In en om Assen





Het Drentse Volkskarakter


Bronvermelding:
'Het Drentse volkskarakter'. Auteur: K. van der Kley. Kinheim-Uitgeverij, Heiloo 1946



Tot aan het eind van de 19e eeuw was niet alleen het vergaren van voldoende voedsel een bron van aanhoudende zorg, ook het bewaren ervan leverde veel kopzorgen op. Toen bracht de Duitse fysicus Johann Weck de oplossing. Met een glazen fles, een ring van gummi en een passende glazen deksel kon voedsel op een kiemvrije manier bewaard worden. De truc was: door verhitting werd de fles vacuüm getrokken. Op de foto wordt het fruit gekookt. Het inmaken van voedsel is ingeburgerd onder de naam: inwecken (foto Spaarnestad Photo)


Jongere inwoners die wakker uit hun ogen kijken


Ontwikkeling


Vermoedelijk is er geen tijdperk in de geschiedenis geweest, waarin alles zo snel veranderde als tegenwoordig. Ook Drente ontkomt daar niet aan. Eendeels is dit toe te juichen: Een gezonde ontwikkeling is nodig, wil er geen verstarring optreden. Een boom moet groeien en nieuwe loten vormen, anders komt er teveel dood hout aan. De stedeling zou het platteland gaarne als één groot museum behouden. Hij neemt het den boer kwalijk, als die met zijn tijd meegaat. Het past niet in zijn romantische beschouwing van het platteland. Dat gaat echter niet op. Ook Drente heeft z'n behoeften, waarvan het gelukkig is, dat er in wordt voorzien. Zo heeft Drente nodig: goed landbouwonderwijs, goede voorlichting op landbouwgebied.

Het heeft nodig goed onderlegde jonge boeren, die de moderne landbouwmethoden geleerd hebben. Hier is reeds heel wat verbeterd. Niet langer behoeft het grasland uitsluitend langs de stroompjes gezocht te worden. Ook van de droge gronden kan men nu weide maken. Heidevelden, die vroeger als onvruchtbaar, waardeloos land golden, worden nu ontgonnen en met vrucht bebouwd, teveel nog door „vreemden", niet-Drenten, maar toch niet altijd meer. Ook onder de jongere inwoners zelf zijn er, die wakker uit hun ogen kijken en de nieuwe methoden weten toe te passen. Tegenwoordig zijn er velen onder de jonge boeren, die goed onderlegd zijn, zodat ze belangrijke bestuursfuncties in eigen handen kunnen nemen.

Als dus Blink schrijft dat "geen gestoot en geplas van de karn meer gehoord wordt op de brink en dat men geen blinkende koperen vaten meer bij de huizen ziet staan," dan antwoorden wij, dat er in elk Drents dorp een coöperatieve boterfabriek staat, waarvan de auto's met melkbussen af en aan rijden... Als iemand mocht klagen over de verdwijnende heidevelden, dan wijzen wij hen op de prachtige korenvelden en aardappelakkers, waar de vruchten thans keurig in rijen en zonder onkruid staan. Zij geven een opbrengst, waarvan men vroeger niet had durven dromen. Onder de jonge boeren en arbeiders zijn er velen, die, dank zij het genoten onderwijs, en de kennismaking met een andere dan hun eigen omgeving, een prettige, rustige indruk maken: Zij weten dat zij hun vak verstaan en daarin niet voor anderen behoeven onder te doen.


Verbreking der dorpseenheid

Toch zijn er ook dingen, die tot zorg stemmen, want de veranderingen zijn zo groot en zij kwamen zo plotseling. De dorpseenheid, de samenwerking, waarop het Drentse leven zoveel eeuwen berustte, is voor een groot deel verbroken. Verschillende oorzaken zijn daarvoor op te noemen. De Afscheiding bracht de eerste grote splitsing in het Drentse dorpsleven. De meeste aanhangers der „kleine kerk", de z.g. „Cocksen", dateren van de eerste afscheiding, omstreeks 1834, het jaar dat Ds. de Cock en Ds. Scholte afgezet werden. In 1887 kreeg deze versterking van de „Doleantie" onder invloed van Dr. A. Kuyper, terwijl in 1892 beide richtingen verenigd werden onder de naam „Gereformeerden".

