In en om Assen





Terug in de bruine wereld van Emmer-Erfscheidenveen; - deel 1 -



'Oes Moeke bie het turfdieken met zwaade hannen 't lutje wicht doar de borst gaf en verdreugde'


Meent van der Sluit schreef in 1998 bij de inleiding van het boek o.a. het volgende:


Als kind maakte ik het harde, karige bestaan van de veenarbeiders van Emmer - Erfscheidenveen van nabij mee. Ik bezocht hun plaggenhut, stak zelf turf, stond in de veenput, bij de locomobiel, was bij het stoeken en loegen aanwezig, duwde de lorries, stapelde turf in de bult en ging mee op turftransport. Ik zag de veenbranden, de marechaussee met blanke sabel en de werkverschaffingsbusscn. Ik ken de veenarbeiders en hun kinderen uit school, politiek, kerk, buurthuiswerk en sport door en door en trouwde met een Emmer-Erfscheidenveense.

Het is heel triest dat door overheden betaalde en gesubsidieerde beroepshistorici sinds 1987 slechts nog over de 'De mythe van de veenarbeid' de ene na de andere publicatie doen verschijnen. Mijn vader, geboren te 1919, die de situatie van de veenarbeiders van het Emmer-Erfscheidenveen uit die tijd ook goed kan beoordelen liet zich onlangs ontvallen: "Deze hardwerkende mensen zaten in een voortdurende wurggreep, voor en na de oorlog." En toch zeiden en zeggen veel veenarbeiders dat zij de vrijheid in de open en eindeloze veenvelden juist als hun grootste goed ervoeren. Wie er over nadenkt zal beseffen dat dit slechts in schijnbare tegenstelling staat met de erbovenstaande zin.

Verder valt het ook altijd weer op dat er een kleine groep, zichzelf snel opwerkende veenarbeiders is die geneigd is vergoelijkend te praten over hetgeen hen vroeger is aangedaan. Ze hebben de misstanden soms helemaal niet zo erg ervaren en zeggen dat de arbeiders het deels aan zichzelf te danken hebben. Maar deze groep vormt altijd een minderheid. van Imke Klaver, Sietse van der Hoek en Harmcn van Houten laten in hun verschenen boeken zien dat de hardwerkende veenbevolking uit eigen kracht heeft getracht een lotsverbetering te bewerkstelligen. Een eigen cultuur opbouwde. Geholpen werd, als het niet meer ging, door zich kapot werkende sociale voormannen, genegeerde evangelisten en dag en nacht op pad zijnde opbouwwerksters

In 1978 had ik het manuscript van het boek voor het eerst klaar. Gedurende de periode 1979-1982 is het manuscript door een vijftal uitgevers geweigerd. Vervolgens hebben Ger Harmsen en Prof. H.J. Prakke het gelezen en van aantekeningen voorzien. Uit de mondelinge toelichting van Prakke in augustus 1984 begreep ik dat ik in dit boek te precies heb uitgelegd wie de profiteurs waren van de uitgebuite veenarbeiders. Het boek zou het karakter hebben van een 'politiek wespennest', aldus Prakke. Een problematiek die de hierboven vermelde elitaire 'mythe historici' dus nooit zullen ontdekken en beschrijven. Zij willen het in hun ogen 'negatieve beeld van de veenarbeider' zogenaamd 'bestrijden of nuanceren' en doen daarmee tegelijkertijd grote groepen mensen onrecht aan.


