In en om Assen





Gebruiken in het veen


De ellende in de Drentse venen trok in de jaren twintig veel journalisten uit het hele land naar de gemeente Emmen. Deze foto werd in 1925 in 'Het Leven' gepubliceerd (SF)


Drenten in het veen en Drenten op het zand

Er is verschil tussen de Drenten die in het veengebied wonen en die op het zand wonen. De veenkolonialen hadden andere gewoonten en gebruiken. Toch hebben ze in het veen wel het één en ander van de zandbevolking overgenomen, ook wat betreft de naoberrechten en -plichten. Maar ontegenzeggelijk hadden ze in het veen hun eigen gewoonten, die de zand-Drenten niet kenden. Er bestonden niet zulke heel nauwe banden tussen de beide bevolkingsgroepen; men was in grote mate vreemd voor elkaar. Ook de taal was verschillend. De gedwongen winkelnering in het veen kwam de bewoners van het zandgedeelte vreemd voor.

Een veenarbeider, die voor het eerst bij een vervener ging werken, kreeg van zijn baas een 'ingang', een bedragje in geld, waarvoor hij zich een 'dubbelmaotie' - 0,2 liter - jenever kon kopen. Jenever was in het veengebied een belangrijk artikel. Allerlei gelegenheden werden aangegrepen om maar weer eens een neutje te kunnen nemen. Er moet rekening mee gehouden worden, dat er tussen de gebruiken in de diverse veengebieden in Drenthe wel enig verschil was, maar in grote lijnen kwamen ze wel op hetzelfde neer


Bollejagen

Het bollejagen is een gebruik, dat in de veenstreken van Oost-Drenthe nogal eens voorkwam, vooral als de veenarbeiders om één of andere reden hun ontevredenheid wilden uiten. Vaak ging het om een loonconflict. Er werd dan gewoonlijk een optocht geformeerd, terwijl de arbeiders op hun klomp bliezen en allerlei geluiden maakten. Hiervan zou de uitdrukking 'op de klomp spelen' afgeleid kunnen zijn. Dat betekent zoiets als zijn ontevredenheid uitdrukken. Het gebeurde ook wel eens, dat het bollejagen een staking of relletjes tot gevolg had. Zo trok men dan naar het gemeentehuis, of naar de vervener om te overleggen over het geschil.


De nieuwe veenbaas

Een nieuwe veenbaas of veenboer was voor de turfgraversgemeenschap belangrijk. Je moest maar afwachten hoe dat uitpakte. Het was dus wel van belang dat hij ter kennismaking met zijn werkvolk op een bepaalde manier 'bevestigd' werd. Als teken van zijn waardigheid beschikte de veenbaas over een met koper beslagen maatstok van drie voet lang. Wanneer hij voor de bevestiging met zijn maatstok op het werk kwam, moest hij de maatstok afgeven. Daar werd bij wijze van vlag een rode zakdoek aangebonden. De stok werd dan in de grond geplant en van de groep veenarbeiders werd een 'meester' aangewezen, die op een zandhoop, de kansel, ging staan. Vervolgens werd er een 'dominee' aangewezen. De meester op de kansel droeg een gedicht voor, een mengelmoes van Nederlands en veenkoloniaal-Drents. Dit gedicht luidde als volgt:

Aalsgemiene liek en eer, ain appel is gain peer;
Ain peer is gain apppel, 'n worst is twee snappel,
Twee snappel is ain worst; de boer had grote dorst;
Dorst lijdt de boer, 't leven vaalt hom zoer,
Zoer vaalt hom zijn leven, de wijnstok is verheven,
Verheven is de wijnstok;
Een siegebok is gain kaalf, nu heb ik mijn prediking haalf;
Haalf heb ik mijn prediking, mijn schop is vollediger
En nu treed ik van mijn kansel af.

