In en om Assen





Drenthe beter begrepen


Bronvermelding:
'Drenthe door dichtersogen'. Stichting Achterland, november 2004. ISBN 90 74927 29 7. Het voorwoord van deze bundel is geschreven door Bertus Boivin


Foto © Sietse Kooistra


'De Olde Landschap'

Hier in Drenthe noemen we onze provincie nog wel eens liefkozend 'De Olde Landschap'. 'Old' is het Drentse woord voor 'oud' en klinkt een stuk zachter dan zijn Nederlandse equivalent. Ons 'de' voor het woord landschap is geen vergissing, maar het passende lidwoord bij de naam van een eeuwenoude boerenrepubliek op de hoge zandgronden tussen Groningen en Overijssel. In de loop der jaren heeft Drenthe vele generaties schrijvers en dichters geïnspireerd. Sommigen werden er geboren; anderen kwamen op eigen initiatief en vielen voor de charme van het Drentse decor. Eén ding hebben ze met elkaar gemeen: ze hebben iets van Drenthe begrepen.


Op doorreis

De Landschap Drenthe was in vroeger eeuwen geen oord waar je voor je plezier naar toe ging. Alleen degenen die vanuit de kleine Drentse vesting Coevorden over de Hondsrug naar het rijke Groningen reisden, kwamen er. In hun dorpen leidden de Drenten lange tijd een onopvallend en weinig benijdenswaardig bestaan. Ze verbouwden wat ze nodig hadden en redden het daarmee. Als de natuur een handje hielp tenminste. Terwijl elders in de Republiek de welvaart van de Gouden Eeuw met scheepsladingen tegelijk binnenstroomde, likten de 16.000 Drenten, na een eeuw van plunderingen, nog hun wonden. Als dominee uit de schrift las dat de aarde in den beginne woest en ledig was, begreep zijn Drentse gehoor precies waarover hij het had.

Nu sijn al haere seven Susters Coninginnen en sitten op seven Thronen in een Conincklick Palleys, maer Suster Drenthia wert buyten gesloten en al klopt sij somtijds aan, sij krijght evenwel geen gehoor, aldus dominee Johan Picardt in zijn Drentse Cronijck uit 1660. Dominee Picardt was de eerste Drentse geschiedschrijver en zijn Cronijck zou gedurende anderhalve eeuw het enige Drentse boek blijven. Picardt gaf Drenthe zijn geschiedenis. Hij vertelde over reuzen die hunebedden bouwden, over steden die door het veen waren opgeslokt, over 'witte wijven' die rondspookten in de heuvels en op de hei.


Ontdekkingsreizigers

Mede dankzij Picardt werd Drenthe in de ogen van de overige Nederlanders een soort sprookjesland, omgeven door sterke verhalen. Degenen die omstreeks 1700 naar Drenthe reisden, spraken erover als ontdekkingsreizigers die een witte vlek op de kaart hadden benoemd. Tegen het einde van de achttiende eeuw bezocht de toen buitengewoon populaire landschapschilder Egbert van Drielst Drenthe met grote regelmaat. De tekeningen en schilderijen die hij er maakte, vonden gretig aftrek in zijn woonplaats Amsterdam. Een Drents dorpsgezicht met bemoste rietdaken en enorme eiken of een fraaie gravure van een hunebed sierde het interieur van menig grachtengordelpand.

Het gevoel 'ontdekkingsreiziger' te zijn in eigen land komt sterk naar voren uit het reisverhaal van de jonge Jacob van Lennep die in de zomer van 1823, samen met Dirk van Hogendorp, een lange voettocht door Nederland volbracht. Toen Geert Mak in 2002 dezelfde reis opnieuw maakte, stelde hij vast dat de toon in Van Lenneps verhaal duidelijk verandert zodra Van Hogendorp en hij de geordende wereld van het Hollandse, Friese en Groningse boerenland verlaten en kennismaken met de Drentse wildernis. Volgens Mak was Drenthe voor deze keurige Leidse studenten een onland waar mens en natuur nog door de Hollandse beschaving getemd moeten worden.


