In en om Assen



Alfred Karel Maria Hafkenscheid


'Pinethum', 2003. Olieverf /doek, 120 x 100 cm.


Info op woestenledig d.d. 9 maart 2012

In Drenthe wordt niet langer weggekeken

In deze tijden van populisme zou je het bijna elitair noemen, het besluit de Culturele Prijs van Drenthe aan Alfred Hafkenscheid toe te kennen.Want laten we wel wezen: het grote publiek heeft niets met het werk van de kunstschilder uit Schipborg. Het Drents Museum en een aantal gemeenten, de kunstcommissies van de overheid, ja, die. Maar Berend en Aaltje uit Nieuw-Balinge willen geen Confrontatie, Suïcide, Leven en dood of Drie zittende figuren (foto) boven de bank. En waarom niet? Het antwoord op die vraag wordt gegeven in een vorig jaar gepresenteerde documentaire van Lydia Tuijnman. Daarin worden Kees van Twist en Gerard Nijenhuis een ruimte binnengeleid waar een aantal werken van Hafkenscheid hangt. Zegt Van Twist: "Lelijkheid kan zeker schoonheid bezitten, maar zó afschuwelijk hoeft van mij nu ook weer niet." En Nijenhuis: "Dit is zo gruwelijk, ik moet wel wegkijken."

We willen alles meemaken en overal over meepraten. Maar als de kunst een beetje onaangenaam wordt of doet, dan wenden we ons gezicht liever af. Het is zijn belangrijkste bijdrage aan de kunst in Drenthe. Alfred Hafkenscheid (Nederlands Indië, 1936) schildert niet om te behagen, maakt geen kunst met winstoogmerk, geen werk voor de massa. In de provincie waar de schoonheid van het landschap het allerhoogste goed is – een marketing tool, een unique selling point – toont Alfred Hafkenscheid een wereld die we liever niet zien. Hoe die wereld eruit ziet, werd vijf jaar geleden duidelijk in de galerie van Warenhuis Vanderveen in Assen. In zijn landschappen verbeeldde Hafkenscheid eenzaamheid, vervreemding en angst. "Desolate en kille vergezichten met afgezaagde bomen onder een dreigende hemel", noteerde Dagblad van het Noorden-cricitus Illand Pietersma. En over het mensbeeld: "Iedereen staart langs elkaar heen en leeft binnen een in zichzelf gekeerde, eigen wereld."

Ter gelegenheid van zijn 75ste verjaardag verscheen vorig jaar een monografie. Criticus Frans van der Veen typeert Hafkenscheid in dat boek als ’een langzaam schilder’. Hij schat dat het oeuvre uit tweehonderd schilderijen bestaat, merendeels doeken van kapitaal formaat. Ze zijn te verdelen over vier periodes: tot 1982 landschappen, tot 1989 poppen en clowns, tot 2009 vervormde mensfiguren en sindsdien ’gedempte dramatiek’. Conservator Harry Tupan van het Drents Museum in het voorwoord: "Het werk van Hafkenscheid is niet eenvoudig te doorgronden. Het gaat de schilder in eerste instantie niet om het hoe, maar om het wat. Het werk is zwaar en monumentaal. De inhoudelijke kracht is sterk voelbaar en zet de beschouwer onmiddellijk aan het denken. (…) Die zwaarte is ook de reden dat veel beschouwers moeite hebben het werk direct op zijn merites te beoordelen."

In de eerder genoemde documentaire zoomt Tuijnman in op de laatste twintig jaar, als vervreemding en ontluistering in de schilderijen de boventoon krijgen. De fascinatie van Hafkenscheid voor lelijkheid en gruwelen heeft te maken met zijn jeugd in jappenkampen, zo komen we te weten. Toch is het geen trauma-kunst. Waar het de kunstenaar om gaat is de intensiteit van de achterkant. Simpel gesteld: de Drentsche Aa kan ons ontroeren, maar de bewoners van Dennenoord kunnen dat ook. Juist daarom is wegkijken niet toegestaan. We mogen van Hafkenscheid geen genoegen nemen met een halve werkelijkheid. Drie keer eerder ging de Culturele Prijs naar een kunstschilder. E.B. von Dulmen Krumpelmann (1957), Klaas Smink (1968) en Evert Musch (1985) gingen Alfred Hafkenscheid voor. Na drie keer jubelen in Drenthe volgt nu een tegengeluid.



