In en om Assen





De Drenten en hun kunstenaars


Bronvermelding:
‘Als de dag van gisteren’ nummer 13; 1992; Waanders uitgevers in samenwerking met de Provinciaal Historicus en het Rijksarchief in Drenthe. Een artikel van Frans van der Veen.


Inleiding

Waren er schilders, schrijvers, dansers of acteurs in het Drenthe van 1890? Schilderen was liefhebberij voor tekenleraren, schrijven vrijetijdsbesteding voor de avonduren, als het werk gedaan was. Kunst was iets van anderen, maar toch was Drenthe in de vorige eeuw cultureel beslist geen woestijn. Ver voor 1900 had elk dorp al zangverenigingen en rederijkerskamers: het ontwikkelingswerk van de negentiende-eeuwse dorponderwijzer.

Het bescheiden culturele leven in Drenthe werd gekenmerkt door tolerantie en vrijzinnigheid, want Drenten waren (en zijn) geen volk van scherpslijpers. Nieuwe ideeën of maatschappelijke veranderingen werden niet afgeremd door orthodox-godsdienstige opvattingen. Vooral de plaatselijke Nutsdepartementen speelden hierbij een grote rol.


Reinhart Dozy maakte in 1934 deze impressie van een gezellig samenzijn voor het café in Elp. De vrouw die haar kind de borst geeft heeft geen oorijzer op; ze is een van de weinigen. (collectie DMA)


Het Nut

Bij het Nut liet je je amuseren en beleren. Het Nut had bibliotheken, brei- en naaischolen. Het Nut organiseerde cursussen en verzorgde in de winter lezingen en literaire avonden. De Drentse Nutsdepartementen waren oud. Meppel was nog van 1799 – de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen zelf was in 1784 opgericht – en ook de meeste andere Drentse departementen hadden een respectabele leeftijd. In Assen en Meppel werden de sociëteiten en Nutsdepartementen bevolkt door de oude elites en wat intellectuelen, tot welvaart gekomen middenstanders, nieuwe klein- industriëlen en ambtenaren. In de dorpen stimuleerden de onderwijzers – meer dan de dominee, de dokter en de notaris – het verenigingsleven. Er werd gezongen en gereciteerd, er werd geluisterd naar Nutssprekers.

Een enkele greep uit de activiteiten in een paar plaatsen in een paar weken tijd aan het begin van 1890. Voor het Nut in De Wijk traden de dialectschrijvers J.M. Schiphorst en Geert Broekhuizen op. Zij verschaften de aanwezigen een genotvolle avond en de krant riep hun een hartelijk tot weerziens toe. Een week eerder had de rederijkerskamer van hetzelfde dorp een primeur met een stukje toneel voor kinderen hetgeen luide bijval verwierf. In Diever speelde de toneelvereniging op één avond niet alleen ‘De twee visserskinderen’ (in vier bedrijven), maar kregen de bezoekers ook nog twee eenakters te zien. Dezelfde maand gaf de journalist de leden van de andere Dieverder rederijkerskamer genaamd ‘Nieuw Leven’ het advies in het vervolg hun rollen beter te leren.

“Niemand van het publiek toch is zo begerig dat hij tweemaal het zelfde wenst te horen voor één geld’, schreef de correspondent van de Meppeler Courant. Dezelfde week sprak dominee Van Eerde uit Olst voor het Nut in Dwingeloo over onze gehechtheid aan eigen land en volk. Dat kwam omdat we het voorrecht hadden te leven onder het geliefde vorstenhuis van Oranje-Nassau, aldus de dominee. Assen mocht bij het Nut een lezing aanhoren over het grote kwaad van prostitutie. Het was een schande dat menig jongeling de drempel van de huizen der ontucht overschreed. De elite van de hoofdstad genoot even dagen later van een inleiding over Lessings ‘Nathan der Weise’. In Meppel vertolkten de stafmuziek van Maastricht en de kapel uit Kampen samen onder andere het Largo Apassionato van Beethoven: ‘Zoo eenig, zoo samensmeltend vloeiden alle tonen dooreen, dat men meende een reusachtig orgel te hooren’. Al met al voldoende om te bewijzen dat er in Drenthe in het vroege voorjaar van 1890 genoeg te beleven was.



Kabinetten en oorijzers

Op interieurfoto’s van rond de eeuwwisseling zijn in de oude boerenhuizen nog Drentse kasten en ander antiek spul te zien. Verder waren de woningen voorzien van timmermansgoed: klerenkisten (‘bissekisten’) en kabinetten, klaptafels en knopstoelen. De burgerman had in zijn mooie kamer spullen staan die we nu Willem 3-antiek noemen. Tingoed in de Drentse kamers was heel gewoon en de hoeveelheid koper in een boerenhuishouding zou een antiekhandelaar nu jaloers maken.

De boerin liep in 1900 nog in een gestreepte rok en een pront jak van vijfschaft. Op haar hoofd een fijne kanten muts en een gouden oorijzer met zware gouden stiften. Linnen en wol waren nog ruim voorhanden. De wever verwerkte de wol en het linnen tot vijfschaft. Die werd geverfd in de blauwweverij van de gebroeders Tonkens in Helpman of bij Meinen in Meppel waar men ook nu nog voor de Staphorster boerin stoffen verft en perst. Het prachtige paars (‘sang’), blauw en zwart waren in Drenthe geliefde kleuren, maar ook bruin en een framboosachtig rood kwamen veel voor. Tussen 1900 en 1920 verdween de streekdracht langzaam uit het dorpsbeeld, tussen 1930 en 1940 liep hier en daar de oudere generatie nog in de traditionele dracht en na 1950 waren de kanten muts en het oorijzer een curiosum geworden uit lang vervlogen tijden.

