In en om Assen





Deurzerdiep: cultuurhistorisch onderzoek


Bronvermelding:
Grontmij Nederland B.V. Projectnummer: DR 280786. Assen, 10 juni 2010. Auteur: dhr. dr. J.J. Hekman
De foto’s zijn afkomstig van de website ‘Wandelen in beeld’


Anreeper- en Deurzerdiep


Een twaalftal onderzoeksvragen


In opdracht van de gemeente Assen en de gemeente Aa en Hunze heeft Grontmij Nederland B.V. een cultuurhistorisch onderzoek uitgevoerd in het gebied ten oosten van de bebouwde kom van Assen. Het onderzoek heeft bestaan uit een bureaustudie en de rapportage hierover.


Beknopt overzicht cultuurhistorische elementen

In dit deel zal kort ingegaan worden op een viertal aspecten die voor de beantwoording van de onderzoeksvragen van belang zijn. Ten eerste de bewoning, ten tweede de verbindingen over land die binnen en rond het onderzoeksgebied; ten derde de resten van bijzonder locaties in het landschap (historische bebouwingen, landschappelijke natuurelementen) en ten vierde militaire activiteiten.


Middeleeuwse en vroeg-nieuwetijdse bewoning

In en rond het onderzoeksgebied zijn een aantal middeleeuwse bewoningsplaatsen bekend. De oudste vermelding over bewoning te Amelte dateert uit 1402 als zelfstandig buurschap onder Anreep. Het betreft een middeleeuws buurschap van enkele erven. De oudste vermelding van een brug over het Deurzerdiep gaat terug tot 1439 en de watermolen wordt al in 1259 genoemd in documenten over de bezittingen van de abdij Maria à Campis in Assen. Langs de westzijde van het huidige dorp Deurze lagen in een strook van noord naar zuid meerdere middeleeuwse erven. Hieronder ook kloosterbezittingen van de abdij te Assen.

Net buiten het onderzoeksgebied liggen nog enkele middeleeuwse erven, waaronder die ter plaatse het de huidige boerderij Kamps. De bewoning in het onderzoeksgebied eindigde rond 1800 wanneer het gebied grotendeels deel gaat uitmaken van landgoederen. Ter plaatse van een van de oude erven van Amelte stond nog in het begin van de 19 e eeuw een boerderij die deel uitmaakte van het landgoed Amelte van Petrus Hofstede. Later in de 19 e eeuw werd hier door Loudon een jachthuis gebouwd. Nu staat hier nog een voormalige boerderij.


Verbindingen

Twee zaken zijn bepalend geweest voor de wijze waarop verbindingen in het onderzoeksgebied zich ontwikkelden in de Middeleeuwen en Nieuwe tijd: de abdij Maria à Campis in Assen en de aanwezigheid van het Deurzerdiep. De komst van het klooster naar Assen in 1260 of 1261 had belangrijke gevolgen voor de ontwikkeling van verbindingen vanuit deze plaats met de omringende omgeving. De abdij had vele bezittingen in de nabije en verdere omgeving. Voor een regelmatig contact met de pachters en bezittingen had de abdij belang bij goede verbindingen. In 1609 is er in historische bronnen sprake van een weg van Assen naar Rolde over een waterkering (de Nije Dijck). Op de grondschattingskaart uit 1630 ligt die weg op het tracé van de huidige weg.

Tot 1965 meanderde het Deurzerdiep in noordelijke richting naar het Loonerdiep. Bij de normalisering in 1965 zijn de meanders afgesneden en grotendeels dichtgegooid. In het (voormalige) Deurzerdiep en aansluitend het Loonerdiep zijn op verschillende plaatsen doorwaadbare plaatsen opgemerkt of verondersteld op basis van lokale omstandigheden of kaartbeelden. Voor het grootste gedeelte is het huidige Deurzerdiep een genormaliseerde waterloop waarin geen voorden zijn te herkennen. De op Bijlage 8 aangegeven locaties van voorden zijn deels gebaseerd op reconstructies (ten zuiden van de spoordijk) en deels tijdens veldonderzoeken aangetroffen (ten noorden van de spoordijk; zie Lanjouw & Westing, 1995). Dit systeem van oost-west verbindingen gaan waarschijnlijk terug tot in de prehistorie.