Hoe is deze scheiding nu zo scherp geworden? Want in vele dorpen bestaat tussen de leden der „Grote Kerk" en de aanhangers der „Kleine Kerk" weinig gemeenschap. De groep, die zich afscheidde, heeft a.h.w. een nieuwe eenheid binnen de dorpseenheid gevormd, waarbinnen zich hun gehele leven afspeelt, ze gaan in hoofdzaak met hun eigen geloofsgenoten om, ze kopen bij voorkeur hun waren bij een winkelier van hun richting. Ook de oprichting van bijzondere scholen van verschillende richting heeft tot verbreking der dorpseenheid bijgedragen.


De bindende kracht van de kerk verzwakt

De kerk was in het verleden de bindende kracht op de dorpen. „Het is onnodig uit te weiden over de geestelijke betekenis van het gewijde, centraalgelegen gebouw, waarin men zich op Zon- en feestdagen geregeld verenigde, waarin de kinderen ten doop gehouden en waarom de doden ter ruste gelegd werden, vanwaar uit later de armenzorg geadministreerd werd en waarbij zich toen gewoonlijk ook nog de enige school bevond. Doch de kerk had ook een functie in het wereldlijke leven. De wegen uit de buurtschappen, de kerkpaden, liepen daarheen samen; van de kansel af, bij „kerksprake", later ook door aanplakking op de kerkdeur, werden verordeningen en andere bekendmakingen gepubliceerd; op het kerkhof, of oudtijds zeker ook wel in de kerk, werden kerspelsvergaderingen gehouden.

Om haar vestigden zich in de loop des tijds een dorpsherbergier, handwerklieden en neringdoenden, die slechts dan een klandizie vonden, welke de kleine afgelegen buurtschappen op zichzelf niet vermochten te verschaffen" Op maatschappelijk gebied is thans het terrein, waarop zij zich beweegt, niet zo breed meer. De overheid en verschillende particuliere verenigingen hebben een deel van haar taak overgenomen. De verzorging van armen en hulpbehoevenden berust thans voor een deel bij de burgerlijke overheid. Voor ziekenzorg e.d. zijn Verenigingen voor Ziekenhuisverpleging en afdelingen van het Groene Kruis opgericht. Erger was echter de verandering in de geesten, die voor een deel onder invloed van de materialistische tijdgeest ontstond, maar waartoe ook het landbouwonderwijs ongewild heeft bijgedragen.

De grote vooruitgang in landbouwmethoden en kennis van de grond en bemesting maakte, dat men zich niet meer uitsluitend afhankelijk gevoelde van een „Hogere Macht". Onwillekeurig nam het denken aan materieel gewin steeds meer plaats in. Wel worden Biddag en Dankdag voor het gewas nog steeds in ere gehouden, maar de kerk is op deze, aan de landbouw gewijde, dagen niet meer zo vol als vroeger. Vooral tussen het oude en het jonge geslacht is er verschil van opvatting. Zo verzekerde mij een oude boer onder Benneveld (Gemeente Zweeloo), dat de mens niet meer kon doen dan zijn land bebouwen, dan moest men afwachten, of God er zijn zegen op wilde schenken. Maar zijn zoon begon onderwijl over het kopersulfaat, dat zo'n uitstekend middel was tegen de ontginningsziekte ...

