In en om Assen





Terug in de bruine wereld van Emmer-Erfscheidenveen; - deel 2 -



Kanaalgraversploeg te Emmer-Erfscheidenveen / Emmer-Compascuum in 1903; met de kleinere zandstek werd de gegraven modder doorgegeven aan de hogerop staande wijkgraver met de grotere haakschop.


"Wild en woest en ledig lag het ruwe veen."
"Ziet, daar nad'ren mannen met een ijz'ren wil."

(Emmer Courant vrijdag 27 augustus 1937)


De opzichter van het veenschap

Deze versregels van A. Winkler Prins slaan op 'Een pionier in de venen' zoals Jenne Holman (1872-1949) genoemd wordt bij zijn afscheid als opzichter van het Veenschap 'Het Emmer Erfscheidenveen'.

Behalve de watervijand was er het vuur, de roode haan, dat bestreden werd door Jenne Holman en zijn werkers. De grootste brand van 1917 zette het gehele veengebied van Valthermond tot Emmerschans in vlam. Sietse van der Hoek ('hopend op een vrijer leven', 1978, p.56) suggereert een verband tussen de werkstaking, het bericht van de Russische revolutie en deze enorme veenbrand. Oorzaak: de verboden koffievuurtjes; de vuurspetters uit de locomobielen of, er waren zes brandhaarden, aangestoken? Gevolgen: 16 doden, 88 woningen verteerden waardoor 130 gezinnen dakloos werden, 2000 ha. veengrond verbrand en 3000 dagwerk turf en baggel gingen in vlammen op.

De lokale brandweer onder leiding van Jenne Holman met gebrekkig materieel, de stoombrandspuit uit Den Haag en een paar honderd soldaten uit Assen bestreden de vuurstormen of vuurwalsen, die te vergelijken zijn met de werking van napalm, doordat het vuur tot op twee meter diepte in de veengrond doorsmeult (deze laag is ook ontwaterd t.b.v. de turfproduktie) en bovengronds plotseling in vuurstralen vooruitschiet. De veenbrand die van 21 tot 29 mei duurde werd uiteindelijk door natuurlijke oorzaak gedoofd doordat de van oost naar west gedraaide wind regen bracht en het vuur dood liep tegen de Hondsrug.

BA. Kwast (1919, p.38) geeft een kaartje van deze veenbrand. Herinnert u zich ook de veenbranden? De hele hemel boven de veenrand was zwart en 's nachts stond de hele horizon in lichterlaaie. In het dorp werd gefluisterd: "Dei en deie heft doan." Namen werden genoemd van degene waarvan vermoed werd dat hij de veenbrand aangestoken had en van de veenbaas om wiens plaats het ging. In tijden van weinig vraag naar turf raakten de veenbazen op deze wijze door de brand uit de brand en de veenarbeiders bleven werk houden. Er werd beweerd dat de veenbazen het lieten aansteken om de verzekeringsuitkering te innen.


"...de veenbodem gaat een weinig golvende met ons op en neer..."

In het jaar 1900 trokken Holman en zijn arbeiders verder het zand op, over de Hondsrug en dwars door de Emmerdennen, kappend en gravend tot aan de plaats, waar de marechausseekazerne staat. Over deze weg konden dan ook de bestuurders van het veenschap, die in Emmen woonden, naar Emmer-Erfscheidenveen wandelen. Op 600 meter vanaf de Hondsrug kwam het eerste café aan de Veenweg (café Fokkema). In 1907 werd op deze Veenweg een stenen voetpad aangebracht. De geograaf Roelof Schuiling fietst er in augustus 1915 overheen en beschrijft het als volgt:

"Van den heuvelrand dalen we daarna het vlakke, eindeloze moeras in, dat vroeger bijna nooit werd betreden, maar waardoor thans een aardig stenen fietspad ligt. Op het rauwe veen, tusschen een paar sloten, die de bovenlaag wat ontwateren, heeft men een pad van vlakke bakstenen gelegd, dat geen zware vrachten kan dragen, maar waarover de fiets zonder gevaar voortrolt, al gaat in de vochtige gedeelten ook de veenbodem een weinig golvende met ons op en neer." Langs de zandweg van Kanaal A was ondertussen eveneens een stenen voetpad tot stand gekomen; de zandweg ernaast werd in de loop van de jaren twintig bestraat door de wegenbouwer H.L. Boonstra, gereed in 1930.

In de Emmer Courant van vrijdag 10 juni 1949 lezen we: "Bijna het gehele ontstaan van de plaats onzer inwoning, (Emmer-Erfscheidenveen) heeft de heer H. (Holman) medegemaakt. Onder zijn toezicht zijn gegraven de kanalen de Runde, Kanaal C, Kanalen A en B, Middenweg tot aan Klazienaveen Nrd, idem het Verlengde Scholtenskanaal en Groenedijkkanaal, om van de verschillende plaatswijken maar te zwijgen." Jenne Holman was verder betrokken bij de bouw en organisatie van de zes kerken en de zes scholen (de eerste openbare in 1906) van Emmer-Erfscheidenveen.

Van de kanalen die gegraven werden, had vooral het Verlengde Scholtenskanaal (genoemd naar de Groninger grootindustrieel Willem Albert Scholten, die grote belangen in Zuidoost-Drenthe had) strategische waarde omdat dit kanaal de Verlengde Hoogeveenschevaart en het Stadskanaal in 1906 met elkaar verbond. Dus de eerste doorbraak door het veencomplex en de aansluiting van de Groninger en Drentse kanaalsystemen.