In de Late Middeleeuwen liep de belangrijkste verbinding tussen de abdij in Assen en haar bezittingen rond Deurze en Rolde. Het voormalige tolhuis bij de Deurzerbrug is in 1858 gebouwd en in 1957 gesloopt bij de verbreding van de bestaande weg en aanleg van de nieuwe brug over het Deurzerdiep. De tol functioneerde tot 1 mei 1917, waarna het tolhuis als woonhuis in gebruik bleef. In het noordelijke deel van het onderzoeksgebied ligt de markante voormalige spoordijk van de Noord Ooster Locaal Spoorweg (N.O.L.S.). Deze spoorverbinding werd in 1905 aangelegd en onderhield de verbinding tussen Assen-Emmen-Coevorden met een aftakking naar Stadskanaal. Tot 13 mei 1939 was hier personenvervoer en tot 1978 werd de lijn alleen nog voor goederenvervoer gebruikt.


Landgoederen en andere bijzondere locaties

Het landgoed Amelte heeft drie bewoningsfasen gehad: Petrus Hofstede (vanaf 1801), Loudon (vanaf 1841) en Engbertus Dreesman (vanaf begin 1900). De periode van eerste twee eigenaars is voor dit onderzoek relevant. Petrus Hofstede (de toenmalige gouverneur van Drenthe) pakte de ontwikkeling van het landgoed met vaste hand aan. Hij onttrok het gebied aan de marke van Anreep, waar Amelte van oudsher deel van uitmaakte. Met het samenvoegen van diverse percelen en de aanplant van veel bomen ontwikkelde het gebied zich tot een landgoed. Ten noorden van de verbindingsweg Assen-Rolde werden bomen geplant een ontstond een parklandschap: het Sterrebosch. Hiervan zijn in de huidige situatie nog resten van aan te wijzen.

In het eind van de 19e eeuw waren vele eiken inmiddels gekapt. In het zuidoostelijke deel van het landgoed Amelte liggen twee kleine open waterpoelen, die waarschijnlijk de resten zijn van een eendenkooi. Ten tijde van het beheer van Amelte door Dreesman was hier al geen sprake meer van een functionerende eendenkooi. De twee kleine gegraven poelen zijn waarschijnlijk de restanten van voormalige hutten (vangplaatsen). De datering kan mogelijk teruggaan tot in de 17e eeuw en is mogelijk verbonden met de bouw van huis Vredeveld in 1648 (Luning, 2003, 14-15)


Militaire activiteiten in het verleden

Gedurende twee specifieke historische perioden is er sprake van de aanwezigheid van militairen en militaire activiteiten in en rond Assen. Ten eerste gedurende een moment aan het eind van de 16 e eeuw tijdens de Nederlandse opstand en ten tweede tijdens de Tweede Münsterse oorlog (1672-1674). In zijn gedetailleerde studie over de krijgshandelingen en troepenverplaatsingen in de jaren 1589-1594 beschrijft Overdiep op basis van vele geraadpleegde oude bronnen de situatie in de noordelijke drie provincies ten tijde van het begin van de Tachtigjarige Oorlog (Overdiep, 1970). In enkele kaartbijlagen worden de in de bronnen vermelde troepenbewegingen gereconstrueerd. In 1591 trekken zowel de Spaande als de Staatse troepen vanuit het zuiden via Assen en Rolde naar Groningen.

