dit kon stikstof, Thomasslakkenmeel of kalizout zijn, “maor kaïniet was het toen meest, hé. Op eerappel kwam ok wel is een partij kali.” Het hoger gelegen land werd vervolgens bestemd voor bouwland en het lagere voor groenland. Westebring verbouwde rogge, haver, aardappelen en voederbieten. De aardappelen verkocht hij voornamelijk als pootgoed. De rogge werd gebruikt als veevoeder en voor eigen consumptie.

In het laatste geval bracht hij een stuk of vijf mudden rogge rechtstreeks naar de bakker in Rolde en kreeg hij in ruil daarvoor het hele jaar brood. “Maor met de zeis bin’k nooit een baos west. En eerappelkrabben, dat duurde zo lang, dat weurden je op ’t lest dik zat.” De veehouderij had duidelijk Roelofs voorkeur en hij handelde dan ook graag op de Rolder vee- en paardenmarkten. “Ik hol veul van good vee en kun heel good melken.” De koeien werden ’s zomers in het land gemolken. Met de hondenkar werden de melkbussen naar de boerderij vervoerd. Iedere dag haalden de melkrijders met paard en wagen de melk bij de boeren op. “Behalve zundags, zo’n tied hew ok had.” De melk werd dan zolang in bussen opgeslagen en in bakken water gekoeld. Of er werd op zaterdagavond een keer extra gereden.

In de zuivelfabriek Acmesa in Assen werd de melk van ongeveer de helft van de 24 boeren uit Ekehaar, waaronder Westebring, verwerkt tot boter en kaas. De melk van de andere boeren ging naar de zuivelfabriek in Rolde. Deze laatste hield zich ook bezig met gezamenlijke inkoop van veevoeder, Door aankoop van grote partijen konden voor de aangesloten boeren de kosten worden gedrukt. Overigens had Roelof’s vader in 1910 gebroken met de gewoonte om de koeien in de zomer ’s nachts op stal te zetten. Dat was noodgedwongen, in verband met de verbouwing van de oude stal. Het beviel hem echter goed: de koeien gavel veel meer melk. Vanaf die tijd lieten ook de andere boeren hun koeien ’s nacht huiten.


In 1947 hielp de schoonfamilie van Roelofs zoon Jan bij het binnenhalen van de korenoogst. Op de achterste rij van links naar rechts: Roelofs dochter Hennie Westebring, zoon Jan Westebring, Jans zwager Geert Schuring, Roelof Westebring, vriendin van de familie Tilly de Bruin, Roelofs vrouw Marchien Westebring - Westebring en Jans vrouw Geertje Schuring. Op de voorste rij van links naar rechts: vaste arbeider Gerrit Meursing, Jans schoonvader Jan Meerten Schuring, Jans schoonzuster Roelofje Schuring - Kinds en Roelofs zoon Piet Westebring ((collectie R. Westebring, Rolde)


De crisisjaren waren rampzalig


Verder fokte Westebring varkens. Als die voldoende waren vetgemest, gingen ze naar particuliere slagers en later naar een groot slachthuis als de Drentex in Assen, de voorloper van de ook alweer verdwenen Coveco. Het aantal varkens dat Westbring hield varieerde sterk, mede door het uitbreken van varkenspest aan het einde van de jaren dertig. Toendertijd wachtte men gewoon tot de epidemie overdreef. “Biggen gungen vanzölf dood. Veer drachtige zeugen gungen wel weg veur noodslacht. De hokken mussen dan ontsmet worden en dat weur controleerd deur een inspecteur. Zeekte under het rundvee, zoas mond- en klauwzeer, kwam ok nog wel is veur.” In 1925 en rond 1937 vielen met name jonge kalveren hieraan ten prooi. “Ja, later weurden zie inent, moar dat was toen nog niet.”

