In en om Assen





Doopsgezinde kerken in Drenthe


Bronvermelding:
'Doopsgezinde kerken in Overijssel en Drenthe'; Auteurs: Wim Kuiper en Gerrit Witteveen. Stichting Drents-Overijsselse Kerken, Delden, 1998. ISBN 90-74834-12-4


Maria van Beckum en haar schoonzuster Ursula van Werdum worden op het Galgenveld bij Delden verbrand in 1544. Ets van Jan Luyken


Inleiding


De doperse beweging is rond 1525 ontstaan als een radicale vleugel van de reformatie. In Zürich waren er aanhangers van de kerkhervormer Ulrich Zwingli. die van mening waren dat diens reformatie ingrijpender moest zijn. Zij keurden af dat Zwingli vond dat de overheid invloed moest kunnen uitoefenen op de kerk. Hun ideaal was een christelijke gemeente onafhankelijk van de overheid en waartoe men toetrad uit persoonlijke overtuiging. De kinderdoop werd door hen afgewezen. De doop moest worden toegediend nadat men persoonlijk zijn geloof had beleden. Omdat de eerste generatie nog als kind in de katholieke kerk was gedoopt, werden zij wederdopers of anabaptisten genoemd. De doperse vorm van de reformatie verspreidde zich vanuit Zürich zeer snel. Al na enkele jaren ontstonden er ook in de Nederlanden doperse gemeenten.

Tegen de achtergrond van een overspannen eindtijdsverwachting vestigde een geëxalteerde groep onder de wederdopers in 1534 in Munster het Nieuwe Jeruzalem met als koning Jan van Leiden. Na een langdurig beleg en hevige strijd maakten de troepen van keizer en bisschop op 25 juni 1535 aan dit rijk een einde. De meeste doopsgezinden vormden echter meer naar binnen gekeerde gemeenten, "in de wereld, maar niet van de wereld". De doopsgezinden weigerden het afleggen van een eed, waren geweldloos en streefden een levenshouding na van eerlijkheid en eenvoud. Naar hun belangrijkste "oudste" Menno Simons (1496-1561) worden ze ook wel mennonieten of menisten genoemd. Een oudste was een bovengemeentelijke leidsman, die zijn gemeenten langs ging voor de bediening van doop en avondmaal.

Tijdens Karel V en Filips II werden de doopsgezinden streng vervolgd. Velen van hen eindigden hun leven op de brandstapel. Zoals de freules Maria van Beckum en Ursula van Werdum, elkaars schoonzusters, die op 13 november 1544 werden verbrand op het Galgenveld bij Delden. Toen de Nederlanden onafhankelijk waren geworden van Spanje en het Duitse keizerrijk werden de doopsgezinden evenals andere dissenters, de niet tot de calvinistische overheidskerk behorende gelovigen, weliswaar achtergesteld, maar ze konden na verloop van tijd hun heimelijke bijeenkomsten in huiskamers, boerderijen en schuren vervangen door openlijke kerkdiensten in schuilkerken. Pas in de door toenemende tolerantie gekenmerkte 18de eeuw mochten de kerkgebouwen van dissenters ook als zodanig uiterlijk herkenbaar zijn.


Het beginsel van de weerloosheid


Op grond van hun beginsel van de weerloosheid weigerden de meniste mannen wapens ter hand te nemen om te helpen bij de verdediging. Om op een andere manier toch hun burgerplichten te vervullen namen de doopsgezinden van Deventer de brandweer voor hun rekening. Van 1690 tot 1826 werden in Deventer de brandspuiten betaald en bemand door doopsgezinden. Tot 1980 waren in Deventer alle achtereenvolgende brandweercommandanten doopsgezind ! Vooral in het laatste kwart van de 18de eeuw was ook onder de doopsgezinden een groeiend verlangen merkbaar om als gelijkgerechtigde burgers deel te kunnen nemen aan het bestuur van steden en dorpen, van gewesten en van de staat. De meesten van hen sympathiseerden daarom met de politieke beweging van de Patriotten. Een aantal doopsgezinde jongeren sloot zich zelfs aan bij excercitiegenootschappen van de Patriotten.

Dit was duidelijk in strijd met het beginsel van de weerloosheid. In Almelo namen in dit verband de broeders op 23 mei 1784 op voorstel van de kerkenraad een verklaring aan, waarin weliswaar het beginsel van de weerloosheid werd gehandhaafd, maar waarin werd besloten daarvan afwijkende broeders "in liefde te draagen". In feite werd daarmee het beginsel van de weerloosheid facultatief gesteld. Een situatie die binnen de gehele Doopsgezinde Broederschap al spoedig algemeen aanvaard werd.