Toch is de onkerkelijkheid in Drente nog zeer gering. Men houdt er vast aan de kerk, wat ook blijkt uit kinderdoop, begrafenisleiding door den predikant e.d., maar het kerkbezoek is er slecht. In menig dorp sloeg de collectieve kerksheid over in collectieve onkerksheid. Zo waren Dwingelo, Diever, Havelte vóór 70 jaar zeer kerks. In verband hiermee wijst Ds. Landsman op de invloed van de z.g. Oud-Groninger Evangelische richting. De Drenten herkenden in de „evangelische" vroomheid iets van de gevoelens, die hun a.h.w. waren aangeboren. Ze hadden nooit veel gevoeld voor de „leer" en nu werd hun met kerkelijk gezag gezegd, dat het toch maar aankwam op het leven.


De woonkeuken van de familie Lammers uit Zeijen, waar drie generaties aan tafel zitten. Vaak bleven de grootouders op de boerderij wonen, bijvoorbeeld in een aangebouwd vertrek, de endskamer, of in het voorhuis in de goede kamer, al naar gelang er plaats was. De foto werd gemaakt in 1951 en toont een licht vertrek met eigentijds woonconfort (foto Nederlands Openluchtmuseum)


Invloed van het socialisme


Ook de leer van het socialisme bracht scheiding in de dorpen. Oorspronkelijk was de invloed hiervan in Drente niet groot, daar er op de zanddorpen geen eigenlijke arbeidersklasse bestond. De meesten bezaten een klein gemengd bedrijf en gingen ter aanvulling nu en dan op daghuur. Zo waren in de gemeente Havelte in 1931 217 bedrijven van 0.05—5 ha. Naast 344 eigenaars vond men er 354 pachters. En hierin ligt één der oorzaken, waarom het socialisme er ten slotte wel vat kreeg. Oorspronkelijk bestond er tussen huurders en verhuurders zoals wij zagen een persoonlijke verhouding. Doch deze veranderde langzamerhand in een zakelijke.

Zo lezen wij in mijn „Drents Dorpsleven" „Een eigenaar-grootgrondbezitter mocht de huren niet verhogen, zolang z'n vrouw leefde, want zij had immers al die meijers van jongsaf gekend". Na haar dood veranderde dit. De plaatsjes werden nu publiek verpacht. Er werd een contract opgemaakt, waarin kwam te staan: De helft van het land moest bemest worden met koemest ten genoege van den verhuurder". „Het contract vervalt met de dood van den huurder, enz." In weinige jaren werd de huur meer dan verdubbeld. Het ergste was echter, dat de zekerheid om levenslang op dezelfde plaats te kunnen blijven wonen, thans verdween. Als er één was, die meer bood, moest de huurder opstappen of zelf meer betalen. In groten getale gingen de huurboeren nu rood stemmen. Zij wilden een pachtwet. Hierdoor kwam het, dat bij de kamerverkiezingen van 1937 24.72% rood stemde.


Opheffing der afgelegenheid

Nog een andere factor had echter grote invloed op de verbreking der dorpseenheid. Eeuwenlang waren de Drentse dorpen aan zichzelf overgelaten. In de moderne tijd bracht het verkeer ze met de buitenwereld in aanraking. Vooral de fiets speelde hierbij een grote rol, terwijl in de allerlaatste tijd de radio een sterk vervlakkende invloed heeft. Van de jongeren vertoefden velen voor korter of langer tijd in de stad. De jongens brachten er hun militaire diensttijd door, vele meisjes vertrokken als dienstbode naar elders, aangelokt door de hoge lonen en de schoonschijnende stadswereld. Anderen werkten op de fabriek in een naburig stadje. (Dit geldt bijv. voor de omgeving van Meppel, Hoogeveen, Assen, Koevorden).

Meerderen brachten soms lange tijd door in een ziekenhuis in de stad. De boterfabriek bracht op de dorpen veelal personeel van elders. Door de grotere taak die de gemeente, vooral tijdens en na de oorlogsjaren 1914—'18 kreeg, werd het aantal ambtenaren steeds uitgebreid. De talrijke crisismaatregelen legden de vrijheid van den boer aan banden en brachten hem steeds meer met de ambtenaren in aanraking. Ook het schoolpersoneel werd steeds meer van elders gerecru- teerd. Het dorp werd hier vaak als springplank gebruikt, om een positie in de grote stad te verwerven. Hier kwam nog bij, dat zich op de nieuwe ontginningen steeds meer boeren van elders vestigden, terwijl zoals wij zagen, ook het verhuren op de Drentse dorpen niet meer voor levenslang geschiedde.

