In en om Assen





De geschiedenis van het detentiedorp Veenhuizen


Bronvermelding:
'Gevangen in Veenhuizen, het gevangenismuseum opent zijn deuren in historisch dententiedorp'. Auteur: Sander Grip. Uitgegeven ter gelegenheid van de officiële opening van het Gevangenismuseum op 17 mei 2005


Het voormalige gesticht, waarin nu het Gevangenismuseum gevestigd is. (collectie ® Gevangenismuseum)


Het boerschap 'Venehuisen'

Tot de negentiende eeuw heeft Nederland nog uitgestrekte en nauwelijks ontgonnen hoogveengebieden; onder andere in Drenthe. Op Coevorden na - de enige plaats met stadsrechten - zijn in deze provincie dan alleen kleine gehuchten te vinden. Deze ontstaan vanaf de zeventiende eeuw op plekken waar hoogveen ligt. Hier wint men op kleine schaal turf.

Zo ontstaat in het noordwesten van de provincie, nabij het dal van het riviertje de Slokkert, het boerschap 'Venehuisen'. De precieze stichtingsdatum is onbekend, maar er bestaat een achttiendeeeuwse kopie van een kaart uit 1639, die de verdeling van grond in het gehucht weergeeft. Deze kaart bewijst dat op dat moment vijf boerderijen op het grondgebied van het huidige Veenhuizen staan. Het handjevol boeren dat zich hier vestigt, probeert grootschalige, commerciële turfwinning op te zetten. Door onderlinge ruzies en financieel gebakkelei kunnen zij echter niet concurreren met grotere turfprojecten rond Assen en Groningen. Venehuisen blijft daarom tot in de negentiende eeuw bestaan uit een paar boerderijen en maximaal enkele tientallen bewoners

Over de eerste periode uit de geschiedenis van het boerschap is verder weinig bekend. Een Spaans kerkhofje zou aantonen dat een Spaans garnizoen het beekdal van de Slokkert heeft bezocht. Waarom en wanneer de Spanjaarden hier precies gelegerd waren, is niet zeker. Wel wil het volksverhaal dat een deel van de manschappen tijdens hun verblijf in het gebied aan cholera is bezweken en hier begraven ligt.


Johannes van den Bosch en het 'Hollands Siberië'

In 1822 neemt de geschiedenis van het gehucht een drastische wending. Het is vlak na de Franse overheersing. In Nederland gaat het op dat moment economisch slecht en veel mensen zijn zo arm dat ze niet in hun eigen levensonderhoud kunnen voorzien. Omdat hij vreest dat deze grote armoede de stabiliteit van het land in gevaar zal brengen, besluit generaal-majoor Johannes van den Bosch zich na een militaire carrière in Nederlands-Indië in te zetten voor de bestrijding hiervan. De oplossing is volgens hem werkverschaffing; wie niet in zijn eigen onderhoud kan voorzien, wordt op het platteland te werk gesteld en met orde en tucht heropgevoed tot beter mens. Zijn opvatting wijkt af van de dan geldende gedachte over armoedebestrijding, waarbij de armste mensen onderhouden worden door een liefdadigheidsinstelling zonder hiervoor iets terug te hoeven doen.

In 1818 richt Van den Bosch de Maatschappij van Weldadigheid op. In eerste instantie bouwt de Maatschappij kleine gemeenschappen of koloniën waarvoor gezinnen zich vrijwillig kunnen aanmelden en na wat landbouwonderwijs de beschikking krijgen over een lapje grond en een paar schapen en koeien. Zo ontstaan de dorpen Frederiksoord, Willemsoord en Wilhelminaoord in het zuidwesten van Drenthe. Het animo voor het harde en ordelijke leven in de vrije koloniën van de Maatschappij blijkt lager dan verwacht. Te weinig mensen besluiten er op eigen initiatief naartoe te gaan. En de allerarmsten die men in de steden het liefst ziet verdwijnen, blijven in de stad. De steden zijn dus ontevreden over het vrijwillige karakter en bepleiten gedwongen opvang voor wezen en bedelaars.

