In en om Assen





Ellert en Brammert


Bronvermelding:
'In het spoor van de Podagristen'; Uitgeverij Bronsema, Leek 1989. ISBN 90-70573-08-3



Het Ellertsveld


Versie Lesturgeon

Wanneer men van Zweeloo komt en het gehucht Wesup reeds verlaten heeft, vertoont zich onverwachts het ruime Ellertsveld. In de tijden van barbaarsheid, toen onrecht, moord en roof door geen wetten beperkt werden en de onschuld vruchteloos tot de rechter om hulp en wrake riep, toen leefden er op het wijduitgestrekte veld, thans bekend onder de naam van Ellertsveld, twee rovers, Ellert en Brammert genaamd. Hun onderaardse woning wordt nog heden ten dage aangewezen. Wanneer men van Zweeloo tot midden op het veld gaat, alwaar de grote postweg links zich naar Schoonloo 20 wendt, ligt er ten oosten tussen dezelve en de weg naar Borger , een dal, de Moordkuil geheten. Doodse zandheuvelen, waarop een enkele schrale den haar verdorde kruin verheft, maken dit oord nog akeliger en verschrikkelijker. Het schijnt dat hetzelve, boven anderen, met de vloek der onvruchtbaarheid bezwaard is.

Hier hielden zich de beide rovers op. Ellert had zijn zoon Brammert opgevoed, naar die grondbeginselen, volgens welke ook zijn zielsvermogens derzelver ontwikkeling erlangd hadden. De zoon wedijverde met de vader in boosheid en misdaad, en het was moeilijk te beslissen wie van hen de kroon des meesterschaps verdiende. Bloed tekende overal hun spoor; roof en plundering waren het doelwit waarnaar zij streefden en met een verschrikkelijke vermetelheid vielen zij niet alleen weerloze reizigers aan, maar waagden zij zich zelfs in de dorpen en gehuchten, en pleegden daar hun euveldaden. Menigmalen zag de nijvere veeman zijn duurgekochte runderen, paarden en schapen door de rovers wegvoeren, zonder dat hij het durfde wagen hun de buit te ontwringen; want hun onverschrokkenheid boezemde de dorpelingen allerwegen schrik en vrees in.

Een lijn die dwars over de weg gespannen tot in hun verblijf leidde en aan wier einde een schel bevestigd was, diende hun ten teken dat reizigers of zwaar beladen vrachtwagens hun hol voorbijkwamen. Dadelijk snelden zij naar buiten en de ongelukkige wandelaar moest, behalve zijn goederen, ook zijn leven de rovers ten beste geven. Wanneer men hier of elders van een moord, een brandstichting of inbraak hoorde, dan was het ook zeker, dat Ellert en Brammert de daders dier feiten waren. Het toneel hunner schanddaden was uren in de omtrek uitgebreid; zij ontzagen jaren noch kunne, en men mocht het als een gunst rekenen wanneer men, tot op het naakte lijf uitgeschud en aan koude en regen blootgesteld, het leven er niet bij inschoot.


Het hart der woestaards is onvermurwbaar

Op een ongelukkige dag, toen vader en zoon door de heide rondzwierven, bemerkten zij nabij het uitgestrekte Orvelterveen een jong meisje, op de akker harer ouders met enige arbeid zich onledig houdende. Dadelijk rees bij hen de gedachte op de onschuldige maagd te overrompelen, weg te voeren en als een heerlijke prooi in hun roofnest te brengen. Even spoedig als dit voornemen bij hen was opgekomen, even ras volgde de uitvoering. Men valt het meisje aan, dat tevergeefs de handen smekende tot hare beulen opheft, en door haar tranen hen tot medelijden poogt te bewegen. Geen weerstand baat. Het hart der woestaards is onvermurwbaar. Met een grijnzend lachen slepen zij de ongelukkige naar hun hol, alwaar zij haar een verblijf aanwijzen, voor het daglicht en de frisse lucht ontoegankelijk. Zo bracht zij zeven jaren als een rampzalige gevangene in het moordhol door. Zeven kinderen waren de vrucht dezer afschuwelijke gemeenschap; doch geen dier bastaarden mocht lange tijd de verschrikkelijke weldaden des levens genieten. Dadelijk na de geboorte werden de onnozele kleinen door de onmeedogende booswichten vermoord, en als aas voor raaf en gier op de heide geworpen.

Maar eindelijk zou er redding dagen voor de rampzalige vrouw. De verhalen dienaangaande lopen enigszins uiteen. Sommige verzekeren, dat de bewoners van het gehucht Orvelterveen gewapenderhand de moordenaars verdreven, en het meisje in triomf met zich gevoerd hebben; anderen willen dat zij zelve de jongste der schelmen omgebracht en vervolgens de vlucht genomen hebbe. Wat dit laatste betreft, men verhaalt daarvan het volgende. Wanneer de levensvoorraad der rovers opgeteerd was, of wanneer zij hun hart, dat bestendig naar bloed en moord hunkerde, aan de jammerkreten en doodstuipen van rampzalige gevangenen ter dege wilden ophalen, bleef er steeds een van beiden achter, ter bewaking van het meisje, dat gewis bij gunstige gelegenheid, geen poging onbeproefd zou laten, om aan haar slavernij te ontkomen. Brammert was door zijn vader belast naar buit uit te zien, terwijl hij zelf in het hol zou achterblijven.

Hij beveelt zijn bijzit, toen Brammert was uitgegaan, hem voor een groot vuur in haar schoot te koesteren. Weldra benevelt de slaap zijn oogleden en, terwijl hij in zijn wilde dromen verschrikkelijk grijnslacht en de schimmen der verslagenen voor zijn verbeelding zweven, grijpt de moedige vrouw het scherpe moordstaal en snijdt de slapende de strot af. Een overhaaste vlucht volgde op deze bloedige daad. Het gelukte haar juist de vaderlijke woning te bereiken, toen Brammert, die bij zijn terugkomst slechts het lijk zijns vaders vindende, haar dadelijk achtervolgd en bijna ingehaald had, haar een moordpriem of strijdbijl achterna wierp, die haar echter niet bereikte, maar in de deurstijl steken bleef. Hier neemt het verhaal een einde.


De moordkuil

Men voegt er alleen dit nog bij, dat de bewoners van het Orvelterveen, om in het vervolg voor de woede en de wraak van Brammert beveiligd te zijn, hun woningen tot op de grond gesloopt, hun landerijen verwoest en elders een meer geruste woonplaats gezocht hebben. En die plaats, waar men thans nog overblijfselen van huizen en bebouwde grond meent te vinden, is de plek waarop weleer Orvelterveen gestaan heeft. (En die zijn in déze eeuw ook werkelijk gevonden, red.)

Wanneer men in het uur van middernacht over de heide ging, dan zag men, nabij de zogenaamde Moordkuil, de bleke schimmen van Ellert en Brammert rondzweven. Hun handen rookten nog van het bloed hunner slachtoffers: akelig klonk hun gegil over de vlakte, totdat zij met de klokslag van énen zich aan het menselijk oog onttrokken. Het graf had hun een rustplaats geweigerd.


Bezoek hier het openluchtmuseum Ellert en Brammert






© 2006-2009 www.mijn-eigen-website.nl