In en om Assen

De Hondsrug in Drenthe



Een cultuurgeschiedenis van 5500 jaar ligt onder onze voeten. De Hondsrug is een prachtig voorbeeld van een gebied waar de ondergrond en de cultuurgeschiedenis nauw met elkaar verbonden zijn.


Waar ligt het

Het Hondsruggebied is een groot gebied dat bijna geheel Oost en gedeeltelijk Noord Drenthe beslaat.  Het gaat van de stad Groningen naar het zuiden richting Emmen en Coevorden. Ook het gebied ten Zuidoosten van Drenthe, het gebied ten oosten van de eigenlijke Hondsrug, het Hunzedal, en het Nationaal Park Drentsche Aa, dat grenst aan Assen behoren tot het Geopark de Hondsrug. Het gebied is goed ontsloten met toegangswegen.  Treinstations zijn te vinden in Coevorden, Nieuw Amsterdam, Emmen, Assen, Haren en Groningen.

Algemeen

De Hondsrug is een hooggelegen, heuvelachtig gebied aan de oostkant van Drenthe. Op satellietbeelden is het gebied duidelijk zichtbaar: meerdere lange, rechte lijnen die parallel aan elkaar lopen, van Nieuw Schoonebeek naar Groningen en van Coevorden naar Rolde. De Hondsrug is een direct gevolg van het werk van de ijstijden, die ook de rest van het Drentse landschap gevormd hebben.

De bijzondere eigenschappen van het landschap lokten de eerste boeren in Drenthe naar dit gebied, die er gingen wonen en werken. Het bekendste voorbeeld zijn de hunebedbouwers, die niet alleen het merendeel van alle hunebedden op de Hondsrug hebben gebouwd, maar ook als een van de eersten zijn gestart met het samenstellen van routes. Na de hunebedbouwers bleven mensen gebruik maken van deze routestructuren, tot op heden.

Een cultuurgeschiedenis van 5500 jaar ligt onder onze voeten. De Hondsrug is een prachtig voorbeeld van een gebied waar de ondergrond en de cultuurgeschiedenis nauw met elkaar verbonden zijn. De Hondrug ligt vol met unieke monumenten en sporen uit het verleden. Het hele landschap vertelt verhalen. Bijna iedere heuvel, iedere lijn, elk gebouw of andere herkenbare vorm in het landschap vertegenwoordigt een verhaal dat zich ergens in de afgelopen duizenden jaren heeft afgespeeld.

Mooie voorbeelden zijn de Middeleeuwse karrensporen op het Balloërveld of het Kniphorstbos in het Nationaal Park Drentsche Aa. Van later tijd dateren allerlei restanten van oude spoorwegen die over de Hondsrug liepen. Denk ook aan de bijzondere geschiedenis van de vestingsteden Coevorden en Groningen of de schansen (zoals de Emmerschans, die deel uitmaakte van de verdedigingslinie langs de oostgrens van Nederland, die na de Franse Tijd rond 1800 werd aangelegd).


Satellietkaart van Oost-Drenthe, waar de Hondsrug en de overige ruggen goed in het landschap te zien zijn.

De twee stippen markeren in het noorden Groningen en in het zuiden Emmen.


Unieke cultuur

De Hondsrug kent niet alleen een boeiende geschiedenis, maar is nog altijd fascinerend. Het gebied heeft een unieke cultuur, die zich op allerlei plekken manifesteert. Veel van die cultuur wordt in stand gehouden voor de toerist, maar kent zeer zeker een authentieke basis. Voorbeelden zijn de Zuidlaardermarkt in Zuidlaren, het Sivo-festival in Odoorn, de Ganzenmarkt in Coevorden of de Etstoel in Anloo. Behalve tijdens evenementen is de cultuurgeschiedenis terug te vinden in bezoekerscentra zoals het Veenpark Barger Compascuum, het Boomkroonpad in Drouwen, het Hunebedcentrum in Borger, Stedelijk Museum Coevorden, bezoekerscentrum Homanshof in Anloo, Molen de Wachter in Zuidlaren en vele andere. 

Vele duizenden jaren was het gebied een eenheid en een bekend begrip. Tot in de jaren zeventig was de ANWB Hondsrugroute een van de meest bereden autoroutes van Nederland. De Hondsrug was tot die tijd vooral een toeristisch begrip. Er verscheen nog een boekje in 1970 en daarna werd het langzaam stiller. Het is nu vooral een gebied dat iedereen kent, zonder enige achtergrondinformatie. Kent de Hondsrug dan geen verhalen? Jazeker, heel veel!


IJstijden, Pingo’s, neanderthalers, neushoorns en mammoeten.