De doperse vorm van christendom is zowel bestuurlijk als liturgisch laagkerkelijk. De eredienst wordt gekenmerkt door eenvoud in de liturgie en beperkt zich tot bijbellezing, preek, liederen en gebeden. Diezelfde eenvoud komt ook tot uiting in het kerkgebouw. Een doopsgezinde kerk wordt ook wel de "vermaning" genoemd. Want de voorgangers vermaanden in hun preken de broeders en zusters tot een ingetogen, rechtschapen en sobere levenshouding. Doopsgezinde kerken zijn over het algemeen weinig spectaculair. Zoals een oud rijmpje over de kerkgebouwen van de verschillende kerken het formuleerde:

De calvinisten een haantje,
De luthersen een zwaantje.
De roomsen een kruisje,
De menisten een huisje.


Een lekenkerk


De meeste vermaningen zijn weinig meer dan een wat ruime kamer. Zoals ook in andere protestantse kerken het geval was, waren er vroeger gescheiden zitplaatsen voor mannen en vrouwen. De mannenbanken bevonden zich meestal langs de zijmuren of achter in de kerk. In het midden van de kerk waren de stoelen voor de vrouwen geplaatst. In de meeste oudere doopsgezinde kerken treft men deze situatie nog aan, ook al is het niet meer gebruikelijk dat mannen en vrouwen apart zitten.

De Doopsgezinde Broederschap is een uitgesproken lekenkerk. Aan het hoofd van een gemeente staat een door de leden gekozen kerkenraad. Vroeger werden de leden hiervan meestal diakenen genoemd. Zij gingen, als ze daartoe bekwaam geacht werden, in de kerkdiensten voor. Meestal werd door een aantal gemeenten uit deze "liefdepredikers" een "oudste" gekozen. Sedert de eerste helft van de 18de eeuw zijn er theologisch geschoolde voorgangers, die "leraar" worden genoemd. Het instituut van oudsten verdween geleidelijk. Een van de belangrijkste taken van de in 1811 gevormde Algemene Doopsgezinde Sociëteit (de "ADS") is de instandhouding van het in Amsterdam gevestigde doopsgezind seminarium.

Al in de 16de eeuw vielen de doopsgezinde gemeenten in verschillende richtingen uiteen. Een aantal doopsgezinden wilde het ideaal van een gemeente "zonder vlek of rimpel" (naar Efeziërs 5 vers 27) bereiken door gestrengheid in leer en levenswandel. Anderen wilden bij dit streven enige soepelheid betrachten. Een ander meningsverschil was de vraag of de nadruk moest liggen op de gemeente, op het gezag van de oudste, of op de gelovige zelf. Deze tegenstellingen leidden in veel gemeenten tot een splitsing. Er ontstonden daardoor verschillende groepen van gemeenten zoals onder andere die van de Friezen, van de Waterlanders en van de Vlamingen. De laatstgenoemde naam werd gebruikt omdat veel van de aanhangers uit die gemeenten indertijd vanwege de geloofsvervolgingen uit Vlaanderen naar de noordelijke gewesten - vooral naar Holland - waren gevlucht.

Deze geografische namen hebben in Overijssel alleen betrekking op de richtingkeuze van de gemeenten. De leden van de in de zestiende eeuw in Overijssel ontstane gemeenten waren over het algemeen bewoners uit de eigen streek. Vooral in de 18de eeuw, de tijd van rationalisme en tolerantie, kregen de ruimdenkenden onder de doopsgezinden de overhand en namen vooral de strenge gemeenten in omvang af. De verschillende stromingen kwamen in die periode tot hereniging. Thans zijn alle 127 doopsgezinde gemeenten in Nederland aangesloten bij de ADS. Volgens het Doopsgezind Jaarboekje 1998 zijn 55 mannen en 40 vrouwen als predikant werkzaam. Naast deze predikanten zijn er nog tientallen lekenpredikers, die in kerkdiensten voorgaan.

In de provincie Drenthe bevinden zich thans vier doopsgezinde kerken: Assen, Emmen. Meppel en Roden. In Overijssel staan elf doopsgezinde kerken en wel in Almelo, Blokzijl, Borne, Deventer, Enschede. Giethoorn, Kampen, Steenwijk, Steenwijkerwold. Zwartsluis en Zwolle.


Doopsgezinde Gemeente Assen Oranjestraat 13


De Doopsgezinde Gemeente in Assen


In 1896 werd vanuit Meppel in Assen een doopsgezinde kring opgericht. Deze werd in 1899 omgezet in de doopsgezinde gemeente Assen. Aanvankelijk werden de kerkdiensten gehouden in het inmiddels gesloopte Nutsgebouw aan de Javastraat. Op 10 oktober 1908 werd aan de Oranjestraat een eigen kerk in gebruik genomen. Het is een ontwerp van T. Boonstra. directeur van gemeentewerken in Assen en kerkenraadslid-boekhouder van de doopsgezinde gemeente. De kerk is opgetrokken van baksteen. De strakke voorgevel kreeg enige levendigheid door het aanwenden van gele verblendsteen (geglazuurde baksteen), natuurstenen sluit- en afdekstukken en door enkele nissen. De voorgevel is aan beide zijden afgewerkt met torenvormige spitsen.

