In en om Assen





De geschiedenis van het Drents Museum in Assen



Bronvermelding:
Asser Historisch Tijdschrift; nummer 3 / september 2011. Een artikel van Bertus Boivin en Bert Ritsema.


De Brink op een ansicht uit het begin van de twintigste eeuw. Het Gouvernements gebouw rechts op de foto werd in 1973 als museum in gebruik genomen. (collectie DMA)


In 1854 werd het Provinciaal Oudheidkundig Museum in Assen een feit. Daarmee is het Drents Museum één van de oudste musea van Nederland, bijna veertig jaar ouder dan het Groninger Museum voor Stad en Lande om een voorbeeld te noemen. De heropening van het Drents Museum in november 2011 is voor de redactie van het Asser Historisch Tijdschrift een mooie gelegenheid om het verhaal van het museum eens op een rij te zetten.


De catalogus bevatte 234 volgnummers

Dankzij een geslaagde lobby van een aantal Asser heren werd in 1854 het negende Nederlandsen Landhuishoudkundig Congres in de Drentse hoofdstad gehouden. Het congresbestuur onder leiding van Kamerlid mr. Louis graaf van Heiden Reinestein en de Asser burgemeester Hendrik Jan Oosting vond dat er naast de vergaderingen ook allerlei culturele en ontspannende activiteiten moesten komen. Zo kwamen ze op het idee om een tentoonstelling te organiseren waar de bezoekers zich konden vergapen aan oudheden uit het verre verleden van Drenthe. Voor de organisatiecommissie van deze Tentoonstelling van Oudheden'werden de Asser heren mr. Harm Jan Smidt en mr. Lucas Oldenhuis Gratama uitgenodigd plus de om zijn historische kennis alom vermaarde Coevorder boekhandelaar Dubbeld Hemsing van der Scheer, een van de drie Podagristen.

In een landelijk verspreide circulaire riepen de organisatoren verzamelaars op om hun kostbaarheden in bruikleen voor de tentoonstelling af te staan. Zo kwamen de Drentse collecties van het Leidse Museum van Oudheden en het museum van het Provinciaal Utrechts Genootschap van Kunsten en Wetenschappen naar Assen. Uit de eigen provincie kwamen de meeste objecten uit particuliere bezittingen en verzamelingen, zoals de prachtige collectie urnen van Jan Jacob Willinge uit Emmen. Van der Scheer stelde voor om een gedeelte van de veenbrug bij Valthe op te graven om als pronkstuk te worden uitgestald.

Uiteindelijk bevatte de catalogus 234 volgnummers die in vier categorieën werden getoond: geologie, numismatiek, archeologie en historie. Voor de tentoonstelling werd gebruikgemaakt van de lokalen van het Asser gymnasium. De bezoekers kregen tegen betaling van 25 cent 'toegang tot de oudheden', zoals een bord boven de ingang aangaf. Het negende Landhuishoudkundig Congres mocht zich met 810 congresdeelnemers verheugen in een ruime belangstelling. De beroemdste deelnemer was koning Willem III die gedurende twee dagen vrijwel alle activiteiten bezocht. Ook de tentoonstelling van oudheden mocht zich verheugen in zijn royale belangstelling.


De kast van mr. Lucas Oldenhuis Gratama

De Tentoonstelling van Oudheden'was een groot succes geworden. Waarom zou er geen permanente voortzetting van kunnen komen, vroeg mr. Lucas Oldenhuis Gratama? Deze alom bekende Assenaar was in 1854 benoemd tot 'Regter in de Arrondissements Regtbank te Assen'. De kennelijk niet al te drukke baan op de rechtbank gaf Gratama tijd genoeg om zich diepgaand met het Drentse verleden bezig te houden. Hij was dan ook de juiste man om als lobbyist de oprichting van een oudheidkundig museum te bepleiten. Samen met mr. Harm Jan Smidt en rector dr. Michiel Jacobs Noordewier van het Asser gymnasium polste hij het provinciaal bestuur hierover. Begin november 1854 besloten de Drentse Staten tot oprichting van een Provinciaal Oudheidkundig Museum.

Als startkapitaal gaf de provincie een subsidie van 100 gulden. Hetzelfde bedrag werd uitgetrokken voor een kast om de collectie in het Provinciehuis aan de Brink uit te stallen. Een van de eerste aanwinsten waren de urnen van Willinge. In 1867 stelde het provinciebestuur richtlijnen op waarin de taken en plichten van het museumbestuur werden vastgelegd. Voor de collectie gold dat deze moest bestaan uit objecten die met Drenthe te maken hadden of daar waren gevonden. Het bestuur was verantwoordelijk voor de opsporing, verwerving, catalogisering en plaatsing van de collectie en moest ervoor zorgen dat deze op 'alle werkdagen des voormiddags' kosteloos kon worden bezichtigd.