Tot na de Eerste Wereldoorlog was voor de gezeten boerin de zilversmid in Meppel, Assen, Coevorden of Hoogeveen een bekend adres. Hij vervaardigde vanouds de sieraden voor de streekdracht en hij repareerde en vermaakte de erfstukken. Het meeste antieke zilver in Drenthe is gemaakt door Meppeler smeden: bestekken, brandewijnkommen, roomkommen, roomlepels, schotels en kandijpotten. En verder tashaken en tasbeugels, gespen, scharen en halssieraden, oorijzers, Bijbelbeslag, knopen en signet-kettingen. Alles naar de mode van de tijd.


Architectonische hoogstandjes

Architectonische hoogstandjes waren nauwelijks te vinden op het Drentse platteland. Traditie, geld en de dorpstimmerman bepaalden hoe een nieuwe boerderij er uit kwam te zien. Toch kende het platteland van voor 1920 opvallende zaken. Bij Schipborg zette de beroemde architect Berlage in 1914 een grote hoeve neer voor de Rotterdamse familie Kröller (van het Museum Kröller-Müller).

Op het Zeijerveld bouwde architect Masselink naar de modernste inzichten van de tijd in 1915 de Cremerhoeve. Het bedrijf was genoemd naar de oud-minister van Koloniën, J.T. Cremer, die de ontginning van het Zeijerveld ter hand had genomen. Opvallender waren de veranderingen in de steden. Met name Assen kreeg vele nieuwe gebouwen, zoals het nieuwe Provinciehuis (tegenwoordig het Drents Museum), het rijksarchief, het postkantoor, de kazernes aan de Vaart en talloze villa’s rond het centrum.

Ook in Meppel werden in de eerste jaren van de nieuwe eeuw riante huizen en talloze winkelpanden gebouwd in de Art Nouveaustijl. Eén van de fraaist vormgegeven panden in eclectische stijl in Drenthe is Zuideinde 37 te Meppel dat in 1899 werd gebouwd. In de directe omgeving van de stad en met name in Ruinerwold zijn verschillende luxueuze boerderijen in deze stijl gebouwd. De eigenaar van zo’n Ruinerwolds ‘landherenhuis’ liet later naast zijn boerderij door de dorpstimmerman een kopie bouwen van het Chinese paviljoen dat hij in 1924 in Parijs had gezien op de koloniale tentoonstelling.


Erasmus Bernard von Dülmen Krumpelman schilderde in de jaren vijftig een van de laatste kermissen op de Markt in Assen met op de achtergrond het Hofstedehuis. Spoedig daarna zou de kermis naar het Veemarktterrein buiten het centrum verhuizen (collectie DMA)


Toneel met bal na

De rederijkerij en de zangvereniging waren van oudsher van enorme invloed op het geestelijke en maatschappelijke leven in Drenthe. Het repertoire week niet af van wat elders ‘bon ton’ was: uit het Duits vertaalde toneelstukken, bewerkingen van de klassiekers van Moliere, Goethe en Schiller en blijspelen met zang en dans. Later zocht men vooral vermaak en al in 1875 mopperde de Asser Courant dat het peil van de stukken zo terugliep en dat genoegen en vermaak de ontwikkeling en beschaving vervingen. Het mocht evenwel niet baten, vooral omdat juist in die tijd het ‘bal na’ gebruikelijk begon te worden. De Meppeler Courant meldde in die dagen dat in Nijeveen zo’n dansepidemie woedde dat zelfs oude vrijers en vrijsters zich weer in de lente des levens waanden.

In 1899 ontdekte de rederijkerskamer Borger het dialecttoneel. Van het medelid Harm Tiesing speelden ze ‘Wilm Fokkens en Grietie en heur vreijers’. In 1906 waagde Borger zich opnieuw aan een Drents stuk, eveneens van Tiesing. Kort daarna speelde ook De Morgenstond in Koekange zo nu en dan een dialectstuk van haar oprichter Geert Broekhuizen.


Nora en de Fledermaus

Tijdens de kermissen speelden reizende gezelschappen in tenten of cafézalen hun drakerige toneelstukken, veelal omlijst door zang en dans. Assen en Meppel hadden al in de loop van de vorige eeuw een schouwburg gekregen en zouden tot ver in deze eeuw de enige plaatsen in Drenthe blijven waar regelmatig concerten en toneelvoorstellingen te zien waren. Zo speelde het gezelschap van de Salon des Varietés uit Amsterdam in 1890 in Assen en Meppel zelfs Ibsens drama ‘Nora’. Voor een eersterangs kaartje betaalde je in die tijd 99 cent.

Goed toneel was uniek. In hetzelfde jaar 1890 trad het Hoogduits Opera Gezelschap – men kwam overigens gewoon uit Groningen – in de Meppeler schouwburg op voor de vereniging ‘Nut en Genoegen’. De Meppeler Courant vond het verstandig dat de aanvankelijke keus ‘Das Nachtlager in Granada’ was vervangen door ‘Das Glöckchen des Eremieten’. Publiek dat zo zelden opera ziet – zo vond de recensent – kijkt liever naar een komische opera. Als alles goed ging, zou men ook ‘De Fledermaus’ eens in Meppel moeten laten spelen, een stuk dat overal in Europa zo’n succes had

Op de verjaardag des konings keken ze in Assen naar de parade van schutterij en infanterie. In Meppel gaf het muziekkorps van de schutterij die dag een concert onder leiding van kapelmeester Leich die tevens directeur was van het Steenwijker strijkorkest De Harmonie. Het Meppeler Mannenkoor concerteerde vervolgens samen met het Kamper muziekkorps. Men begon met ‘Groet aan het Vaderland’ en ‘Das einsame Röslein’ om daarna solo’s , duo’s en zelfs een koorwerk van een uur ten gehore te brengen.


