In en om Assen


Het galgenveld in Assen



'Waar men gewoon was recht te doen'.


Nadat Drenthe sinds 1594 deel uitmaakte van de Republiek der Verenigde Nederlanden, vestigde zich het provinciaal bestuur in Assen. Het geseculariseerde kloostercomplex van de Cisterciënzer abdij Maria in Campis werd omgevormd tot landschapsgebouw. Van daaruit werden langzamerhand alle overheidstaken uitgevoerd. Sindsdien werd Assen ook de plaats waar men gewoon was recht te doen. De stichting van een gevangenis in 1609 paste in deze ontwikkeling.

Voor de ten uitvoerlegging van door drost en geconvoceerde etten uitgesproken vonnissen had men de beschikking over de Brink. De galg stond echter op 's Lands Veld buiten het dorp aan de weg naar Groningen. Na de uitbreiding van Assen wilde niemand in het begin van de negentiende eeuw zijn huis bouwen op het galgenveld. Uiteindelijk werd er toch gebouwd op de hoek van de Groningerstraat-Kloekhorststraat. Het galgenveld raakte in de vergetelheid.


Op deze uitsnede van een kaart van Assen uit het begin van de negentiende eeuw is de positie van het galgenveld aangegeven. De streep naar rechts is de latere Kloekhorststraat


Het opleggen van lijfstraffen was normaal.

In het kader van stadsvernieuwing is er een plan om op de hoek van de Groningerstraat-Kloekhorststraat een woon- en winkelcomplex te bouwen. Het complex zal de naam 'De Hoge Horst' krijgen. Als broedplaats van met name roofvogels kan een hoge horst in verband worden gebracht met de vroegere raden op het galgenveld. Hieraan zullen de naamgevers niet hebben gedacht! Met betrekking tot de criminaliteit en de rechtspraak in het zestiende-eeuwse Drenthe stelde Linthorst Homan vast dat het strafrecht rauw was. Omdat ook de tijden rauw waren. Tot aan het einde van de Middeleeuwen was de criminele rechtspraak een zaak van de drost geweest. Namens de landsheer bepaalde hij in aanwezigheid van de buren van het buurschap waar het delict had plaatsgevonden en op basis van het Landrecht de straf. Vrijwel meteen na de uitspraak werd de straf vervolgens ter plaatse uitgevoerd.

Vanaf het begin van de zeventiende eeuw heeft de criminele vergadering deze taak overgenomen. Onder leiding van de drost kwamen de zogenaamde geconvoceerde etten (één uit ieder dingspil) en de landschrijver bijeen. De laatste vervulde een belangrijke functie als griffier en secretaris. Daarnaast leidde hij namens de drost het justitieel vooronderzoek en werden verdachten van misdrijven in zijn aanwezigheid ondervraagd. Hij hoorde de getuigen onder ede en legde de antwoorden schriftelijk vast. Tenslotte zag hij er op toe dat gevangen genomen verdachten in hechtenis bleven en niet konden ontsnappen tijdens het transport naar de gevangenis in Assen. In de criminele vergadering had uitsluitend de drost stemrecht en het definitieve vonnis werd dan ook in zijn naam uitgesproken onder de vermelding 'na ingewonnen advies van geconvoceerde etten'.

Het opleggen van lijfstraffen was normaal, maar in Drenthe was kennelijk net te weinig emplooi voor een scherprechter in blijvende vaste dienst. De in 1607 tot scherprechter van Groningen benoemde Geert Haevestadt werd ook scherprechter voor de Ommelanden en extraordinair scherprechter voor Drenthe. Veelal wordt aangenomen dat vanaf het begin van de zeventiende eeuw het gerechtelijk onderzoek en de executie in Assen plaats vonden. Voor de executies gaat deze veronderstelling niet op.