Dr. Hartogh Heijs van Zouteveen als museumgids

De in de effectenhandel rijk geworden dr. Harmanus Hartogh Heijs van Zouteveen was in 1873 in Assen neergestreken. Driejaar later zat hij in het museum-bestuur. Op zijn voorstel besloot het bestuur een jaarboek uit te geven. 'Drenthe heeft thans geen enkel orgaan, jaarboekje of ander periodiek geschrift, waar-door het op letterkundig gebied wordt vertegenwoor-digd en waarin Drentsche zaken en Drentsche oud-heden, Drentsche belangen en Drentsche letterkunde worden besproken', luidde de motivatie om het jaar¬boek vanaf 1883 als Nieuwe Drentsche Volksalmanak bij uitgever Van Gorcum & Comp. te laten verschijnen. Hartogh Heijs werd de eerste redacteur van de almanak.

In de loop der jaren schreven tal van museum-bestuurders en correspondenten over hun kennis op archeologisch en historisch terrein in de Volksalmanak. Over de bezoekers in de eerste jaren van het museum is weinig bekend. Het zullen vooral familieleden en kennissen zijn geweest. Daarnaast zal het museum zeker ook uit wetenschappelijke kring belangstelling hebben getrokken. In 1877 ging het museum ervoor het eerst toe over de bezoekers via een gastenboek te registreren. Zo kon men vrij betrouwbaar vaststellen hoe groot de belangstelling was. In het eerste jaar van de registratie werden 97 bezoekers geteld, het jaar daarna zelfs 230 personen.

In 1879 kreeg het museum enige landelijke bekendheid toen in een van de populaire reisgidsen van Nederland de collectie van de Asser oudheidskamer uitvoerig aangeprezen werd: 'een verzameling die zeer onze opmerkzaamheid verdient'. Auteur van deze reisgidsen was de Rotterdamse predikant J. Craandijk. Hij maakte handig gebruik van de nieuwe mogelijkheden om per trein door Nederland te reizen. Hartogh Heijs had dominee Craandijk langs de collectie van het Drents Museum gegidst. De uitvoerige neerslag van de rondleiding verscheen in 1879 in zijn Wandelingen door Groningen en Drenthe. Aan het eind van zijn verslag stelde Craandijk vast: 'De ijverige Commissie van Bestuur verdient de krachtige en oordeelkundige medewerking harer gewestgenooten'.


De ogen en oren van het museum

Uitbreiding van de collectie door opsporing en verwerving van voorwerpen uit het verleden van Drenthe was vanaf de oprichting het belangrijkste doel. Het bestuur hield zich hier dan ook voornamelijk mee bezig. Naarmate andere taken, zoals catalogisering en conservering van de verzameling en de gebruikelijke bestuurszaken steeds meer tijd in beslag namen, was voor de uitbreiding van de collectie steeds minder tijd. Vanaf 1878 begon het museumbestuur correspondenten aan te stellen 'ten einde in hunne woonplaats en omstreken in 't belang der inrigting werkzaam te zijn.' Hun taak was interessante vondsten uit hun omgeving aan het museumbestuur te melden. De correspondenten vormden zo de ogen en oren van het museum. Mede door het enthousiaste werk van de correspondenten bleef de museumcollectie groeien. En in het bestuur begon men zich zorgen te maken over de ontoereikende ruimte in het provinciehuis.


Verhuizing naar het torentje


Het museum wilde graag een eigen onderkomen waar de hele collectie kon worden getoond. Het dagelijks bestuur van de provincie hield echter de boot af en wilde voorlopig de portemonnee niet trekken. Uiteindelijk brachten de plannen van het rijk voor de bouw van een nieuw Rijksarchief het provinciaal bestuur in beweging. In 1895 werd de minister van Binnenlandse Zaken gevraagd om in het nieuwe Rijksarchiefgebouw 'ruimte beschikbaar te stellen voor de berging van het provinciaal museum van oudheden'.

Het duurde een jaar voor de minister er positief op reageerde. Het museumbestuur mocht aangeven hoeveel ruimte men dacht nodig te hebben. Wel werd er nadrukkelijk aan toegevoegd dat men zich daarbij bescheiden diende op te stellen, want het museum kwam wel bij het Rijk inwonen! Voor de bouw van het Rijksarchief werd de hervormde pastorie achter het provinciehuis afgebroken.

Een deel van de oostelijke kloostergang werd in de nieuwbouw opgenomen, waardoor de nieuwe behuizing van het museum een historisch trekje meekreeg. In het voorjaar van 1901 kon het museum eindelijk met zijn hele collectie breed uitgestald de benedenverdieping van het nieuwe Rijksarchief in bezit nemen.


De vondsten van professor Van Giffen

Eind 1916 wist de Commissie van Bestuur van het Provinciaal Museum van Oudheden en Geschiedkundige Voorwerpen de 32-jarige Albert Egges van Giffen te strikken als tijdelijk conservator. Van Giffen had naam gemaakt als onderzoeker van de Groninger wierden en was op dat moment actief als archeoloog in het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden. Van Giffen zou meer dan veertig jaar parttime aan het museum in Assen verbonden blijven. Gesponsord door een grote particuliere schenking begon Van Giffen onmiddellijk aan zijn grote hunebeddenonderzoek waarover hij in 1926-1927 het driedelige standaardwerk De Hunebedden in Nederland publiceerde. Hij toonde zich buitengewoon somber over de toestand van de hunebedden.