Schrijvers in het Drents

De geschiedenis van de Drentse literatuur begon halverwege de vorige eeuw bij 'Drie Podagristen’: de schrijvers Boom, Lesturgeon en Van Der Scheer. Zij waren de kern van wat Poortman in 1936 ‘de eerste Drentse cultuurkring’ noemde: een intellectualistische groep met een romantische belangstelling voor het verleden. De Podagristen waren niet vrij van buitenlandse invloeden en werkten naar de mode van de tijd. Ze schreven deels Nederlands, deels een heel levendig dialect. Hun romantische kijk heeft minstens een eeuw lang doorgewerkt in de Drentse literatuur.

Andere wegbereiders voor een eigen Drentse literatuur waren Albert Steenbergen, Hendrik Tilleman en de Amsterdammer Cornelis van Schaick, die een tijdlang predikant in Dwingeloo was en over die tijd ‘Schetsen uit het Drentse dorpsleven’ publiceerde. Hun werk verraadt tot op de dag van vandaag interesse in mensen en in de samenleving. Veel van het oude werk werd oorspronkelijk gepubliceerd als feuilleton. In de Asser en de Meppeler Courant, de kranten van Tijl uit Zwolle en in kleinere streekbladen. Daardoor leverden deze bladen een grote bijdrage aan de ontwikkeling van de geschreven streektaal. De sinds 1883 verschijnende Nieuwe Drentse Volksalmanak is door de jaren heen uitgegroeid tot belangrijkste bron van kennis over Drenthe en de Drentse samenleving. Tot ver na de Tweede Wereldoorlog waren ze doorschoten met proza en poëzie in de streektaal.

Van de oudste medewerkers van de almanak die in het Drentse dialect schreven, zijn Harm Tiessing (1853 – 1936) en Geert Broekhuizen (1844 – 1928) de opvallendste figuren. Tiesing woonde in Borger waar hij als boerenknecht begon. Van hem kennen we meer dan duizend publicaties in almanakken en tijdschriften, in landbouwbladen, regionale kranten en landelijke kranten als het Algemeen Handelsblad. Voor de Asser Courant schreef hij feuilletons die later in boekvorm verschenen, zoals ‘Marthao Ledeng, de bloem van ’t daarp’, ‘Over de Hunze’, en ‘Zien broed verleuren’. Tiesing schilderde de negentiende-eeuwse samenleving. Hij schreef heel exact over de landbouw en het volksleven. Door zijn simpele, aansprekende werk heeft Tiesing de Drenten leren lezen.

Wat Tiesing was voor de Hondsrug, was Broekhuizen voor de Zuidwesthoek. Diens eerste bijdragen verschenen kort na 1890 in de Nieuwe Drentse Volksalmanak, maar in 1870 schreef hij al in de Meppeler Courant. Broekhuizen was een ouderwetse amateur: dichter, schrijver, schilder, fotograag, historicus en folklorist. Hij had een levendige stijl. In totaal produceerde Broekhuizen meer dan dertig toneelstukken en eenakters voor De Morgenstond, de rederijkerskamer die hij in 1893 in zijn woonplaats Koekange had opgericht.


Een aantal vooraanstaande leden van de kunstkring 'De Drentse schilders' tijdens een expositie in 1946. Van l.n.r. de schilders Hans Heyting, Arie van der Boon, Jan Kagie, Hein Kray en Reinhart Dozy (fotoarchief DMA)


Een schilderachtig landschap

Voor de Eerste Wereldoorlog woonden er nauwelijks beroepskunstenaars in Drenthe. Degenen die de jongedames pianoles gaven uit ‘Perles Musicales’ of koren en korpsen leidden, waren eerder muziekmeesters dan kunstenaars. Slecht een enkeling had een conservatoriumopleiding. Hetzelfde gold voor de Drentse tekenleraren. Ook al hadden ze een kunstopleiding genoten, toch zagen zij zich beslist niet als kunstenaars.

Eind vorige eeuw werd de nog ongerepte provincie een geliefd reisdoel voor schilders van buiten Drenthe. Het waren niet de minsten die hier werkten: Willem Roelofs, Breitner, Verster, Van de Sande Bakhuyzen en vele anderen. Ook Vincent van Gogh kwam naar Drenthe en uit zijn brieven weten we dat het Drentse landschap diepe indruk op hem maakte.
Sommige van deze bezoekers werden vaste zomergasten. Van de Sande en de Zwitser Stengelin bezochten Drenthe bijvoorbeeld vele tientallen keren. Toch hangt er van al die mannen nauwelijks werk aan de Drentse wanden; een bewijs dat hun aanwezigheid totaal voorbijging aan de meeste Drenten.

Echte Drentse kunstschilders waren de Assenaren Louis Albert Roessingh (1873 – 1951) en Reinhart Dozy (1880 – 1947). Ze waren na hun opleiding aan de Antwerpse academie in de Scheldestad gaan wonen, maar keerden ’s zomers naar Drenthe terug om er te schilderen. In 1907 bouwde Roessingh in Elp de Zandhof, dat in de loop der jaren uitgroeide tot een Vlaams kasteeltje, en in 1911 bouwde Dozy er zijn ‘heidehuis’. Zo werd Elp zomerresidentie van twee Drentse Antwerpenaren. Hun ateliers stonden op een steenworp van elkaar, maar ze gingen later nauwelijks met elkaar om. Naar het heet, omdat hun vrouwen elkaar niet konden luchten of zien.


