In en om Assen





De jaarlijkse houtverkoop in het Asserbos


Houtverkoping in het Asserbos. Op de rug gezien, midden tussen de stammen, staat veilingmeester "pander Kremer". (collectie gemeentearchief Assen)


Bericht in het Nieuwsblad van het Noorden, 10 januari 1953.

"...Het is de eerste donderdag in januari en traditiegetrouw vindt de jaarlijkse houtverkoop plaats met zijn gewone decorum van deurwaarder Van Loozenoord, afveiler J. Kremer en houtvester Eefting. Langs de Rode Heklaan liggen de percelen keurig ge√ętaleerd. Op de open plekken in het bos, welke grote wonden lijken in het in winterkleed gestoken geheel, let niemand. Het Asser Bos levert wat eik en beuk betreft toch alleen met mate en slechts dan wanneer er kwijnende exemplaren zijn. Assen is zuinig met deze soort en ziet haar niet graag al te veel uit het bos verdwijnen..."


Jan Eefting vertelt over zijn vader Willem Eefting (Assen 1909-1983) en de jaarlijkse houtverkoop in het Asserbos.

Kinderen wisten niet beter dan dat in het huisje op de hoek van de Witterstraat en de Rode Heklaan, de boswachter woonde. En mijn vader, officieel hoofd van de Dienst Bossen en Plantsoenen, was voor het oog ook de boswachter. De eerste jaren aan de Witterstraat waren voor mij als kind razend interessant. Mede omdat ik tot dan weinig van het werk van mijn vader had gezien. Voor mij was spelen achter het huis, spelen in het Asserbos. Dat gaf je een zekere populariteit bij de jongens uit de buurt. Want al mocht niemand van de boswachter buiten de paden komen, met diens zoon er bij lag dat allicht anders. Mijn vader is op een ontginningsboerderij op de Boskamp, het huidige perceel Schieland 16, aan de Kortbossen geboren.

Begin jaren dertig trekt hij naar het Gelderse Gorssel en volgt bij de Nederlandse Heidemaatschappij in Arnhem een cursus. Na zijn diplomering is hij vanuit Deventer werkzaam als opzichter. Na hun trouwen in 1939 gaan mijn ouders in Deventer wonen. In 1947 verhuizen we naar Breda, waar mijn vader wederom de functie van opzichter bij de 'Heidemij' vervult. In september 1950 wordt hij Hoofd van de Dienst Bossen en Plantsoenen bij de Gemeente Assen. In deze functie volgt hij G. Blijham op. Zijn verantwoordelijkheid betreft het gemeentelijke bos, dat het Asserbos en het Pelinckbos, het tegenwoordige Amelterbos, omvat. Daarnaast heeft hij zakelijk ook bemoeienis met een aantal terreinen die gemeentelijk eigendom zijn, zoals het Witterveld. In deze periode neemt hij Albertus Holtsingel, die hij uit zijn Deventer tijd kent, in dienst.

Holtsingel krijgt de boswachterswoning op Amelte 1 toegewezen en is belast met de dagelijkse leiding in het bos. Ik weet nog de eerste keer dat ik zo'n veiling meemaakte. We woonden er net een halfjaar. Ik ben toen de hele ochtend meegelopen. Mijn vader moest het nodige voorbereiden. De te verkopen percelen werden in het voorafgaande najaar gekapt en langs de weg gelegd. Met behulp van paarden, die bij ons achter het huis op stal stonden, en een 'Malle Jan' sleepten gemeentearbeiders de gevelde en geschilde stammen het bos uit. Die 'Malle Jan' was een eenassige kar op hoge wielen, waar in kettingen een boomstam onder kon hangen. In de krant werd de veiling van de genummerde percelen, gelegen langs de Rode Heklaan tot voorbij de Zevensprong, aangekondigd met vermelding van boomsoort en omvang.

Per kubieke meter ging dat. De doorsnee van de stam werd gemeten en aan de hand van tabellen werd de inhoud van de boom vastgesteld. Daarvoor hadden ze aan de lengte en de doorsnede voldoende. De gekapte stammen werden netjes in percelen verdeeld met de omschrijving om welk soort bomen het ging erbij. Op de veilingdag zelf liep een van de gemeentewerkers mee en vertelde wat er te koop was. De veiling zelf werd geleid door een veilingmeester. Dat gebeurde jaren achtereen door de heer Kremer, in de volksmond 'pander Kremer'. Met een 'wie maakt me los?' bracht hij de handel op gang. Deed er niemand een bod, dan noemde hij zelf een bedrag, waarop al gauw het eerste serieuze bod volgde.

Op deze manier ging men alle percelen af. De administratieve afhandeling was later. Rond het middaguur was men tot het Ronddeel gevorderd, waaruit af te leiden is dat het veilen veel tijd vroeg. De verkochte percelen moesten na afloop door de kopers, houthandelaren en boeren, zelf worden opgehaald. Hoewel natuurlijk wel nieuwsgierig naar de verkoopresultaten, hield mijn vader zich op de achtergrond. Ondanks dat het geheel voor de gemeente kosten met zich meebracht, leverde het ook iets op. Voor de veelheid aan hout was doorgaans veel belangstelling.


Bericht in het Nieuwsblad van het Noorden, 10 januari 1953.

"...Voor het overige evenwel kijkt de gemeente niet op een takje. De 'dos' van de fijnspar gaat naar de oudere sprokkelaars en de jongeren mogen de stobben hakken. Welk laatste zeer in trek is. Ongeveer 250 vergunningen worden daartoe per jaar verstrekt, zodat een deel der Asser ingezetenen ook op deze wijze van het bos profiteert ..."


De boswachterswoning anno 2011


Foto Sietse Kooistra


Bronvermelding:

Asser Historisch Tijdschrift; nummer 4 / december 1996. Een artikel van Martin Hiemink







© 2006-2009 www.mijn-eigen-website.nl