In 2000 voegde Meent van der Sluis, als voorwoord bij de tweede druk van het boek, o.a. het volgende toe:


De eerste druk is zeer goed ontvangen en was reeds voor de presentatie van het boek uitverkocht. Honderden oudveenarbeiders liepen met het boek onder de arm het dorpshuis De Stobbe uit. Ook in de maanden en jaren daarna kwamen er alleen positieve reacties uit Emmer-Erfscheidenveen. Tevens is dit een aanmoediging voor mij waaruit blijkt dat ik met mijn interpretatie van de armoede in de veenstreken van destijds op de goede weg zit. Het gaat er uiteindelijk om dat dit bock een herkenbare geschiedschrijving is voor de veenarbeiders die het allemaal zelf hebben meegemaakt, zodat hun kinderen en kleinkinderen er verantwoord kennis van kunnen nemen. We zijn uitgever Kees F.Boon dankbaar dat hij een tweede druk heeft aangedurfd, ondanks het feit dat het niet gelukt is bij de Provincie Drenthe subsidie te krijgen.

Bovenstaand voorwoord heeft Meent nog net kunnen schrijven voordat zijn tijd voltooid was. Meent van der Sluis (1944) overleed onverwachts op 13 juli 2000.


De laatste plaggenhut op het hoogveen


Deze plaggenhut stond aan de Eerste Groene Dijk en werd bewoond door Willem Zandbergen en Volkert "Dreistok" Van der Sluis. Bron: Panorama, 21 november 1947.


Hebt u zo'n plaggenhut nog gekend? Hebt u wel eens gepraat met de bewoners? En hebt u de onhygiënische omstandigheden aan den lijve ondervonden, de rookwalm, de stank, het ongedierte, de kou, het vocht en de schemerduisternis van zo'n hol? In het voorjaar van 1949 zocht ik met mijn ouders deze mensen op in de laatste authentieke plaggenhut van Nederland, op het hoogveen met muren van zoden, een dak van stro en andere rommel, een houten gevel met een stenen schoorsteenkolom als brandmuur. Deze plaggenhut stond aan de Eerste Groene Dijk. Ik maakte kennis met de plaggenhutbewoners: Willem Zandbergen (1889-1965) en Volkert "Dreistok" van der Sluis (1873-1954); "Dreistok" was een bijnaam omdat laatstgenoemde niet meer dan drie stok turf kon graven. Beiden waren oud-veenarbeiders en nakomelingen van veenarbeiderfamilies uit de Kop van Overijssel. Er zijn vele verhalen over hen te vertellen. Willem was dienstweigeraar en non-conformist in hart en nieren; schreeuwde gedurende de oorlog voortdurend "Sieg Heil" over het veen, maar hielp ondertussen in zijn kleine hut vier joden de oorlog door!

Toen de Nederlandse politie na de oorlog nieuwe uniformen kreeg sprong Willem voor hen in de houding en riep terwijl hij de Hitlergroet bracht, "Sieg Heil." Omstanders zeiden toen: "Willem, je bent in de war, dit zijn Nederlandse agenten; de oorlog is al voorbij." De verbouwereerde Willem: "Dan hebben ze de pakkies en petten aardig afgekeken van de Duitsers!" Willem en Volkert waren mensen die het liefst niet gestoord wilden worden, ze waren tevreden en wilden het liefst in hun hut blijven wonen; door de oprukkende turfgraverij moesten zij echter in de zomer van 1949 verhuizen. Met het opruimen van deze laatste authentieke plaggen hut waren geenszins alle krotten verdwenen. Plaggenhutten, waarvan de zodenmuren door stenen muren vervangen waren, de zo geheten versteende plaggenhutten, voorzien met daken van riet, asfalt of golfplaat, hebben in elk geval tot in de jaren tachtig bestaan.