Kunst en vriendschap

Lange tijd waren kunstschilders in Drenthe de enige beroepskunsternaars. Zo telde Drenthe in de jaren dertig vijf beeldend kunstenaars die er hun volledige beroep van hadden gemaakt (de schilders die ook docent waren, dus buiten beschouwing gelaten). Het waren Arie van der Boon (sinds 1915) in Rolde. Erasmus Bernard von Dülmen Krumpelmann (sinds 1921) in Zeegse en de Meppelers Anton Keizer, Hugo van Schaik (sinds 1922) en Klaas Smink (sinds 1910). Anderen die veel in Drenthe werkten, woonden een groot deel van het jaar elders, Dozy en Roessingh in Antwerpen, Stegelin in Geneve, Kort, Dijkstra en Hemkes in Groningen en Idserda die slechts korte tijd (1920 – 1922) in Meppel had gewoond.

André Idserda (1879 – 1952) was net als Roessingh en Dozy leerling van de Antwerpse academie. Daardoor lijkt de schilderkunst in Drenthe vóór 1940 een dependance van de Vlaamse. Idserda werkte veel in België en was er bevriend met Permeke, Walter Vaes en Jacob Smits, terwijl beide Assenaren het werk van Emiel Claus en Valerius de Sadelaer goed kenden.

Meppel was in die jaren de enige plaats met een bescheiden ‘eigen’ beeldende kunstleven. In of direct na de Eerste Wereldoorlog hadden Klaas Smink, de latere Ploeg-schilder Jannes de Vries en enkele anderen ‘Kunst en Vriendschap’ opgericht. De vereniging bestond uit een groep tekenleraren, notabele kunstliefhebbers, amateurs en enkele ‘wilde’ jongens. Jaarlijks organiseerde men exposities, wekelijks had men tekenavonden en van tijd tot tijd hield men ook kunstbeschouwingen. Verder werd er soms gezamenlijk buiten getekend. De sfeer in ‘Kunst en vriendschap’ werd – hoewel de naam anders doet vermoeden – doorgaans bepaald door de ruzies. Kunstenaars onder elkaar, zeiden ze dan in de stad. Vaak waren er spanningen tussen de discipelen van Smink  - de wilde jongens- en het gezeten deel van het gezelschap.


Op de vlucht naar Drenthe

In Assen werd dit deel van het culturele leven bepaald door schilderende docenten als vader en zoon Krans en W.A. Kortenhorst, en de illustrator Hein Kray. Het kunstleven van Meppel ging totaal voorbij aan de Asser wereld en omgekeerd lag ook Assen helemaal buiten het gezichtsveld van de Meppelers. Daarin kwam pas in 1947 verandering, toen Dozy vond dat het tijd werd om de koppen eens bij elkaar te steken.

 Van de jongere garde uit het interbellum was Bernard von Dülmen de bekendste. Deze legendarisch geworden schilder was een Amsterdammer die nog met Breitner had gewerkt. Zelf vertelde hij altijd dat hij in Drenthe verzeild was geraakt omdat hij vluchtte voor mannen uit de Amsterdamse onderwereld, die niet konden verdragen dat hij in de danslokalen van de Nes hun meiden tekende.
De Drentse kunstschilders hadden het in die tijd niet gemakkelijk. Het ontbrak in Drenthe aan een brede bovenlaag die kunst kocht. Zelfs voor Roessingh – die tot die bovenlaag hoorde – was het moeilijk. Sommigen illustreerden van tijd tot tijd of hadden andere verdiensten. Kortom: grootmoeders tijd was vol kommer en kwel voor het handjevol Drentse beroepskunstenaars.


Liefdesverklaringen op rijm

In 1922 vond in Drenthe een gebeurtenis plaats die veel weg had van een literaire revolutie. Redacteur Poelman van de Nieuwe Drentse Volksalmanak hield een literaire opruiming waarbij de meeste oude coryfeeën het veld ruimden. Voortaan was schilder Louis Roessingh de belangrijkste leverancier van de literaire bijdragen waaruit Jan Naarding in 1948 de eerste Drentse poëziebundel ‘’t Diggelhoes’ zou samenstellen. Daarnaast trokken de schetsen van Jo Bergmans – Beins en na 1930 de bijdragen van L. Koops, Harm Drent en E. Kars de aandacht.

L. Jonker schreef tussen beide wereldoorlogen veelgelezen streekromans als ‘Harm, een boerenleevn an de Riest’ en “Harm, boer van ’t Hoge laand’. Populair waren ook ‘schetsen van Luuks Hilbers ‘Jongers’ door H. van Dijk. Ze beschreven het volk van Ruinerwold en omgeving en waren oorspronkelijk te lezen in de Meppeler Courant en werden pas veel later gebundeld.  Waardevoller evenwel zijn de vertellingen van Jan Uilenburg, die vóór en na de oorlog werden gebundeld. Ondanks een langzaam toenemende belangstelling bij de Drentse bevolking bleef de ‘schrieverij’ tussen de oorlogen veelal vrijetijdsbesteding.

In 1929 kreeg de streektaal er een podium bij: het maandblad Drenthe. Het verschijnt tot op heden en geeft al meer dan zestig jaar een beeld van het culturele leven in Drenthe. Begonnen als blaadje van de prehistorische vereniging, de Drentse vereniging in Amsterdam (!), het Drents Museum en de provinciale VVV, werd het na de oorlog het huisorgaan van het Drents Genootschap. Doel van het maandblad was het slaan van een brug tussen alle Drenten. Een reden wellicht om als eerste artikel in het eerste nummer een in het Frans geschreven brief van de Zwitserse schilder Alphonse Stengelin te publiceren. In het vierde nummer klaagde hoofdredacteur Poelman dat de dialectstudie in Drenthe zo werd verwaarloosd: ‘Hoe behoorlijk kan het oude dialect klinken en hoe typeert dit dialect de eenvoud dergenen die het spreken”. Het zal je maar gezegd worden.