In juli 1610 bracht 'mester Geert met sijn bijhebbende soldaten' een eerste bezoek aan Assen. De gevangenbewaarder Melchior Wijerts had zijn gevangene zes weken en een dag in kost en bier. De scherprechter met zijn soldaten verteerden voor 10 gulden en 4 stuiver in zijn herberg. Welke straf er werd uitgedeeld is niet bekend, maar de plaats van de executie is zeker Assen. Volgens het Landrecht van 1614 werden in de gevangenis te Assen slechts vagebonden, landlopers en andere 'nietsnutten' ingesloten. Verdachten van een 'capitaal crimen' - een ernstig misdrijf als moord en roof, doodslag en brandstichting - zouden nog altijd volgens opdracht naar Coevorden gaan.

Niet alleen waren de muren daar dikker dan in Assen, ook militairen die voor bewaking konden worden ingezet waren bij de hand. Het Landrecht van 1712 bood pas ruimte in Assen ook doodslagers onder te brengen. De praktijk was echter anders, omdat men zich niet aan de eigen gestelde regels hield. In de herfst van 1611 logeerde Geert Haevestadt weer met zijn helpers in de herberg van Wijerts. De vertering liep op tot vijftien gulden en zestien stuivers. Willem Uterbeke was met grote 'swarigheit' gedurende vijftien dagen in de gevangenis bewaakt. Er waren extra bewakers aangesteld en vooral de laatste nacht bezorgde hij hen grote problemen. De dominee kwam diverse keren op bezoek om hem te vermanen en te vertroosten.

En passant dronk hij zijn biertje in Wijerts herberg. Uterbeke werd in Assen, vermoedelijk met het zwaard, terechtgesteld. Omdat Geert Haevestadt onbeschaamd hoge kosten in rekening bracht voor zijn verteringen in Assen probeerde de Landschap hier wat aan te doen. Er werd een nieuwe afspraak gemaakt over zijn beloning. De verteringen diende hij nu uit eigen zak te betalen. Daardoor is nu niet meer precies na te gaan hoe vaak hij in Assen zijn functie uitoefende.


"...een hele dag aan de schandpaal gestaan..." Illustratie van Hans Seidel uit 'Misdaad in Drenthe'; korte historische verhaaltjes over de misdaad in Drenthe uit het begin van de 19e eeuw. © Hans Seidel, 1985


Bezuiniging?

Waarschijnlijk omdat de Landschap op de kleintjes moest gaan letten werden de executies vanaf 1623 niet meer in Assen, maar in Roden uitgevoerd. De scherprechter hoefde niet meer te overnachten en kon vanuit Groningen in één dag heen en weer. In de praktijk waren de gevangenen korte tijd ondergebracht in het schuitehuis van Roden. De executies vonden mogelijk plaats op de brink er tegenover. Op 25 mei 1623 bracht Melchior Wijerts een zekere Anna Jongbloets van Assen naar Roden. Zij werd er met roeden geëxecuteerd. Einke Jans werd in 1626 in Roden gegeseld en gebrandmerkt. Ook een zekere Trijne uit Donderen kwam er aan haar einde. In 1629 werden in Roden maar liefst drie doodvonnissen voltrokken. Op tweede paasdag werd Jan Hendriks onthoofd en enige dagen later een zekere Berent. De executie op tweede paasdag is opmerkelijk.

Volgens de calvinistische beginselen kon dit niet, maar kennelijk was toen ook al zo'n tweede dag meer bestemd voor feest en vermaak. Het derde slachtoffer, Jan Hermans Wegge, maakte een uitzonderlijke reis naar Roden. De toenmalige gevangenbewaarder Wijnties, die intussen met de weduwe Wijerts was gehuwd, leverde 'de planken en nagels tot het huisholt (de kist) daar hij ingeleit is'. Voor zijn executie werd Jan Wegge met kist en al naar Roden vervoerd. De predikant van Peize stond de drie boeven in hun laatste uur bij, stelde pogingen in het werk ze te vertroosten en sprak een gebed uit. In de tijd dat de drie misdadigers in het gevang te Assen verbleven waren ze gesteund door de predikanten van Rolde en Assen.

