In en om Assen





Het ontstaan van de Drentse havezaten


Bronvermelding:
Drentse havezaten; Ir. G. Ter Braak; 1e druk 1985


Landhuis De Klencke, Oosterhesselen (foto Rijksdienst voor de Monumentenzorg)


Een aantal Drentse havezaten is ontstaan uit een leengoed


Het gebied Drenthe behoorde kerkelijk gezien bij het Bisdom Utrecht, dat omstreeks 695 ontstond. Vanaf 779 werden pogingen ondernomen de bevolking in dat gebied tot het Christendom te bekeren. De Duitse vorsten benoemden, voor zover bekend, achtereenvolgens de Graaf van Salland, de Graaf van Saksen en de hertog van Neder-Lotharingen tot Graaf van Drenthe. Geleidelijk aan was de Bisschop van Utrecht steeds machtiger geworden. Hij liet zijn invloed gelden in de Graafschap Drenthe. Omdat de Duitse vorst verzekerd wilde zijn van de steun van de kerk, schonk hij in 944 het jachtrecht van Drenthe, aan de Bisschop van Utrecht.
Bovendien werd het beheer over de uitgestrekte woeste gronden van Drenthe en het gebruik ervan, aan de Bisschop geschonken.

Vanaf het begin van de 11e eeuw werden de leenmannen van de Duitse vorsten steeds machtiger. Dit bleek uit het feit dat de Graven en hertogen zich hun leengoed toe-eigenden. Het werd beschouwd als een erfrecht. Zo kwam de Graafschap Drenthe in handen van de Hertogen van Neder-Lotharingen. Om deze ontwikkeling een halt toe te roepen nam de Duitse Keizer Hendrik 2e het besluit om de Graafschap Drenthe in leen te geven aan de Bisschop van Utrecht, waardoor het leengoed Drenthe niet langer zou vererven. Uiteindelijk werd de schenking pas in 1046 van kracht, toen de Bisschop van koning Hendrik 2e de grafelijke macht over Drenthe kreeg. Kort daarvoor had dezelfde koning uitgebreide bezittingen in Drenthe aan de Bisschop geschonken. Hiervoor was de Bisschop behalve kerkelijk vorst en Graaf van Drenthe, eveneens grootgrondbezitter geworden.

Het beheer over het Bisschoppelijk bezit werd op verschillende manieren gerealiseerd. Enige bezittingen werden geschonken aan godsdienstige instellingen; zoals de Hof van Uffelte, dat toekwam aan het Kapittel van Sint Pieter. Andere hoven hield de Bisschop in eigen beheer; bijvoorbeeld de Hof te Emmen waar horigen de grond bewerkten. Een groot deel der landerijen werd door de Bisschop aan familieleden geschonken of in leen gegeven. Zo zien we vanaf de 12e eeuw dat het geslacht van Coevorden en daarna de hiervan stammende geslachten van Anssen en van Echten hun erfgoed beheren.

Naast de Bisschoppelijke bezittingen waren er vele landerijen in vrij eigendom. In het Noorden van Drenthe waren de invloedrijke Ridders van Peyse en van Eelde heer en meester over hun grootgrondgebied. Menigmaal kwamen zij tegen de Bisschop in opstand. Andere grondbezitters waren niet zo sterk en machtig. Als ‘goed onderdaan’ voelden zij zich verplicht hun landerijen aan de Bisschop te schenken, waarna zij het goed in leen terug ontvingen. Zo werd de Oldenhof te Ruinen in de 12e eeuw aan de Bisschop opgedragen en werd de Heer van Ruinen leenman van het Sticht.

De leenman had het alleenrecht over de inkomsten van zijn leengoed, echter over zijn leen had hij geen beschikking. Hij mocht bijvoorbeeld zijn leengoed niet verpanden of bij testament vermaken. Hierin kwam in de late middeleeuwen verandering. Het leengoed mocht vererven op de oudste mannelijke afstammeling. Omstreeks 1500 werd het mogelijk dat een vrouwelijke afstammeling het leengoed erfde. De plichten behorend bij een leengoed moesten worden vervuld door een vertegenwoordiger, de ‘hulde’, meestal de echtgenoot van de erfgename. De rechten van de leenman ten aanzien van zijn leengoed werden in de loop der tijden gelijk aan eigendoms rechten. Diegene die van oudsher vrije bezittingen hadden en zij die als gewezen leenman gronden in eigendom hadden behoorden tot de ‘eigenerfden’ van Drenthe.