Daarop koopt de Maatschappij in 1822 drieduizend hectare grond van de boeren in Veenhuizen om een dwangkolonie voor de opvang en tewerkstelling van 4500 wezen en arme sloebers te beginnen. Veenhuizen is de tweede dwangkolonie van de Maatschappij; in 1819 is de eerste -Ommerschans - al opgericht. De Maatschappij heeft praktische redenen om deze twee dwangkoloniën in Drenthe op te richten; het gebied ligt ver van de grote steden, is slechts enkele maanden per jaar bereikbaar en dan alleen over de Zuiderzee en verder te voet of met de trekschuit. De rest van het jaar maken slechte weersomstandigheden dit onmogelijk. En dat is handig bij gedwongen opvang; als je er eenmaal bent, kom je er ook niet snel meer weg. Door zijn slechte bereikbaarheid zijn de koloniën van de Maatschappij in de volksmond 'Hollands Siberië gaan heten.


Afbeelding van het 1e gesticht in de kolonie Veenhuizen. (collectie Het Geheugen van Nederland)


In Veenhuizen is sprake van vergaande zelfvoorziening

In Veenhuizen begint de Maatschappij met de aanleg van een nieuwe infrastructuur. Bestaande bebouwing verdwijnt grotendeels en er wordt een serie kanalen gegraven: een kaarsrechte hoofdvaart met haaks hierop aan één zijde zes afwateringsvaarten (wijken). De wijken liggen steeds 750 meter uit elkaar. Deze wiskundig berekende structuur wordt een orthogonaal stelsel genoemd. Het is na de aanleg nooit meer veranderd. Oorspronkelijk wil de Maatschappij deze wijken ook aan de andere zijde van de hoofdvaart aanleggen, maar na een eerste aanzet dwingt geldgebrek de organisatie hiermee te stoppen. Na de aanleg van deze infrastructuur gaat men over tot de bouw van drie werkgestichten.

Dit zijn grote vierkante gebouwen rondom een binnenplaats van 125 bij 125 meter - ruim anderhalve hectare. De bouwmaterialen worden over de pas gegraven kanalen aangevoerd. Elk pand moet bijna vijftienhonderd mensen herbergen; in het eerste en derde gesticht wezen, in het tweede gesticht bedelaars. De Maatschappij bouwt vervolgens enkele kerken en gebedshuizen, die nog altijd te vinden zijn in de huidige dorpskern en langs de hoofdvaart. Het is niet zeker of de Maatschappij verder nog gebouwen in het dorp neerzette. Bouwsporen zijn er niet gevonden, maar er kunnen houten barakken hoeves en andere simpele hutten in de buurt van de gestichten gestaan hebben die verloren zijn gegaan.

Het leven in Veenhuizen speelt zich in deze periode volledig af in en rond de drie gestichten. In het dorp is sprake van vergaande zelfvoorziening; de dwangarbeiders werken op het land als onderdeel van hun heropvoeding en produceren vrijwel alle benodigde levensmiddelen voor zichzelf en de overige inwoners van het dorp. De oorspronkelijke bewoners van het boerschap zijn voor het grootste deel waarschijnlijk al vertrokken voordat de Maatschappij hier neerstrijkt, anderen vertrekken vrijwel zeker na de komst van de organisatie. Zij maken plaats voor de werknemers van de Maatschappij en de circa 4500 mensen die opgevangen worden.


Eigendom van de Staat

Financieel komt het ideaal van Van den Bosch nooit goed van de grond. Steden gebruiken Veenhuizen om er hun grootste probleemgevallen te dumpen. Het gevolg is dat de kolonie overstelpt wordt met mensen die de zware arbeid op het land niet aankunnen. Daarnaast mag Veenhuizen - evenals de andere koloniën van de Maatschappij - niet concurreren met marktpartijen in het westen van het land. Dit betekent dat het overschot van in Veenhuizen geproduceerde producten alleen op de markt verkocht kan worden als er geen winst gemaakt wordt. Het is een periode van voortdurend schipperen; zodra winst gemaakt wordt, moet de omzet gedrukt worden en als verlies geleden wordt, moet er geld bij.