Zij hadden hen naar beste vermogen uit Gods woord onderricht, versterkt en vertroost. Van al hun collega's achtten de beide predikanten zich het zwaarst belast. Daarom ontvingen ze in het vervolg per geval een vergoeding van drie gulden. Ook de kerspelgenoten van Rolde, waar Assen onder ressorteerde, deden hun beklag. Zij waren steeds belast de gevangenen naar Roden te moeten brengen. Vanouds kwam het vervoer van delinquenten ten laste van het kerspel. De kerspelgenoten voelden zich terecht gedupeerd. Ridderschap en eigenerfden besloten dat zij voortaan een vaste vergoeding per geval zouden krijgen. Daarvoor moesten ze de gevangenen met hun wagens onder behoorlijke begeleiding naar Roden brengen. De verteringen onderweg dienden uit eigen zak te worden betaald. Vier jaar later herhaalden de kerspellieden hun verzoek en kregen ze de verzekering dat zij zo veel mogelijk ontlast zouden worden.


Een eigen scherprechter

In 1628 besloten Drost en Gedeputeerden van Drenthe over te gaan tot de benoeming van een eigen scherprechter. Daartoe pleegden ze overleg met de Staten van Friesland, omdat het Friese garnizoen dat in Coevorden was gelegerd behoefte had aan een militaire scherprechter. De keuze viel op Hans Haevestadt, een zoon uit het eerste huwelijk van Geert. Op 12 november 1628 werd Haevestadt junior in Assen beëdigd. Hij beloofde zijn ambt 'met willen ende voorweten der richteren wel ende oprecht(te) gebruiken ende bedienen en niemand slappelijk (te) tracteren of te mishandelen'. Zijn beloning zou 200 gulden per jaar bedragen, terwijl de Staten van Friesland daar 250 gulden bij deden. Ten laste van Drenthe kwamen enkele emolumenten, vrije woning met jaarlijks zes voer turf en vrijdom van accijns.

Bovendien mocht hij voor elke pijniging één en voor elke executie twee gulden rekenen. Voor iedere dag dat hij uit hoofde van zijn functie buiten Coevorden verbleef, ontving hij drie gulden. Hoewel Haevestadt in Coevorden een woning kreeg toegewezen, heeft hij er mogelijk nooit gewoond. Hij verving in Groningen namelijk zijn ziekelijke vader. In 1630 werd hij in Drenthe opgevolgd door Hans Everts, voorheen scherprechter in dienst van de graaf van Oldenburg, maar wel weer gehuwd met een meisje Haevestadt. Ook Hans Everts kreeg Coevorden als standplaats en bleef tot 1650. Vrijwel meteen na zijn komst vroeg Haevestadt loonsverhoging en om reparatie van zijn huis. Hij wilde een knecht aanstellen en vroeg en passant hem ieder jaar van een nieuw kleed te voorzien.

Het landschapsbestuur was echter van mening dat er goede afspraken waren gemaakt en dat hij ze met dergelijke verzoeken niet moest lastig vallen. Vijf jaar later kreeg de scherprechter wel 100 gulden meer per jaar, maar moest in het vervolg zelf zijn turf betalen." Ook werd hem nu een knecht toegestaan. Het huis waarin hij woonde bleef echter een ruïne. Gevangenen die een executie boven het hoofd hing gingen in de periode 1629-1650 in principe naar Coevorden. Een mogelijke uitzondering is de executie van twee delinquenten die met het zwaard werden onthoofd. Dominee Hopping van Roden stond ze in hun laatste uur bij. Dit wekt de schijn dat deze executies in Roden plaats vonden. Doch Grote Jan, alias Jan van Berg, werd weer gewoon in Coevorden een kopje kleiner gemaakt.