Het Hondsrugsysteem in Drenthe

Het vriendelijk afwisselende zandlandschap van Noord- en Oost-Drenthe is gevormd in de laatste twee ijstijden. Het gebied verschilt duidelijk van karakter met de rest van de provincie. De topografie wordt bepaald door een reeks NNW-ZZO gerichte zand/keileemruggen, waarvan de Hondsrug de meest oostelijke is. De oostrand van de Hondsrug vormt de markante overgang naar het veel lagere veenkoloniale Hunzedal. Van de vier zandruggen is de Hondsrug het duidelijkst ontwikkeld. De ruggen zijn door smalle beekdalen van elkaar zijn gescheiden. Vrijwel nergens steken de zandruggen meer dan 5 meter boven de tussengelegen beekdalvlakten uit Het geheel van ruggen en beekdalen staat bekend als het Hondsrugsysteem.


Beekdal van de Drentsche Aa bij
Schipborg (Drenthe)


Landschap en morfologie
 
Landschappelijk gezien zijn de zand/keileemruggen in Oost-Drenthe het meest interessant. Hierop vinden we de karakteristieke zanddorpen met hun bouwlanden (essen), omringd door ontginningslandschappen, restanten heideveld en bossen. De tussengelegen beekdalen hebben vooral in het noorden een sterk open karakter, de moerassige grondslag was van oudsher zeer belemmerend voor bewoning.

Van oost naar west zijn vier zandruggen te onderscheiden:

  1. de Hondsrug
  2. de zandrug van Tynaarlo
  3. de zandrug van Rolde
  4. de Zeijenrug

De westelijke Zeijenrug is het minst duidelijk in het landschap op te merken. De vlakke ruggen duidt men weliswaar aan als zandruggen, maar keileemafzettingen zijn overal aanwezig of tenminste de restanten ervan in de vorm van keizand. Keileem wordt voornamelijk op de kruinen van de ruggen aangetroffen. Daar is deze afzetting ook het dikst. Het duidelijkst wordt dit gedemonstreerd op de noordelijke Hondsrug, waar keileemdikten van 5m en meer heel gewoon zijn. Naar de flanken toe wordt de laag keileem al snel minder dik om tenslotte uit te wiggen. 


Het Hondsrugsysteem in Oost-Drenthe.

1 = Hondsrug
2 = Tynaarlorug
3 = Rolderrug
4 = Zeyenrug
A = stuwwalruggen in Oost-Groningen en in Zuid-Drenthe


De Hondsrug is van de vier zand/keileemruggen morfologisch het duidelijkst ontwikkeld. Hij begint bij Klazinaveen in Zuid-Drenthe en loopt over een lengte van ca.70 km door tot in het noorden van de stad Groningen. Met een onderbreking ten noorden van de stad Groningen is het systeem van keileemruggen, zij het enigszins versprongen en bedekt door zeeklei, noordwaarts in de provincie Groningen te vervolgen tot voorbij Baflo.
 
In het zuiden en midden is de Hondsrug met ruim 20 meter +NAP het hoogst. Daar is de heuvelrug met ca. 3km ook het breedst. De andere zandruggen zijn minder hoog en ook smaller. In noordelijke richting neemt de hoogte van alle zandruggen geleidelijk af. Ook worden ze daar steeds smaller. Op de overgang van Drenthe naar de provincie Groningen raken de zandruggen bedekt door veen en zeeklei.
 
 Het vriendelijk glooiend karakter maakt dat het Hondsruggebied door zijn grote variatie aan deellandschappen toeristisch het meest in trek is. Het Hondsruggebied staat in feite model voor heel Drenthe. Aan de oostkant grenst de Hondsrug aan het brede Hunzedal, dat vroeger met veen opgevuld was. De steile oosthelling is overal goed waarneembaar, maar is het mooist zichtbaar in de omgeving van Gieten en Gasselte. Het verval hier is voor Drentse begrippen spectaculair te noemen. Over een afstand van amper 1 kilometer daalt het terrein meer dan 13 meter!
Morfologisch minstens zo interessant is de steilrand van de Hondsrug net ten oosten van Annen. Hoewel het uitzicht hier minder weids is, is het terreinverloop zo mogelijk nog indrukwekkender. Over een traject van ruim 200m daalt het terrein meer dan 6m!
 
Bijzonder is ook dat de Hondsrug over zijn volle lengte door een laagte in twee aparte takken wordt verdeeld. De laagte tussen de twee takken is (was) in het noorden veelal opgevuld met veen. Alleen in het gebied tussen de plaatsen Eext en Gieten is de tweedeling onduidelijk. De kruinen van de westelijke en oostelijke tak liggen ca. 1 km. uit elkaar.