De oorlog heeft zijn verdere leven getekend.

Bron: 101 markante Drenten van Maxine Robeta Hilbrandie - Meijer; uitgeverij Moordboek, 2001

Alfred Hafkenscheid is geboren in Nederlands - Indië op 29 februari 1936. Vader Hafkenscheid was er planter en werkte op verschillende plantages. In de oorlog is hij tewerkgesteld aan de Birma spoorweg en stierf eraan in 1943. Met zijn moeder en zusjes heeft Alfred de oorlog doorgebracht in diverse jappenkampen. Na de oorlog is de familie naar Nederland op transport gesteld.

In de oorlogsjaren al kwam zijn artistieke aanleg aan het licht. Hij was in het kamp aan het tekenen geslagen vooral naar voorbeelden uit de omringende natuur. De oorlog heeft zijn verdere leven getekend. Een normale schoolopleiding had hij door de oorlog niet gevolgd. Misschien is daardoor te begrijpen dat hij als kunstenaar autodidact is.

Na de militaire dienst in 1960 besloot hij om kunstschilder te worden. Het werd sappelen. In 1968 kwam hij naar Drente en vestigde zich in een zomerhuisje te Schipborg. Hij kreeg de kans om bij restaurateur Jelle Otter te gaan werken, die zich in die tijd bezighield met de restauratie van muurschilderingen. Onder zijn leiding werkte Alfred aan de restauratie van een aantal kerken in Friesland en in de achterhoek.

In de Martinikerk te Groningen werkte hij mee aan het blootleggen en restaureren van de talrijke muurschilderingen uit de dertiende tot en met de zestiende eeuw.Vooral van het restauratiewerk in het koor van de voorstelling van het Laatste Oordeel en de veertien scénes uit het leven van Christus genoot Alfred erg.

Toen Otter het Noorden verliet was Hafkenscheid weer op zichzelf aangewezen. Het positieve daarvan was dat hij zich helemaal kon richten op het vrije schilderen. In 1971 werd hij toegelaten tot de Beeldende Kunstenaars Regeling. Tegen een vergoeding van een bepaald bedrag per maand moest hij kunst leveren. Dit legde een te grote druk op zijn werktempo. Zijn schilderen was vooral gericht op inspiratie en dat vergt tijd.

Daarnaast is hij zeer onzeker over het resultaat; hij schaaft het bij en bij, zowel in de voorstelling als in het kleurenscala.
Gelukkig voor hem werd de regeling later iets versoepeld. Hafkenscheid werkt altijd op groot formaat, waarin de landschappen of de figuren bijna altijd tegen een achtergrond van grijsgroene tinten gesitueerd zijn. Zijn onderwerpen hebben te maken met het verleden en dat is verankerd in een oorlogssituatie. Hij heeft al geruime tijd te lijden onder het zogenaamde kampsyndroom.

Hij is introvert, treedt niet graag naar buiten. Zijn angsten projecteert hij in de personen op zijn schilderijen of in het desolate landschap. Het zijn beklemmende beelden, interessant voor het museum, maar niet geschikt boven het dressoir. Hij heeft een serie werken gemaakt naar een gedicht van Martinus Nijhoff over Pierrot, de melancholieke figuur uit de Commedia dell' Arte. Hij had de keuze uit vele karakters, maar koos natuurlijk voor de tragische figuur van Pierrot


Info op 'Het Centrum voor Beeldende Kunst Drenthe'

In de CBK Drenthe Galerie/Vanderveen te Assen werd in een groot overzicht, werk van Alfred Hafkenscheid uit de afgelopen vijfentwintig jaar getoond.