Drenthe in vlugtige omtrekken

Reisverhalen vol ontberingen vonden in Van Lenneps tijd gretig aftrek. Het is dan ook geen wonder dat, toen halverwege de negentiende eeuw drie Drentse heren besloten het toenmalige Drenthe te beschrijven, ook zij daarvoor de vorm van het reisverhaal kozen. Aan de lezer deden zij zich daarbij voor als vreemdelingen die zich voortdurend verbaasden over hetgeen ze onderweg kregen te horen en te zien. De drie heren in kwestie waren journalist Harm Boom, dominee Alexander Lodewijk Lesturgeon en uitgever Dubbeld Hemsing van der Scheer.

Tussen 1843 en 1847 verscheen hun reisverhaal Drenthe in vlugtige en losse omtrekken geschetst in een aantal afleveringen. Ze publiceerden het boek onder het merkwaardige pseudoniem 'de drie Podagristen'. 'Podagra' is de medische term voor voetjicht en het vernoemen van die kwaal wil ons doen geloven dat de heren, mede als gevolg van hun Bourgondische levenswijze, het onderweg zwaar moeten hebben gehad. Al reizend tekenden Boom, Lesturgeon en Van der Scheer alles op wat hun van belang leek. Ze noteerden verhalen die mensen vertelden, beschreven dorpen waar ze doorheen kwamen en gunden de lezer een kijkje in diverse Drentse huiskamers. Zodoende gaven ze een van de eerste uitgebreide beschrijvingen van het Drentse dorpsleven. Het resultaat is een levendig verslag dat je nog steeds met plezier leest.

De Podagristen beschreven hoe de Drenten kermis vierden, hoe ze plaatsnamen aan lange tafels voor een bruiloftsmaal, maar ook hoe ze achter een baar naar de groeve liepen, terwijl het luiden van de kerkklok de duivel op afstand moest houden. Onophoudelijk toonden ze zich verbaasd over de geheimen die het Drentse land prijsgaf. Tot de laatste bladzijde laten ze de lezer geloven voor het eerst van hun leven in Drenthe te zijn.

Als Henk Nijkeuter in 2003 in bijna 850 pagina's de geschiedenis van de Drentse literatuur tussen 1816 en 1956 beschrijft, begint hij zijn serie schrijversportretten met een uitgebreide beschouwing over het werk van de Podagristen. Feitelijk laat Nijkeuter de Drentse literatuur in de zin van 'een ononderbroken reeks literaire teksten' met hun reisverhaal beginnen. Hij citeert het gedicht Aan Drenthe van Lesturgeon: Zoo is voor u, eerwaardig Drenthe. Thans ook een lentgetij ontwaakt. Uw weêrgeboorte gaat beginnen. Een nieuwe geest dringt bij u binnen.


Foto © Sietse Kooistra


Drents decor

Tot op de dag van vandaag is Drenthe ook voor kunstenaars van buitenaf altijd een geliefde bestemming geweest. In de bundel zoals bij de bronvermelding beschreven treft u werk aan van niet-Drentse schrijvers en dichters dat zich afspeelt tegen de achtergrond van een Drents decor. Hedendaagse voorbeelden van dergelijke teksten zijn Publieke werken van Thomas Rosenboom en De ontdekking van de hemel van Harry Mulisch.

In het eerstgenoemde boek maakt Rosenboom apotheker Christof Anijs in de negentiende-eeuwse veenkolonie Hoogeveen tot held tegen wil en dank. Mulisch koos voor zijn roman de radiotelescoop in Dwingeloo als locatie om zijn hoofdpersonen met elkaar te confronteren. De rust en stilte van het Dwingelderveld stonden er borg voor dat Max Delius, Onno Quist en Ada Brons op zichzelf werden teruggeworpen. Diezelfde rust en stilte hadden er in de jaren vijftig overigens voor gezorgd dat de telescoop juist hier werd gebouwd. De Dwingeloose heide bleek de stilste plek die sterrenkundigen in Nederland konden vinden.