Deze situatie leidt al snel tot financiële problemen en in 1830 moet de Maatschappij bij de overheid aankloppen voor een lening. Om de verliezen het hoofd te bieden, richt de Maatschappij na 1830 verschillende fabrieken op, waaronder een spinnerij en een blikslagerij. Hiermee hoopt zij meer grip te krijgen op de omzet. In 1855 zijn de schulden van de Maatschappij zo hoog opgelopen, dat een speciale staatscommissie op zoek gaat naar een oplossing. De commissie concludeert dat de verzorging van bedelaars en wezen in dwangkoloniën niet toebehoort aan een particuliere organisatie. Voor deze vorm van opvang zou de rijksoverheid exclusief verantwoordelijk moeten zijn. Op last van de commissie worden de vrije en onvrije koloniën gescheiden.

In 1859 komen de dwangkoloniën onder beheer van de rijksoverheid en de bijbehorende gronden en gebouwen worden eigendom van de Staat. De vrije koloniën - Frederiksoord, Willemsoord en Wilhelminaoord - blijven in handen van de Maatschappij. Voor Veenhuizen betekent dit een nieuw hoofdstuk in zijn historie.


Bedelaars, landlopers en dronkaars zag men als lieden die konden worden genezen van hun luiheid of onaangepastheid. (collectie ® Gevangenismuseum)


Bedelaars, landlopers, dronkelappen

In eerste instantie komt het beheer van Veenhuizen in handen van het ministerie van Binnenlandse Zaken. Dit ministerie zet de opvang van verpleegden - zoals de hier opgevangen armen en wezen in het jargon vergoelijkend werden genoemd - in eerste instantie voort in lijn met de opzet van de Maatschappij. Onder het ministerie valt de druk van winst of verlies weg; verlies kan gecompenseerd worden uit de staatskas. De enige bouwactiviteit in deze periode is de bouw van een nieuwe woning voor de hoofddirecteur. Dit landhuis, dat tegenwoordig de naam Klein Soestdijk draagt, wordt in 1864 opgeleverd en staat langs de hoofdvaart.

In 1869 besluit het ministerie van Binnenlandse Zaken te stoppen met de opvang van wezen en het regime van orde en tucht te verscherpen. Het ministerie vermoedt dat veel verpleegden zich expres laten opsluiten en zo genieten van een dak boven hun hoofd en een paar maaltijden per dag in ruil voor wat werk op het land. Dat het vermoeden van het ministerie klopt, blijkt uit het feit dat het aantal verpleegden met bijna de helft daalt. Als gevolg hiervan ontstaat een tekort aan arbeidskrachten. Dit doet het ministerie besluiten een deel van de landerijen om te vormen tot bosgebied. Hierdoor verdwijnt het weidse uitzicht over het voormalige kolonieterrein. Dit is de enige grote ingreep van het ministerie van Binnenlandse Zaken in Veenhuizen.

Begin jaren zeventig van de negentiende eeuw is er veel discussie tussen de Staten-Generaal en de regering over de vraag of Veenhuizen als dwangkolonie moet blijven bestaan. Men besluit het dorp te handhaven als inrichting voor de opvang van landlopers en bedelaars; twee zaken die in die tijd bij wet strafbaar zijn. Ter bekrachtiging van dit besluit gaat het beheer van Veenhuizen in 1875 over naar het ministerie van Justitie. Dit departement is immers belast met de uitvoering van het strafrecht in Nederland. In januari 1884 wordt Veenhuizen op grond van de nieuwe Gestichtenwet aangewezen als Rijkswerkinrichting. Dezelfde wet geeft het ministerie van Justitie de mogelijkheid bedelaars, landlopers, dronkelappen en andere criminelen in het Drentse dorp aan het werk te zetten.