Begin jaren zestig werkte Alfred Hafkenscheid (Blitar, Indonesië, 1936) in Hilversum als schilder bij een scheepsbouwer. Een groot deel van zijn vrije tijd besteedde hij aan het maken van schetsen en tekeningen in de directe omgeving. In de voetsporen van de door hem indertijd zeer bewonderde Vincent van Gogh maakte Hafkenscheid in 1966 meerdere tochten door Drenthe. De omgeving van Gieten en Anloo bleek een zo grote inspiratiebron dat hij in ’68 besloot om hier een zomer lang te gaan schilderen. Het was de start van een verblijf in Drenthe dat tot aan de dag van vandaag voortduurt. Hafkenscheid is nooit meer weggegaan.


Eind jaren zestig.

Een jongensboek: een zomer schilderend doorbrengen in de omgeving van Anloo, de stal naast de boerderij als werk- en verblijfplaats, het geld dat opraakt, de buurman in de pastorie die kerkrestaurateur blijkt te zijn en personeel zoekt. Drie dagen in de week kon hij aan het werk als kerkschilder in Noord-Nederland. Onder andere restaureerde hij de muurschilderingen in de Martinikerk te Groningen en de Bergkerk te Deventer. De overige twee werkdagen vulden zich met het tekenen en schilderen in de natuur.
Vanaf 1970 werd Hafkenscheid opgenomen in de BKR. Dit maakte het voor hem mogelijk om zich volledig te richten op zijn kunstenaarschap. “Als kunstenaar verbonden met de kunst te kunnen leven en werken: De keus voor het vrije werk voelde indertijd als een roeping”, aldus Hafkenscheid.

Maar tegenover de voordelen van de financiële ondersteuning vanuit de BKR stond de zogenaamde “tegenprestatie”. “Er was in Drenthe toen, in tegenstelling tot wat er in de Randstad later wel gebeurde, sprake van een grote strengheid. Men moest een echte prestatie leveren om via de BKR zijn inkomen te verdienen. Vooral de tijdsdruk bleek lastig. Elke maand moest er nieuw werk worden ingeleverd, wat gezien mijn werkwijze voor grote druk zorgde.

Ik werkte voortdurend onderzoekend aan meerdere doeken tegelijk en dan moesten er steeds weer op een bepaalde dag schilderijen helemaal af zijn om te worden ingeleverd, terwijl ik er eigenlijk nog aan wilde doorwerken ….” Uiteindelijk werd Alfred Hafkenscheid door de provinciale selectiecommissie in staat gesteld om zijn eigen ritme van inleveren te bepalen.

Het landschap bleef lang zijn inspiratiebron. Vooral het beekdallandschap rond Anloo met haar coulissen fascineerde hem. “Om een eigen verhaal aan een landschap te geven moet je erg veel uit jezelf halen. Vroeger had ik als inspiratie de buitenwereld om me heen nodig”. Voor Hafkenscheid werkte het landschap als onderwerp als de verbeelding van wat er zich in zijn innerlijk afspeelde. “Eenzaamheid, vervreemding en angst waren elementen die ik wilde verbeelden. Een innerlijk landschap met een eigen beeldtaal ontstond, een mensbeeld verbeeldt als landschap”. Als expliciet voorbeeld van werk uit deze periode hangt op de expositie een reusachtig doek uit de jaren tachtig. Een horizon met daarboven een onnatuurlijk rood gekleurde lucht die op de beschouwer afkomt als een immense dreigende wolk.

Het wekt geen verbazing dat hij uiteindelijk uitkomt bij de directe verbeelding van de mens, en dan vooral de naakte en kwetsbare mens. De mens als onderwerp in zijn schilderijen heeft hij niet meer losgelaten. Zijn schilderen wordt een wijze van het vertellen van een persoonlijk verhaal door middel van beelden. Maar dan wel versluierd, zoals hij zelf aangeeft: “Het schilderen is de taal die ik moet spreken. Ik werk intuïtief. Ik bedenk niet veel, het komt op me af. De beelden komen op me af. Ze komen voort uit de wisselwerking tussen mij en de wereld waarin ik leef.

Tijdenlang gaat dat dan goed. Maar er zijn ook andere tijden, dode tijden, dan wil het niet, dan dient zich niets aan. In het begin moest ik leren om daar mee om te gaan. Met het verstrijken van de jaren heb ik meer mijn weg gevonden, weet ik beter wat ik wil. Vroeger werkte ik ook veel 's nachts, vanwege de stilte en het dieper kunnen doordringen in mezelf. De diepste roerselen moet je voor jezelf houden Dat is het geheim waar de beelden uit voort komen. Die beelden kun je prijs geven zonder het geheim te verraden.”