Soms was het de behoefte even uit het middelpunt der belangstelling te verdwijnen, die schilders, dichters en schrijvers naar Drenthe trok. Vaak ook waren de aanwezigheid van een elders verdwenen wereld en de betovering van het Drentse landschap hiervoor verantwoordelijk: Drenthe is zóó mooi, zozeer pakt het me algeheel in en voldoet mij absoluut, dat ik, indien ik niet voor altijd hier kon zijn, ik liever 't maar niet gezien had. Het is onbeschrijflijk schoon.

Het was niemand minder dan Vincent van Gogh die deze zinnen in een van zijn brieven noteerde. Hij logeerde in 1883 een paar maanden in het logement van Scholte in Nieuw-Amsterdam. Dagelijks trok hij het veld in en schilderde woeste luchten boven een eindeloze hei. Hij kon er geen genoeg van krijgen.


Smalle marges

Het Drenthe dat Van Gogh in de jaren tachtig van de negentiende eeuw vereeuwigde, is reeds lang verdwenen. Wat de vertegenwoordigers van het vreemdelingenverkeer u ook willen doen geloven, Drenthe is niet meer het land van de grote stille heide waar de herder met zijn kudde eenzaam ronddwaalt. Tegen het einde van de negentiende eeuw was het de kunstmest die de provincie tot in de verste uithoeken van uiterlijk deed veranderen. Dit product maakte zo'n beetje alles mogelijk wat de natuur tot dan toe met veel succes had weten tegen te houden. Hun leven lang hadden de Drenten gewerkt binnen de smalle marges van hun omgeving. Die marges bepaalden ook het aanzien van het landschap. De heide was namelijk geen 'natuurlijk biotoop' — zoals alle reizigers geloofden - maar het onbedoelde resultaat van jarenlange overbeweiding. Omdat de omvang van een kudde schapen bepalend was voor de hoeveelheid mest (en daarmee de mogelijkheden om akkers te bebouwen), telde deze vaak veel te veel dieren. In twee eeuwen tijd vraten die zo'n beetje het hele Drentse landschap kaal.


Drenthe in beweging

Het duurde even voordat de Drentse boeren zich lieten overtuigen door de 'apostelen van de kunstmest', zoals de Asser burgemeester Van der Feltz. Deze liet al in 1877 weinig heel van de arcadische Drenthe-idylle: De heide levert anders niets op dan de kost voor de schapen. Onze heidevelden zijn echter veel te goed voor de schapen, want zij zijn in heel veel gevallen voor het mooiste groen- en Haverland geschikt als zij maar worden ontgonnen.

Toen men aan het begin van de twintigste eeuw de kinderziekten van de kunstmest had overwonnen, ging het snel. In een halve eeuw tijd verlieten meer dan honderdduizend schapen de Drentse heide en werden tienduizenden hectaren 'woeste grond' omgevormd tot weiland of aardappelakker. Landbouwwetenschappers becijferden dat het aantal Drentse boerenbedrijven in de eerste helft van de twintigste eeuw vrijwel verdubbelde.

De eerste die over deze fundamentele veranderingen in de Drentse samenleving schreef, was boerenzoon Harm Tiesing. Anders dan wat iedereen in het dorp verwachtte, werd hij geen boerenknecht, maar slaagde erin zich aan het handwerk te ontworstelen. Hij ging schrijven. En hoe! In zijn eerste biografie worden meer dan duizend artikelen genoemd en het moeten er volgens recente berichten zelfs nog veel meer zijn geweest. Tiesing schreef regelmatig in de Nieuwe Rotterdamsche Courant over wat er in Drenthe gebeurde. Zodoende bepaalde hij mede het beeld van Drenthe elders in het land. Broodschrijver Tiesing was kenner bij uitstek van het Drentse volksleven. Aan zijn geschriften is goed te zien hoe Drenthe langzaam maar zeker veranderde.