Meer dan de helft was in zijn ogen 'in gehavenden staat', of erger nog 'in droevigen staat'. Van Giffen reisde met zijn medewerkers heel Drenthe af om zoveel mogelijk hunebedden te restaureren. Hij combineerde het altijd met systematisch wetenschappelijk onderzoek. De jaren twintig en dertig waren in Drenthe beslist hoogtijdagen voor de archeologen. Naast het hunebeddenonderzoek waren overal in de provincie grote heideontginningen aan de gang die op de meest onverwachte momenten tal van archeologische schatten aan het licht brachten. Met dozen tegelijk werden de vondsten het museum binnengebracht. De opgravingen van professor Van Giffen maakten het Drents Museum tot een van de Nederlandse topmusea op archeologisch gebied. Een positie die het museum tot op de dag van vandaag heeft behouden.


Directeur Helbers en het Ontvangershuis

Was museumbezoek voor de Tweede Wereldoorlog vooral voorbehouden aan een selecte groep die je - met weinig respect voor de anderen - het 'betere publiek' zou kunnen noemen, na de oorlog begon het bezoek aan het museum aan te trekken. Had het museum in de jaren dertig gemiddeld zo'n 2000 bezoekers per jaar, beginjaren vijftig waren dateral ongeveer 8000. De drempelvrees was duidelijk minder aan het worden, de provincie investeerde meer in het museum en de belangstelling voor de Drentse cultuur was groeiende. Het museum was inmiddels omgedoopt in Provinciaal Museum van Drenthe. Sinds de zomer van 1954 - het jaar dat het Drents Museum zijn eeuwfeest vierde - had de organisatie zijn eerste'echte'directeur gekregen in de persoon van Gijsbertus Cornelis Helbers.

Hij was geen archeoloog, maar afkomstig uit de monumentenwereld. Van Helbers is het idee afkomstig om het Drents Museum uitte breiden met het naastgelegen Ontvangershuis. Hij wilde in het Ontvangershuis - het oudste Asser woonhuis - stijlkamers inrichten om de bezoekers te kunnen laten kennismaken met de Drentse geschiedenis, met name de achttiende eeuw. De uit 1698 stammende voormalige dienstwoning van de ontvanger-generaal van Drenthe had sindsdien een groot aantal eigenaren gehad. Het was onder andere Jonge-jufvrouwen Dag- en Kostschool geweest en het eerste onderkomen van de Asser Muziekschool. In 1957 was het pand eigendom geworden van de provincie die het aan het Drents Museum beschikbaar stelde.

Onder leiding van Helbers werd het Ontvangershuis gerestaureerd en ingericht zoals het er in de achttiende eeuw zou kunnen hebben uitgezien. In die tijd fungeerde het huis als 'Prinsenhof'; als de stadhouder de Landschap Drenthe bezocht, logeerden hij en zijn gevolg in het Ontvangershuis. Helbers ontwierp ook de tuin met buxushaagjes in Lodewijk XlV-stijl achter het Ontvangershuis en wist elders passend tuinmeubilair en hekwerk op de kop te tikken. Met de opening van het Ontvangershuis was Assen niets meer of minder dan een toeristische trekpleister rijker geworden. Lees bijvoorbeeld Het Vaderland van 29 augustus 1964. De enthousiaste verslaggever eindigde zijn paginagrote reportage met een lange volzin: 'Het totaalbeeld dat we van dit met veel toewijding en goede smaak geleide museum meenamen, was er één van een provinciaal cultureel centrum van verrassende veelzijdigheid dat we iedere bezoeker van het Noorden van harte kunnen aanbevelen.'


Het nieuwe museum van Corneille F. Janssen

Na zijn pensionering in 1967 werd Helbers opgevolgd door de flamboyante Corneille F. Janssen. Net als zijn voorganger combineerde Janssen zijn directeurschap van het museum met de functie van hoofd van het provinciaal Bureau Monumentenzorg. Janssen was veel meer een monumentenman dan een museummanager. Zijn visitekaartje gaf hij af met de herbouw van het oude kasteel van Coevorden waar hij een compleet nieuwe toren bij'bedacht'en het hele kasteel vervolgens bloedrood liet verven. Al spoedig kon Janssen ook in zijn eigen Drents Museum z'n kunsten gaan vertonen. Het museum zou verhuizen naar het Provinciehuis aan de Brink. Er werd een nieuw provinciehuis in het Westerpark gebouwd en de provincie besloot het museum haar oude huis te schenken.