Deze eigenerfden, of te wel vrije boeren, waren te onderscheiden in gewone grondbezitters en grondbezitters van adellijke komaf.
Hierdoor zou deze groep later gesplitst worden in ‘Eigenerfden’ en ‘Ridderschap’ . Behalve de eigenerfden waren er in Drenthe lieden die van oorsprong horig, of onvrij waren. Vanaf de 14e eeuw werd geleidelijk aan de horigheid opgeheven. De gronden die de onvrijen hadden bewerkt werden daarna hoofdzakelijk verpacht aan deze voormalig horigen. Zij vormden de groep pachters in Drenthe.

Een aantal Drentse havezaten is ontstaan uit een leengoed; bijvoorbeeld Batinghe, het grootste deel evenwel ontstond uit een gewoon landgoed in vrij bezit; zoals de Havixhorst. Wat zij echter gemeen hadden, was dat ze eigendom waren van een edelman. Door het bezit van een havezate had deze enkele rechten, waaronder:


-          Recht van wind (molens)
-          Recht van duivenslag (duiventillen)
-          Recht van zwanendrift
-          Recht van hout (bosbouw)


Naast deze rechten bestond het recht van prebende en collatie. Het recht van prebende, behorende bij een havezate, mocht niet door de eigenaar zelf benut worden. De prebende, de uitkering van het klooster, schonk hij daarom aan een naast familielid. Het recht van collatie was een onderdeel van het patronaatrecht. Dit recht werd geschonken aan diegene die bijvoorbeeld een kerk stichtte of fondsen beschikbaar stelde voor erediensten. Had iemand het collatierecht dan kon hij kerkelijke ambten schenken, met daaraan verbonden inkomsten. Eveneens had hij medezeggenschap in de benoeming van onderwijs functionarissen.

Hoewel de Drentse edelen sinds 1400 werden aangeduid met ‘de Ridderschap’, was er, met betrekking tot maatschappelijke status of politieke invloed, geen onderscheid met de andere grondbezitters. Bovendien was de Drentse adel niet juridisch gedefinieerd. Het zou nog 200 jaar duren eer zij een geprivileerde, staatsrechtelijke positie kreeg.

Sedert 1536 zien wij naast de ‘Etstoel’ de Ridderschap optreden. Het was niet eenvoudig om toe te treden tot de Ridderschap omdat een algemeen reglement ontbrak. Zo kon steeds om andere redenen een aanvrage tot toetreding worden afgewezen. In 1617 werd een aantal toelatingseisen vastgelegd. Men moest uit een adellijk geslacht stammen, een erkende havezate bezitten en woonachtig zijn in de Landschap. Juist in die tijd werden vele erven gesplitst dan wel geheel of gedeeltelijk verkocht.

Hierdoor nam ook het aantal havezaten toe. Zo konden steeds meer Drentse edelen voldoen aan de eis dat zij in het bezit waren van een havezate en dus worden toegelaten tot de Ridderschap. Vandaar dat de Staten in 1618 deze ontwikkeling een halt toeriep door te bepalen dat, wilde de eigenaar toetreden tot de Ridderschap zijn erf een minimale grootte moest bezitten. Later zou gesteld worden dat het onroerend goed minstens een waarde moest vertegenwoordigen van fl. 1800,-. Voldeed het bezit niet aan deze eis dan werd de havezate ‘grasvellig’, failliet verklaard en kon de eigenaar niet als Riddermatige zitting hebben in de Landdag.

Waarschijnlijk waren deze beperkende bepalingen niet voldoende om de toename van het aantal havezaten tegen te houden. Daarom werd in 1646 door de Staten bepaald, welke bezittingen als havezate erkend werden. Door deze erkenning was de eigenaar verzekerd van ‘vrijdom van buitengewone lands- en buurlasten’. Bovendien was hij verzekerd van deelname als Riddermatige in de Landdag.