De ligging van de twee Hondsrugtakken wordt gemarkeerd door snoeren dorpen. Op de oostelijke tak vinden we van zuid naar noord plaatsen als Weerdinge, Valthe, Exloo en Buinen, evenals Zuidlaren, Noordlaren, Onnen en de Middelhorst in Haren. De westelijke tak wordt gemarkeerd door de reeks Erica, Zuidbarge, Emmen en Odoorn in het zuiden. In het noorden zijn dit Westlaren, Glimmen, Harenermolen, Haren, Helpman en Groningen.

Alle hondsruggen op het Drents plateau hebben een opvallend rechtlijnig verloop. Dit, gevoegd bij de nogal afwijkende oriëntatie (NNW-ZZO), is aanleiding geweest voor veel speculatie omtrent hun ontstaanswijze. Er is wel verondersteld dat de zandruggen een soort eindmorenes uit de ijstijd zijn of dat ze ontstaan zijn door smeltwater. Ook meent men er wel een serie stuwwallen in te zien. Verder wordt de mogelijkheid van een tektonische oorsprong niet helemaal uitgesloten. Immers, uit seismisch onderzoek blijkt dat in de diepere ondergrond een breukensysteem aanwezig is, dat min of meer in dezelfde NNW-ZZO richting verloopt. Daarnaast is duidelijk dat ondergrondse zoutkoepels plaatselijk enig reliëf aan de Hondsrug hebben toegevoegd. Vooral het middengedeelte bij Gasselte-Borger-Buinen lijkt hierdoor te zijn beïnvloed.
 
Toch komt in het Hondsrugsysteem vooral het beeld naar voren van de dynamische werking van landijs in de voorlaatste ijstijd.  Dit is waarschijnlijk de voornaamste oorzaak voor het ontstaan van de reeks zand/keileemruggen in het oosten van Drenthe.


Glaciale stuwing

In de Hondsrug is op talrijke plaatsen glaciale stuwing vastgesteld. Dit is ook het geval in de zandrug van Tynaarlo en die van Rolde. Zand-,leem- en kleiafzettingen in de ondergrond zijn soms op een zeer intensieve wijze verschubd, verschoven en geplooid. Bij graafwerkzaamheden blijkt dit telkens weer.


Intensief gestuwde grove rivierzanden
uit de Formatie van Appelscha,
afgedekt door een ca. 2,5 m
dikke laag keileem - N34, afslag Exloo (Drenthe.)



Glaciale stuwing kwam een aantal jaren geleden in een tweetal bouwputten in de stad Groningen heel fraai aan het licht. In een bouwput in het centrum van Groningen, naast de Martinitoren, waren zowel keileem als een pakket smeltwaterafzettingen glaciaal gestuwd. Het glacigene pakket was als door een reuzenhand bijna 90 graden op zijn kant gezet. Uit funderingsboringen bleek dat de onderliggende zettingen uit de Formatie van Peelo (Elsterien) tot een diepte van minimaal 23 meter eveneens glaciaal gestuwd waren. De gestuwde glacigene afzettingen waren na het schonen van de bouwputvloer prachtig te zien. De strekking ervan verliep parallel aan die van de Hondsrug.  De stuwing moet door laterale druk van het landijs vanuit het aangrenzende Hunzedal zijn veroorzaakt.

Een tweede bouwput bevond zich in het westelijke stadscentrum van Groningen. De werkput lag op de overgang van de westflank van de Hondsrug en het dal van de Drentsche Aa en werd tot ca. 12 m diepte droog uitgegraven. De voornamelijk fijnzandige leem- en kleihoudende afzettingen uit de Formatie van Peelo (Elsterien) waren zeer intensief geplooid. Keileem van het oostbaltische Assentype was alleen in de uiterste noordoosthoek van de bouwput aanwezig. In het overige deel van de bouwput was alleen het residu van deze keileem aanwezig in de vorm van een dunne laag zeer grofzandig uitspoelingsgrind.

Sonderingen toonden aan dat onder de bouwputvloer vanaf een diepte van 35m in de ondergrond een diapyr-achtige kolom van gestuwde potklei aanwezig was. Eerder, bij de bouw van het markante gebouw van de Gasunie, eveneens in het dal van de Drentsche Aa, bleken ook stuwingsverschijnselen in de Formatie van Peelo voor te komen. Glaciale stuwing is dus niet uitsluitend beperkt tot de ondergrond onder de zandruggen, maar is ook aanwezig in de ondergrond van de beekdalen. 


