In en om Assen



Opgravingen op het galgenveld in Assen


Bronvermelding:
Deze pagina bevat een kort uittreksel uit één van de vele hoofdstukken van het zeer boeiende boekwerk ‘Over galg en rad – executieplaatsen in Drenthe’, van Wijnand van der Sanden en Henk Luning (te bestellen onder ISBN 978-90-400-8575-8)


Zicht op de Kloekhorststraat eind jaren vijfig. We kijken in de richting van de Paul Kugerstraat. De woonwagens en de lage huisjes staan op de plek waar eens het galgenveld heeft gelegen.


Wie wilde er nou op een executieplaats wonen?

Op de hoek van de Groningerstraat en de Kloekhorststraat in Assen staat sinds kort een vijf verdieping tellend appartementencomplex dat de naam “De Hoge Horst” draagt. Het gebouw is dominant aanwezig en heeft een enigszins Duitse uitstraling. Dat laatste wordt wellicht opgeroepen door de deels gepleisterde gevel en het grote aantal hoge en smalle vensters. Niets duidt erop dat dit de plek is die op de in 1809 door P.A.C. Buwama Aardenburg vervaardigde plattegrond van de stad Assen aangegeven staat als ‘Geregtsplaats’. De kaart toont een terrein dat ver buiten de bebouwing ligt, temidden van de ‘landeryen’. De korte westzijde grenst aan de weg naar Groningen, de lange zuidzijde aan wat tegenwoordig de Kloekhorststraat heet. De korte oost- en de lange noordzijde maken samen de enige rechte hoek in het terrein. De schaal van de kaart is 1 : 1160, wat betekent dat de oppervlakte van het terrein ongeveer 1800 vierkante meter bedraagt. Toen de kaart werd getekend, was de gerechtsplaats al 13 jaar buiten gebruik. Daarna is de plek snel uit het stedelijk geheugen verdwenen. Tot het najaar van 2003, want toen noopten vergevorderde bouwplannen tot onmiddellijke actie, wilde een uitzonderlijke archeologische vindplaats niet ongezien verloren gaan.

Wat volgde was een lang proces van onderhandelen. De projectontwikkelaar voelde zich niet verantwoordelijk voor de inhoud van het bodemarchief – wilde eigenlijk ook niet dat er ruchtbaarheid aan de oorspronkelijke functie van de plek werd gegeven omdat het potentiele kopers kon afschrikken: wie wilde er nou op een executieplaats wonen? – maar was wel bereid de archeologen de tijd te geven om het onderzoek uit te voeren.

Gelukkig voelde de gemeente Assen zich verantwoordelijk en zorgde ervoor dat het terrein volgens de regels van de kunst kon worden opgegraven. Booronderzoek had namelijk uitgewezen dat de bodem nauwelijks verstoord was en eventuele grondsporen dus goed bewaard gebleven zouden kunnen zijn. Volgens de historische bronnen mochten er op het terrein sporen van één of meer galgen, raden, worg- en/of schandpalen, grafkuilen, een omheining en een perifere sloot verwacht worden.


Het oostelijk deel van het galgenveld is ongezien vernietigd

Reden genoeg dus om een nader onderzoek in te stellen. De eerste stap die gezet moest worden, was het graven van een aantal proefsleuven om na te gaan of de verwachte sporen werkelijk in de ondergrond aanwezig waren. Dit onderzoek werd uitgevoerd door Archeologisch adviesbureau RAAP, op 26 en 27 mei 2004. Er werden drie proefsleuven opengelegd met een totale oppervlakte van bijna 200 vierkante meter. De resultaten waren dusdanig – de archeologen legden een grafkist en kuilen met daarin nog houten palen bloot – dat een vlakdekkende opgraving gerechtvaardigd bleek.

De bouw zou immers doorgaan, en inpassing van de sporen behoorde niet tot de mogelijkheden. Dat definitieve onderzoek vond plaats van 29 juni tot en met 5 juli 2004. In totaal werd een oppervlakte van 716 vierkante meter vrijgelegd en onderzocht. De resultaten waren naar verwachting: drie graven, een reeks kuilen met daarin nog resten van houten palen en mogelijk een deel van de sloot die rondom het terrein gelegen heeft. De lezers van het Dagblad van het Noorden troffen dan ook op 13 juni een artikel aan met de kop: “Opgraving Galgenveld groot succes”.