Wat bij een bezoek aan de expositie onmiddellijk opvalt, is de wijze waarop Hafkenscheid zijn werk inlijst. De lijsten blijken een onlosmakelijk bestanddeel van het werk en van de werkwijze van de schilder uit te maken. Daar waar menig schilder pas na voltooiing een lijst aan zijn schilderij toevoegt, werkt hij vanaf het eerste stadium aan doeken die al zijn ingelijst. “Die lijst is voor mij van groot belang. Zo wordt het doek afgebakend van de grote ruimte die haar in mijn atelier omringd. De lijst vormt voor mij een neutrale zone tussen het doek en haar omgeving. De lijst biedt me ordening en houvast, juist datgene waaraan ik tijdens het werken grote behoefte heb.”

Ondertussen heeft Hafkenscheid op talloze plaatsen geëxposeerd en is zijn werk in vele kunstcollecties vertegenwoordigd. Zijn werklust is onverminderd groot. Hij is vrijwel altijd in zijn atelier te vinden. Een bezoek aan dat atelier werkt als een tijdmachine. De levenssfeer waarmee Hafkenscheid zich omringt herinnerd nadrukkelijk aan de negentiende eeuw.

Het is goed zichtbaar dat hij van voorwerpen houdt die een verleden hebben; er moet een geschiedenis en leven inzitten.
Maar net zo opvallend als de sfeer van het atelier waarin de schilderijen ontstaan, is de actualiteit die de schilder Hafkenscheid vervolgens in die schilderijen weet weer te geven. Hij is gefascineerd door het heden en leeft nadrukkelijk in het nu. Met de plaats van de schilderkunst binnen de beeldende kunst in de afgelopen decennia heeft hij zich naar eigen zeggen nooit bezig gehouden. “Mij gaat het alleen om het verbeelden van wat ik te zeggen heb. Het moet er domweg uit.”


Info op rtv-Drenthe d.d. 22 december 2011


Documentaire Hafkenscheid in première



In museum De Buitenplaats in Eelde is woensdagavond de documentaire Hafkenscheid in première gegaan. De co-productie van RTV Drenthe en Stichting Beeldlijn over de Drentse schilder Alfred Hafkenscheid werd door het aanwezige publiek met veel enthousiasme ontvangen. De film van Lydia Tuinman geeft een beeld van de eigenzinnige schilder uit Schipborg die opgroeide in verschillende Jappenkampen. Het werk van Hafkenscheid is niet heel toegankelijk. Hij schildert vaak naakte, vreemde figuren en desolate landschappen. RTV Drenthe zendt de documentaire Hafkenscheid tweede kerstdag en op donderdag vijf januari een aantal keren uit.


Info op woestenledig d.d. 24 december 2011


Intens leven met Alfred Hafkenscheid

Gerard Nijenhuis bekijkt schilderijen van Alfred Hafkenscheid uit Schipborg (Java, 1936). "Oh nee", zegt de dichter uit Bronneger. "Dit is mij te erg. Hier kan ik niet naar kijken. Dit is zo gruwelijk, ik moet wel wegkijken. Dat heb ik met televisie soms ook." Gevolgd door museumdirecteur Kees van Twist, nog voor zijn val: "De lelijkheid kan zeker schoonheid bezitten, maar zó afschuwelijk en gruwelijk hoeft van mij nu ook weer niet."

Nijenhuis, Van Twist, maar ook publicist Diederik Kraaijpoel, museumdirecteur Geert Pruiksma en vele anderen hebben een bijdrage geleverd aan de documentaire Hafkenscheid van regisseur Lydia Tuijnman. Woensdagavond ging de film – een waardig, nee, voortreffelijk portret – in première in museum De Buitenplaats in Eelde. In aanwezigheid van tout kunstminnend Drenthe, de kunstschilder zelf en diens vrouw Giny.