Vanaf 1650 ontstond er continuïteit in de terechtstellingen in Assen. De buren van Norg hadden een gevangene naar Assen gebracht die een paard gestolen had. Hans Everts werd met paard en wagen opgehaald uit Groningen omdat zijn huis in Coevorden een grote renovatie onderging. Hij arriveerde in gezelschap van een knecht en enige soldaten. Voor het gijzelen en brandmerk zetten berekende hij vier gulden. Daar kwam nog twaalf stuiver bij voor touwen en ook voor het vuur 'to dat brantmaal to maken' rekende hij twee gulden Hans Everts maakte van zijn verblijf in Groningen gebruik om er met succes naar de vacante scherprechtersplaats te solliciteren, maar bleef eveneens zijn functie in Drenthe vervullen. Daarmee was de traditionele dubbelfunctie in ere hersteld. In Assen stelde men zich daar blijkbaar op in.

Voor het eerst is nu in de rekeningen sprake van de gerechtsplaats in Assen. De doodstraf werd in de regel voltrokken onder het oog van een grote schare toeschouwers, die zorgvuldig op afstand gehouden werd door soldaten, of zoals in Assen de gewoonte was door een aantal kerspellieden die de brink moesten sluiten. Er werd met het zwaard onthoofd. Op 28 oktober 1653 ontbood schulte Allart Tijmans het hele kerspel Rolde om de volgende dag de justitie over Gerrit van de Vastenouw bij te wonen. Hij liet zich vergezellen van twee Roldenaren die 's nachts de wacht hielden in de gevangenis. Tijmans zelf zegde de gevangene de dood aan door hem de sententie van de drost voor te lezen.

Op de dag van executie werd door de kerspellieden de kring op de brink gesloten. Omdat de scherprechter over het algemeen zijn eigen verteringen diende te betalen, zijn de gegevens over zijn komst naar Assen meestal toevallige notities van de gevangenbewaarder die de delinquenten in kost en bier had. Zo vinden we de volgende terechtstelling pas in 1663. De scherprechter kwam onder begeleiding van een paar soldaten te paard naar Assen. Hij controleerde de gevangenis of er een poging tot uitbraak was geweest en assisteerde in dit geval waarschijnlijk ook bij de verhoren 'door het stellen van scherpe vragen'. De duimschroeven bleven echter ongenoemd Pieter Tonnis werd op de brink gegijzeld en gebrandmerkt.


Het gereedschap van de beul. Op de voorgrond brandijzers voor het brandmerken en de vuurpannen waarin ze gloeiend werden gemaakt. Daarachter twee beulszwaarden. De stenen met kettingen werden gebruikt bij het uitrekken op de pijnbank. Ze werden daarvoor aan de voeten bevestigd. (uit: Fr. De Witt Huberts, De beul en z'n werk, Amsterdam 1937)


De eerste galg

Op 17 januari 1672 werd een rekening voldaan van Steven Hendriks timmerman te Assen. Hij had reparaties verricht aan de abdijkerk, de drostenkamer en aan diverse landschapshuizen. Terloops wordt in deze rekening vermeld dat hij de justitiepalen vervaardigde. Het betreft hier de eerste galg van Assen die zoals in die tijd gewoon was een plaats kreeg op het vrije veld buiten het dorp. Aangenomen mag worden dat Assen in het bezit kwam van een galg van het meest voorkomende type, bestaande uit twee palen in de grond met er bovenop een dwarspaal waaraan meerdere lijken konden hangen. Bij het straffen 'met de koorde' hoorde een tweeledige beulsladder, met een middenstijl, één voor de beul en één voor het slachtoffer. De 'gevleugelde' (geboeide) veroordeelde diende de ladder ruggelings te bestijgen en moest er dan van afspringen of werd er afgeduwd.