Drents Museum en Rijksarchief kampten al jaren met veel ruimtegebrek. Onder zijn leiding werd de restauratie van Abdijkerk, Gouvernementsgebouw en Drostenhuis voortvarend aangepakt. Regelmatig had Janssen het aan de stok met de Rijksdienst Monumentenzorg, bijvoorbeeld over de restauratie van de Abdijkerk. Was het een middeleeuws gebouw? Een zeventiendeeeuwse kerk? Een negentiendeeeuws bestuursgebouw? Hij wierp zijn volle gewicht in de strijd en kreeg doorgaans zijn zin. Vanaf 1973 werd het museumcomplex afdeling voor afdeling in gebruik genomen. Het bezoekersaantal steeg snel richting 50 duizend bezoekers per jaar. In 1980 verliet Janssen het Drents Museum. Hij mocht zich voortaan alleen richten op de Drentse monumenten. Janssen was er niet echt rouwig om.


In de rij voor het museum

Met Gerrit Horstmann als nieuwe directeur ging het museum in de jaren tachtig een nieuwe fase in. Het Drents Museum ontwikkelde zich tot een modern, professioneel geleid museum dat zich richtte op een groot publiek. Was het museum tot dan toe vooral bekend om zijn archeologische en historische collecties, in de jaren tachtig kwam daar als nieuwe specialiteit de hedendaagse figuratieve kunst bij van kunstenaars als Henk Helmantel, Matthijs Röling, Wout Muller en Pieter Pander bij. Inmiddels heeft het Drents Museum een van de belangrijkste collecties figuratieve kunst in Nederland. Verder had het museum sinds 1978 de kostbare collectie van de Stichting Schone Kunsten rond 1900 met werken van Berlage, Jan Toorop en Chris Lebeau in beheer.

Opnieuw onderging het Drents Museum een belangrijke verbouwing. Halverwege de jaren negentig kwamen er behalve een onderdoorgang naar het Ontvangershuis ook grote nieuwe ruimten tussen de vleugels van het oude Gouvernementsgebouw. Het museum had voortaan ruimte om grote exposities te bouwen.Tentoonstellingen als The Mysterious Bog People, 100.000jaarSex en Brullende motoren en bruisend bier (over de Asser TT) trokken tienduizenden extra bezoekers richting museum. Het Terracotta Leger vanXi'an maakte 2008 tot het meest succesvolle jaar in de geschiedenis van het museum tot nu toe. Dagelijks stonden er lange rijen op de Brink te wachten om een kaartje te kopen. Er kwamen dat jaar ruim 380 duizend bezoekers en dat bezorgde het Drents Museum de vijfde plaats van de best bezochte Nederlandse musea in 2008.


Project DM 2000


De aanleg in 1995 van een onderdoorgang direct tussen de Abdijkerk en het Griffiegebouw was bouwtechnisch een riskante aangelegenheid. (foto Drents Museum, Assen)


Bronvermelding:
Nieuwe Drentse Volksalmanak 2006. Een artikel van J.W.G. Okken


Komt het ooit weer goed met het museum?

De moderniseringsplannen van het Drents Museum staan bekend onder de naam 'Project DM 2000'. Het officiële begin van de ver- en nieuwbouw van het Drents Museum vond plaats op 7 maart 1995. De Drentse Commissaris der Koningin, A.L. ter Beek, haalde toen - samen met gedeputeerde JJ. Stavast, museumdirecteur drs. G.G. Horstmann en vice-voorzitter R. Roelfsema van de Stichting DM 2000 - de eerste dakpannen van een uitbouw van het dak. In de loop van 1995 konden geïnteresseerde voorbijgangers een globaal idee krijgen van de opzet van de verbouwing. Het meest spectaculaire onderdeel van het project was ongetwijfeld de onderdoorgang van het hoofdgebouw naar het Ontvangershuis.

Voor de aanleg van deze tunnel en een tweetal 'eilanden' onder de grond was een bouwput van 6 meter diepte nodig. Als gevolg hiervan moest het Museumlaantje geruime tijd - circa maart tot oktober 1995 -afgesloten worden. Dit had weer gevolgen voor de bereikbaarheid van het Ontvangershuis én het Rijksarchief. Het Ontvangershuis kon in deze periode slechts via de achterkant door de tuin worden bereikt, terwijl voor het archief een geïmproviseerde 'hoofdingang' was gemaakt aan de zijde van de Kloosterstraat. Advertenties in kranten en bewegwijzering moesten historische en genealogische vorsers wijzen op deze veranderingen. De bovengenoemde tunnel was hoofdzakelijk ontworpen en aangelegd om - zoals reeds terloops werd genoemd - een betere routing binnen het museumcomplex te creëren.

Dit rondwandelen werd nog verbeterd door het wegbreken van stukken muur, zodat er een logische route door het hele complex te volgen is, zonder dat men steeds op dezelfde plekken uitkomt. De expositietuimte werd door de verbouwing bijna verdubbeld. Directeur Horstmann zei over 'zijn' circa 70.000 bezoekers jaarlijks: 'We richten ons op een brede doelgroep, en daarvoor is veel ruimte nodig.' Het vergroten van de expositieruimte werd gerealiseerd door op twee plek-ken ondergronds te gaan en door bepaalde ruimtes te overkappen, met name het deel tussen de achterkant van het Griffiegebouw en de zuidkant van de Abdijkerk. Bij de aanblik van al die chaotisch ogende bouwactiviteiten vroeg het Nieuwsblad van bet Noorden zich in een artikel uit juni 1995 daarover af: 'Komt het ooit weer goed met 't museum?'