De in 1951 ingevoerde vaccinatieplicht voor runderen werd overigens in 1991 weer afgeschaft. Roelof en Marchien kregen twee dochters en twee zonen. Toen die nog klein waren, had de familie een inwonende knecht en meid in dienst. Na de Tweede Wereldoorlog hielpen een vaste arbeider en de beide zonen mee in het bedrijf. Vanaf eind jaren twintig werd het werk ook vergemakkelijkt door de intrede van landbouwwerktuigen als gevolg van de opkomende mechanisatie. Voordien gebeurde alles nog met de hand. Als eerste kwam er een grasmaaimachine, die getrokken werd door twee paarden. Later kwamen er korenmaai- en hooimachines. Doordat de landerijen veelal zeer verspreid lagen, was niet iedere aankoop financieel rendable.

Door de coöperatieve landbouw- en dorsverenigingen in Rolde werden daarom gemeenschappelijk machines aangekocht en beheerd. Dit werd overigens door de Rolder boerenleenbank sterk bevorderd door middel van kredietverlening. Daarnaast bracht de Heidemaatschappij uitkomst door grote landbouwwerktuigen te verhuren. De crisisjaren waren rampzalig. De melkprijs kelderde in korte tijd met tien cent, waardoor een boer in 1933, 1934 evenveel voor een liter melk kreeg als rond de eeuwwisseling: drie á vier cent. “Het koren was ok niks weerd, hé. Toen kwam de steun op het koren en de eerappels.” De overheid legde de boeren productiebeperkingen op en verleende hen subsidies om enige bestaanszekerheid te garanderen.


De ruilverkaveling van de jaren '70

Wat de boeren teveel produceerden, was voor huishoudelijke consumptie verboden en moest maar aan de dieren worden gevoederd. Na een moeizaam herstel begon in 1940 met de Duitse bezetting weer een moeilijke periode. Zoon Jan moest in Duitsland werken. Paarden en vee werden gevorderd en de boeren werden verplichte leveringen opgelegd. Maar het gezin slaagde erin de oorlog heelhuids door te komen. Vanaf 1955 onderging de bedrijfsvoering grote veranderingen. Er werd een petroleumtrekker aangeschaft, waardoor de paarden en de hondenkar hun functie verloren. De melk werd voortaan met de trekker naar de boerderij vervoerd en het land kon er sneller en gemakkelijker mee worden bewerkt. Westebring liet het besturen van de trekker aan zijn zonen over.

“Ik heb er nooit um maold. Maor as het heuilaolen was, dan gung ik op de trekker rieden. Dan zetten ze ‘m klaor, in de versnelling en ze startten hum. Nou, ik kun wel sturen, maor as de kar vol was dan gung ik derof. Ik gung der niet met hen hoes!” In 1963 deed Westebring zijn boerenbedrijf over aan beide zonen. Piet bleef in het ouderlijk huis en voor Jan werd de daarnaast gelegen boerderij gekocht. Westebring en zijn vrouw trokken in bij Piet, waardoor zij nog lang sterk betrokken bleven bij het wel en wee van het bedrijf. Zo maakte Westebring aan het begin van de jaren zeventig de ruilverkaveling nog van dichtbij mee. Hij was er zeer verguld mee, want zijn landerijen lagen nogal verspreid.

Door de herindeling en de aanleg van verharde landbouwwegen werd verder doorgevoerde mechanisatie rendabel. “Toen kwamen ok die grote waogens met die melktanken. Met de bussen was het toen oflopen.” In 1989 overleed Marchien Westebring. Inmiddels waren ook de zonen van Westebring op leeftijd gekomen. Aangezien ze geen opvolgers hadden, stopten beiden halverwege de jaren negentig met boeren. Westebring zelf verhuisde in 1993 naar een seniorenwoning aan de Molenkamp in Rolde. Vanaf zijn terras heeft hij zicht op zijn geboortehuis.







© 2006-2009 www.mijn-eigen-website.nl