Vervolgens liet men het slachtoffer soms maandenlang hangen tot het lichaam door atmosferische invloeden en door vogels (vooral raven) was opgegeten. Vaak bleef alleen een geraamte over, dat vervolgens bij de galg onder de grond gestopt werd. Het terstond begraven moet gezien worden als en uitzondering, als gunst om de familie ter wille te zijn. Al met al ging er van de galg een preventieve werking uit en gaf ze 'de hoogheid van den lande' aan. In Assen fungeerde de galg die op 's Lands Veld werd geplaatst vooral in deze laatste functie. Er werd zelden iemand opgehangen en de executies op de brink gingen voorlopig gewoon door. Als eerste werd in 1677 Hans Kansen opgehangen die op zijn laatste gang begeleid werd door de predikant van Anloo. Het was niet meer de kleinzoon van Geert Haevestadt die naar Assen kwam — hij kreeg tegenzin 'in de natuire van sijne bedieninge' — maar Jurrien Breukel.

Een jaar later kwam hij weer naar Assen om Hans Jurriaans te berechten. De schulte van Vries kwam met zijn kerspellieden naar Assen om de kring op de brink te sluiten. Op 6 augustus 1681 werd een zekere Jelis opgehangen waarbij de ingezetenen van Assen anderhalve ton bier in de herberg verorberden. De belangstelling van kerspellieden om hun taak bij de justitieplaats te vervullen was teruggelopen. Het beschikbaar stellen van bier door de landschap werd zo een traditie en de belangstelling nam weer toe. Ook ging men er toe over om voor de executie de klok van de abdijkerk te luiden en werd de sententie van de drost plechtig vanuit het openstaande venster van de colletie in aanwezigheid van het slachtoffer in het openbaar voorgelezen. In de praktijk kwam het er op neer dat een galg ongeveer twintig jaar mee ging, dan waren de palen in de grond niet meer betrouwbaar.

Mogelijk daarom werd in 1689 een vrouw wegens het ombrengen van haar kind op de Brink onthoofd. In 1693 werd er een nieuwe galg opgericht. Onder leiding van een paar timmerlieden en een wakend oog van de scherprechter waren ook de ingezetenen in de weer om mee te helpen. Zij verorberden in twee dagen tijd honderd kroes bier en na de goede afloop kwam daar nog anderhalve ton bij. Boele Witrok was het eerste slachtoffer aan het nieuwe instrument. De kerspelgenoten van Vries sloten de kring, maar men verzuimde na afloop het bier beschikbaar te stellen. Daarom haalden ze, in de hoop dat de landschap betaalde, hun schade in Vries in. De Landschap stelde hen niet teleur en betaalde prompt tien gulden.


In naam van de drost

In 1724 werd de executieplaats op 's Lands Veld van opschietend houtgewas ontdaan en kwam er een nieuwe galg. Vijf jaar later bleek het er al weer een bende te zijn. Dit was niet in overeenstemming met de 'hoogheid van den Lande' en de kerspelgenoten staken zelf de handen uit de mouw om het terrein grondig op te schonen en een omheining te plaatsen. De lijfstraffen werden echter nog steeds op de brink voltrokken. Een probleem was dat de scherprechter voortdurend gereedschap kwijt raakte. De hamer die hij nodig had bleek geregeld zoek, een spitshamer en drie ketten moesten worden bijgemaakt. Het nog aanwezige 'pijnegoed' werd van roest ontdaan en vervolgens kwamen de spullen achter slot en grendel.

Hieronder geven we een indicatie van uitgevoerde straffen in Assen voor zover te vinden in de periode 1678-1735 en 1750-1775. De werkelijke aantallen liggen hoger. Geselen, 4lx; geselen en brandmerken, I6x; geselen en oor afsnijden, lx; geselen en oor gemerkt, 4x; geselen en over tronie snijden, lx; geselen aanschouwen, lx; zwaard onthoofd, 2x; geradbraakt. 2x; geradbraakt en gewurgd, lx; geradbraakt, hoofd afgeslagen op rad en hoofd op pen, lx; geradbraakt, slag met moordwapen op hart, hoofd met bijl afslaan op pen, moordwapen tussen lichaam en hoofd, lx; gewurgd en op rad gelegd, 2x; geblaakt, gewurgd, onder de galg begraven, lx; opgehangen, 7x; zwart gemaakt, opgehangen, boven hoofd pistool, 2x; op rad gelegd, voorbroek met stro gevuld in brand gestoken, geradbraakt, onthoofd en hoofd op pen, 2x (een 14-jarige broer moest dit aanschouwen, daarna gegeseld en gebrandmerkt)