Roppen en knooien

Een andere markante persoonlijkheid uit het Drentse openbare en culturele leven was Louis Albert Roessingh. Niet alleen was hij in de eerste helft van de twintigste eeuw een vermaard schilder van Drentse landschappen, tevens stond hij bekend als een van de eerste dialectdichters. Zijn Drenthe behoort tot de mooiste gedichten die over de provincie zijn geschreven.

Centraal in het vers staat de verhouding tussen de Drent, zijn landschap en de manier waarop hij probeert dat naar zijn hand te zetten: An het mooi hier op Drent, /Hebt ze ropt, aal hiel mien leven! / Maor hoe dapper z'ook hebt knooid / Drenten bint toch Drenten bleven. Hoe de Drent ook zijn best doet, hij zal het nooit van de natuur kunnen winnen, stelt Roessingh tevreden vast. Ze kunnen graven en ploeteren, 'roppen' en 'knooien' zoveel ze willen, Drenten blijven Drenten. En Drenthe blijft Drenthe.


Foto © Sietse Kooistra


Een goede buur

Roessingh troostte zich met de gedachte dat tot zijn laatste snik alles bij het oude zou blijven. Het gedicht Drenthe eindigt zo: As ik veur het lest heb heurd / Aal dee zute Drentse klaanken / Nem ik paarde woorden met, / Maank mien stille hoesholdplaanken.

Dat laatste woord, 'hoesholdplaanken', vraagt enige uitleg. De Drentse traditie schreef voor dat pasgehuwde stellen een aantal 'hoesholdplaanken' moesten aanschaffen: degelijke eiken planken die een leven lang dienst deden als kastplanken en daarna, als het zover was, door de timmerman snel en eenvoudig tot doodkist konden worden vertimmerd.

De Drenten waren een praktisch volk. De omstandigheden waaronder ze leefden, dwongen hen daartoe. Ze wisten 'hoe lang hun polsstok was' en hielden hier hun hele leven rekening mee. Diezelfde praktische geest bepaalde ook de manier waarop men in de dorpen met elkaar omging. Je had elkaar nodig. Niemand in een Drentse dorpsgemeenschap kon zonder zijn 'noabers' (buren). Zij begeleidden elkaar van de wieg tot het graf. Ze bereidden elkanders huwelijksmaal, traden op als kraamhulp en kwamen de doden afleggen. Je hoefde ze niets uit te leggen. Wat er speelde, wisten ze al.

De grote veranderingen die Drenthe aan het begin van de twintigste eeuw onderging, betekenden het einde van het oude noabersysteem. De provincie ging op de schop en werd gaandeweg onderdeel van de Nederlandse samenleving. De goede buren van het dorp werden ingeruild voor de verre vrienden van de nationale verzorgingsstaat. Dit had overigens geen gevolgen voor het voortbestaan van de Drentse cultuur. Integendeel. Juist door het afbreken van de eeuwenoude collectieve zekerheden kreeg het individu meer mogelijkheden zich te ontplooien. Mensen die zich altijd hadden moeten voegen naar een leven vol tradities, waarbij ze voortdurend met anderen rekening moesten houden, kregen eindelijk de gelegenheid zichzelf te ontwikkelen.


Het land van Bartje

Uit genoemde studie van Henk Nijkeuter blijkt dat de Drentse literatuur in de negentiende eeuw werd gedomineerd door de dorpsnovelle, die dicht in de buurt kwam van wat we tegenwoordig de streekroman noemen. Een aantal van deze boeken verscheen aanvankelijk als feuilleton in Drentse dagen weekbladen. Ook de eerder genoemde Harm Tiesing hield zich uitvoerig met dit - lucratieve - genre bezig.

In 1935 verscheen met Bartje de Drentse streekroman bij uitstek. Het romandebuut van Anne de Vries werd een 'bestseller' die destijds in Nederland zijn weerga niet kende. In het eerste jaar moest uitgever Callenbach het boek maar liefst vijftien keer laten herdrukken. Er werden meer dan honderdduizend exemplaren van verkocht.