Met de publieksvriendelijke vernieuwingen, waartoe ook de grotere aandacht voor kinderen gerekend mag worden, wilde Horstmann bereiken, dat Museumbezoekers in de toekomst een 'Bijenkorf-gevoel' zouden krijgen (Nieuwsblad van het Noorden, 13-ll-'95). Tijdens de verbouwing werkte architect Schijf samen met de Monumentenzorg, aangezien het museumcomplex sinds 1994 als Rijksmonument was erkend. Schijf bracht het daardoor ontstane dilemma als volgt onder woorden: 'Tentoonstellen in een monument is moeilijk, omdat je te maken hebt met tegengestelde belangen. Met zo'n pand moet je heel omzichtig omspringen, terwijl een museum zo flexibel mogelijk moet zijn.'

In het najaar van 1996 kon het vernieuwde Drents Museum de poorten voor het publiek weer openen en een ambitieus tentoonstellingsprogramma van start laten gaan. Dit bereikte zijn voorlopige hoogtepunt in het jubileumjaar 2004. Het museum bestond toen 150 jaar en slaagde erin 137.000 bezoekers te trekken. Toen bleek tevens dat het huidige gebouw al weer te klein is om al die bezoekers te kunnen ontvangen, en de collectie te tonen en op te slaan. Daarom worden sinds 2005 plannen ontwikkeld voor een uitbreiding van het museum met een nieuw extern depot, een nieuwe ingang annex winkel, een ruime aula en een expositiehal van 1000 m2 voor de grote (internationale) tijdelijke tentoonstellingen.

In 2006 kreeg het museum van provinciale staten van Drenthe toestemming en de middelen om het nieuwe externe depot (investering 4,9 miljoen) en de uitbreiding van het museum (investering 18 miljoen) ook daadwerkelijk te gaan realiseren. Uitbreiding van het museum wordt voorzien in het gedeelte van de Gouverneurstuin dat achter de Kloosterstraat ligt en dat via een ondergrondse doorgang met het bestaande complex verbonden moet worden.


Info op museum-wereld d.d. 8 november 2007

Het Drents Museum in Assen gaat aan de hand van een ontwerp architect Erik van Egeraat een nieuwe tentoonstellingsruimte bouwen, direct naast het bestaande monumentale museumcomplex aan de Brink in Assen. Een bestaand koetshuis aan een nabijgelegen plein wordt de nieuwe hoofdentree. Hiervoor wordt het huis opgetild en op een glazen plint van een meter hoog gezet, waardoor het daglicht de entreehal kan binnenkomen. Op het dak van de ondergrondse tentoonstellingsruimte komt een stadspark met een waterpartij en natuurlijk groen. Door de uitbreiding raakt het museum nauw verweven met het omliggende stedelijke landschap. De opening van de nieuwe vleugel wordt verwacht in 2011. De kosten van de nieuwbouw zijn begroot op 18 miljoen euro.


De verplaatsing van het koetshuis in oktober 2009 (bron foto: moiAssen. Foto: Ineke Heijting)


Middeleeuwse waterput gevonden bij Drents Museum


Info op historiek.net d.d. 12 januari 2011. Een artikel van Lilian Ahlers.

Bouwvakkers zijn bij werkzaamheden bij het Drents Museum in Assen op restanten van een middeleeuwse waterput gestuit. Het gaat om houten balken en stenen, dat heeft het museum bekendgemaakt. De provincie Drenthe denkt dat de waterput stamt uit de dertiende eeuw, toen er op de plek van het huidige museum een Cisterciënzer klooster stond. Provinciaal archeoloog Wijnand van der Sanden gaat met een team amateurarcheologen van de Stichting Archeologie en Monument (SAM) doen naar de opgravingen en kijken of er nog meer wordt gevonden Het Drents museum is momenteel gesloten omdat bouwvakkers bezig zijn een ondergrondse doorgang te maken tussen het oude museum en een nieuwe tentoonstellingsvleugel. Zolang het onderzoek duurt worden de werkzaamheden stilgelegd.

Daarna wordt duidelijk wat er met de vondst gebeurt. Klooster in 'Hassen' Het Cisterciënzer klooster 'Maria in Campis' werd in 1260 van Rolde naar de plek 'Hassen' verhuisd. Bij een brand in 1418 werd het klooster met de kerk en klokkentoren verwoest. Drie jaar later werd weer begonnen met de opbouw. In 1460 werd het klooster opgenomen in de broederschap van de orde der Trinitariërs, die met name christelijke gevangenen of slaven uit de handen van moslims probeerden te houden. Na de reformatie kwam er een einde aan het klooster en werden de bezittingen door de provincie in gebruik genomen, waardoor Assen de hoofdstad werd van Drenthe. Op de plaatst van het provinciehuis kwam in 1885 het Drents Museum.