Deze route liep over de oude verbindingsweg tussen Assen en Rolde, over het Deurzerdiep. In Rolde plunderen soldaten van prins Maurits een huis. In de jaren daarna zijn er op enkele momenten nog schermutselingen in de wijdere omgeving, o.a. in 1593 bij Rolde. Tijdens de eerste Münsterse Oorlog (1665-1666) vielen troepen van Bernard van Galen, vorstbisschop van Münster, Drenthe binnen. Zij trokken via Ter Apel langs Rouveen naar het noorden. Veel gebieden, waaronder het noorden en westen van Drenthe, hadden overlast van deze invallen. Ook de Staatse troepen die van en naar Coevorden en de vestingen door Drenthe trokken, veroorzaakten gaven overlast. In 1666 werd er een vredesakkoord gesloten en was het weer betrekkelijk rustig.

Enige jaren later in 1672 verklaarde de vorstbisschop van Munster opnieuw de oorlog aan de Republiek: de Tweede Münsterse Oorlog (1672-1674). Doel was de verovering van de stad Groningen. Op weg daarheen werd de vesting Coevorden veroverd door Münsterse troepen en trokken de legerscharen door Drenthe via de oostelijke route langs de Hondsrug. Nadat Groningen op 28 augustus ontzet was trokken de Münsterse troepen zuidwaarts. Drenthe werd korte tijd strijdtoneel waar beide troepenmachten opereerden. De bevolking had veel te lijden onder deze acties. Na de plotselinge herovering van Coevorden in december 1672 bleef het nog tot in 1673 duren voordat de rust in Drenthe was hersteld. In 1673 werden op meerdere momenten groepen Staatse ruiters ingekwartierd in Assen. De bewoners van Assen diende te zorgen voor proviand en onderdak.


Langs het Dierzerdiep


Beantwoording van de onderzoeksvragen


De opdrachtgever heeft op basis van de notitie van de hand van het Asser raadslid, dhr. L. Rengers, een twaalftal onderzoeksvragen geformuleerd. Het hier uitgevoerde bureauonderzoek is gericht op het mogelijk beantwoorden van die vragen. De onderstaande onderzoeksvragen hebben vooral betrekking op een zone ten westen en ten oosten van het Deurzerdiep tussen De Aanleg in het noorden en Oosterloo in het zuiden. Concreet dient het onderhavige onderzoek antwoord te geven op de volgende door de opdrachtgever gestelde onderzoeksvragen:


1. Was er bij het zogenaamde Stuversbargien sprake van een splitsing van de oude verbindingsweg Groningen-Coevorden richting Steenwijk?

Er is hier vermoedelijk sprake van enige verwarring met betrekking tot de ligging en loop van hoofdverbindingen en lokale, kleinere verbindingen. De toevoeging “richting Steenwijk” is in dit verband niet relevant, eerder verwarrend. De locatie van het toponiem Stuversbargien is op basis van geraadpleegde bronnen niet vastgesteld. Op de geraadpleegde historische kaartbeelden kunnen we twee verschillende belangrijke hoofdverbindingen herkennen vanuit de stad Groningen naar het zuiden. De eerste loopt westelijk: via de Punterbrug, Vries, Tynaarlo, Peelo, langs/door Assen en verder langs Halen, Dwingelo en Beilen naar het Zuiderveld. De andere, meer oostelijke route liep via Noordlaren en Zuidlaren min of meer langs/over de Hondsrug in de richting van Coevorden.

Op basis van bestudering van historisch kaartmateriaal zijn er geen aanwijzingen gevonden die duiden op de aanwezigheid van een “splitsing van de oude verbindingsweg Groningen-Coevorden richting Steenwijk” in het onderzoeksgebied.


2. Waar ligt de bedoelde plek precies?

Op grond van de beschikbare en geraadpleegde bronnen is hier geen duidelijk antwoord op beschikbaar.


3. Was het Stuversbargien een oude tolplaats?

Daarvoor zijn in de geraadpleegde bronnen geen aanwijzingen aangetroffen. De betekenis van dit toponiem (‘Stuiversberg’) is op zich geen bewijs voor de aanwezigheid van een tol.


4. Was het Poepenhemeltje inderdaad het Schansje van Van Galen uit 1672 en/of is het een voorpost van de bij 2 bedoelde tolplaats geweest?