Andere mensen zijn dan niet langer welkom

De overgang naar Justitie heeft verstrekkende gevolgen voor Veenhuizen. Het ministerie besluit het dorp om te vormen tot Justitiedorp met gevangenissen en werkgebouwen, personeelswoningen en gebouwen van algemeen nut - ziekenhuis, elektriciteitscentrale, scholen, brandweerkazerne, slagerij enzovoorts. Het is de bedoeling dat Veenhuizen geheel zelfvoorzienend wordt en Justitie haar personeel kan verplichten in het dorp te wonen. Andere mensen zijn dan niet langer welkom. Omdat Veenhuizen hiervoor op dat moment allerminst toegerust is, moet Justitie in korte tijd een dorp uit de grond stampen. Daarnaast zijn de gestichten toe aan vervanging. Ze verkeren in zeer slechte staat, omdat voor de Maatschappij van Weldadigheid kwaliteit ondergeschikt was aan prijs en bouwsnelheid.

In de huidige staat zijn ze niet geschikt als onderkomens voor de gedetineerden die het ministerie er wil onderbrengen. Voor deze enorme bouwopgave heeft het ministerie een eigen ingenieur-architect voor gevangenissen en regtsgebouwen: in eerste instantie is dat Johan Frederik Metzelaar. Hij wordt in 1883 opgevolgd door zijn zoon Willem Cornelis Metzelaar, die tussen 1884 en 1914 de bouwactiviteiten in Veenhuizen leidt. Hij levert de tekeningen voor gevangenissen, huizen, sociale voorzieningen, tuinen en parken en realiseert ruim honderdvijftig gebouwen, die door het gebruik van slechts enkele bouwtypes eenheid uitstralen. Het is deze uniformiteit, die tot de verbeelding spreekt en Veenhuizen uniek maakt. Nergens anders in ons land is op een dergelijke schaal een zo grote, tot in de kleinste details doorgevoerde eenduidigheid bereikt.

Metzelaar begint zijn bouwactiviteiten bij de oude gestichten. Het eerste gesticht wordt gesloopt en vervangen door de nieuw opgerichte Rijkswerkinrichting Norgerhaven. Na aanvankelijke sloopplannen besluit het ministerie van Justitie het tweede gesticht ingrijpend te verbouwen. Het wordt omgevormd tot werkgebouw bij de nieuwe Rijkswerkinrichting Esserheem. Een bijbehorend slaapgebouw in dezelfde architectonische stijl als inrichting Norgerhaven, verrijst op een steenworp afstand. Het derde gesticht blijft aanvankelijk in gebruik. In 1925 wordt het alsnog gesloopt. Voor dit pand komt geen nieuwbouw in de plaats. Pas na de Tweede Wereldoorlog zal Justitie aan de andere kant van de Hoofdvaart penitentiaire inrichting Groot Bankenbosch oprichten.


In Veenhuizen had men een tonnensysteem i.v.m. het ontbreken van riolering. De tonnen werden door verpleegden geleegd, voor lagere ambtenaren was er een deksel met gleufje op de plee, hogere ambtenaren hadden een deksel met gedraaide houten knop als statussymbool. (collectie ® Gevangenismuseum)


Ora et Labora

De opvallendste nieuwe gebouwen in Veenhuizen zijn niet de Rijkswerkinrichtingen of de gebouwen van algemeen nut. Deze panden hebben een relatief sobere architectuur, omdat de regering onmaatschappelijk gedrag niet wil belonen met fraaie onderkomens. Het zijn de woonhuizen van het Justitiepersoneel waar architect Metzelaar zich op uitleeft. Hij stelt een woningbouwprogramma op, dat de hiërarchie binnen het ministerie weerspiegelt. Overal in het dorp zijn deze woningen te zien. De locatie van een woning, de vorm, de grootte en de tuinaanleg verraden de sociale status van de bewoner. De gewone arbeider woont in een rijtjeshuis of een kleine vrijstaande woning, herkenbaar aan een cijfer of nummer in hardsteen op de zijgevel.