Fietsen hadden het verkeer met de andere Drentse dorpen gemakkelijk gemaakt. Sinds lang was de „Naturalwirtschaft", waarvan wij hiervoor spraken, overgegaan in een „Geldwirtschaft". De meerdere aanraking met de buitenwereld deed de behoeften steeds stijgen. Op vele dorpen verrezen monsterlijke bazars. In plaats van de eenvoudige schoenmaker kwam een magazijn met elegant schoeisel, naar de nieuwste mode. Ook de winkelstand op het dorp breidde zich dus steeds uit en vergrootte het percentage „vreemdelingen" in het dorp. Van de in het Derde Hoofdstuk geschetste dorpseenheid bleef niet veel meer over. Er kwam meer verschil in levensstandaard en meer verschil in overtuiging.

Totnogtoe hadden de kinderen, zolang ze ongetrouwd waren, hun loon steeds aan hun ouders afgegeven. Nu werd dit anders. Voor zichzelf hadden zij steeds meer nodig en zij gingen leven in een andere gedachtenwereld dan hun ouders. Ook de eenheid in het gezin kreeg dus een gevoelige knak. Was totnogtoe de boerderij een familiebezit geweest, waarop meerdere geslachten bijeenwoonden: de grootouders, één of meer getrouwde kinderen, de kleinkinderen en vaak nog ongetrouwde familieleden, was zo de boerderij een familiebezit, waarop iedereen recht had, daar hij er ter zijner tijd zijn arbeidskracht aan had gegeven, thans werd door de tegenstelling tussen oud en nieuw, tussen jong en oud, deze samenleving steeds meer een onmogelijkheid.

Ook in de bouw der nieuwe boerderijen weerspiegelt zich de innerlijke tweespalt. „Wanbegrippen op bouwkundig gebied" noemt architect J. Jans ze. „De boer zegt altijd wel: „liever boer dan burger", maar dat verhindert hem bijna nooit, de slechtste producten van den burger tot voorbeeld te kiezen voor het woongedeelte van zijn nieuwe boerderij" schrijft hij. In plaats van de stijlvolle eikenhouten kasten en fraaibesneden kleerkisten ziet men thans wanstaltige bazarprullen, de mooie „bissekisten" hebben een plaatsje gekregen als voerkist op de deel en vandaar verhuizen ze via opkopers naar de magazijnen der antiquairs in de stad. Het verschijnsel der stijlloosheid en wansmaak vindt men trouwens niet alleen in de Drentse dorpen, maar omdat hier de mooie dingen het langst bewaard bleven, valt het thans temeer op.


Verslapping der heersende zede

Met de verbreking der dorpseenheid ging gepaard een verslapping der heersende zede. Dit nu levert voor het volks¬arakter een groot gevaar op. De jonge mensen bevinden zich thans in een overgangstijd. De zede, het „olde gebruuk", geeft hun geen richtsnoer meer om naar te leven. Daar achten zij zich boven verheven. Zij moeten nu op eigen benen staan. Maar de Drent heeft zolang collectief geleefd, dat hem dit zeer moeilijk afgaat. Verdwijning van de dorpszede betekent géén zede. Daar komt bij, dat de stadscultuur, die thans (ook via de radio) allerwege binnengehaald wordt, niet van het beste gehalte is.