Op historische kaartbeelden uit het begin van de 19e eeuw wordt geen schans of andere constructie weergegeven ter plekke van het ‘Poepenhemeltje’, terwijl daar vanwege het militaire karakter van de kaarten die vervaardigd zijn rond 1800 alle aanleiding voor zou zijn. Op de Franse kaarten uit 1811-1813 en uit de Atlas van Huguenin uit 1819-1829 is het betreffende gebied nog niet ontgonnen. Het Sterrebosch van landgoed Vredeveld is ook nog niet aangelegd. De mate van detail op beide kaarten is echter zodanig dat een dergelijk object zeker op de kaarten zou zijn weergegeven. In dit geval mogen we de afwezigheid van iets als argument (argumentum ex silentio) aanwenden om vast te stellen dat het toen niet bestaan heeft.

Op de kadastrale minuut uit 1832 wordt ter plaatse van het ‘Poepenhemeltje’ een vierkant element weergegeven aan het einde van een boslaan, die deel lijkt uit te maken van het Sterrebosch. De omschrijving in de Naamgevende Tabel verwijst naar een perceel heide dat in bezit was van de weduwe Rieks Stevens. De omringende percelen waren eigendom van de eerder genoemde Petrus Hofstede. Gezien de ligging ten opzichte van het lanenpatroon van het toenmalige Sterrebosch is er een duidelijke relatie tussen beide landschappelijk elementen als onderdeel van het landgoed Amelte. De locatie, de opmerkelijke vorm en beperkte grootte van dit object duiden niet op een militaire constructie.

Het is zeer waarschijnlijk dat het hier een betrekkelijk recent aangelegd object betreft. Een datering uit het derde kwart van de 17e eeuw is op basis van geraadpleegde kaartbeelden of huidige gereconstrueerde vorm niet waarschijnlijk. Het toponiem waaronder dit element bekend staat verwijst zeer waarschijnlijk naar het gebruik door rondreizende seizoenswerkers afkomstig uit Duitse gebieden. De huidige reconstructie is niet gebaseerd op historische documenten of uit veldonderzoek afkomstige gegevens.


5. Is het zogenaamde Schutmansbossie (ook wel Spaansche Schans of Maurits Schans genoemd) een vestingwerk geweest? Of is het een natuurlijke verhoging (rivierduintje)?

Op basis van de bevindingen van medewerkers van de Stichting Archeologie en Monument, die in 1997 ter plaatse veldonderzoek hebben uitgevoerd, is hier geen sprake van een door de mens opgeworpen verdedigingswerk (zie boven § 2.5). Ook de nabij gevonden metalen voorwerpen zijn zowel in aantal als in type niet kenmerkend genoeg om hier een 16e -17e eeuwse schans te veronderstellen. De landschappelijke verhoging is (het restant van) een natuurlijke opduiking van zand, mogelijk een rivierduin. Het ontstaan van dergelijke natuurlijke landschapselementen gaat verder terug in de tijd dan de hier onderzochte historische perioden.

In recentere perioden (19e -20ste eeuw) heeft zandwinning op de flanken van het verhoogde terrein mogelijk de oorspronkelijk meer vloeiende contour en vorm veranderd in de huidige vorm. Er zijn op basis van de beschikbare kennis over bodem, geomorfologie en geologie van het gebied voldoende aanwijzingen dat dergelijke natuurlijke opduikingen in dit gebied aanwezig kunnen zijn. De resultaten van het onderhavige bureauonderzoek onderschrijven de conclusies van het veldonderzoek in 1997


6. Heeft ter plaatse van het Schutsmanbossie Huize Amelte gestaan?

Er is in de geraadpleegde literatuur geen aanwijzing gevonden voor het bestaan of de locatie van een ‘Huize Amelte’. Het zogenaamde Schutsmanbossie (zie nr. 5) is zonder twijfel niet de locatie voor een dergelijk ‘huis’.


7. Is er veldnamenonderzoek geweest naar namen als Stuversbargien en Schutmansbossie, zo ja door wie? Bestaan er kaarten van?