Lijst van de erkende havezaten in 1646, in oorspronkelijke volgorde:

-          De Klencke (Oosterhesselen)
-          Huis te Echten (Echten)
-          Huis te Anssen (Ansen)
-          Rheebruggen (Uffelte)
-          Havixhorst (De Wijk)
-          Oldengaerde (Dwingeloo)
-          Batinghe (Dwingeloo)
-          Entinghe (Dwingeloo)
-          D’Oldenhof (Ruinen)
-          Huis te Peyse (Peize)
-          Huis te Helle (Leek)
-          Oosterbroek (Eelde)
-          Huis te Eelde (Eelde)
-          Ter Borch (Eelde)
-          Vledderinge (Meppel)

In 1659 werd eveneens gesproken over:

-          Dunningen (De Wijk)
-          Westdorp (Borger)


Er werd in 1698 bepaald dat het aantal havezaten in Drenthe niet meer mocht bedragen dan 18 stuks. In dit protocol werden de bovenstaande huizen genoemd; toegevoegd werd Mensinghe te Roden en het Huis te Eelde waarbij werd vermeld ‘nu Vennebroek Paterswolde’. Bij dit besluit werd ook bepaald


 ‘dat geen meerdere Havezaten zullen worden gemaakt of aangenomen, daar de hierboven gespecificeerde, zonder dat ook eene of andere havezate van de eene plaatse in of op eene andere plaats zal mogen worden verlegd’

Ondanks het verbod tot verlegging van het recht van havezate, is men nog meerdere malen van het besluit afgeweken.


De Drentse edelen waren over het algemeen niet erg kapitaal krachtig, zodat menigeen naast de karige inkomsten van zijn landerijen probeerde extra inkomsten te verwerven. Zo waren zowel militaire als ambtelijke functies bij de Landschap Drenthe in trek. Doordat de levensbehoeften veranderden ging menig eigenaar van een havezate in een hoofdplaats wonen, zoals Assen en Groningen. Ook allerlei beperkende overheids bepalingen waren van invloed op de leegstand van de havezaten. In de notulen van de Etstoel op 27 november 1753 wordt vermeld dat de eigenaresse van Oud-Vennebroek te Paterswolde de havezate wil verkopen omdat:


‘vertonende wat voegen remonstrante nodig oordeelde haar minderjarige twee Soons en dogter ter school en bij de studien te brengen en daarom met deselve in Groningen wilde gaan wonen’.


De geschiedenis van de versterkte huizen begint in de 13e eeuw. De eigenaar bouwde zijn huis, een boerenhoeve gemaakt van houten vakwerk, in het hart van zijn grondgebied. Naast het huis bouwde hij een stenen toren, waar de bewoners zich in tijden van gevaar konden terug trekken. De ligging van dit versterkte huis werd zo voordelig mogelijk gekozen. Vaak op een zandrug, met rondom water of moeras, ofwel gelegen bij een stad of aan een belangrijke toegangsweg.

Het oudste type ‘steenhuis’ werd enkel in tijden van oorlog bewoond. Alleen rijke grootgrondbezitters, de ‘beroepsvechters’ hadden een ‘woontoren’. Pas na 1450 werden stenen huizen gebouwd voor permanente bewoning. Deze huizen, rechthoekig van vorm en onder zadeldak gelegen, waren van het type ‘brede huizen’. In de 15e eeuw, waarin een gewapende vrede normaal was, ging men een wal rond het huis opwerpen. Zo ontstond tegelijkertijd een gracht die de veiligheid van de bewoners vergrootte.

Toen de 80-jarige oorlog was afgelopen werden de versterkte huizen minder belangrijk, omdat hun ‘militaire betekenis’ verloren ging. Hierdoor veranderde na 1550 het uiterlijk van de huizen. De eigenaar vergrootte de havezate door er een vleugel aan te bouwen met op de binnenhoek een traptoren. Het huis, met vaak een L-vormige opzet, behoorde tot het type ‘complete huizen’.

In de periode 1650 tot 1750 werden de havezaten verbouwd tot landhuis. Het huis werd vergroot, de muren werden hoger opgetrokken. Op het voorterrein werd aan weerszijden een schat- of bouwhuis gebouwd. Zij stonden los van het hoofdgebouw en lagen meestal op het terrein binnen de eerste en tweede gracht. De tuin en oprijlaan weden gesierd met zonnewijzers., beelden en poortjes.

Hoewel in de 18e eeuw een enkel havezate werd veranderd in een waar lusthof (met parken, bossen, siertuinen en wandeldreven) werden de meeste huizen niet meer door de eigenaar bewoond. De havezate werd verkocht, waarbij de koper enkel geïnteresseerd was in de rechten van de havezate. Vele huizen raakten in verval en waren zelfs niet meer te bewonen, laat staan te verhuren.

Nadat het recht van havezate in 1795 was opgeheven wilde menig eigenaar zijn bezit uit geldgebrek verkopen. Omdat bij verkoop de havezate als bron van bouwmaterialen meer opbracht dan als huis, werd dit voor meeste havezaten de genadeslag.






© 2006-2009 www.mijn-eigen-website.nl