Er heerst een crisis in de cultuur. Alle vaste normen vallen weg, men twijfelt aan alles, wat vroeger voor goed en voor waar gold en deze twijfel dringt thans ook de dorpen binnen. Vooral voor de sexuele zeden is dit noodlottig. Zo lezen wij op blz. 134—135 van „Criminaliteit in Drente": „In de laatste jaren beginnen zich in Drente verschijnselen te vertonen, die wijzen in een richting van toenemende losbandigheid in de slechtste zin. Oorzaken hiervan zijn in de eerste plaats de aanzienlijk verbeterde verkeersmiddelen. Vóórdien was de jeugd grotendeels aangewezen op partners uit de eigen plaats; men bleef dus a.h.w. steeds binnen het contrölebereik van de eigen streekgewoonten.

Tegenwoordig is de mogelijkheid gegeven om, dank zij autobus of motor, relaties aan te knopen in geheel andere streken, waar men het wakend oog der eigen omgeving veel minder op zich voelt rusten en waar men zich gemakkelijk uit terug kan trekken, wanneer de omgang ongewenste gevolgen dreigt te hebben. In verband met de jongste ontwikkeling in de opvattingen op het gebied der sexuele moraal staat het café en dancingprobleem, dat met recht voor Drente een brandend vraagstuk mag heten. In de oude, geïsoleerde Drentse samenleving was de plaatselijke herberg vanzelfsprekend steeds een middelpunt. Met de toenemende ontsluiting en de verbeteringen in de verkeersmiddelen is voor vele caféhouders, die te concurreren kregen met goedkopere of beter ingerichte collega's in andere plaatsen, de strijd om het bestaan aanzienlijk verzwaard.

Het gevolg hiervan is geweest, dat de caféhouders langzamerhand gewikkeld zijn geraakt in een moorddadige concurrentiestrijd, die hen dwingt, om soms met opoffering van de laatste financiële reserves, voor de bevolking van plaats en omgeving allerlei attracties te organiseren teneinde op deze wijze klanten te lokken. De meest toegepaste van deze attracties is het organiseren van danspartijen. Van dansen zijn de Drenten nimmer afkerig geweest, doch de wijze waarop tegenwoordig, volkomen kunstmatig de danslust gestimuleerd wordt, staat in geen verhouding meer tot wat nog op de naam van „behoorlijke ontspanning" aanspraak mag maken". Ook toneelvoorstellingen, films enz., worden door den caféhouder georganiseerd.

Deze is daarmee tot „leider van het culturele leven" gepromoveerd, wat — met alle respect voor 's mans goede bedoelingen — toch wel een zonderlinge verhouding genoemd mag worden. Daarbij komt, dat de boerenjongens en -meisjes al het mogelijke doen, om de stadszeden in kleding en manieren, maar ook in zeden! zoveel mogelijk na te bootsen. Nog steeds moeten zij een gevoel van minderwaardigheid verdringen t.o.v. de stad. Daarom stellen zij zich zo „los" mogelijk aan. Waarom zouden zij niet alles mogen doen, wat in hun ogen ook in de stad geoorloofd is?


Een boerendochter leert vroeg om een paard in te spannen (collectie Spaarnestad Photo)


Tekenen die op een kentering wijzen

Gelukkig zijn er tekenen, die op een kentering in de opvattingen wijzen. Juist in Drente (met Friesland en Groningen) bleek toch ook nog de oude boerentrots te huizen, die zich niet schaamt voor het eigen bedrijf en voor eigen stand. De meisjes willen er nog wel met een boer trouwen, men laat z'n kinderen nog niet per sé studeren, als men ze een goede boerderij kan geven (in Drente zijn slechts vier H.B.S.-en, n.1. te Assen, Meppel, Koevorden en een Chr. H.B.S. te Hoogeveen, één Gymnasium te Assen, en twee kweekscholen voor onderwijzers: te Meppel en te Koevorden). Daarentegen komen er op de dorpen steeds meer Lagere Landbouwscholen bij en bezoeken velen de Rijkslandbouw-winterscholen te Emmen, Meppel of Assen. Ook de agrarische beweging Landbouw en Maatschappij, die immers verheffing van de boerenstand in haar vaandel had geschreven, vond juist in Drente onmiddellijk grote aanhang.