Het was Beeldlijn-baas Lejo Siepe die het idee voor een documentaire lanceerde: "Ik kwam zijn naam tegen via Google en werd getriggerd door zijn Francis Bacon-achtige schilderijen." RTV Drenthe bracht Siepe in contact met regisseur Tuijnman: "De naam Hafkenscheid was mij relatief onbekend, maar na het zien van zijn werk dacht ik: ‘Hij heeft vast veel te vertellen.' " Het Mediafonds werd aangeschreven en Tuijnman kon over 120.000 euro beschikken. "Ik heb nog nooit zoveel tijd en geld gehad om mij uit te leven."

Eind 2009 gingen regisseur en crew aan de slag, afgelopen zomer was Hafkenscheid klaar. Tuijnman filmde in zijn atelier bij zijn huis in Schipborg, ze filmde hem in de keuken en in het landschap van de Drentsche Aa, in het Tropenmuseum in Amsterdam, in het Gemeentemuseum van Den Haag. Ze sprak kenners en volgers, strikte componist Renger Koning voor een mooie, passende score en liet cameraman Martijn Pot 42 uur film schieten waar Sytse Kramer de schaar in mocht zetten.

In de openingsscene zien we Hafkenscheid zelf met een schaar. Hij knipt ongemakkelijke foto's uit Dagblad van het Noorden. Verwaarloosde gebitten, dode lichamen in den vreemde, misvormingen. Studiemateriaal en inspiratie voor zijn beklemmende schilderijen die de mens in zijn meest ongemakkelijk toestand laat zien. Het werk van Hafkenscheid heeft de uitstraling van een neutronenbom, is wel gezegd. Keihard geschilderd, volgens conservator Harry Tupan.

Het vreemde is, dat de maker ervan lijkt te genieten. Zijn liefde voor het mismaakte is hartstochtelijk. En de manier waarop hij erover vertelt, is blijmoedig. Op het terrein van Dennenoord in Zuidlaren wijst erop dat de gekken tegenwoordig niet meer zo ‘mooi' kunnen lopen als vroeger. Een kwestie van medicijnen, vermoedelijk. Bij een bezoek aan een tentoonstelling met werk van de nihilist Francis Bacon is de eerste reactie er een van goedkeuring.

Hoe dat kan, wordt iets duidelijker aan de keukentafel, waar vrouw Giny voorleest uit brieven die moeder Hafkenscheid begin jaren veertig schreef aan haar afwezige man. Idyllische jeugd in 'ons' Indië. Jappenkamp. Birma-spoorlijn. Hafkenscheid laat een schetsboekje zien dat hij als kind heeft gemaakt. "Tekenen was een manier om dichter bij jezelf te zijn. Het stelde je in staat een eigen wereld te scheppen", vertelt hij met een zenuwachtig kuchje. Verdere vragen worden met schroom uit de weg gegaan. "Het is iets voor je zelf."

Kunstkenner Frans van der Veen waarschuwt voor te eenvoudige conclusies. Want: er zijn kunstenaars met een trauma die de vrolijkheid schilderen. En: er zijn kunstenaars zonder oorlogsverleden die wereld verbeelden als iets vreselijks. Van der Veen wijst op het onmiskenbare mededogen in de schilderijen van Hafkenscheid. Deze schilder neemt geen wraak via het witte doek. Deze schilder wil ons iets heel anders duidelijk maken.

Het verlossend antwoord komt op de valreep van Hafkenscheid zelf. De intensiteit van het leven, daar draait alles om. Toen Lydia Tuijnman, bij Alfred Hafkenscheid thuis, een beeld kreeg van diens werk, liepen de tranen haar over de wangen. Voor de schilder vormde dát het bewijs, dat hij met deze regisseur in zee kon gaan. Zijn eerste reactie, woensdagavond, na de eerste vertoning, sprak boekdelen. Tuijnman: "Alfred pakte na afloop mijn hand. En daar ben ik heel blij mee."


Uitzending

In maart 2012 volgt vertoning van de documentaire Hafkenscheid tijdens het Internationaal Film Festival Assen. De dvd is te koop via stichtingbeeldlijn.nl







© 2006-2009 www.mijn-eigen-website.nl