Vervolgens zong het 'koor' van veenarbeiders één of ander vaderlands lied, gewoonlijk het Wien Nederlands bloed door d'ad'ren vloeit. Daarna was de 'dominee' aan de beurt. Hij beklom de zandbultkansel en richtte zich in zijn 'preek' tot de veenbaas door hem erop te wijzen, dat hij zijn volk goed moest behandelen. Hem werd lof toegezwaaid, maar zijn tekortkomingen werden nadrukkelijk belicht. Aan het eind van de preek legde de dominee de veenbaas een geldelijke aanslag op, die veel te hoog was.

Daarom had de veenbaas het recht een 'advocaat' te benoemen die zijn belangen zou behartigen. Gewoonlijk kweet deze advocaat-turfgraver zich goed van zijn taak en na veel gepraat werd uiteindelijk het vonnis uitgesproken. Bijvoorbeeld moest de veenbaas aan elke arbeider een gulden betalen en aan de meester en de dominee elk een rijksdaalder. Dat was trouwens vroeger wel een heel bedrag. Vanzelfsprekend werd het geld in jenever omgezet en was er die dag van werken geen sprake meer.


De britse

In het veen werkten de turfgravers gewoonlijk in ploegen. Wanneer één van de leden van de ploeg een bepaalde regel had overtreden, moest er 'recht gedaan worden om betrokkene weer in het gareel te krijgen. Er werd uit de ploeg een 'rechter' aangewezen en de zondaar moest zich bij hem vervoegen. Hij moest voor de rechter knielen; deze klemde het hoofd van de zondaar tussen zijn knieën en sloeg hem voor het achterwerk op de maat van het gezang van de andere leden van de ploeg. De zondaar moest de straf voor zijn overtreding gedwee incasseren. De straf bestond uit honderd klappen voor zijn broek. Alle omstanders hadden plechtig hun hoofd ontbloot en er was niemand die in de lach schoot. Gebeurde het een keer dat iemand niet voldoende ernstig was, dan werd hij ook als zondaar aangemerkt en moest hij hetzelfde lot ondergaan. Het lied, dat het 'turfgraverskoor' bij deze gelegenheid zong, luidde:

Komt allen bij, komt allen bij
Hier hebben wij een zondig man,
Die heeft er zijn dingen niet wel gedaan,
Daarvoor zullen we hem de britse slaan.
De britse met alle gezellen; zien gat zal er van zwellen.
Ik ben er laatst over het woud gegaan,
Appels en peren schellen;
Mooi meisje wilt ge met mij gaan en wezen mijn gezelle.
Sta op nu en bedank uw meester,
Uw meester met al zijn knechten,
De britse kreeg je van mij goed,
Dat je 't je leven lang niet weder doet.
Nee, ik wil er niet met je gaan,
Je kunt er mij niet met vrede laan.
Wie doet je wat?

(De zondaar antwoordde)

Ze slaogen mij veur mien achtergat.

(Daarop valt het koor weer in met:)

Eén manneke, twee; zij dragen hoge kappen.
Flipperdeflap, jlipperdeflap,
De flap zal je de broek wel lappen.
Onze meid Cornelia, die plukte peterselia
En ook nog wat andijvia
Sta op nu en dank uw meester, uw meester met al zijn knechten.
De britse kreeg u van ons goed, opdat ge geen zonde weder doet.

Zo werd de britse in de venen rond Exloërmond uitgevoerd. In de veenderijen rond Schoonoord werd het lied in een verkorte vorm gezongen, met enige variatie in de tekst. Dat zal ook in andere veengebieden wel het geval zijn geweest, maar de handelingen kwamen op hetzelfde neer. Wanneer de tuchtiging was afgelopen, gingen de mensen weer aan het werk. Pas dan mochten de ernstige gezichten uit de plooi komen. Soms moest de zondaar nog een traktatie (boete) in de vorm van jenever geven.


Bronvermelding:

'Vroeger volksleven in Drenthe', Gerrit Kuipers. Stichting het Drentse boek, Zuidwolde 1999. ISBN 90 6509 217 X





© 2006-2009 www.mijn-eigen-website.nl