De Jeugdbeweging

Verschillende jeugdbewegingen hebben in de Drentse dorpen een invloed ten goede uitgeoefend en wezenlijk een nieuwe geest onder haar aanhangers gekweekt. Van de Agrarische Jeugdbeweging schrijft Ds. Landsman: „Het „dat doet een jonge boer niet" is voor velen een aanleiding, zich te onthouden van het bezoeken van de talloze, elke Zondag weer door de vele invloedrijke caféhouders georganiseerde kermissen en volksfeesten". In plaats van de moderne straatdeuntjes werd getracht aardige frisse volksdeuntjes bij de jongens en meisjes ingang te doen vinden. Ook de „Rijzende Kerk", de jeugdbeweging voor de Vrijzinnig-godsdienstige jongeren, had in vele dorpen een grote en goede invloed. In meer orthodoxe streken vond men het Ned. Jongelingsverbond en verschillende knapen- en meisjes-verenigingen.

Het enige bezwaar tegen deze jeugdorganisaties is, dat ze de uithuizigheid en het laat naar bed gaan zo sterk bevorderen. Vele opgeschoten jongens en meisjes zijn 's winters avond aan avond bezet en komen geregeld na elven thuis. Zo zijn er dus ook nog hoopvolle tekenen voor de toekomst. Typerend is bijv. dat de boerenjeugd uit Peize, dat toch onder de rook van Groningen ligt, zelden de café's en bioscopen in die stad bezoekt, omdat ze zich daar volkomen vreemd gevoelt. Roden, ca. 15 km van Groningen gelegen, meldt, dat er in het geheel niet van enige trek naar de stad kan worden gesproken. Ook de school kan een invloed ten goede uitoefenen, door het onderwijs aan te laten sluiten bij de omgeving.

Want in een boerenschool behoort het boerenleven nummer één te zijn en niet een portie steedse wijsheid". Over de z.g. „heemkunde" wordt nog altijd meer geschreven en gepraat, dan in de praktijk in toepassing gebracht. Gelukkig gaven voordat het woord zelf bekend was, vele oudere leerkrachten, die zich geheel in hun dorp ingeleefd hadden, reeds lang in die geest les. Zo is er dan alle reden, om aan te nemen, dat in Drente de boerenstand zichzelf zal blijven, of tenminste zichzelf zal hervinden. Zij zal zich hebben aan te passen aan de nieuwe tijd. In sommige opzichten is dit reeds merkwaardig goed gelukt. Zo is de aloude samenwerking, die men al zovele eeuwen gewend was, thans in de coöperatieve boterfabriek en vele andere landbouwverenigingen belichaamd: altijd dorpsgewijze en niet streeksgewijze, zoals in Holland en in de veenkolonie Hoogeveen.

Als de dorsmachine komt, blijkt het, dat de aloude hulpvaardigheid nog niet is verdwenen en met behulp van familie en buren spaart men heel wat kosten uit. In de jongste winter trok men met man en macht aan het sneeuwruimen, om de wegen vrij te maken, zoals wij reeds zagen. De gewetenloze „zwarte handel", het maken van ongeoorloofde winsten, ten koste van zijn medemens, woedt hier het minst van al. Heeft men iets over, dan helpt men elkander, zonder er zelf voordeel bij te hebben. In Drente zijn de oude cultuurwaarden nog niet gestorven! Dit bleek ook in de winter van 1944—'45. Een eindeloze stroom van „etenhalers" trok toen uit het Westen des lands naar de Noordelijke provinciën.

Duizenden zijn er in Drente geholpen zonder persoonlijk gewin. Men verschafte ze eten en onderdak en verkocht ze de rogge voor 10 cent per pond. De enkelen, die misbruik maakten van de nood van hun medemens, waren uitzondering. Men spreekt er schande over, bij bestuursverkiezingen worden zij gepasseerd of gewipt. Men is hun gedrag nog niet vergeten!






© 2006-2009 www.mijn-eigen-website.nl