Westerhaven in Groningen

Ondanks de stuwingsverschijnselen treffen we in Drenthe geen uitgesproken stuwwalreliëf aan, zoals in Overijsel, Gelderland en Utrecht. De gestuwde afzettingen in de hondsrug hellen voornamelijk in noordelijke tot noordoostelijke richting. Deze richting staat schuin op de oriëntatie van de Hondsrug, die NNW-ZZO gericht is. Dat zou kunnen betekenen dat het landijs in een eerder stadium tijdens het  Saalien het Hondsruggebied en omgeving wellicht gelijktijdig met het Westerwoldse gebied in Oost-Groningen heeft gestuwd. De uiteindelijke modellering van het landschap tot een aantal parallel verlopende zandruggen is van latere datum, toen de ijsbeweging NNW-ZZO gericht was.  

Naast de stuwingsverschijnselen is bekend dat de keileem in de zandruggen plaatselijk een grote dikte bereikt. Vooral op de noordeinden van de Hondsrug, de zandrug van Tynaarlo en de Rolderug bij Zuidhorn is dit het geval. In de stad Groningen is de gemiddelde keileemdikte 10m en meer, met een grootste dikte van 16,5 meter. Normaal is een keileemdikte van 1 à 2 meter. Deze keileemdikten kunnen een aanwijzing zijn dat het ijsfront een tijdlang in dit gebied stagneerde, voordat de eigenlijke vorming van het Hondsrugsysteem plaats vond.

Merkwaardig in dit verband is de grote dikte van de keileemafzettingen bij Gieten. Over een lengte van ongeveer 400 meter is de Hondsrug doorgraven. De gemiddelde keileemdikte bedroeg 4,5m. Het hoogste punt lag dicht bij de oostrand naar het Hunzedal. De keileemdikte daar bedroeg minimaal 6,5meter!


De landijsbedekking in het Oost-Drentse landschap
 
Het is bekend dat in de tweede helft van het Saalien, meer dan 150.000 jaar geleden, een enorme landijskap vanuit Scandinavië langzaam maar zeker naar het zuiden en zuidwesten opdrong. In de beginjaren van het ijstijdonderzoek werd er vanuit gegaan dat het ijs zich steeds in zuidwestelijke richting bewoog. Dit leidde men af uit terreinvormen en het NNO-ZZW gerichte afwateringspatroon in het Westerkwartier (prov. Groningen), in Friesland maar ook in het aangrenzende Emsland in Duitsland. Inmiddels is duidelijk dat het stromingspatroon van het landijs veel gecompliceerder was. Veldwaarnemingen doen vermoeden dat in Noord-Nederland op zijn minst een aantal fasen in de landijsbedekking kunnen worden onderscheiden. Daarbij is de diepere ondergrond op uitgebreide schaal glaciaal gestuwd en zijn grond- en uitsmeltingsmorenes achtergelaten die duidelijk van elkaar verschillen.


Beekdal van het Lieversediep
bij Lieveren (Drenthe)


Een deel van de stuwingsverschijnselen in de ondergrond binnen het Hondsrugsysteem zou tijdens de eerste fase van de ijsbedekking in het Saalien ontstaan kunnen zijn, toen het landijsfront in Oost-Groningen een tijdlang stagneerde. Tussen de gestuwde afzettingen in Oost-Groningen en het Hondsrugsysteem bevindt zich het ca. 20 km brede Hunzedal. Dit glaciale dal is in de laatste fase van de ijsbedekking door een NNW-ZZO gerichte ijsbeweging in de ondergrond uitgeschuurd. Hierdoor is de zichtbare samenhang van de glaciale stuwingsverschijnselen binnen het Hondsrugsysteem met die in Oost-Groningen verloren gegaan.

In het laatst van de ijsbedekking tijdens het Saalien bewoog een smalle baan ijs vanuit het noordwesten langs een traject door de provincie Groningen via Oost-Drente naar het zuidoosten. De ijsstroom is te vervolgen over het oosten van Overijssel helemaal tot in het Münsterland in Duitsland. Het gebied aan weerszijden van de ijsstroom werd niet beïnvloed. Het lijkt waarschijnlijk dat zich hier een massa 'dood' (= stilliggend) landijs bevond.

Het relatief snel bewegende ijs heeft sterk op de onderliggende bodem ingewerkt. In het Hondsruggebied ontstonden langwerpige, gestroomlijnde terreinvormen, die men in de geologie flutes noemt. Vanwege hun grootte zijn de hondsruggen in Oost en Noord-Drenthe als megaflutings te beschouwen. De laagtes tussen de zandruggen waarin zich naderhand de beekdalen van de Drentsche Aa, het Eelderdiep en die van het Peizerdiep hebben ontwikkeld, ontstonden tegelijk met de zandruggen doordat druk en beweging van het landijs daar materiaal wegperste, richting zandruggen. Zo ontstond in Oost-Drenthe een afwisseling van zand/keileemruggen en beekdalen.