Ik bezocht er twee op De Tike in Friesland, daarna één te Vledderveen en één te Smilde. Jan Otter heeft voor het boek van Tralbaut over "Vincent van Gogh in Drenthe" de versteende plaggenhut van Janke Bakker-Hof op het "Pikveld" te Barger-Erfscheidenveen gefotografeerd ; deze hut is in 1960 afgebroken. De plaggenhutten die wij nu nog kunnen bekijken te Barger-Compas in het Vecemuseum, Schoonoord - Openluchtmuseum, Nieuw Roden (voorloper: Zuursche Duinen), Harkema-Opeinde en te Arnhem in het Openluchtmuseum geven eigenlijk niet meer weer wat er aan de hand was. Die te Schoonoord zijn met te veel en te mooi hout betimmerd, die van Barger-Compas hebben te mooie ramen, die van Nieuw-Roden heeft prachtig behang, de spitkeet van Harkema lijkt weinig op zijn authentieke fragiele voorganger en die te Arnhem moet van tijd tot tijd geheel vernieuwd worden, omdat de oorspronkelijke hut die men overgeplaatst had natuurlijk uit weinig duurzaam materiaal was opgebouwd.

Voor mijn gevoel komt deze hut van het Openluchtmuseum te Arnhem nog het meest overeen met de herinneringen aan vroeger en de gevoelssfeer van destijds. Alhoewel de foto van de hut te Tange met de bewoners familie L. v.d. Sluis ervoor, die dus vóór de overplaatsing naar Arnhem in 1912 genomen moet zijn, laat zien dat deze er toen heel wat bouwvalliger uitzag


Interieur van de plaggenhut


Willem Zandbergen (links) en Volkert van der Sluis (rechts). Bron: Panorama, 21 november 1947.


Via Emmerschans kwamen we op het hoogveen aan de Eerste Groene Dijk. We zetten de fiets onder de bomen en liepen het smalle paadje tot vlak bij de hut. Ik had nog nooit zoiets gezien: een grauwe kleurloze tegen de grond gedrukte hut te midden van de nog niet bloeiende heide. Het dak kwam aan de grond toe. De deur stond open. Binnen was het aardedonker; je moest er aan wennen als je van buiten kwam. Op een stoel ontwaarde ik een oude man. Dat was Volkert van der Sluis. Ik herinner me hem het best omdat we erover spraken dat we dezelfde achternaam hadden. Vanaf de zolder laag naar beneden hing de lichtloze petroleumlamp. Tot zover mijn herinneringen uit het voorjaar van 1949. Op de foto uit 1947 zien we Volkert rechts zitten. Links zit Willem. Hij was imker en maakte de korven zelf. Er was nog veel heide op het hoogveen in die tijd. Deze mannen waren tevreden met hun dieren; schapen, geiten, kippen, bijen, honden en katten. Liefst wilden ze een eigen kerkhofje bij hun hut. Willem had hier sinds 1918 gewoond. Maar door de oprukkende turfgraverij werd de hut in de zomer van 1949 afgebroken; de beide mannen bouwden daarna zelf een stenen huisje aan de Fortweg bij de vuilnisbelt te Emmerschans.

Toen Harm de Vries Willem Zandbergen opzocht in zijn plaggenhut om kuikens van hem te kopen stond de po op tafel en onder de tafel waren kippen achter gaas dat om de tafelpoten heen zat. We zien op de foto dat men een kolomkachel rijk is, vroeger had men ook vaak een open stookplaats in de hut, en dat het dak beschoten is. Aan de zolder hangen zakjes kruiden te drogen. Willem Zandbergen leefde dicht bij de natuur. Hij schoor zich niet. Op een dag kwam hij 's morgens echter toch geschoren naar buiten. Mensen waren daarover verwonderd. Dezelfde dag is hij toen overleden...


Krotwoningen achter de Emmer Dennen


De krottenwereld op het grensgebied van Emmerschans en Emmer-Erfscheidenveen.