Wat overigens pijnlijk duidelijk werd uit de ligging van de sporen, was dat het oostelijke deel van het galgenveld vele jaren geleden ongezien vernietigd moet zijn bij de bouw van het latere Centrum voor Werk en Inkomen (CWI). De sporen die zich daar hebben bevonden, zijn voorgoed uitgewist. In 2007 vonden er graafwerkzaamheden plaats aan de noordkant van het in 2004 opgegraven terrein. Hier deed zich de mogelijkheid voor om de noordgrens van de gerechtsplaats in beeld te brengen. Het betreffende onderzoek – een archeologische begeleiding en opgraving – werd uitgevoerd in de periode 29 mei – 8 juni door Synthegra Archeologie.


De opgraving van grafkist -2-


De galg had een breedte van zes meter

Wanneer we de opgravingsgegevens samenvatten komen we tot het volgende beeld. Van de Gerechtsplaats is slechts een deel blootgelegd. Van de oorspronkelijke lengte van 58 / 66 meter kon minder dan de helft in beeld gebracht worden, namelijk zo’n 27 meter (het oostelijk aansluitende deel is reeds langere tijd overbouwd). In het uiterste westen is vermoedelijk de sloot aangesneden die in 1764 rondom de Gerechtsplaats werd gegraven. De andere sporen bevonden zich in de oostelijke helft van de opgravingsput, dus in het centrale deel van de Gerechtsplaats.

De sporen waarin resten van zware palen zijn aangetroffen, laten zich alleen met de nodige slagen om de arm toewijzen. Het oudste element lijkt de paal uit spoor -2- te zijn, die nauwelijks anders dan als raddragende expositiepaal geïnterpreteerd kan worden. Combinatie van archeologische en historische informatie leidt tot de conclusie dat dit de paal is die in 1730 is opgericht. Spoor -50- en -2- kunnen samen een tweepaals galg gevormd hebben die opgericht is in de vroege jaren ’60 van de 18e eeuw.

Het ligt voor de hand hier aan de galg van 1764 te denken. Deze galg heeft dan een breedte gehad van 6 meter. Daarmee was hij iets breder dan de galg van Hoogersmilde; daarvan is bekend dat de bovenbalk 18 voet lang was, dus net geen 5,5 meter. De paal die in 1767 of 1768 is geplaatst kan heel wel een raddragende paal zijn geweest. Hij stond op 3 meter afstand van de bijna vier decennia eerder geplaatste expositiepaal. Rondom deze structuren werden in ieder geval vier personen gekist begraven.

Wanneer dat gebeurde is onzeker, maar het ligt voor de hand dat deze begravingen stammen uit de tijdsspanne 1730 – 1768. Een en ander betekent dat bij het archeologisch onderzoek de jongste fase van de Gerechtsplaats is gedocumenteerd. Het valt te vrezen dat de galgen, expositiepalen en begravingen van het naastgelegen pand ongezien vernietigd zijn. Of de galg een officiële ‘voorkant’ heeft gehad, is onbekend. Als de noordkant die rol vervulde, stonden de palen met het rad voor de toeschouwers aan de linkerkant. De veroordeelden die op het punt stonden om van de ladder geduwd te worden, zagen dan rechts voor zich hun volgende halte.


Het archeologisch onderzoek op het Galgenveld te Assen in 2004; rechtsonder is een grafkist zichtbaar


De mens achter het grondspoor

Hoe de archeologische paalresten ook geïnterpreteerd moeten worden – als paal voor een expositierad, als wurgpaal of als paal van een galgconstructie – we kunnen sommige wel met enig vertrouwen aan bepaalde individuen koppelen. De paal die in 1730 is opgericht, is dat zelfde jaar gebruikt voor de te pronkstelling van Albert Alberts. Alberts werd levend geradbraakt en vervolgens onthoofd. Wellicht was de jonge Swier Willems Fijnglas zijn opvolger op het rad.

Ook hij werd geradbraakt en onthoofd (in 1731), alleen is niet genoteerd of hij ook te pronk is gesteld. Vooropgesteld dat spoor -50- en -12- juist geinterpreteerd zijn als de resten van een tweestempelige galg, dan waren Pieter Pieters Mulder uit Groningen en Harm Geerts Glaasken uit Wildevank vermoedelijk degenen die dit apparaat inwijdden in 1764. De paal van spoor -2- is zeker na 1766 gekapt, vermoedelijk in 1767 of 1768. Afgaande op d lijst van strafvoltrekkingen lijkt het aannemelijk dat er een verband bestaat met Elsje Roelofs, de vrouw uit Doldersum die haar man vergiftigde en daarvoor geëxecuteerd werd.