Waterput onder Drents Museum dateert uit 13de eeuw


Info historiek.net d.d. 6 juli 2011

De restanten van de middeleeuwse waterput die enige tijd geleden onder het Drents Museum in Assen werden gevonden, blijken te dateren uit 1277. Dat meldt de provincie Drenthe. Bouwvakkers stuitten begin dit jaar tijdens werkzaamheden bij het museum op houten balken en stenen. Het bleek om restanten van een middeleeuwse waterput te gaan. De provincie Drenthe vermoedde destijds al dat het om een waterput uit de dertiende eeuw ging. Dat blijkt nu te kloppen. De provincie: “De waterput die in januari bij de bouwwerkzaamheden aan het Drents Museum onverwacht te voorschijn is gekomen, blijkt uit de beginfase van het klooster Maria in Campis te stammen. Het vermoeden bestond al op grond van de zware constructie, maar onderzoek van jaarringen van eiken balken waarop de stenen waterputbeschoeiing rustte, heeft het vermoeden van de archeologen bevestigd.

Het hout stamt van eiken die in het jaar 1277 zijn gekapt. De archeologen gaan er van uit dat de waterput, die een diameter had van ongeveer anderhalve meter, in 1277 of het jaar daarop werd aangelegd. “ Het Drents Museum staat op historische grond. Rond 1260 werd, volgens historische bronnen, hier het cisterciënzerklooster Maria in Campis gebouwd. Voor die tijd stond het klooster in de omgeving van Coevorden, maar daar bleek het niet levensvatbaar. De nonnen hebben er amper dertig jaar gewoond. Uiteindelijk werd gekozen voor verhuizing naar een plaats die destijds Hassen werd genoemd, omschreven als een solitudo, een eenzame plek. Bij uitstek een plek voor cisterciënzers want die zochten vaak de eenzaamheid op.

Van het oudste klooster, dat waarschijnlijk in hout opgetrokken was, rest nagenoeg niets meer. De gevonden waterput dateert uit de beginfase van dit klooster. Een deel van het hout van de put wordt na conservering in het vernieuwde Drents Museum geëxposeerd. Het museum is momenteel gesloten in verband met een grootscheepse verbouwing. Het is de bedoeling dat het museum half november weer te bezoeken is.



Het Drents museum en de gouden eeuw van China


Info op woestenledig d.d. 15 november 2011

350.000 bezoekers kreeg het Drents Museum tijdens de manifestatie 'Go China' in 2008 over de vloer. Met de spraakmakende expositie rond het Terracotta-leger uit het graf van de eerste keizer van China bewees het museum op nationaal niveau mee te kunnen. Na een ingrijpende verbouwing heropent het museum in Assen woensdag met De gouden eeuw van China, een tentoonstelling met de cultuurschatten uit de Tang-dynastie. De expositie markeert een nieuwe fase voor een provinciaal museum dat in 1885 ooit begon met één uitstalkast.

De herinrichting van de collectie, de geplande opening van een ‘kindermuseum' en de uitbreiding onder architectuur van Erick van Egeraat hebben tot een missie en visie geleid waarbij tot ver over de landsgrenzen wordt gekeken. Of zoals officieel heet: "Het Drents Museum toont een blik op de wereld en biedt de wereld een blik op Drenthe; met verhalen over archeologie, kunst en geschiedenis inspireren we jong en oud." En: "Het Drents Museum wil een succesvol museum van internationale allure zijn en een verrijkende ervaring bieden aan zoveel mogelijk mensen."


De periode tussen 600 en 900 na Christus

In dat licht is een terugkeer naar het oude China logisch, ook vanwege de eerder behaalde successen. In de woorden van conservator Benoît Mater: "In China worden zaken gedaan op basis van vriendschappelijke contacten. Tijdens de onderhandelingen over het Terracotta-leger ontdekten we dat de Tang-dynastie ook een grote tentoonstelling verdiende. De contacten waren gelegd, het was dé kans om nog één keer met China uit te pakken." En dan is er nog de parallel tussen Assen en Xi'an, de stad waar veel schatten in de expositie vandaan komen. De schaal is scheef, maar beide steden maken een sterke ontwikkeling door. Assen (65.000 inwoners) door te investeren in een theater, het museum, het archief en infrastructuur, Xi'an (6 miljoen inwoners) door zich in razend tempo te veranderen in een metropool vol wolkenkrabbers.

De tentoonstelling in Assen neemt de bezoeker mee naar een periode tussen pakweg 600 en 900 na Christus waarin het gebied rond Xi'an – ‘Rijk van het Midden' – een opvallende openheid kende en een sprong voorwaarts maakte. Noem het de vorige Gouden Eeuw van China: import en export namen toe, nieuwe ideeën en opvattingen deden hun intrede, machthebbers werden machtiger en rijker, de bevolking groeide en zwierf uit. Cruciale rol was daarbij weggelegd voor de Zijde-route, het netwerk van handelswegen door Centraal-Azië dat al voor het begin van onze jaartelling werd gebruikt. Ten tijde van de Tang-dynastie kwam de route tot nieuwe ontwikkeling en groeide Xi'an uit tot de eerste miljoenenstad van Azië. Ter vergelijking: van Assen en Groningen weten we niet of beide steden toentertijd al bestonden.