Conclusie
 
Het oostelijk van de Hondsrug gelegen Hunzedal is tegen het einde van het Saalien ontstaan. Niet als smeltwaterdal zoals eerder wel verondersteld is, maar door glaciale erosie. Zeker, na zijn ontstaan heeft het Hunzedal ook als smeltwaterafvoer gefungeerd. De glaciale erosie blijkt uit de vorm van het dal. Op doorsnede is het dal asymmetrisch, de westhelling verloopt zeer steil, de oosthelling bij Veendam loopt meer geleidelijk op. Hier komt nog bij dat op een paar plaatsen op de bodem van het Hunzedal keileem aangetoond is. Dit bleek zeer duidelijk uit baggerwerkzaamheden in het Foxholstermeer, westelijk van Hoogezand. Daarbij kwamen veel grijze brokken en kluiten keileem tevoorschijn. Een ander argument tegen een interpretatie als smeltwaterdal is  het rechtlijnige verloop van de oostrand van de Hondsrug. Dit is niet te verklaren als de oeverrand van een grote smeltwaterrivier.
 
De relatief grote dikte van het keileem op de noordeinden van de Hondsrug, de Tynaarlorug en de Rolderrug is voor een deel te verklaren door laterale ijsstuwing.  Niet uit te sluiten valt dat het landijs voordat het Hondsrugsysteem ontstond, een tijdlang ter hoogte van de noordeinden van de huidige hondsruggen stagneerde. Het gletsjerpuin dat zich zo ophoopte is vervolgens samen met de ondergrond door het relatief snel bewegende landijs geërodeerd en gemodelleerd.

Een aanzienlijk deel van het glaciale puin werd door het ijs in zuidoostelijke richting verplaatst, tot in het Duitse Münsterland aan toe. De oorzaak van de drastische stroomverandering van het landijs op het laatst van het Saalien is niet duidelijk.


De toren van Rolde (Drenthe)


Het huidige reliëf binnen het stelsel van hondsruggen in Oost- en Noord-Drente is vooral te danken aan glaciale erosie op het einde van het Saalien, zo'n 140.000 jaar geleden. De erosieve kracht van het snelbewegende landijs dat als een soort ijsrivier temidden van een stationaire ijsmassa in zuidoostelijke richting bewoog, is niet alleen verantwoordelijk voor de huidige landschaps contouren in Oost-Drenthe, het heeft ook de diepere ondergrond niet onberoerd gelaten. Een deel van de stuwingsverschijnselen in de zand/keileemruggen is hiermee te verklaren.

De stuwingsverschijnselen in de dieper gelegen afzettingen uit de Formatie van Peelo zouden veroorzaakt kunnen zijn door stuwing door een stagnerend landijsfront uit een eerdere fase van de ijsbedekking in dit gebied. Glaciale erosie op het laatst van het Saalien heeft dit bestaande oudere reliëf, samen met een groot deel van de afzettingen uit die tijd vernietigd.


Pingo's

Het Hunzedal werd grotendeels opgevuld en dus minder diep. In dit ijskoude, kale landschap ontstonden zogenaamde pingo's. Dat zijn plekken waar, door aanvoer van grondwater uit de ondergrond, heuvels van ijs ontstonden. De grond werd met het ijs mee omhoog gedrukt en tot boven op de heuvel gevoerd. Bij het smelten gleed deze grond naar beneden en vormde een rand van zand langs de heuvel. Bij het nog verder smelten verdween het ijs. De grond was intussen als een rand afgezet, waardoor er geen materiaal meer was om het gat op te vullen dat het ijs achterliet. Het gevolg: een rond gat in de grond, dat zich later vulde met water. Een groot deel van de vennetjes die we nu in Drenthe vinden, zijn de restanten van deze pingo's. Een mooi voorbeeld van een IJstijderfenis.

Ongeveer 12.000 jaar geleden eindigde de laatste ijstijd en brak de periode van de mens aan, zoals wij hem nu kennen.


Bronvermelding:

Bovenstaande informatie is afkomstig van de website: Geopark de Hondsrug Drenthe. Via deze website kunt u, naast het inwinnen van meer informatie over de Hondsrug, wandel- en fietsroutes downloaden.



Naar boven


© 2006-2009 www.mijn-eigen-website.nl