Met de aanduiding 'streekroman' zou Anne de Vries het overigens niet eens zijn geweest, laat staan met het idee dat zijn Bartje een Drentse streekroman zou worden genoemd. Voor dit verhaal over het slimme boerenarbeidersjongetje Bartje Bartels dat zijn weg in de wereld probeert te vinden, vormde Drenthe in zijn ogen hooguit het decor. De geschiedenis van armoede en onrechtvaardigheid was niet iets typisch Drents, maar van alle plaatsen en tijden, zo meende De Vries.

De bewering van de schrijver dat hij geen Drents boek had geschreven, kreeg overigens bijval uit onverwachte hoek. Vooraanstaande Drentse scribenten veroordeelden in hun recensies de lichtvaardigheid waarmee De Vries zich van de Drentse taal had bediend. Over de inhoud van het boek deden zij er overigen het zwijgen toe.

De populariteit van Bartje bleek onlangs nog toen in 2004, ter gelegenheid van het honderdste geboortejaar van Anne de Vries, na drie decennia de gelijknamige televisieserie werd herhaald en opnieuw hoge kijkcijfers scoorde. De Vries mocht dan misschien geen Drentse roman hebben willen schrijven, hij maakte van Drenthe desondanks het land van Bartje. Een land waaraan de geur van armoede kleefde.

Enkele jaren geleden organiseerde men in Assen een symposium waar een aantal historici de geschiedkundige degens kruiste over de vraag hoe erg de armoede in met name de Drentse veengebieden nu werkelijk was geweest. 'Paupers in plaggenhutten of paradijselijk platteland?' was het thema van het symposium. Zoals meestal bij dit soort gelegenheden werd men het die dag niet eens.


Foto © Sietse Kooistra


Verloren paradijs

Net als de rest van Nederland schakelde Drenthe in de jaren vijftig van de vorige eeuw naar de hoogste versnelling over. Ruilverkavelingen zorgden ervoor dat de provincie nogmaals op de schop ging, zodat de landbouw mee kon in de vaart der volkeren. In het buitengebied verrezen grote, moderne boerenbedrijven. De oude dorpsboerderijen werden een gewild object voor mensen van buitenaf die hun hele leven al droomden van een eigen boerderijtje op het Drentse platteland.

Hans Heyting werd in de jaren vijftig beschouwd als de eerste moderne Drentse dichter. Zijn bijdragen aan de regionale omroep RONO en het dialecttijdschrift Oeze Volk bezorgden hem de status van Bekende Drent. Het is mede aan hem te danken dat poëzie (meer nog dan proza) in de streektaal zeer populair werd. Met enige voorzichtigheid kun je stellen dat dit zo is gebleven. Het huidige streektaalfonds van de Stichting Het Drentse Boek laat het duidelijk zien.

In zijn Verleuren paradies schetst Hans Heyting het beeld van een dorp waar 'het oude' aan het verdwijnen is en hij zichzelf voorgoed verdreven voelt uit het paradijs: Het gung veurbij; de jaoren hebt veurgoed / mij oet dat zommerparadies verdreven / De harfst is daor — en mij is overbleven, / heimwee en warmte bezunken in mien bloed.


Landschap van belang

Het leek slechts een kwestie van tijd of de laatste Drentse heide zou zijn ontgonnen; de laatste beken gekanaliseerd. Gelukkig bedachten we ons. In de loop van de jaren zestig zagen we in dat natuur meer is dan 'woeste grond' en een beek meer dan een 'waterlossing'. Deze veranderde opvatting over de natuurlijke omgeving spreekt bijvoorbeeld uit Rutger Koplands gedicht over de Drentse Aa: Het landschap met de rivier doortrekt me / en laat me achter, zonder een gevoel, zonder / een gedachte - het laat me weten / hoe overbodig ik ben.

Het werk van Kopland en zijn collega-dichters en -schrijvers die u op de pagina's van de bundel 'Drenthe door dichtersogen' aantreft, geven het Drentse landschap een extra dimensie en maken het daarmee van nog groter waarde.






© 2006-2009 www.mijn-eigen-website.nl