Houten woonketen met asfalt op het dak getimmerd, boeten, bieden weinig meer wooncomfort dan plaggenhutten. Men heeft er soms iets meer ruimte, iets meer licht en men kan iets rechter op staan. Ik ken mensen in Nederland die er nu nog in wonen. En dan bedoel ik niet de caravans en zomerhuisjes van Ermelo, waarin gastarbeiders opgeslagen worden, maar de houten keten die hier en daar nog in het Noorden staan. Op deze ansichtkaart van vóór 1937 zien we iets van de krottenwereld op het grensgebied van Emmerschans en Emmer-Erfscheidenveen. De plaggenhut van Willem Zandbergen was een van de laatste van de 80 plaggenhutten, die hier ca. 1920 stonden. Dit getal 80 wordt genoemd door wethouder R. Zegering Hadders. Volgens Harm Feunekes waren de plaggenhutten er al in 1911 en werd deze streek 'Klein Rusland' genoemd. Rusland werd in die tijd geassocieerd met het einde der wereld.

Velen in Emmerschans zijn Rooms-Katholiek hetgeen op een Duitse afkomst kan wijzen, de streek over de grens richting Meppen is overwegend Rooms Katholiek. Velen zijn ook met de oprukkende veenontginningen vanuit Stadskanaal en de Drentse Monden naar deze streken afgezakt. Onder deze bevolking bevond zich het uitschot van de veenarbeidcrsbcvolking. As er veel werk was in het veen kon men werk krijgen; voor de rest van het jaar moest men scharrelen; deze bevolking was een bron van onrust, ook ten overstaan van de veenarbeiders die min of meer vast aan een veenbaas zaten en zich misschien enigszins konden opwerken. Werkeloosheid was troef. Zuidoost-Drenthe werd in 1920 door de dalende turfprijzen en het opraken van het veen een fuik voor het met de veenafgraving meegaande veenarbeidersproletariaat.

Behalve te Emmerschans ontstonden volgende plaggenhuttenconcentraties: Oude en Nieuwe Schutting te Roswinkelerveen, Barger-Oosterveld, 'Pikveld' op Barger-Erfscheidenveen, 'BloemendaaP in Nieuw-Dordrecht, Nieuw-Ansterdam-Veenoord en op de Dennenakker van Amsterdamscheveld. Deze huttenkolonies waren globaal gezien langs de Hondsrugrand en haar uitlopers gegroepeerd. Dan had je nog in het gebied langs de Duitse grens een aantal huttenconcentraties zoals Barger-Compascuum, richting Emmer-Compas, en Zwartemeer, de Kamerlingswijk, die vanwege de late vervening het langst hebben voortbestaan. Waarom zijn ze niet op elke kaart en in elk geschiedenisboekje te vinden? Gelukkig laat deze foto met opschrift geen twijfel over het bestaan ervan.

Al met al begint het er somber uit te zien voor de grote aardrijkskundige Roelof Schuiling, die deze streken in augustus 1915 bezocht per fiets en het volgende opmerkt: "Weldra zijn we het aardige bosch (Emmerdenncn) door en zien we de oostelijkste heuvels van den Hondsrug voor ons; aan den kant van den weg liggen hopen granieten, gneisen en vuursteenen, alle zuiver Scandinavisch; de steenroders hebben ze naar boven gewerkt. Van den heuvelrand dalen we daarna het vlakke, eindeloze moeras in..." Wel oog voor steentjes dus, maar plaggenhutten ziet hij niet of vindt hij te onbelangrijk om erover te schrijven.

Over de grote veenbrand van mei 1917 schrijft hij: "Behalve een zestiental menschen en tal van hutten en huizen zijn er op zijn minst een 3000 dagwerk turf verbrand, juist in dezen kritieken tijd van brandstoffcnnoöd een verlies van betekenis. Dat H.M. de Koningin en de Prinsgemaal ogenblikkelijk toesnelden, om op het geteisterde terrein de hand ter leniging uit te strekken, heeft in den uithoek van Drenthe een weldadigen indruk gemaakt. De turf is blijkbaar belangrijker dan de mensenlevens en de hutten, die er dus toch blijken te zijn in deze uithoek van Drenthe. Koningin Wilhelmina en Prins Hendrik namen zes grote kisten met kleren en beddegoed mee. Kunt u zich er een voorstelling van maken, hoe deze vaak kinderrijke gezinnen hier woonden?