Toch was het vooroorlogse maandblad doorspekt met dialectwerk. Literair nogal mager: een stroom van liefdesverklaringen op rijm aan het oude Drenthe en odes aan de schoonheid van het landschap. Tussen de rijmelarij en gelegenheidswerkjes verschenen evenwel ook dialectbijdragen die nog altijd de moeite van het lezen waard zijn.


'Vrouw met koe en schapen op de hei', Louis Marie Krans. (collectie mevr. Werkman-Niks)


De liefde voor de Eigenerfden

In 1935 begon in het blad de discussie over een Drentse spelling. Al gauw mengde de taalkundige Jan Naarding zich in de discussie. In 1936 besprak deze Bartje, de bestseller waarmee Anne de Vries beroemd werd. Hij vond het weliswaar een goed boek, maar was niet erg te spreken over het verwateren en verontreinigen van het dialect: ‘Wanneer men den Drent zijn taal ontneemt, is hij geen Drent meer’. De schrijvers deden er goed aan – Bartje was tenslotte maar een kind uit een arm arbeidersgezin – om ‘naast deze losgeslagenen’ maar eens de diepgewortelde Drentse boer te schetsen, aldus Naarding die het in dit verband had over de ‘Eigenerfden’. Jan Uilenberg deed het nog eens dunnetjes over en gaf Anne de Vries het advies een volgende keer de tekst te laten nakijken: ‘Zijn werk zal er bij winnen en wij Drenthen hebben recht op eerbied voor wat ons heilig is’.

Twee voorbeelden van toonzetting waarmee de Drentse schrijverij de Tweede Wereldoorlog inging. De heiligverklaring van de spraak en de ophemeling van de wereld der Eigenerfden stonden elke normale literaire kritiek in de weg. In de oorlog, toen Naarding een tijd eindredacteur was, leek men al helemaal horende doof en ziende blind. In elk geval was smakeloosheid troef, want in mei 1941 kon men lezen ‘In de Landschap heeft Landbouw en Maatschappij reeds ver vóór de schok der Meidagen getuigd van deze herleefde gevoelens van eigen waarde, en Drenthe, dat nog zoveel goeds uit vorige eeuwen had behouden, zal in de dagende nieuwe wereld niet meer achterstaan’. Een half jaar later besteedde Naarding onder de kop ‘Drenten aan het Oostfront’ opnieuw aandacht aan de oorlog: ‘De bladen vermeldden dezer dagen, dat aan het oostelijk front een der strijdende Nederlanders, een jongeman uit Drenthe, het ijzeren kruis had behaald voor zijn dapper optreden. Deze mededeling deed me denken aan de beide vorige oorlogen, waarin Drenten zijn opgetrokken tegen Rusland’.

Hierna volgt een verwijzing naar Napoleon en een uitgebreide beschrijving van de Slag bij Ane (1227). De bisschop van Utrecht dwong Drenthe toen honderd strijders naar Lijfland te sturen om er met Duitse ridders te vuur en te zwaard het christendom te verbreiden: ‘Zo trokken dus honderd Drentse strijders destijds naar het oostelijke front ter verbreiding van Westers Christendom en Westerse cultuur’.


Drents Genootschap

Dr. Jan Naarding – op zijn beste momenten een vakbekwaam dichter en een goed stilist – was dé Drenthe-kenner van zijn dagen. Vanaf het begin was hij vice-voorzitter, later tot zijn dood in 1963 voorzitter van het Drents Genootschap. Het idee voor zo’n genootschap ontstond in de oorlog uit dezelfde romantische denkbeelden over de Drentse samenleving die ook de redactie van het maandblad aanhing en hun oorsprong hadden bij de Drie Podagristen halverwege de vorige eeuw.

Al vóór de oorlog had J. Linthorst Homan, die in de oorlog deel zou gaan uitmaken van het driemanschap van de Nederlandse Unie, het idee geopperd een centrale vereniging op te richten voor wie belangstelling had voor het verleden van het Drentse volk. In 1941 richtte een groepje onder voorzitterschap van Van Gorcum-uitgever H.J. Prakke de studiekring D.H. van der Scheer op. Gespreksonderwerp was de Drentse cultuur. In 1943 presenteerde deze kring zich voor het eerst in het openbaar met het Podagristen-congres. Na de oorlog in 1947 werd de studiekring onder leiding van Prakke uitgebouwd tot het Drents Genootschap. De vereniging groeide snel en had in 1959 al 1200 individuele leden, merendeels uit de bovenlaag van de Drentse samenleving. In 1957 werd het Drents Genootschap door de provincie aangewezen als Culturele Raad voor Drenthe waardoor een stroom provinciale en rijkssubsidies naar deze instelling begon te vloeien. Na een aantal jaren groeide het Drents Genootschap uit tot een ‘brede’ culturele raad voor de hele provincie.


Roet voor het ‘volkien’

Jan Naarding was ook de grote stimulator van de in 1953 opgerichte Drentse Schrieverskring. Deze kring gaf in 1953 en 1956 interessante Schrieversalmanakken uit met werk van talloze jongeren. Ook het blad Oeze Volk was een initiatief van de kring, maar het ontworstelde zich korte tijd later aan de Schrieverskring en wist zich een trouwe lezerskring te verwerven van zo’n vijfduizend abonnees. De redactie wordt sindsdien op geheel eigen wijze gevoerd door Bart Veenstra en zijn vrouw Bertha Hadderingh. Maar literatuur in het blad? ‘Ach ja, als een verdwaalde krent in het wittebrood’, zei dichter Roel Reijntjes ooit. Hij had natuurlijk gelijk. Blijft het feit dat het blad een niet te verwaarlozen bijdrage heeft geleverd aan de popularisering van het Drents.