Detail uit een tekening van E. v.d. Velde (1619) voorstellende het galgenveld aan de Trekvliet tussen Den Haag en Rijswijk In de doodskist wordt de secretaris van de Provincie Utrecht zeven maanden na zijn dood alsnog opgehangen.


Het bosopslag op het galgenveld werd gerooid en rondom plantte men lindebomen

In de loop der tijd waren de voorzieningen voor de terechtstellingen in Assen aangepast en verbeterd. Zo werd er in 1730 een schavot gebouwd dat voor elke executie kon worden opgezet om nadien weer te worden afgebroken. Bij de galg kwam een rad te staan. Dit was een hoge paal waar een soort wiel opgestoken was. Daarop werd een lijk in zittende houding geplaatst en een tijd lang tentoongesteld. Het executierad op het schavot was iets anders. Voor het radbraken kwam men op de rug op een kruisvormige bank te liggen. Met een ijzeren stang werden vervolgens de ledematen stukgeslagen. Het was een straf die een relatief langzame en pijnlijke dood tot gevolg had. Voor het wurgen werd men op een bankje met de rug tegen de wurgpaal gezet, waarbij een touw om de keel met een knevel werd aangehaald. Het wurgen gebeurde, waarschijnlijk uit een oogpunt van welvoegelijkheid, speciaal bij vrouwen.

Een brandmerk bracht men meestal op de schouder aan. Het afsnijden of merken aan een oor gebruikte men vooral voor vagebonden, heidenen of zigeuners zoals zwervers meestal werden aangeduid. Een aparte groep vormden de onterende straffen. Daaronder vielen personen die een tijdlang aan de schandpaal moesten staan met een bord waarop het gepleegde vergrijp stond vermeld. Iemand die zich in Ansen had verhangen werd op een slede (vermoedelijk gemaakt van een latwerk of een bos takken) naar Assen gesleept en onder de galg begraven. De pander van Ruinen kocht er speciaal een paard voor om hem naar Assen te brengen. En de kroegbaas noteerde in zijn rekening voor de Landschap 'doe hij met die verworghde kerel kwam' Iemand die zich in de gevangenis van kant had gemaakt werd voor zijn misdrijf bij de benen aan de galg opgehangen. Hier werd dus de daad en niet de persoon gestraft.

Een man die zich bij het Asserbos verhing stopte men gewoon op het galgenveld onder de grond. Ook enige personen die onthoofd waren vonden hun laatste rustplaats bij de galg. Sinds omstreeks 1730 vonden er geen terechtstellingen meer plaats op de brink. In voorkomende gevallen plaatste men het schavot op het galgenveld. In 1760 bestelde de scherprechter bij de smid in Rolde vier ketten van vier voet lang en een moker voor het afbreken van het schavot. Twintig lange rongen moesten het houtwerk verstevigen, maar in 1764 werd een geheel nieuw schavot gebouwd. Ook het galgenveld werd aangepakt door het plaatsen van een 'scheveltuin', een schuine omheining ter hoogte van zes voet. Rondom kwam een sloot te liggen ter breedte van tien voet en er kwam een ordentlijk hek waar men met paard en wagen door kon rijden. Het bosopslag op het terrein werd gerooid en rondom plantte men lindebomen. Jan Sijmens en Pieter Haak moesten de hekken en dammen naar hun land er voor verzetten. In 1781 werd onder leiding van A.M. Sorg, de bouwer van de koepelkerk in Smilde, weer een nieuwe galg met een tweede rad geplaatst. Hij ging in eigen persoon naar de scherprechter in Groningen om met hem te overleggen. Bij de oprichting van de galg werd er deze keer geen bier gedronken, maar vier flessen jenever.