De zijmuren hebben elk vier boogramen. In de kerk is recht tegenover ingang en orgelgalerij een estrade, een verhoging, waarop zich de preekstoel bevindt. In 1922 werd een gebrandschilderd raam geplaatst met de emblemen van geloof, hoop en liefde. In 1963 werd op de wand achter de kansel een houten kruis bevestigd. Op de orgelgalerij werd een serafine orgel geplaatst, dat in 1963 werd vervangen door een tweeklaviers harmonium. Achter de kerk is een consistoriekamer gebouwd. Deze werd in 1986 uitgebreid met enkele ruimten voor kerkelijke activiteiten. Het ledental van Assen bedroeg in 1907: 57. In 1950: 88. En in 1998: 80.


Bezoek hier de website van de doopsgezinde gemeente in Assen


De Hutgemeenschap Prinsenlaan 82 (Tonckensbosje) in Emmen


De Doopsgezinde Gemeente in Emmen


In 1936 vormden tien in Emmen en omgeving wonende doopsgezinden een kring. Men kwam maandelijks bij elkaar. Vanaf 1947 werden met een zekere regelmaat doopsgezinde kerkdiensten gehouden. Aanvankelijk aan huis, later in een catechisatielokaal van de hervormde kerk, en weer later in het kelderlokaal van wijkcentrum "d' Zeihuuv". De leden van de kring stonden ingeschreven bij de doopsgezinde gemeente te Stadskanaal. In 1956 werd de kring omgezet in de doopsgezinde gemeente Emmen. In november 1960 begon men met de bouw van een eigen kerk in het Tonckensbosje aan de Prinsenlaan. Het kerkgebouw, ontworpen door de architect Y. Sietse Dijkstra uit Emmen, werd op 10 september 1961 officieel in gebruik genomen. De kerk is gebouwd in de vorm van een schuilhut: een plaats waar men samen kan komen om elkaar te ontmoeten.

Het gebouw heeft een bijzondere constructie: het dak is opgehangen aan vier zware balken, die doorlopen tot op de grond. Het grote raam geeft openheid naar de wereld buiten. Tegen de oostelijke buitenmuur is een reliëf van keramiek aangebracht, vervaardigd door de Amsterdamse beeldhouwer H. Ittmann. Het stelt de trits geloof, hoop en liefde voor. De kerkzang wordt begeleid door middel van een elektronisch orgel. In 1985 bleek uit lekkages dat het dak van het kerkgebouw in slechte staat verkeerde. Een ingrijpende renovatie was nodig. In 1993 kregen In de jaren '60 nam de doopsgezinde gemeente een aantal remonstranten in haar midden op als gastleden. Op 7 september 1971 werd samen met hen de "Hutgemeente" gevormd, later "Hutgemeenschap" genoemd. Ook gelijkdenkenden van andere kerken kregen de mogelijkheid om als volwaardige leden toe te treden. De doopsgezinde gemeente van Emmen begon in 1956 met een ledental van 43. Thans, in 1998, zijn er 38 leden. Met 8 remonstranten erbij vormen zij samen de Hutgemeenschap.


Bezoek hier de website van de Hutgemeenschap in Emmen


Het interieur van de Doopsgezinde Gemeente in Meppel, Vledderstraat 20.


De Doopsgezinde Gemeente in Meppel


De doopsgezinde kerk in Meppel aan de Vledderstraat is ongetwijfeld de modernste uit onze regio. Niet alleen omdat zij nog maar 10 jaar geleden op Palmzondag 27 maart 1988 in gebruik werd genomen. Maar ook omdat zij gebouwd is als onderdeel van een flatgebouw. Dit gebouw werd ontworpen door het architectenbureau Klaas van den Berg uit IJsselmuiden-Kampen. De nieuwe kerkruimte bevindt zich op een afstand van slechts enkele tientallen meters van de plek waar de oude kerk aan de Marktstraat heeft gestaan. De doopsgezinde gemeente verleende haar medewerking aan een sanering van de binnenstad, in het kader waarvan de vorige kerk is afgebroken. De doopsgezinde gemeente van Meppel is in 1879 gesticht vanuit Zwartsluis. Beide gemeenten werden toen bediend door ds. Tjepke Kielstra (1852-1936), een energiek en bezielend voorganger. Weldra werd begonnen met de bouw van een kerk.