De krotten waren er ondanks de Woningwet van 1901. Kinderen moesten werken in het veen ondanks de Kinderwet van Van Houten uit 1874, deze wet was namelijk onder anderen niet van toepassing op veldarbeid; ze verzuimden school ondanks de Leerplichtwet uit 1900. De mensen die het beter hadden zeiden en zeggen nog altijd: "Deze hutbewoners wilden niet anders, ze waren niet zuinig, ze verzopen alles, ze waren misdadig, (...)". Oude mensen als Willem en Volkert is het niet kwalijk te nemen dat ze niet meer van hun plekje wilden, maar zouden de 80 gezinnen uit 1920 ook niet weg gewild hebben?


Dubbele bovenveenwoning


'Huussies op't Hoge'. Een dubbele bovenveenwoning. De familie B., die in het linker gedeelte woonde, is weggetrokken; hun buren nog niet.


Hier woonden onze overburen. We gingen niet met ze om, omdat Kanaal A tussen hen en ons in lag. Het was een van de vele bovenveenwoningen of 'huussies op't hoge', zoals ze in de volksmond genoemd werden. Rondom zo'n huis was het veen weggegraven en het huisje stond dan op een veenbult van een 3 a 4 meter hoog, welke niet veel groter was dan het huisje zelf. Deze veenbult droogde in zodat het huisje bouwvallig werd en ging instorten. In de Emmer Courant van vrijdag 19 augustus 1949 wordt zo'n instorting te Emmer-Erfscheidenveen beschreven, waarbij huisraad beschadigd werd, regen en wind vrije toegang hadden en kinderen om gezondheidsredenen geëvacueerd moesten worden. Er zijn in februari 1952 nog 520 keten en krotten, voornamelijk op het bovenvecn in de gemeente Emmcn. Volgens plan moesten deze uiterlijk in 1954 afgebroken zijn, omdat ze de ontwikkeling van landbouw en vervening in de weg stonden.

Het was niet zo gemakkelijk in die tijd van woningnood voor de sociaal zwakkeren om een ander huis te krijgen. De paar noodwoningen aan Kanaal B en Domino-woningen die in 1949 gebouwd werden losten niets op; sommigen gingen naar de nieuwe Muis en De Winterwoningen in Emmer-Compascuum. Het enige vooroorlogse volkswoningbouw-complexje 'de Gruinten' te Emmer-Erfscheidenveen (1921) lag op de grens met Emmer-Compas en had geen soulaas geboden. Ik zie nog voor me hoe vrouw B., een meesters vrouw werd juffrouw en een domineesvrouw of doktersvrouw werd mevrouw genoemd, door weer en wind en snijdende koude naar de w.c. ging, een hokje aan de afgrond van de veenbult. Dat was gewoon; verreweg de meesten hadden hun w.c. o f'huussie' zoals ze dat noemden op een pas of tien achter hun woning staan. De huizen, ook op de dalgrond, hadden geen elektriciteit, gas, water, en riolering. Sommigen hadden een beerput, een ophaaldienst was er niet.

Zo kwam er regelmatig een veenarbeidersvrouw vanaf Kanaal B met emmers leidingwater halen van ons huis aan Kanaal A; een afstand van 200 meter.Op boomplantdag, zo schreef de Emmer Courant van 15 en 17 december 1947, werden door de schooljeugd boompjes langs Kanaal A geplant. De boompjes zaten met een canvasband vast aan een paaltje. Er werd een naamkaartje van het kind, dat de betreffende boom geplant had, aangehecht en we moesten er op toe zien dat het boompje niets overkwam. Tijdens een hevige storm raakte mijn boom los. Ik verving de gescheurde band direct door een wit vezelig lint. De dochter van de familie B. tegenover op het hoge, die verstandelijk zwak was, droeg het lint korte tijd later in heur haar. Zwakbegaafdheid en debiliteit kwam naar verhouding helaas veelvuldig voor onder de veenarbeiderskinderen.