Evangelist H.J. Nijland staat op de weg te kijken naar het vervoer van de locomobiel; onder het grote aandrijfwiel zit Jenne (Alberts) Holman (met de pet schuin op). Het buurthuis is in aanbouw (herfst 1926)


De kanaalgravers hielden zich op de been met Kartoffelnschnaps

Maar nu de keerzijde van de medaille van het kanaalgraverswerk. Herman Visser wiens grootvader Roelof Santing dc voorganger van Jcnne Holman was en onder wiens leiding in de jaren na 1877 de kanalen, wijken en wegen te Emmer-Compascuum aangelegd werden, beschrijft iets van de ellende van het kanaalgraversbestaan "Het kanaalgraven gebeurde meestal in het najaar, na gedane arbeid in het veen. Graven was een zwaar en ondankbaar werk, want er werd nog minder verdiend dan in het veen. Aten zij tijdens het veenwerk nog groene gekookte bonen als beleg tussen hun brood, dat was er bij het wijkgravcn maar amper bij." Dat dit zelfs nog een te rooskleurig beeld is blijkt uit de tientallen interviews met bejaarden, die ik zelf gehouden heb onder de alleroudste grondwerkers en veenarbeiders.

. Vaak at men slechts drie maal aardappelen daags en dan nog aardappelen die na het rooien op het land bleven liggen; het aardappelnat diende als jus en groente was er niet, laat staan vlees of spek. 's Winters had men vaak geen aardappelen en moest men stelen. Dit was het werkelijke eten van de werkers in de plaggenhuttenkolonies. Het Veenschap plande met opzet de kanalengraverij alleen in het najaar en de winter, omdat men dan lagere lonen kon uitbetalen, daar er immers geen concurrerende werkgelegenheid was. De kanaalgravers stonden zelfs bij winterdag op blote voeten in het ijskoude water omdat men geen laarzen kon betalen. Men hield zich op de been met gesmokkelde minderwaardige jenever (Kartoffelnschnaps).

Ondanks het verbod op clandestien stoken maakte men dit brouwsel ook zelf. Men zegt dat de veenkoloniale distilleerderijen hier hun bestaan aan te danken hebben. Sinds 1901 werd er door een algemeen contract op toegewerkt minder te drinken en de dagverdienste te verhogen tot f 1.40 a f 1.50. Als er vijftig meter van een nieuwe wijk gegraven was, moest de dam aan het begin doorgestoken worden, zogenaamd damsteken. Een bijzonder link karwei, omdat de kracht van het water de arbeiders op de dam wel eens meesleurde. Volgens Jenne Holman werd er bij het kanaalgraven gewerkt volgens het recept: "Elke dag een draadje, maakt een hemdsmouw in het jaar."


Een vriendelijke reus van een veenopzichter

Maar Jenne Holman zelf zal het beste geweten hebben, dat de in het plan van aanleg voorgeschreven spoed van 400 meter per jaar voor hoofdwijken en 200 meter voor neven- en plaatswijken, veelal niet of nauwelijks haalbaar was. Voor alleen al één wijk was een 'splitting' in het veen nodig van 15 a 20 meter breedte ter weerszijden uit de as; daarvoor was een tijd van 4 a 5 jaren van vervening nodig. Dat de romantiek ten aanzien van het wijkgraven reeds 30 jaar geleden toegeslagen had, blijkt uit de Emmer Courant van vrijdag 10 september 1948, toen het 50 jarig bestaan van Emmer-Erfscheidenveen gevierd werd.

Er waren veel versierde wagens die een beeld gaven van de 'goeie oude tijd' o.a. een wagen met wijkgravers, die allen individueel in de jaren 1891, 1900 en later, in onze plaats de eerste wijken en kanalen meegroeven. In hun midden bevond zich de gepensioneerde opzichter uit die tijd de heer J. Holman. Eén der jongens kreeg toen de brits omdat hij tegen het wijkgraversgilde had gezondigd. Er werd, zoals vroeger gebruikelijk was, een flink seupie bij gebruikt.

Toen Jenne Holman in februari 1899 zijn opzichtersbaan begon, die 38 jaar van zijn leven zou vergen, was hij tevens onbezoldigd veldwachter, met mes en veldkijker gewapend ging hij het veen in. Hij was nog slechts 26 jaar en was afkomstig uit Nieuw-Weerdinge, geboren 1872 te Leek. Hij was één van de jonge arbeiders 'met een goede kop', die uiteindelijk toch langs individuele weg hogerop kwam. Hij maakte in 1890 de befaamde veenstakingen in Weerdingermond mee, waarbij hij volgens zijn oudste schoondochter voorop liep in de protestoptochten. 'Jenne', zoals hij gewoon genoemd werd door de arbeiders, zo werd hij bij zijn ontmoeting met de 'Domeneer van Turfland' W. de Weerd in januari 1904, door deze gekarakteriseerd als: "Een vriendelijke reus van een veenopzichter."


Bronvermelding:

'Terug in de Bruine Wereld van Emmer-Erfscheidenveen 1898 - 1948 - 1998' door Dr. Meent W. van der Sluis., 2002 Boon uitgeverij Groningen. ISBN 90 75913 14 1.





© 2006-2009 www.mijn-eigen-website.nl