Die werd op 1 januari 1880 in gebruik genomen. In 1897 werd een door Bakker en Timmenga uit Leeuwarden gebouwd een klaviers orgel geplaatst. De nieuwe kerk is een lichte ruimte, waarin nog heel wat herinnert aan de oude kerk. Het uit de oude kerk afkomstige orgel, dat enige jaren voor het afstoten van het oude kerkgebouw nog was gerestaureerd door de orgelbouwers Marinus Eduard Kaat uit Meppel en Levinus G. Tijhuis uit Kampen, werd door hen opnieuw ingebouwd op het orgelbalkon. De hoogte van het orgel dwong tot verhoging van een deel van het plafond, hetgeen een zekere levendigheid tot resultaat heeft. Aan weerszijden van het orgel zijn op de muur achter het orgelbordes plafondrozetten uit de oude kerk aangebracht. Deze breken het witte vlak van deze muur. De spijlen van de trapleuning naar het orgel uit de oude kerk zijn op de zijkant liggend geplaatst voor een raam. Als men vanaf de straat door het raam rechts van de ingang kijkt lijkt het een wit hekwerk.

Daarmee wordt de eigentijdse strakheid van de voorgevel enigszins doorbroken. In de Advents- en Kersttijd biedt dit hekwerk de mogelijkheid om door er waxinelichtjes op te plaatsen de voorbijgangers op straat te herinneren aan het Licht van Christus. Ook de uit omstreeks 1950 daterende preekstoel werd uit de oude kerk meegenomen. Boven de kerkzaal bevinden zich op de eerste en tweede verdiepingen nog de Menisten-hoek en de Mennozaal, ruimten die zich uitstekend lenen voor kerkelijke activiteiten. De Meppeler menisten zijn er door de stadssanering bepaaldelijk niet op achteruit gegaan! Omdat zoveel uit de oude kerk is meegenomen bleef ondanks de moderne zakelijke bouwstijl toch veel van vroeger bewaard. Het verloop van het ledental van de Meppeler doorsgezinde gemeente was als volgt: in 1904: 97. In 1950: 111. En in 1998: 67


Bezoek hier de website van de Doopsgezinde Gemeente uit Meppel


De Doopsgezinde Kerk in Roden, Padkamp 2b


De Doopsgezinde Gemeente in Roden


De doopsgezinde gemeente te Roden is een nog jonge gemeente, die vanuit de provincie Groningen is ontstaan. In de herfst van 1937 begon ds. Johan Sjouke Postma (1910-1995), doopsgezind predikant te Den Hom, met een doopsgezinde catechisatiegroep in Roden. Enkele jaren later werden er 's zondags om de veertien dagen doopsgezinde kerkdiensten gehouden in een lokaal van het Dorpshuis. In 1950 werd de doopsgezinde kring Roden gesticht als onderdeel van de doopsgezinde gemeente in de stad Groningen. Op 25 juli 1954 werd deze kring omgezet in een zelfstandige doopsgezinde gemeente met 34 leden. Nog in dezelfde zomer werd begonnen met de bouw van een eigen kerk en een Mennozaal. Medewerking verleenden jongeren van een internationaal hulpwerkkamp van de Mennonite Voluntary Service. Het waren 12 Duitsers. 12 Nederlanders, 4 Fransen, 4 Amerikanen, een Belg, een Engelsman en een Zwitser. Zij hebben vooral gewerkt aan het leggen van de fundering. Het eenvoudige gebouw is ontworpen door de architecten J. Kort uit Groningen en J. Zondag uit Roden.

De eerste steen met daarop de tekst 1 Corinthiërs 3 vers 11 werd op 24 augustus 1954 gelegd door voorzitter G. Koedijk. De eerste kerkdienst in de nieuwe vermaning vond plaats op 6 maart 1955. In 1983 werd naar een ontwerp van architect G. Walinga uit Haren de vermaning uitgebreid met een kerkenraadskamer, "Vertoeving" genoemd, en een vertrek voor de predikant, "Bezinning" genoemd. In de kleine torenspits bevindt zich een luidklok, die werd gegoten door de firma Van Bergen in Heiligerlee en als randschrift draagt Per Vocem Meam Deus Vos (Door mijn stem roept God u) In 1967 werd een eenvoudig orgel geplaatst, gebouwd door Eddy Ottens uit Roden. Ongeveer tien jaar geleden is het gerestaureerd door Sicco Steendam uit Roodeschool. De doopsgezinde gemeente va Roden telt thans 79 leden en 67 belangstellenden.


Bezoek hier de website van de Doopsgezinde Gemeente in Roden






© 2006-2009 www.mijn-eigen-website.nl