Het Drents Museum schetst de geschiedenis van de Tang-dynastieën aan de hand van vijf thema's. Religieuze veranderingen en de Zijde-route zijn er daar twee van. De anderen vertellen over de stad van de keizers, over de inwoners van de stad en over de Chinese kunst en cultuur van die tijd. Veel aandacht voor kunstnijverheid derhalve, en vanwege de rol die poëzie aan hof speelde ook aandacht voor literatuur. De hoofdmoot van De gouden eeuw van China is afkomstig uit de collecties van het Beilin Museum, het Xi'an Museum en het Shaanxi Museum. Zo'n honderdvijftig voorwerpen telt de tentoonstelling: beelden, zilverwerk, maar ook luxe gebruiksvoorwerpen en muurschilderingen. Stuk voor stuk archeologische vondsten uit graven en heiligdommen die iets vertellen over de rijkdom en opvattingen van weleer.


Het tumultueuze leven van de ‘verheven heerseres'

Het erfgoed uit de Chinese bodem is allerminst een fremdkörper in Assen. Het Drents Museum heeft zich de laatste jaren nationaal ontwikkeld als een plek waar archeologie en vroege geschiedenis aan een breed publiek worden getoond. Denk aan 100.000 jaar sex, aan de veenlijken en het Meisje van Yde, aan Goud uit Georgië en het Terracotta-leger. Stond in die tentoonstelling keizer Qin Shi Huangdi (259– 210 voor Christus) centraal, dit keer heet de blikvanger Wu Zetian (624 – 705), een vrouw die door het glazen plafond brak en het van concubine tot keizer wist te schoppen. Het tumultueuze leven van de ‘verheven heerseres' spreekt al vele eeuwen tot de verbeelding. Onder haar gezag werd de kwaliteit van het bestuur verbeterd en veranderde in China het traditionele beeld van de vrouw. Ten tijde van Wu Zetian werd het Boeddhisme de tweede staatsgodsdienst, naast het Taoïsme. Hoewel het na haar overlijden weer in ongenade raakte, is het nog steeds prominent aanwezig. Zo is de Grote Wilde Ganzen Pagode in Xi'an tegenwoordig zowel een toeristische als religieuze trekpleister.


De vindplaats van het Terracotta-leger is een topattractie

Er worden geschriften bewaard die door de Chinese monnik Xuanzang in de zesde eeuw uit India, via de Zijde-route, naar China zijn gebracht. Dat het Boeddhistisch erfgoed in China bewaard is gebleven, mag een klein wonder heten. Vorige eeuw nog probeerden communistische studenten tijdens de Culturele Revolutie het geloof met wortel en tak uit te roeien. Alleen afgelegen plaatsen van religieus belang, zoals de reusachtige, ingebouwde beelden van Dafosi bij de stad Xianjang, werden 'vergeten'. Veelzeggend: de omgeving van de Famen-tempel op twee uur reizen van Xi'an is drie jaar geleden met geld uit Taiwan ‘opgewaardeerd' tot megalomane proporties. In de tempel wordt, als relikwie, een vingerkootje van Boeddha aanbeden. Het Drent museum toont een keuze uit offers die door keizerin Wu Zetian ter ere van Boeddha zijn gebracht: zijde, glaswerk met Arabische motieven, maar ook zilveren voorwerpen en Celadon-keramiek met groen glazuur.

De belangstelling van Chinezen voor de eigen geschiedenis groeit; vorig jaar kwam een miljoen bezoekers op de Famen-tempel af. Waar tien jaar geleden Westerlingen bij bezienswaardigheden voorop liepen, wordt nu de toon gezet door de eigen bevolking. Het Drents Museum ondervond dat op een andere manier. Vergeleken met de tentoonstelling over het Terracotta-leger bleek het, ondanks de contacten, niet eenvoudig om bijzondere voorwerpen naar Nederland te halen. Chinezen zijn zuiniger geworden op hun erfgoed, de binnenlandse ruil van objecten begint voorrang te krijgen. Ondertussen wil Xi'an zich wereldwijd manifesteren als een historische metropool die de vergelijking aankan met Rome, Athene en Caïro. Vandaar ook de uitbreiding van het lokale vliegveld met terminals voor buitenlandse vluchten. Gelet op aanwezigheid van de vele keizerlijke graven in de omgeving valt daar wel wat voor te zeggen.

De vindplaats van het Terracotta-leger is een topattractie, maar dat geldt ook voor het Qiaunling Mausoleum waar zich de graftombe van keizer Gao Zong en keizerin Wu Zetian bevindt. Wat uitstraling betreft, heeft de oude hoofdstad en zijn omgeving nog wel een wereld te winnen. Hoewel niets opgewassen lijkt tegen de hedendaagse bouwwoede is het lokale bestuur begonnen met het stimuleren van Tang-architectuur in het straatbeeld en is in het centrum het zogeheten Tang Paradise Park geopend, een 165 hectare omvattende themapark dat de pracht en praal van de jaren tussen 600 en 900 wil weerspiegelen. Op z'n Chinees, met overtreffende trap, zonder veel maat te houden. Dat doen ze in Assen dan toch net even beter.