Een café (het om zijn feesten bekene café Boele Geerts) en twee winkels aan de Groningerstraat op een foto van voor 1924 op de plek waar ooit 'de geregtsplaats' was. Naast de winkel rechts is de Kloekhorstlaan, later Kloekhorststraat. (fotocollectie Gemeentearchief Assen)


De galg afgebroken

Onder invloed van de Verlichting nam de taak van de scherprechter gaandeweg af. Nadat de regering in 1774 aan de lagere rechtbanken verboden had de tortuur toe te passen, bepaalde artikel 36 van de staatsregeling van 1798 dat de pijnbank in de gehele Republiek zou worden afgeschaft. In Assen was op 11 december 1795 voor de laatste keer iemand op de galgenkamp aan de huidige Kloekhorststraat terechtgesteld. Het was Jan Swart uit Hoogeveen die op de jaarmarkt Andries Veltman in koelen bloede had doodgestoken. Het hoofd van Swart zat er stevig op, of de beul had zijn dag niet, want hij moest driemaal toeslaan voor het hoofd viel. Kort daarvoor was Willem Dries uit Coevorden onthoofd omdat hij incest met zijn dochter had gepleegd.

In opdracht van de Representanten van het Volk werden in het hele land de galgen afgebroken. Zij waren van mening dat de galgen langs de openbare wegen een treurig schouwspel opleverden waardoor aandoenlijke harten gevoelig getroffen werden. De boosdoeners werden er niet door afgeschrikt, terwijl de menselijke waardigheid tot de hoogst mogelijke trap van vernedering werd gebracht. Assen was in 1796 aan de beurt en ook de twee raden, waarop in 1792 nog een dode vrouw was gelegd, werden vernietigd. Tengevolge van de invoering van de Code Criminel behoorde het geselen tot het verleden, maar werd in 1813 weer ingevoerd. Het brandmerken, in 1798 was er in Assen nog een nieuw ijzer aangeschaft, bleef onverminderd doorgaan.

De doodstraf kon nog maar op twee manieren worden voltrokken: door de strop of met het zwaard. De lijken werden vervolgens met de geringste kosten op de publieke kerkhoven begraven. De galg mocht dan verdwenen zijn, het schavot hield men in ere. In 1817 schafte men in Assen een nieuw schavot aan voor gebruik op de brink. Het galgenveld werd verkocht aan Jan Haak, deurwaarder bij de rechtbank in eerste aanleg. Hij verkocht het perceel aan Hendrik Straatman als tuingrond.18 Deze bouwde het eerste huis op de galgenkamp om zich er metterwoon te vestigen. Hij woonde nu buiten Assen en zette op zijn huis: 'Het buitenleven is mijn genoegen'. Voorlopig wilde niemand in zijn omgeving wonen, maar allengs kwam daar verandering in en rond 1880 was alles bebouwd.


Cafe Roel Geerts aan de Groningerstraat nummer -64- maakte na de brand in 2001 ruimte voor archeologisch onderzoek (foto Sietse Kooistra)


De laatste twee schavotten

Het in 1817 aangeschafte schavot diende ter vervanging van het oude exemplaar dat tijdens de Franse tijd verloren was gegaan. Er werd toestemming gevraagd aan de minister van justitie met het verzoek een bouwtekening te sturen. In zijn antwoord kondigde de minister aan dat hij aan de Controleur van 's Rijks gebouwen om een tekening had verzocht van een behoorlijk schavot. Deze ambtenaar vond het moeilijk een duidelijke tekening te maken om de uitvoerder tot model te kunnen dienen. Daarom had hij een model in het klein met alle toebehoren gemaakt en dat vervolgens naar Assen gestuurd. De gemaakte onkosten kon men mogelijk met de aanbesteding verrekenen. De begroting voorzag in een raming van de kosten ad 800 gulden. Bij de inschrijving bleek dat het daarvoor niet kon, want de laagste schreef in voor 1365 gulden.Toch zette men in Assen door, maar volgens nieuwe richtlijnen diende in de dertiger jaren een schavot voorzien te zijn van een valluik. Daarom werd in 1838 toestemming gevraagd een nieuw schavot te mogen bouwen.