Hiervoor zijn in de geraadpleegde, gepubliceerde bronnen geen aanwijzigen gevonden. Binnen het kader van dit bureauonderzoek is geen onderzoek uitgevoerd naar eventueel in archieven aanwezige, niet gepubliceerde informatie. Aanvullend archiefonderzoek, met name van de collectie Wieringa in het Drents Archief, zou hier meer gegevens kunnen opleveren.


8. Is er sprake van een “pentagramvormige verhoging” in het veld? Zo ja, waar en wat is de betekenis daarvan?

Opnieuw wordt hier verwezen naar mogelijke historische resten ter plaatse van het zogenaamde Schutsmansbossie. Voor de beantwoording wordt naar vraag 5 verwezen


9. Is er in het gebied sprake van grafheuvels, die later getransformeerd zijn tot “kazematten”? Zo ja, waar zijn die gelegen? En wat is de geschiedenis daarvan?

Het onderzoeksgebied en de directe omgeving ervan zijn rijk aan archeologische resten. Niet alleen in het bodemarchief, maar zeker ook bovengronds in de vorm van groepen grafheuvels. Ongetwijfeld zijn in het verleden grafheuvels verdwenen door afgraving. Op grond van de geraadpleegde bronnen zijn echter geen aanwijzingen aangetroffen voor de aanleg van kazematten in grafheuvels.


10. Er is sprake van de vondst van het handvat van een zwaard, van een kanonskogel, van gespen en knopen en van een zilveren rijder uit 1596. Wie heeft die vondsten gedaan en waar worden ze bewaard? In 1997 zijn door de Stichting Archeologie en Monument ter plekke een musketkogel en een zilveren 6-schellingstuk gevonden (een zogenaamde rijderschelling, afkomstig uit Nijmegen). Waar zijn deze vondsten?

De vondsten die gedaan zijn tijdens het veldonderzoek door de SAM ter plaatse van de vermeende schans/rivierduin zijn in depot bij het Drents Museum en staan geregistreerd in het Archeologisch Informatiesysteem (Archis) van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Gegevens betreffende andere archeologische en historische vondsten uit dit gebied ontbreken in de geraadpleegde bronnen.


11. Waar lagen de doorwaadbare plaatsen in het Deurzerdiep en hoe zijn karrensporen daar naartoe nu nog te herkennen?

Op de geraadpleegde kaarten is een oude verbindingsroute in het landschap aanwezig die door het voormalige buurschap Amelte van oost naar west via het dorp Deurze liep en waarschijnlijk een doorwaadbare plaats had in het Deurzerdiep. Het betreft een oude verbinding die vanaf de 16 e eeuw als reeweg (ree=lijk) gold voor de inwoners van Anreep wanneer zij naar de parochiekerk te Rolde gingen. Het herkennen of ontdekken van de ligging van voorden in het Deurzerdiep wordt bemoeilijkt door het feit dat de waterloop is genormaliseerd in de jaren 60 van de vorige eeuw. Daarbij zijn verschillende meanders afgesneden en dicht gegooid. Alleen op basis van historische en hedendaagse kaartbeelden en bestudering van het AHN kunnen potentiële locaties van voorden worden aangegeven.

Het daadwerkelijk aantonen van voorden kan alleen wanneer de oude meanderende loop van het Deurzerdiep opnieuw uitgegraven wordt onder archeologische begeleiding. Wat betreft de mogelijke aanwezigheid van ‘karrensporen’ is op basis van het beschikbare kaartmateriaal geen duidelijke aanwijzing aangetroffen. Voorden die verder naar het noorden zijn aangetroffen in het Loonerdiep (zie de publicatie van Lanjouw & Westing, 2004) zijn mogelijk te verbonden met de sporen die zijn aangetroffen op het Balloërveld. Of van een dergelijk patroon van verbindingen en voorden ook in het Deurzerdiep sprake is, is vooralsnog op basis van dit bureauonderzoek niet duidelijk.