De belangrijkste kentering in de Drentstalige literatuur tekende zich rond 1960 voor het eerst af. Tot dan toe waren de Drentse ‘schrievers’ eerder boekhouders van wat verloren ging, dan taalkunstenaars. Ze liepen over platgetreden paden van de Podagristen en het Drents Genootschap. Vanaf de jaren zestig begon dat langzaam te veranderen. In het werk van dichters als Hans Heyting en Gerard Nijenhuis – een tiental jaren later ook dat van Marga Kool – is de individualisering zichtbaar. Door het werk is de geschreven Drentse taalstreek weer literatuur geworden.

De modernste uiting daarvan – en daarmee en tegenhanger van Oeze Volk – is Roet, het tweemaandelijkse blad dat in 1979 werd opgericht door een groep Groninger studenten. Veel jongere streektaalschrijvers debuteerden in de loop van de tijd in Roet. Roet is satirisch en venijnig van aard, maar nooit vervelend. Bart Veenstra’s ‘volkies’ moet het nogal ontgelden en ook andere vertegenwoordigers van het ‘Drents eigene’ zijn bij Roet allesbehalve veilig. Roet redacteur Westerhuis: ‘Roet is als tegenhanger van Oeze Volk een bewijs dat de Drentse schrijvers het niveau bereiken waarop ruimte bestaat voor woord en weerwoord, voor kritiek, zonder dat deze de activiteit ondermijnt. Daarmee is het Drentse streektaalgebruik in culturele zin tot wasdom gekomen’.


Toen in 1990 de in 1917 gebouwde bioscoop Apollo aan de Asser Noordersingel tegen de vlakte ging, kwam het oude karakteristieke geveltje tevoorschijn dat oprichter Thedinga rond de eeuwwisseling voor zijn theater liet ontwerpen. Deze foto werd in de jaren vijfig gemaakt (fotoarchief DMA)


Cultuur voor iedereen

Toen A. Saalborn in 1892 in Groningen een beroepstoneelgezelschap wilde vestigen, was hij niet de eerste en zou hij ook niet de laatste zijn. Zelfs de grote schouwburgen in Groningen en Leeuwarden hadden chronische problemen met het aantrekken van goede voorstellingen en gezelschappen. De meeste zalen waren particulier eigendom. Tot ver na de Tweede Wereldoorlog bepaalde de zaalhouder het aanbod; met één oog op het toneel en met het andere op de kassa gericht. De overheid bemoeide zich hooguit met de ‘welgevoeglijkheid’ der stukken en met het innen van vermakelijkheidsbelastingen.

Eer bestonden sinds circa 1920 talloze verenigingen en concertkringen die concerten en voorstellingen organiseerden voor leden en abonnees. Vaak werden deze gevonden in de middenklasse en onder de welgestelden. De repertoirekeuze werd er sterk door bepaald. Pas na de Tweede Wereldoorlog namen de overheden medeverantwoordelijkheid voor de instandhouding en ontwikkeling van culturele waarden. Drenthe kreeg samen met Groningen haar eigen Noordelijk Filharmonisch Orkest en subsidieerde Opera Forum, hielp dansgroepen in de been en probeerde – met Groningen en Friesland – een eigen toneelgezelschap overeind te houden. Gemeenten namen in Assen en Meppel de plaatselijke schouwburg over of bouwden nieuwe centra, zoals in Hoogeveen en Emmen. Op deze manier werd het aanbod toegankelijk voor ieder die belangstelling had.

In 1976 gaf de provincie in een nota de relatie aan tussen de overheid en het particulier initiatief. In de toekomst zou de provincie gebruikmaken van eigen ambtelijke adviseurs, de uitvoering van het culturele werk bleef een zaak van het particulier initiatief. Voor het Drents Genootschap betekende dat het einde van zijn unieke positie. De geschiedenis van de organisatie overziend is het buiten kijf dat het Drents Genootschap een groot aandeel heeft gehad in het wegwerken van de culturele achterstand die Drenthe in de beginjaren zeker had gekend. Professionalisering en nieuwe inzichten leidden in 1976 tot nieuwe spelregels en taakverdelingen.

De laatste jaren is bij het Drents Genootschap ook een nieuwe belangstelling aanwezig voor het ‘Drents eigene’: het complex van ideeën en waarden waarin een grote plaats wordt toegekend aan de streektaal. Maar anders dan tussen de wereldoorlogen wordt dit ‘Drents eigene’ niet per definitie uit het verleden geput.


Hooggestemde pogingen

De individualisering van de maatschappij eiste zijn tol op het gebied van de amateuristische kunstbeoefening. Veel oude toneel- en muziekverenigingen werden daarvan het slachtoffer. Mensen bleven liever thuis voor de buis, dan iedere week een avondlang repeteren in de achterzaal van het café of het dorpshuis. Ondanks dat blazen nog veelharmonieën en fanfares nog hun partij mee. En ook wordt er nog steeds toneel gespeeld in Drenthe: in het dialect en in het Nederlands. De provincie telt meer dan 200 verenigingen en clubjes en jaarlijks staan enkele honderden Drenten vol overgave op de planken.

In 1951 schreef P.H. van der Dam dat het toneel op het Drentse platteland een taak heeft: ‘Als wij zien met welke producten de film het platteland ‘gelukkig’ maakt, wordt ons dat duidelijk’. Zo zal het altijd wel blijven: in 1950 was het de film, in 1970 had de TV de schuld, nú zijn de disco en de videotheek de kwaaie pier. Al in 1938 richtten zo’n vijftien toneelverenigingen het Provinciaal Drents Rederijkersverbond op. Doel was de kwaliteitsverbetering van het amateurtoneel. Na 1945 leidde het tot lezingen, cursussen over toneel en conferenties en toneeladviseurs. De Studiekring D.H. van der Scheer en hun voorman Jan Naarding deden hooggestemde pogingen met Drentse vertalingen van Nederlandse toneelwerk en Drentse lekespelen.