Eerst hadden de plannenmakers het in 1817 door het departement van justitie ontvangen exemplaar bezichtigd dat de Procureur Generaal nog altijd onder zijn beheer had.21 Vervolgens werd de hoofdingenieur van Waterstaat naar Groningen gestuurd om daar het schavot in ogenschouw te nemen en om met de scherprechter te overleggen, over mogelijk aan te brengen verbeteringen. Door de scherprechter werden de gesel- en worgpaal met twee kleine trapjes als overbodig beschouwd. Daarvoor zou een paal van de galg dienst kunnen doen, waardoor er meer ruimte op het schavot ontstond. Verder werd het rondom bekleden van de ruimte onder het schavot door hem als noodzakelijk beschouwd. Nadat de minister Assen gewezen had op een te duur ontwerp, ging men op onderzoek in Overijssel. Zo kon de begroting worden teruggebracht van 707 gulden naar 462 gulden. Enige onderdelen die de scherprechter wel nodig achtte, kwamen niet tot uitvoering. Hendrik Winters, timmerman te Assen, bouwde het nieuwe schavot voor 470 gulden.

Voor de tepronkstelling van Tjabbe Jans Holtskamp op 28 october 1839 werd de nieuwe aanwinst voor het eerst opgericht. Dit gebeurde in het vervolg op het veldje aan de zuidzijde van het gerechtsgebouw naast de ingang van de gevangenis. Sindsdien draaide alles om de vernedering van de delinquent die in spot van alle vrome luiden zijn straf moest ondergaan. Nog steeds riep de klok van de abdijkerk het volk op de executie bij te wonen om hen vervolgens met de straf angst in te boezemen en zo op het rechte pad te houden. In 1847 werd er in Assen nog iemand op het schavot gegeseld. Doodvonnissen werden niet meer voltrokken, op ruime schaal werd gratie verleend. In 1850 kregen alle scherprechters in het land eervol ontslag. Daarmee kwam ook aan de ambtsperiode van de Drentse scherprechter Joannes Jansen en zijn assistent Henderikus Berends Jager een eind. De doodstraf was echter nog niet afgeschaft en mocht men van de diensten van een op wachtgeld gestelde scherprechter gebruik willen maken dan werden zij per handeling betaald.

Na 1854 zou deze straf voortaan alleen worden voltrokken door middel van de strop. Bij wet van 4 april 1870 kwam de doodstraf in onze wetgeving te vervallen en kwam de nadruk te liggen op de openbare terechtzitting. Het laatste doodvonnis in ons land werd in 1861 voltrokken in Maastricht. Het in 1817 door de Controleur van de Rijksgebouwen gemaakte minigalgje verhuisde in 1935 van het gerechtsgebouw naar het Drents museum. Momenteel is het uitgeleend aan het Drents archief ter ondersteuning van de educatieve lessen die er worden gegeven. Voor met de bouw van het woon- en winkelcomplex 'De Hoge Horst' wordt begonnen, kan archeologisch onderzoek aantonen of zich in de grond nog menselijke resten bevinden. Archiefonderzoek heeft uitgewezen dat er minimaal 20 en mogelijk 30 personen zijn begraven. Het nu braakliggend terrein biedt een unieke gelegenheid dit na te gaan en tevens waar de galg heeft gestaan. Ook op grond van ethische overwegingen zou een onderzoek op zijn plaats zijn.


Bronvermelding:


Asser Historisch Tijdschrift; nummer 1 / mrt 2004. Een artikel van H.M. Luning


Naar boven




© 2006-2009 www.mijn-eigen-website.nl