12. Wat was het tracé van de eerste weg van Rolde naar Assen? Is het waar dat dit tracé recent door een boer (deels) is vernield?

Ten aanzien van het eerste deel van de vraag wordt verwezen naar de kaart in bijlage 8. Hierop is de ligging van de laatmiddeleeuwse verbinding weergegeven met de vermelding “Nije Dijck). Vanaf waarschijnlijk eind15e/begin 16 e eeuw liep de verbinding tussen Assen en Rolde min of meer ter plekke van de huidige weg. De resultaten van het bureauonderzoek geven geen uitsluitsel over het bestaan of de ligging van een meer noordelijk gelegen “eerste weg van Rolde naar Assen”. Het aantonen van eventueel recente verstoringen of vernielingen valt buiten de opdracht zoals met de opdrachtgever is overeengekomen


Het Deurzerdiep


Conclusies


Met de beantwoording van de onderzoeksvragen kunnen we nu samenvattend een aantal conclusies trekken met betrekking tot de onderzoeksvragen. Op basis van de geraadpleegde kaarten en bestudering van relevante publicaties en met de gebiedskennis en ervaring in veldonderzoeken is duidelijk te stellen dat er in dit onderzoeksgebied geen sprake is van de aanwezigheid van militaire structuren uit de 16 e of de 17 e eeuw. De genoemde locaties waar sprake zou zijn van verdedigingswerken of schansen zijn te duiden als natuurlijke fenomenen of recentere 19e -eeuwse constructies die een geheel andere oorsprong en betekenis hebben gehad. Dit wil niet zeggen dat er geen militairen in die perioden in het gebied aanwezig zijn geweest of er doorheen getrokken zijn.

Er geen aanwijzingen in de historische bronnen dat groepen soldaten of ruiters in de 16e en 17e eeuw in dit gebied gelegerd waren of daarvoor versterkingen hebben aangelegd. De aanwezigheid van min of meer ‘losse’ vondsten in dergelijke gebieden (dat wil zeggen vondsten gedaan zonder dat er sprake is van een duidelijke archeologische of historische context of samenhang) is een feit dat ook elders regelmatig voorkomt. De mens is ook nooit volledig afwezig geweest in dit gebied. In alle perioden zullen mensen in of door dit gebied getrokken zijn. Hun aanwezigheid was in de hier onderzochte postmiddeleeuwse periode echter nooit permanent in de vorm van nederzettingen of andersoortige structuren. De natuurlijke omstandigheid maken dat het gebied daarvoor ongeschikt is.

De aanwezigheid van mensen in dit gebied heeft te maken hebben met bepaalde (min of meer incidentele of seizoensgebonden) activiteiten, zoals jacht, visvangst, schuilplaatsen, e.d. Dergelijke activiteiten kunnen incidentele sporen en verloren objecten in het landschap achtergelaten hebben. Dit vormen bij het aantreffen ervan geen bewijzen voor de veronderstelde militaire bouwwerken. Het aanwezige reliëf in het landschap is een product van de natuurlijke landschapsontwikkelingen. De dynamiek van een beekdallandschap zorgt voortdurend voor veranderingen in het landschap. Dit proces van eeuwen vindt zijn weerslag in een sterk wisselend reliëf van zandopduikingen, erosieve zones, dichtgeslibde en afgesneden voormalige meanders, nieuwe stroombeddingen, veenvorming en dergelijke.

Bij elk van die landschapsvormen en –typen horen specifieke vegetatiesoorten. De mens is zonder twijfel in dit gebied aanwezig geweest vanaf de prehistorie tot de moderne tijd. Afhankelijk van de klimatologische en landschappelijke omstandigheden heeft hij zich hier in bepaalde periode gevestigd op de hogere en drogere delen. In andere, vooral nattere periode (bijvoorbeeld postmiddeleeuwse periode), is dit gebied niet geschikt voor bewoning. In die perioden zullen meer incidentele en kleinschalige activiteiten hier plaats hebben gevonden, zoals jacht, visvangst e.d. Verbindingen door dit gebied zijn aangelegd en onderhouden om dit gebied te passeren, niet om hier terecht te geraken. In de omgeving van dergelijke verbindingen komen natuurlijk vondsten uit allerlei perioden en van allerlei materialen voor, die door verlies of met een bewuste reden daar zijn achter gebleven (votiefgeschenken, verberging van voorwerpen e.d.).