Hogere functionarissen krijgen dubbele woningen met stichtelijke teksten op de gevels. Deze moraliserende opschriften verwijzen naar de functie van de bewoner. Zo woont de molenaar in Maallust, de hoofdonderwijzer in Leering door Voorbeeld en de huismeesters in gebouwen als Controle, Orde en Tucht en Werk en Bid - wat verwijst naar het Latijnse Ora et Labora maar dan in plaatselijke volgorde: arbeid komt hier voor het geloof. Het meest opvallende type woning is bestemd voor de hoogste ambtenaren. Dit zijn witgepleisterde huizen van twee verdiepingen, versierd met roodbakstenen banden. Als variant op dit type bouwt Metzelaar een directiehotel op de hoek van de hoofdvaart en de Generaal van den Boschlaan, waar de hoge Haagse heren kunnen overnachten als zij op inspectie komen.

Verspreid over de uitgestrekte gronden rond het dorp, bouwt Metzelaar boerderijen en hoeves. Justitie verpacht deze aan boeren, die verplicht zijn gedetineerden in dienst te nemen. Meest bijzonder is de middenhuis-boerderij, een type dat Metzelaar speciaal voor deze streek ontwikkelt en dat ook alleen in Veenhuizen voorkomt. Het is een boerderij waarvan het woongedeelte ingeklemd ligt tussen twee stallen. De stal aan de ene kant van de woning is bestemd voor landbouw en die aan de andere kant voor veeteelt.

Stedenbouwkundig doet Metzelaar weinig aan het dorp. De Justitiearchitect maakt handig gebruik van de infrastructuur die door de Maatschappij van Weldadigheid is aangelegd. Hij bouwt de nieuwe Rijks-werkinrichtingen op of vlak naast de oude gestichten. Woningen en gebouwen van algemeen nut plaatst hij langs de bestaande kanalen. De meeste huizen komen langs de hoofdvaart en de vijfde wijk.


De status van rijksmonument

Na de grote bouwdrift van het ministerie van Justitie komen de bouwactiviteiten in Veenhuizen in 1914 vrijwel stil te liggen. In 1928 vindt nog een verbouwing van het tweede gesticht plaats onder leiding van de Rijksgebouwendienst, die het beheer van de Justitiegebouwen in Veenhuizen in 1924 op zich neemt. De enige noemenswaardige nieuwbouw in deze periode is een cellencomplex, dat in de Tweede Wereldoorlog ten westen van het tweede gesticht gebouwd wordt. Tot midden jaren tachtig van de twintigste eeuw blijft Veenhuizen een gevangenisdorp waar niemand mag komen. Dan, onder invloed van bezuiniging en concentratie, gaat Justitie zich volledig richten op haar kerntaak: opvang van gedetineerden in gevangenissen.

De werkinrichtingen worden gewone strafinrichtingen en het ministerie trekt zich terug uit het sociale leven. Het dorp wordt toegankelijk voor publiek. Panden worden verkocht of komen leeg te staan. Om schaalvergroting in de landbouw mogelijk te maken, dempt het Rijk een aantal wijken. Ook een deel van de intussen meer dan honderd jaar oude bossen moet wijken voor eenzijdige productiebossen. Nieuwe woonwijken worden buiten het orthogonale stelsel gebouwd, waardoor het strakke lineaire karakter van het dorp vervaagt.In de jaren negentig zien verschillende partijen in dat Veenhuizen in verval raakt en dat een dorp met een unieke eenheid op sociaal, stedenbouwkundig en cultuurhistorisch gebied verloren dreigt te gaan.

Er staat 20.000 vierkante meter onroerend goed leeg, er is maar één grote werkgever (Justitie) en er wonen nog geen 3000 mensen - circa 1150 inwoners, circa 800 gedetineerden en evenzoveel personeelsleden. De Rijksgebouwendienst (beheerder van overheidsgebouwen), het ministerie van Justitie (de enige grote werkgever in het dorp), de provincie Drenthe en de gemeente Noordenveld (waaronder Veenhuizen valt) steken de koppen bij elkaar om het dorp te redden. Als belangrijk begin krijgen veel van de panden in het dorp de status van rijksmonument. Men vraagt tevens de status van beschermd dorpsgezicht aan bij de Rijksdienst voor de Monumentenzorg. Deze status zal het dorp als geheel in de toekomst een wettelijke bescherming opleveren.