In Assen is échts iets van de grond gekomen


Info op woestenledig d.d. 21 november 2011

Alsof we vijftien maanden met geweld waren tegengehouden, zo massaal was de toeloop van het eerste publiek op het vernieuwde Drents Museum. Zo'n 1300 man voor de preview op woensdagavond en honderden betalende bezoekers voor de eerste échte dag daarna. Kwamen die allemaal voor de openingstentoonstelling, De gouden eeuw van China over de cultuurschatten van de Tang-dynastie? Vast. Maar ze kwamen vooral voor het nieuwe deel. De ondergrondse vleugel van Erick van Egeraat is reuzensprong voorwaarts voor het centrum van Assen, waar een grauwe parkeerplaats veranderde in spectaculaire daktuin. Het uiterlijk van de entree – het koetshuis op een glazen plint – zegt alles. Hier is écht iets van de grond gekomen. Passend opgehemeld. Vandaar wellicht de strak-witte uitstraling van de groot opgezete museumwinkel, de garderobe en overgang naar het oude museum.

In de nieuwe, eveneens witte expositieruimte wordt het In Paradisum-effect slechts doorbroken met tijdelijke vijf paviljoens waarin de Tang-objecten zijn ondergebracht. Iedere bunker heeft een eigen thema, gezamenlijk vertellen ze over de veranderingen, welvaart en weelde van het China tussen 600 en 900. Ging van het Terracotta-leger een imposante kracht uit, de cultuurschatten van de Tang-dynastie ogen veel fijner. De keuze voor paviljoens is een slimme geweest. De veelal kleine objecten (veel keramiek, maar ook edelmetaal en glas) zijn subliem uitgelicht en blijven fier overeind. Met als gevolg dat je niet kunt beweren dat het gebouw hier belangrijker is dan de spullen. In Assen draait het onverminderd om de collectie. Dat blijkt ook uit de vernieuwde opstelling van de verzamelingen Kunst rond 1900 en Hedendaags Realisme in de nu nog nostalgischer ogende oudbouw.

De Kunst rond 1900 is nog steeds ondergebracht in het stelsel van zaaltjes en gangetjes waar je verrassend kunt dwalen. Sommige dingen veranderen gelukkig nauwelijks. Het Hedendaagse Realisme heeft een grotere verandering ondergaan. Voor het eerst krijgen we zicht op de schenking van de 267 werken die de ING vorig jaar heeft gedaan. Om te beginnen is er voor gekozen van alle kunstenaars uit de ING-collectie een werk te tonen. Veel grote namen uit het Noorden, Van Henk Helmantel tot Mark Lisser, maar bovenal een imposant overzicht van een levendig kunstklimaat. Hoe de archeologie getoond gaat worden, is nog onduidelijk. Slechts een deel wordt nu getoond; het Meisje van Yde en de Boot van Pesse blijven uit beeld tot eind februari. Dan gaat ook het Kindermuseum en het Archeolab open. Het Drents Museum – volgens gedeputeerde Tanja Klip de belangrijkste toeristische trekpleister van de provincie – mag dan ‘af' zijn, klaar is het nog niet.



Dode Zeerollen in Drents Museum


Info op nieuwsuur.nl d.d. 8 december 2011

Het Drents Museum is er in geslaagd om een uniek archeologisch fenomeen naar Nederland te halen: in 2013 zal er een grote tentoonstelling over de befaamde Dode Zeerollen te zien zijn in Assen. De rollen zijn nooit eerder ter wereld getoond. Nieuwsuur was in Israël Een herder ontdekte in 1947 de 900 rollen in een grot vlak bij de Dode Zee. Ze geven een uniek beeld van het leven in de tijd van Jezus en behoren tot een van de belangrijkste archeologische vondsten ter wereld. De tentoonstelling in het Drents Museum laat originele Bijbelse manuscripten en objecten zien uit de 3de eeuw voor Chr. tot de 1ste eeuw na Chr. en alternatieve teksten die niet in de Bijbel terecht zijn gekomen. De teksten op deze wereldberoemde rollen geven onschatbare informatie over de geschiedenis en cultuur uit de periode waarin belangrijke kenmerken van het Jodendom en Christendom gevormd werden.

Verder zijn er objecten uit het oude Judea, uit de nederzetting van Qumran (de plaats waar de rollen gevonden zijn) en uit Jeruzalem. De Dode Zeerollen worden samen met het grafcomplex van Toetanchamon in Egypte en het Chinese Terracotta Leger in Xi'an als één van de grootste archeologische ontdekkingen van de twintigste eeuw beschouwd. NOS-verslaggeefster Nicole Lefever was in Israël en sprak er met de directeur van het Drents Museum en een aantal zeerollenexperts.



Klik op de afbeelding om de website van het Drents Museum te bezoeken






© 2006-2009 www.mijn-eigen-website.nl