Het laatste 'Huussie op 't Hoge'


Op de foto het laatste huis op het hoge van Emmer-Erfscheidenveen, met de laatste bewoners: familie Moes, tot ca. 1965, wit opgeverfd en onlangs opgeknapt ten behoeve van het eeuwfeest van Emmer-Compascuum (1979)


Achter ons hadden we nieuwe buren gekregen in bovenveenwoning. Het waren 'Kattelieken', zoals dat in de volksmond heet, met veel kinderen, wel zes of meer. Er werd verteld dat het kinderrijkste gezin te Emmer-Erfscheidenveen 22 kinderen van dezelfde moeder rijk was. Het huisje was één van de vele êênkamerhuisjes met een kleine schuurruimte achterin. De kinderen sliepen als regel met zijn drieën in één bedstee. Ik heb ook wel eens in zo'n bedstee geslapen; voor een keer is dat wel leuk. Maar als kinderen ouder worden, werd dat wel een bezwaar. Intussen zaten wij met z'n allen in de donkere kamer met het licht van de twee raampjes aan de voorkant. Vader werkte in het veen en moeder was die middag naar de markt in Emmen, zij zou wat lekkers(!) meenemen. Daar was het wachten op. De oudere kinderen pasten op de jongere.

Ook bij Kees Drent kwam ik wel te spelen in zijn huis op het hoge en ik kende meer van deze typische huizen. De meeste waren gelegen aan de noordkant van de dreef tussen Kanaal A en Kanaal B. Vroeger liep daar een stenen voet- en fietspad voor de huizen langs op het hoogveen . En er was een zwetsloot, een dreef, waar wij salamanders en kikkers vingen. Op de foto zien we zo'n huis, het laatste van Emmer-Erfscheidenvecn, met de laatste bewoners: familie Moes, tot ca. 1965, wit opgeverfd en onlangs opgeknapt ten behoeve van het eeuwfeest van Emmer-Compascuum waar Emmer-Erfscheidenveen dapper aan mee deed (1979). Het is nu blijvend een museum geworden. Het bouwmateriaal moest destijds over het voetpad aangevoerd worden. Later toen de huisjes langs Kanaal A op het hoogveen gebouwd werden, kon dat per boot gebeuren. Met drie of vier man stond het huisje er in ruim een week. Eerst werden er posten in het vierkant gelegd en daarop kwamen de halfsteensmuren te staan. Beide kanten moesten tegelijk opgemetseld worden, omdat anders één van tweeën weg zou zakken.

Voor een iets grotere woning werden houten palen tot op het oerzand geheid, maar dat was een grote uitzondering, zoals bijvoorbeeld de woning van evangelist De Wcerd op het bovenveen te Klazienaveen-Noord. Op Berkenrode, Barger-Compascuum, staan ook nog twee kleine bovenveenwoningen, waarvan de één tweede woning; de andere wordt nog bewoond door de familie Arling. Op de voorgrond van de foto, door schrijver dezes in april 1975 genomen, zien we 'Siebring zien loane'; een laan die Kanaal A en B verbindt, zoals deze op regelmatige afstand van elkaar aangelegd waren. De lanen werden genoemd naar degene die bij de ingang van de laan aan Kanaal A woonde, in dit geval dus de familie Siebring. Soms bevond zich een waterlossing met duikers of een verbindingskanaal (doorsnee) naast zo'n laan.


Eenkamerwoning op de dalgrond


Het laatste huisje aan de stille kant (land's kant) van Kanaal A.