Het gebied aan weerszijden van het Deurzerdiep is een waardevol cultuurlandschap met behalve zeer belangrijke archeologische zichtbare en onzichtbare resten ook relicten uit de middeleeuwse en recentere perioden. De bijzondere waarde van dit gebied is het feit dat die historische gelaagdheid en stapeling in het terrein herkenbaar aanwezig is. Ten slotte dient erop gewezen te worden dat de evocatieve kracht van beekdallandschappen zoals deze gemakkelijk leidt tot een archetypische betovering waarin Dichtung und Wahrheit niet zelden vermengd raken.


Samenvatting


In opdracht van de gemeente Assen en de gemeente Aa en Hunze heeft Grontmij Nederland B.V. een cultuurhistorisch bureauonderzoek uitgevoerd van het gebied langs het Deurzerdiep. De directe aanleiding hiervoor bestond uit een aantal vragen over dit gebied ten aanzien van de aanwezigheid van mogelijke waardevolle resten uit historische perioden. Het uitgevoerde bureauonderzoek heeft bestaan uit het bestuderen van een groot aantal openbaar raadpleegbaar en gepubliceerde bronnen. Op basis van een analyse en interpretatie van de verzamelde relevante informatie is antwoord gegeven op de onderzoeksvragen. Het onderzochte gebied heeft, naast een grote archeologische waarde, eveneens een hoge cultuurhistorische waarde.

Die waarde is gebaseerd op de aanwezigheid van vele, zeer diverse resten en patronen in het landschap, die vanuit verschillende oorsprongen hun sporen hebben achtergelaten. Deze stapeling van archeologische en cultuurhistorische waarden onderscheiden het gebied van andere omringende gebieden. Op basis van het uitgevoerde bureauonderzoek zijn ten aanzien van de concrete onderzoeksvragen duidelijke antwoorden te geven. Conclusie is dat er geen aanwijzingen zijn voor resten en/of sporen van (grootschalige) krijgshandelingen uit de perioden rond 1600 en 1672. Er zijn geen aanwijzingen voor de aanwezigheid van verdedigingswerken of andere militaire constructies.

In het geval van de specifieke locatie ‘het poepenhemeltje’ is hier op basis van de geraadpleegde bronnen en kaartbeelden geen sprake van een verdedigingswerk uit de periode rond 1672, dat verbonden zou zijn met de aanwezigheid van de bevelhebber van de Munsterse troepen, bisschop Bernard van Galen. Er liggen in het onderzoeksgebied geen belangrijke, grote regionale (hoofd)verbindingswegen uit de 16 e tot 18 e eeuw. Het patroon van paden en wegen heeft sterk lokaal karakter en bereik. De oudste verbindingen waren aangelegd door en bedoeld voor de plaatselijke bevolking. Ook zijn er uit de geraadpleegde bronnen geen aanwijzingen voor de aanwezigheid en locatie van oude tolposten of tolwegen (buiten de verbinding tussen Assen en Rolde), noch voor de aanwezigheid van versterkingen ter bescherming van die tolposten.

Door het kanaliseren van het Deurzerdiep in de jaren zestig zijn er geen resten van voorden in de oude beekloop meer te herkennen in het huidige landschap. De conclusie van het bureauonderzoek is dat het gebied ook zonder de in de onderzoeksvragen veronderstelde aanwezigheid van militaire resten of andere aspecten, over voldoende waardevolle kenmerken en bijzonderheden beschikt om aandacht te vragen voor cultuurhistorisch beleidsmaatregelen die het gebied behoeden en behouden






© 2006-2009 www.mijn-eigen-website.nl