Het kanaal was van grote betekenis en met de ‘Kolonievaart’ kreeg Veenhuizen een vaarverbinding met de bewoonde wereld. (collectie ® Gevangenismuseum)


Het behouden van de eenheid en uniformiteit van Veenhuizen

Met steun van Rijk, provincie en gemeente wordt in 2002 het Ontwikkelingsbureau Veenhuizen opgericht. In het Ontwikkelingsbureau bundelen partijen hun krachten om versnippering in het beheer van de gebouwen - ontstaan door de verkoop van panden zonder voorwaarden te stellen aan onderhoud en behoud van karakteristieke bouwkenmerken - tegen te gaan. Daarnaast probeert het bureau voor het dorp economisch aantrekkelijke activiteiten te vinden om zo een vitale toekomst voor Veenhuizen te garanderen en wordt via het bureau gewerkt aan een beheerplan om de uniformiteit van het dorp te behouden. Het Ontwikkelingsbureau heeft al enkele successen geboekt.

Particulieren zijn zich bewust geworden van hun rol in het behouden van de eenheid en uniformiteit van Veenhuizen. En ook de rijksoverheid bouwt nog steeds in het dorp. Zo heeft de Rijksgebouwendienst een aantal nieuwe panden gebouwd voor Justitie. Een voorbeeld hiervan is het nieuwe arbeidscomplex voor gevangenis Esserheem, dat langs de Eikenlaan vlakbij het voormalige hospitaal is gebouwd. Een ander voorbeeld is de renovatie van de voormalige Rijkswerk¬inrichting voor vrouwen uit 1889 - in 1906 al omgebouwd tot werkgesticht voor penitentiaire inrichting Norgerhaven - tot clusterkantoor voor het ministerie van Justitie. Ook op economisch gebied zijn er de laatste jaren interessante ontwikkelingen waar te nemen in Veenhuizen.

Zo ligt er een plan het oude hospitaal om te bouwen tot Hospitaal voor Goede Zorg - waar een vorm van vraaggestuurde zorg en revalidatie aangeboden zal worden. In 2004 is de Nieuwe Akker van start gegaan; een stichting die zich bezighoudt met het telen van vergeten en verdwijnende rassen consumptiegroenten. Ook heeft een nieuw museum met landelijke allure zich in Veenhuizen gevestigd het Gevangenismuseum. Na een ingrijpende verbouwing is dit gehuisvest in het voormalig tweede gesticht. Het zijn de eerste tekenen van een nieuwe toekomst voor Veenhuizen als gewone gemeenschap die toevallig ook drie gevangenissen binnen haar grenzen heeft.

Vooral de komst van het museum kan een aantrekkende werking hebben op nieuwe initiatieven. Of deze ontwikkelingen Veenhuizen nieuw leven inblazen, is niet op voorhand te zeggen. Belangrijk is, dat men blijft streven naar harmonie tussen het bestaande karakter en nieuwe initiatieven. En het is niet erg als nieuwe activiteiten hun stempel op het dorp drukken. Elke periode in zijn geschiedenis heeft immers bijgedragen aan het huidige beeld van Veenhuizen.


Een bezoek aan het Drentse dorp Veenhuizen is in vele opzichten een bijzondere ervaring. De geschiedenis van Veenhuizen als detentiedorp is onlosmakelijk verbonden met de gebouwen die in het dorpje staan en met de expositie in het Gevangenismuseum.

Bezoek ter oriëntatie hier de website van het Gevangenismuseum



Meer informatie over de geschiedenis van Veenhuizen en het gevangeniswezen vind u in het in de bronvermelding genoemde boek en in het zeer interessante boekwerk:

“Wat heeft u hier te zoeken…, fragmenten uit heden en verleden”. Uitgave 2010 Nationaal Gevangenismuseum, Veenhuizen. Naar een idee van en samengesteld door Ben Trip, Vries. Druk: Koninklijke Van Gorcum, Assen. ISBN: 978-90-815892-1-5





© 2006-2009 www.mijn-eigen-website.nl