In en om Assen





Oude ambachten in Drenthe
De Dorpssmid


Bronvermelding:
'Gedane zaken; de twintigste eeuw in 32 portretten'. Redactie Harrie Gras en Anja Schuring. 2001 H. Gras, Groningen.
ISBN 90 76535 02 7. Een interview van Ingeborg Harkema d.d. januari 1996


Bron schoolplaat: Antiquariaat De kantlijn Bredevoort


Jannes Santing vertelt over zijn leven als dorpssmid


Voor de Tweede Wereldoorlog had bijna ieder Drents dorp een eigen smederij. De meeste daarvan zijn nu verdwenen, vooral door de grote veranderingen in de agrarische sector. Bouwmarkten en installatiebedrijven kwamen ervoor in de plaats. Eén van de stugge volhouders was Jannes Santing uit Wapse, die omstreeks 1917 als jong knechtje begon bij zijn vader.

Jannes Santing werd op 26 september 1904 geboren in Wapse, in de toenmalige gemeente Diever. Zijn vader Roelof Santing, had zich van smidsknecht in Vledder opgewerkt tot eigenaar van een smederij in die plaats en van één in Wapse. De zaak in Vledder deed hij over aan een broer, die ook smid was geworden. De circa honderd boeren in Wapse en naaste omgeving vormden Roelofs voornaamste klanten. Om zijn inkomen aan te vullen, had hijzelf naast de smederij ook een kleine veehouderij met één, twee en soms drie koeien. “Dat hung veule of van hoe ze het er net antoe hadden.”Jannes ging bij zijn vader aan het werk, toen hij zo’n dertien jaar was.

Behalve het rondbrengen van de jaarrekeningen, mocht hij in het begin alleen eenvoudig smeedwerk doen. Hij bekwaamde zich in de praktijk en volgde ook enkele cursussen, waaronder een cursus hoefbeslag in Hoogeveen. In de smidse werkten ze met zijn drieën: vader en zoon Santing en een knecht. De knechten kwamen veelal uit Zweeloo, Diever, Vledder “of hier uut Wapse: die hew jaoren had”. Vader Roelof overleed in 1930, enkele jaren na zijn vrouw. Jannes en zijn zuster Zwaantje kwamen er zodoende alleen voor te staan. “Dat vul eerst niet zoveul met heur, maor het vlotterde net”. Met hulp van zijn oom zette Jannes de smederij voort.

Ze kochten samen benodigdheden in om de prijs te drukken en deden samen klussen, waaronder het maken en bevestigen van dakgoten. Jannes fietste dan met platen zink naar zijn oom, die toendertijd ongeveer twaalf kilometer verderop in het Friese Elsloo woonde, om ze daar in een mal tot dakgoten te vormen. Met zo’n tien á vijftien goten van een meter lang fietste hij vervolgens terug naar huis of naar een klant. De fiets is altijd Jannes’ vervoermiddel gebleven. Al zijn gereedschap, tin en zoutzuur voerde hij mee in de fietstassen. Net als zijn vader, had Jannes een knecht in dienst. Hun loon bedroeg lange tijd vijf gulden in de week “en ’t eten toe”.


Het was zwaar, maar vooral precies werk

Zowel baas als knecht maakten trouwens lange dagen: om vier uur stonden ze op en het werk werd pas in de avonduren beëindigd. Naast de smidswerk eiste ook de veehouderij aanvankelijk nog tijd op. Zo ging Jannes iedere ochtend met de hondenkar vol melkbussen op pad om de koeien te melken. Als vanouds leverde dat een bijverdienste op, terwijl voor het spek een varken werd vetgemest. Maar toen Zwaantje ging trouwen, kreeg zij de boerderij en beperkte Jannes zich tot de smederij. In die tijd werd alles nog met de hand gemaakt: gereedschap, landbouwwerktuigen, deurbeslag, hoefijzers, neusringen voor varkens en ga zo maar door. Het was zwaar, maar bovenal precies werk.

Voor het maken van hoepels voor wagenwielen bijvoorbeeld moest eerst een strook ijzer van zo’n drie meter lang in de met handkracht bediende hoepelwals worden gezet. Daarna werden de uiteinden aan elkaar gesmeed. Vervolgens moest de hoepel “kersrood” worden gestookt. Daarvoor maakte Jannes twee vuren naast elkaar met daar tussenin een rij zudden (turfplaggen). De hoepel steunde op de plaggen en werd telkens rondgedraaid, waarbij de plaggen ervoor zorgden dat de hoepel niet te snel weer afkoelde. Daarna werd het gloeiende ijzer zo snel mogelijk door Jannes en de knecht naar buiten gedragen en om het eikenhouten wiel gelegd. Door afkoeling in de waterbak kromp het ijzer en zat de hoepel muurvast.

Met de komst van elektriciteit in de jaren dertig werden de eerste apparaten gekocht, zoals een boormachine. Daarmee kon Jannes een stuk sneller werken. “Toen wussen ie niet wat as je angung”. De opdracht om voor café Brinkzicht in Diever bovenraampjes te fabriceren, deed hem besluiten om ook een carbidlasapparaat aan te schaffen. Hoewel hij nog nooit met zo’n ding had gewerkt, had hij dat na een middag onder de knie. In 1936 richtte Santing verderop in de straat een nieuwe smederij in. De oude werd door zijn zus en zwager weer bij de boerderij getrokken. In 1935 had Jannes verkering gekregen met Aaltje ten Buur uit Diver. Zij trouwden in 1938.