Natuurlijk liep dat op niets uit, want ook de Drenten bleken veel liever een doodgewone klucht te zien. Toneel is gebruiksgoed geworden. Voor sportclubs, buurtverenigingen, muziekverenigingen of het zangkoor en de toneelverengingen zelf. Vervelend misschien, maar wel waar.


Bezoek van de duivel

Vanouds hadden Assen en Meppel een schouwburg en na de Tweede Wereldoorlog kregen ook het snel groeiende Emmen en het confessionele Hoogeveen hun culturele centra. Emmen was na de oorlog op een ‘Amerikaans’ snelle wijze gegroeid. In een halve generatie tijds veranderde een plaats met een grote structurele werkloosheid en een sociaal – economische achterstand in een van de modernste industriesteden van ons land. Voor de nieuwe intelligentia – merendeels mensen van buiten de provincie – was de Muzeval het antwoord op wat een verbanning leek. De Emmer schouwburg ontstond vanuit de aula van het Gemeentelijk Lyceum.

De oude veenkolonie Hoogeveen was dankzij de industrie uitgegroeid tot de in grootte tweede plaats van Drenthe. Hier verrees in 1967 dankzij een grote overheidssubsidie De Tamboer aan de Hoofdstraat. De opening van de schouwburg zorgde meteen voor een heuse rel in het zeer confessionele Hoogeveen. Het centrum werd namelijk geopend met ‘Hoe groen is Julia’ van Paul Ableman en wat elders niet meer dan een vrolijk niemendalletje was, werd in Hoogeveen ervaren als een bezoek van de duivel. Het bracht een deel van het publiek tot zo’n uitzinnige boosheid dat het in de pauze De Tamboer verliet. Maar alles went en na verloop van tijd werden ook op het toneel van De Tamboer buitenechtelijke verhoudingen en functioneel bloot gewoon.

Na de ombouw van het Asser Concerthuis tot De Kolk en de renovatie van Schouwburg Ogterop in Meppel aan het begin van de jaren zeventig telt Drenthe vier moderne culturele centra. Deze beroepspodia presenteren een doorsnee van het Nederlandse toneel en cabaret, de musical, dans en mime. Daarnaast een muziekaanbod dat varieert van het symfonische repertoire tot pop, jazz en blues.

Al is de wereld veranderd in honderd jaar, nog altijd is Drenthe een dunbevolkt land en nog steeds zijn de Drentse steden klein. De provincie heeft sinds jaar en dag twee- tot driemaal het landelijk gemiddelde per inwoner uitgegeven voor welzijn en cultuur. Dat is zichtbaar geworden in de samenleving. Het Drentse cultuurveld mag dan niet groots en meeslepend zijn, het is wel gevarieerd en veelzijdig. En de Drentse bevolking is deelnemer.


Drents schildersgenootschap

In 1947 verenigden de belangrijkste schilders zich op initiatief van Reinhart Dozy in de Kunstkring ‘De Drentse schilders’. Spoedig hierna stierf Dozy, de kring zelf hield het zo’n zes jaar vol om vervolgens tenonder te gaan in onderlinge ruzies over kwaliteit. Ontevredenen verlieten de groep en richtten in 1954 het Drents Schildersgenootschap op. Dit nog steeds bestaande gezelschap organiseerde vanaf 1954 meer dan 130 exposities die vele Drenten voor het eerst in aanraking brachten met werk van hun eigen kunstenaars.

Tot 1960 schilderden de meesten in een voorzichtig post – impressionisme. Onderwerp was veelal het Drentse landschap. Pas bij het aantreden van Folkert Haanstra en enkele anderen kwam daarin verandering. Voortaan ging een kleurig expressionisme overheersen. De laatste tien jaar domineert weer een grote aandacht voor de visuele werkelijkheid. Vanaf 1970 is het aantal beeldend kunstenaars in Drenthe toegenomen. De veelheid van opvattingen en uitingswijzen is even groot en gevarieerd als elders.

Kende Drenthe tot na 1960 geen enkele professionele expositieruimte, op dit moment zijn er in Assen, Hoogeveen en Emmen gemeentelijke tentoonstellingsruimten, terwijl sinds de opening van het Ontvangershuis en de verhuizing naar het voormalige Provinciehuis ook het Drents Museum een actief expositiebeleid voert. Verder telt Drenthe enkele particuliere galeries van kwaliteit. Sinds enkel jaren kent Drenthe openluchtexposities van beeldhouwwerk en plastieken in Emmen, Assen en Hooghalen. Vanaf het midden van de jaren zeventig schenkt ook de provincie aandacht aan de beeldende kunst. Ze stimuleert, activeert, koopt aan. In de loop van de tijd is een aantal specifieke subsidiemogelijkheden in het leven geroepen.



Schuppen is troef

De eerste Drentse radio – uitzending werd vlak na de bevrijding uitgezonden en sindsdien hebben de Drentse programma’s van de Regionale Omroep Noord (RON) en de latere Regionale Omroep Noord en Oost (RONO) grote invloed gehad binnen de Drentse samenleving.

Onder leiding van Tonny M. van der Veen werd in de pioniersjaren van de Drentse radio aandacht geschonken aan streekeigen cultuuruitingen, aan dialectpoëzie en dialectschetsen. Tientallen jaren was de stem van de dichter Hans Heyting (1918 – 1992) een vertrouwde klank in de Drentse huiskamers. Heyting was ook toeleveraar van talloze kostelijke humoristische teksten. Het bekendst waren zijn series ‘Schuppen is troef’ en ‘Bij de Scheerboas’. Mensen bleven thuis voor de radioschetsen van Max Douwes ‘Mans Tierelier löp met zien dweellocht deur Drenthe’. De serie liep tientallen jaren zonder aan populariteit in te boeten.