Dit speelde zich in 1767 af. Elsje Roelofs werd geradbraakt, verwurgd en op het rad tentoongesteld. Korte tijd later werd ze gekist en op het galgenveld begraven. Het ziet er naar uit dat speciaal voor haar een nieuwe paal-met-rad is opgericht. (Janne Ymker beschreef het korte trieste leven van Elsje Roelofs in de historische roman ‘Achtendertig nachten’ ISBN: 9789023993285)


De opknapbeurt van 1764

In 1764 was de gerechtsplaats zo sterk onderkomen dat een ingrijpende opknapbeurt onvermijdelijk was. De bronnen geven aan dat het terrein ontdaan werd van zijn ongewenste begroeiing, er een sloot om het terrein werd gegraven, een scheveltuin en een nieuwe galg geplaatst werden en rondom het terrein lindebomen geplant werden. Dat laatste is opmerkelijk want doorgaans wilde men een gerechtsplaats goed zichtbaar houden (en bestonden er verbodsbepalingen om er bomen te planten). Van de sloot weten we dat die 10 voet breed was, dus bijna 3 m. Aan de binnenkant daarvan werd de scheveltuin - een schuine omheining - geplaatst.

Deze omheining had een hoogte van 6 voet (bijna 1,8 m); de toegang, waar men met paard en wagen doorheen kon, werd met een hek afgesloten. Aan welke zijde de toegang zich bevond, is niet bekend. Ook van de omheining kennen we geen details. De bronnen vermelden dat er in 1764 een grote hoeveelheid hout werd aangevoerd: 6 lange 'juffers' (dennenstammen) met een lengte van 36 voet en 80 grenen en vurenhouten latten (30 stuks van 24 voet lang met afmetingen van één vierde maal twee en een halve duim, 30 stuks van 24 voet lang met afmetingen van één en een kwart maal twee en een halve duim en 20 stuks van 18 voet lang met afmetingen van één en een kwart maal twee en een halve duim).

Al dit hout zal in de omheining verwerkt zijn. En dat was nogal wat. Wanneer we uitgaan van een voet van 29,4 cm komen we bij de 'juffers' op stammetjes van ruim 10,5 m. En daar waren er zes van. Bij de latten gaat het om 1800 voet hout, dwz bijna 530 m latten met afmetingen van 3,1 x 6,1 en 0,6 x 6,1 cm. De juffers zullen waarschijnlijk tot staanders verwerkt zijn en de latten zullen gebruikt zijn om de staanders horizontaal met elkaar te verbinden. Als we voor de omtrek van de gerechtsplaats uitgaan van ca. 170 m en aannemen dat er uit een juffer vier staanders gehaald konden worden, dan stonden de staanders ruim 7 m uit elkaar. Wanneer er maximaal drie staanders uit een juffer gehaald werden, bedroeg de onderlinge afstand zo'n 9,5 m. De hoeveelheid latten was voldoende om drie 'lagen' aan te kunnen brengen. Aan spijkers was geen gebrek. De smid maakte 'vijf half honderd (=450) rongen tot de schevels'.


Het minischavot van Assen in het Drents Museum, waarvan nu bekend is dat het gaat om een miniatuurversie van het op één na laatste gebruikte schavot.


Zes ton jenever en een kroes bier

De bronnen vermelden diverse interessante details over de werkzaamheden van 1764.
In totaal werd er door De Landschap 271 Caroliguldens, 4 stuivers en 6 penningen betaald:

Aan de arbeiders voor het graven van de sloot en het rooien van de vegetatie 18.7.0
Aan de timmerlieden 154.14.0
Aan de verver 6.0.0
Aan de houtkoper 41.12
Voor verf, olie en teer 25.7.6
Aan de arbeiders voor het teren en gaten graven 6.8.0
Aan de smid voor het geleverde ijzerwerk 7.10.0
Aan de herbergier voor bier en jenever 11.6.0

De drank werd geconsumeerd tussen 9 en 12 juli, bij het maken en vooral het oprichten van de galg. Op 11 juli, de dag dat de galg werd opgericht, werd er door de boeren zes kroes jenever en een ton bier genuttigd, goed voor 8 Caroliguldens en 4 stuivers.





© 2006-2009 www.mijn-eigen-website.nl