Jannes Santing (links) als jong knechtje voor de oude smederij aan de huidige Ten Darperweg, op een foto uit de tweede helft van de jaren tien van de twintigste eeuw. Rechts van hem zijn moeder Femmigje Dolsma, zusje Zwaantje, vader Roelof Santing en grootvader Dolsma. (collectie R. Santing, Wapse)


De boeren hadden behoefte aan sterk en duurzaam smeedwerk, niet aan tierelantijnen.


In de jaren daarna groeide hun gezin uit tot vijf personen, met twee dochters en een zoon. Aaltje hielp soms mee in de zaak, bijvoorbeeld bij het beslaan van paarden. Bij de smederij was een winkeltje, waarin spijkers, gereedschappen, prikkeldraad, Batavus-fietsen en allerlei soorten kachels werden verkocht. Roelof Santing had zelf complete kachels gesmeed, maar bij Jannes bleef het bij één keer. Het bleek zo lastig te zijn, dat hij zich beperkte tot reparaties en de verkoop: “Een mooie kachel verkocht je veur 35 of 40 gulden”. Per jaar deed hij er vijf á zes van de hand. De fietsen waren voor veel mensen zo duur dat er vaak maar één voor het hele gezin werd gekocht.

Ze waren inmiddels echter wel zozeer ingeburgerd dat kopers niet meer, zoals in de tijd van Jannes’ vader, verlangden dat de smid hen gelijk leerde fietsen. Zowel de fietsen als de “Fosfor”- kachels werden met de tram aangevoerd naar Frederiksoord. Vandaar haalde Santing ze af met een geleend paard en wagen. Op de vraag welke werkzaamheden hij het vervelendst vond, antwoordt Santing opmerkelijk genoeg: “Om eerlijk te wezen: mooi wark was er eigenlijk niet”. Maar hij verduidelijkt dit met : “Dat olde goed repareren, dat was niks, het neie was ’t mooiste”. Helaas kwamen de meeste klanten met reparatieklussen, want voor nieuwe aanschaffen ontbrak in die crisisjaren vaak het geld. Maar het allerergste vond hij toch wel herstelwerkzaamheden in de gierbak.

Dat was gruwelijk smerig werk. “Maor zwart waj alle daegen”, relativeert Santing. Wat Santing graag maakte, was siersmeedwerk, zoals deurbeslag. Maar door gebrek aan tijd en vraag kon hij zich daarin nooit echt uitleven. De boeren hadden behoefte aan sterk en duurzaam smeedwerk, niet aan tierelantijnen. Tijdens de Tweede Wereldoorlog kreeg ook Santing op een gegeven ogenblik te maken met energieschaarste. Gelukkig beschikte hij over een kolenvoorraad op zolder en een vat carbid. Op het vat werd een fietslamp geplaatst, zodat er toch verlichting was als de elektriciteitsmeter was afgesloten. Toen ambtenaren de elektriciteitsmeter wilde afgrendelen, kreeg Santing gedaan dat het loden zegeltje niet al te vast werd aangedraaid. Zo kon hij stiekem stroom aftappen.


Uiteindelijk bleven er maar drie smeden in de gemeente over

Evenals zijn vader bracht Jannes nog lange tijd pas aan het eind van het jaar de rekeningen rond bij zijn klanten. Ook hijzelf rekende maar eens per jaar af met zijn leveranciers. Langzamerhand ging men echter over op halfjaarlijkse, driemaandelijkse en maandelijkse betalingen. Dit keerpunt dateert Santing in de jaren vijftig en wijt hij aan de stijging van de prijzen. In die tijd veranderde er meer, vooral door de mechanisatie in de landbouw. Machines vervingen de landarbeiders en later ook de paarden. Het aantal tractoren in de gemeente Diever steeg van slechts vier in 1950 tot dik 200 in 1975, terwijl het aantal paarden daalde van bijna 450 tot zo’n 190.

En dat waren dan ook nog veelal rijpaarden en pony’s die puur voor de recreatie werden gehouden. Bovendien nam ook het aantal boerenbedrijven zeer sterk af. Santing sprong op deze veranderingen in door zich toe te leggen op de verkoop en het onderhoud van landbouwmachines. Door deze verbreding kon hij het hoofd goed boven water houden, in tegenstelling tot veel van zijn collega’s. Van de zeventien smeden uit de gemeente Diever, Havelte, Dwingeloo en Vledder die samen een onderafdeling van de Metaalbond vormden, bleven uiteindelijk slechts drie over. Voor Santing betekende een en ander ook dat zijn klantenkring zich wat afstand betreft uitbreidde. Met de fiets was dat soms moeilijk te behappen, maar dan gebeurde het wel dat hij voor een klus met de auto werd gehaald en gebracht.

De verkoop van landbouwmachines bleek een gouden greep. Van de rond 1955 geïntroduceerde melkmachines verkocht Santing er soms in korte tijd zo’n 25. Vaak ging hij met boeren mee naar de fabriek in Zwolle om een keus te bepalen. Daarvoor kreeg hij dan provisie. Vervolgens installeerde hij de machine en melkte hij ook nog een keer mee om de boer te leren hoe het apparaat werkte. Hoewel zijn bedrijf zich meer en meer specialiseerde in land- en tuinbouwmechanisatie, bleef Santings liefde voor het echte smidswerk bestaan. Toen hij in 1965 de zaak overliet aan zijn zoon Roelof, kon hij dan ook maar moeilijk afscheid nemen van de smederij. Tot zijn tachtigste verrichtte hij er nog dagelijks karweitjes. Zo maakte hij op verzoek nog wel siersmeedwerk.

Pas sinds de techniek hem boven het hoofd dreigde te groeien en hij wat minder goed ter been werd, is Santing het rustiger gaan aandoen en daadwerkelijk smid in ruste geworden. Jannes Santing overleed op 7 juli 1999.






© 2006-2009 www.mijn-eigen-website.nl