De dichter Gerard Nijenhuis, die onder het pseudoniem Harm Werners de ‘Drentse Dreumerijen’ leverde, heeft samen met Heyting veel gedaan aan de introductie van Drentse poëzie bij een breed publiek. Door de luisterdichtheid en de emotionele relatie van Drentse plattelandsbewoner met de uitzendingen kon het ‘Drents kwartier’ van de RON uitgroeien tot de meest populaire regionale zender in Nederland: Radio Drenthe.


Groeten uit Grollo

De Drentse cultuur kent zijn eigen schrijvers, dichters, schilders, toneelspelers, radiomakers en muzikanten. De vraag is natuurlijk wel hoe specifiek – Drents al dat ‘Drents eigene’ nu eigenlijk is. De regionale grenzen vervagen en Drenthe vernederlandst. Als we op zoek gaan naar wat dan precies dat uniek – Drentse is, blijft er weinig over. Laten we zeggen dat ‘Drents eigen’ is, wat men als ‘eigen’ ervaart.

De meeste culturele activiteiten in Drenthe komen niet meer voort uit een authentieke streekcultuur. Toch worden ze wel degelijk als ‘eigen’ ervaren. Neem de popmuziek: een cultuurvorm die niets met Drenthe – of zelfs met de Nederlandse traditie – te maken heeft, maar wel bijdraagt aan de beleving van de eigen regionale cultuur. Gespeeld door al dan niet regionale bands, al dan niet gezongen in de streektaal, heeft popmuziek een grote culturele en regionale waarde. Cuby and the Blizzards die Nederland halverwege de jaren zestig de groeten uit Grollo deden, waren immers óók een Drentse zaak …


Over 'Oude Helden, Jonge Meesters' van Beeldlijn


Info op woestenledig d.d. 22 Mei 2012

En dat is drie. Nadat stichting Beeldlijn eerder films maakte over kunstenaarsvereniging De Ploeg en over de Groninger kunst tussen 1945 en 1975 is er nu ook een over wat daarna gebeurde. In Oude Helden, Jonge Meesters staat de ontwikkeling van de noordelijke figuratieve kunst sinds 1970 centraal. De documentaire werd 15 mei gepresenteerd in het Drents Museum.

Met vooraf een venijnig woord van Beeldlijn-voorzitter Carla Alma, die de verplatting van de regionale televisie hekelde. Oude Helden, Jonge Meesters wordt niet op de regionale televisie vertoond omdat een documentaire buiten het gekozen format van nieuws en verstrooiing valt. Zowel RTV Noord als RTV Drenthe zou liever aandacht besteden aan paarden in de sloot en nieuwe pakjes voor de fanfare dan aan serieus cultureel erfgoed. Wat u onthouden wordt? Een interessante, informatieve film met archiefbeelden en recente interviews waarin is te zien waarom de figuratieve kunst prominent aanwezig is in het Noorden. Waarom zowel het Drents Museum als museum De Buitenplaats hun collecties er mee vullen. Welke rol galerie Wiek XX en vooral oprichter Hielke de Vries daarbij gespeeld heeft. En wat de impact is geweest van de zogeheten Fuji Art Association.

Dat laatste is lastig vast te stellen. De Association kwam niet voort uit de gedachte dat het tijd werd voor iets heel anders, zo blijkt. Het was geen beweging, zelfs geen stroming, maar een vriendenclub met wortels in café De Kale Jonker in Groningen, op kruipafstand van academie Minerva in Groningen. Gevormd door schilders van naam, aangevuld met de dichters C.O. Jellema, Jean Pierre Rawie en Fritzi ten Harmsen van der Beek. Regisseur Buddy Hermans voert in de film drie duiders op: museumconservator Harry Tupan, oud-criticus Friggo Visser en oud-criticus Erik Beenker. De eerste twee benadrukken het belang en de verdiensten van de figuratieven. De derde zorgt voor een tegengeluid en geeft lucht aan een teleurstelling: dat na de frisse wind van de jaren zestig de vooruitgang en vernieuwing in het Noorden toch weer de kop werden ingedrukt.

De ‘schuldigen' krijgen in Oude Helden, Jonge Meesters alle lof toegezwaaid. Het is met name aan nestor Evert Musch, de vastberaden Diederik Kraaijpoel en de onvolprezen Matthijs Röling te danken dat klassieke schilderopvattingen op Minerva in zwang bleven en in praktijk werden gebracht door kunstenaars als Wout Muller, Clary Mastenbroek, Ger Siks, Trudy Kramer en later Herman van Hoogdalem. Toen de tijdgeest wel vat kreeg op Minerva vond de schildersbent onderdak in Assen en vooral Eelde en werd later de Klassieke Academie van de grond getild. Met alle gevolgen vandien. Nog maar net bekomen van de Renaissance in het Noorden opende onlangs in het Drents Museum een tentoonstelling met werk van Röling, Muller, Mastenbroek, Kramer en vooral Siks. De Buitenplaats toont momenteel eindexamenwerk van de Klassieke Academie.

Dat niet iedereen gelukkig is met deze kolossale erfenis laat Hermans ook zien, dat is sterk aan Oude Helden, Jonge Meesters. Maar wat nu precies de bezwaren zijn van bijvoorbeeld Visser, Siks en Petri Leijdekkers blijft echter onduidelijk. Wellicht dat iemand over een paar jaar, in een volgende documentaire van Beeldlijn, het hoge woord over de inmiddels verstikkende werking van de figuratieven wel uitspreekt.


Oude Helden, Jonge Meesters' is als dvd te koop via via stichtingbeeldlijn In september volgt een vertoning op Cultura 24.






© 2006-2009 www.mijn-eigen-website.nl