Het laatste huisje aan de stille kant (land's kant) van Kanaal A. Hier kwamen we aan toe met Sint-Maarten lopen. Dit gebruik duidt op de onmiskenbare Groningse invloed, welke ook in het dialect de boventoon voert. Dit huisje is feitelijk ook een éénkamerhuisje, maar staat op de dalgrond. Vaak werden er met hout en asfalt betimmerde schuurtjes achter tegenaan gebouwd, waarvan de vloer met rode bakstenen op de platte kant belegd werd. Deze schuurtjes hadden de functie van berg- en washok en keuken. Veel ook werden deze huizen dubbel uitgevoerd met voor en achter een aparte ingang voor elk gezin. Zo kende ik een gezin dat achter woonde en waarvan de vrijgezelle oom vóór woonde, of in een ander geval, waar de inmiddels getrouwde oudste dochter plus man en kinderen voorin woonden.

Schuin tegenover ons, aan de andere kant van Kanaal A, woonde in zo'n huisje een gezin met kinderen voorin en achterin woonde een debiele vrouw van ruim veertig jaar samen met een jongeman van de helft van haar leeftijd. De rooie trui die zij altijd aan had, was zodanig versleten dat een van haar dikke borsten er altijd uithing, weliswaar gedeeltelijk door grauw ondergoed bedekt.


Dubbele veenarbeiderswoning op de dalgrond


Links woont Harm Feunekes, rechts zijn dochter met haar gezin. De woning op de foto is gemoderniseerd.


Links woont Harm Feunekes (1901-1991), rechts zijn dochter met haar gezin. Sinds 1936 woont hij in dit huis; in 1911 is hij in Emmer-Erfscheidenveen komen wonen. "Zesendertig jaar achter de machine (persturfmachine) gestaan," zegt hij simpel weg, "in de veenderijen bij de Groene Dijk achter mijn huis." Zegt u dat wat, zo'n simpele uitspraak? Op de demonstratiedagen in het Vcenmuseum krijgt u een veel te geringe indruk van dit werk. Lange dagen werden gemaakt. Ik ben hier vaak thuis geweest; altijd even hartelijk ontvangen. De draai voor het huis is vervangen door een dam, sinds er geen turfschepen meer doorkomen (1954). Beter dan dempen, nu kan er nog gevist worden en is de ruimtelijke aanblik niet vernield. Als we een schip van 70 ton zagen dan vonden we dat een grote. Behalve het halen van turf en later van akkerbouw producten, brachten de schepen zand, bouwmaterialen en compost; dit laatste uit Den Haag, zei men.

We vonden van alles in de grauwe compostbulten, maar onze moeders waren er minder blij mee als ze de kleren roken. Grijze boten, baggermachinebotcn kwamen om de zoveel tijd de kanalen en wijken op diepte houden; soms veel te diep wat betreft de wijken, 4 a 5 meter beneden peil. Zoals zoveel veenarbeiderswoningen in Emmer-Erfscheidenveen is de woning op de foto gemoderniseerd. Grote ramen geven het nodige licht. Bij een schoolvriend, van geloof baptist, die in zo'n, inmiddels afgebroken, dubbele veen-arbeiderswoning woonde, konden we alleen vlak bij het voorraam lezen, 's Zaterdagmiddags konden we de kamer niet uit, omdat zijn zusje in het aangebouwde schuurtje de wekelijkse wasbeurt kreeg.

Door de week konden we nooit binnen spelen omdat de oudere broer, die op de ambachtsschool zat, leren moest. De gemeente Emmen heeft jarenlang het hoogste pecentage éénkamerwoningen gehad van Nederland. Veel van deze woningen zijn afgebroken, vooral aan Kanaal B, gemoderniseerd of verdrongen door grote burgerhuizen die dichter op de weg gebouwd werden.


Bronvermelding:

'Terug in de Bruine Wereld van Emmer-Erfscheidenveen 1898 - 1948 - 1998' door Dr. Meent W. van der Sluis., 2002 Boon uitgeverij Groningen. ISBN 90 75913 14 1.



Naar boven



© 2006-2009 www.mijn-eigen-website.nl