In en om Assen





Villa Ebbenerve


Bronvermelding:
"Villa Ebbenerve; De geschiedenis van Stationsstraat 11, Assen en zijn bewoners". Een uitgave van het Drents Plateau, 2004. Tekst: Bertus Boivin


Foto genomen rond 1900 toont links Huis Ebbenerve aan de Stationsstraat te Assen. (collectie: Drents Archief)


Inleiding

Recht tegenover het Asser station ligt de Stationsstraat Moderne kantoorgebouwen keurig in het gelid. Een flauwe bocht en een ouder stuk van de straat. Degelijkheid uit het begin van de twintigste eeuw. Dat het goed wonen was aan de Stationsstraat in Assen, daar lijken alle huizen het tot op de dag van vandaag nog roerend over eens. Vlak voor de Stationsstraat tot een stadse straat versmalt, lijkt één huis wat meer afstand in acht te willen nemen. Een lang hek, een stijlvolle tuin, een strakke symmetrische wit gepleisterde gevel met hoge ramen. Twee verdiepingen hoger dan de buren, breder dan welk ander huis in de straat ook.

Was de Stationsstraat tot nu toe een keurige straat, hier op nummer 11 wordt-ie deftig. Welkom in Villa Ebbenerve, een van de mooiste Asser 'paleisjes' uit het eind van de negentiende eeuw. Villa Ebbenerve waar Gerhard Focko Servatius, Hendrik Gerard van Holthe tot Echten en Warmold Lunsingh Tonckens een monument voor zichzelf en hun tijd oprichtten. Een plek waar een stukje Drentse geschiedenis geschreven is.


Historische grond

Stationsstraat 11 staat op historische grond. In de zeventiende en achttiende eeuw bevond zich hier de 'overtuin' van het Ontvangershuis. In de Middeleeuwen lag op deze plek een van de visvijvers voor de vis die de zusters van het Asser klooster regelmatig op het menu hadden.

De tuin van het huis van de Ontvanger-Generaal aan de Brink hield niet op bij de Oostersingel. Via een bruggetje kwam je in zijn 'overtuin' aan de overkant van de singel. Deze 'ontvanger van de contributiën' was een van de belangrijkste ambtenaren van de Landschap Drenthe. Zijn huis aan de Brink was lange tijd het belangrijkste huis van Assen. Al weer een groot aantal jaren maakt het Ontvangershuis deel uit van het Drents Museum. De overtuin van de ontvanger stond op de grondschattingskaart uit circa 1650 als de 'ontfanger weijercamp'. Een weier was een visvijver die gevoed werd met stromend water van een beek. De Asser abdij Maria in Campis beschikte over maar liefst vier van zulke weiers. Door de 'Ontvangers viver' stroomde het water van de Nijlandsloop op weg naar het Anreperdiep.

Op de fraaie plattegrond die Buwama Aardenburg in 1809 van het toen nog piepkleine stadje Assen tekende, is de overtuin van het Ontvangershuis nog in volle glorie te zien. De oude weier achterin blijkt inmiddels omgetoverd in een keurige rechthoekige vijver. Aan het eind van de 'ontvangerhoven' lag een romantisch bosje dat tot de inmiddels tot Vulsloot rechtgetrokken Nijlandsloop doorliep. In 1832 was de Asser burgemeester Kniphorst eigenaar van de tuin. Tussen de tuin van Kniphorst en het landgoed Overcingel ten zuiden ervan liep een paadje in oostelijke richting. Het eerste stuk noemden de Assenaren de Steeg, verderop heette het het Vredeveldsepad. Tot de spoorlijn het pad in tweeën deelde, was het de kortste weg door de weilanden naar de havezate Vredeveld aan het eind van de Steendijk.

Op zaterdag 30 april 1870 vierde Assen de opening van de spoorlijn van Meppel naar Groningen op feestelijke wijze. Het was de kroon op het werk van een groep prominente Drenten die zich met hun Groote Spoorwegvereeniging Drenthe tien jaar lang beijverd hadden om Drenthe in het 'moderne wereldverkeer' opgenomen te krijgen. Dominee Lesturgeon dichtte bij deze gelegenheid in de Provinciale Drentsche en Asser Courant:

'Kom, nu dan't welkom haar gezongen,
Die draagster van dien heetren tijd.
Rook blazend uit metalen longen
En toch door menschenband bedwongen
Daar raatlend langs Uw velden rijdt.'

Om de treinreizigers in elk geval met droge voeten en schone kledij het centrum van de stad te kunnen laten bereiken stak de gemeente 14.000 gulden in het met Belgische keien bestraten van het altijd modderige Vredeveldsepad. Uiteraard werd het toen omgedoopt in Stationsstraat. Een nieuwe straat op een veelbelovende plek in de stad, wie zou daar niet willen wonen?

De vraag bleef niet lang onbeantwoord. De Drentse elite koos in de negentiende eeuw aanvankelijk de Vaart als woonplaats. Later concentreerde hun aandacht zich op de zuidwestkant van de stad en verrezen hun villa's langs de rand van het Asserbos. Burgemeester Van der Feltz liet het later naar hem genoemde park in 1875 zelfs in het Asserbos aanleggen... Maar ook elders in de stad werden in de tweede helft van de negentiende eeuw de prachtige huizen gebouwd van mensen die niet op een paar centen hoefden te kijken. Zo kregen ook de singels aan de buitenzijde een aaneengesloten bebouwing en duurde het niet lang voor iemand belangstelling voor de Stationsstraat toonde.


Foto genomen tussen 1905 en 1908 toont Huize Ebbenerve met parkachtige tuinen aan de Stationsstraat 11 te Assen; geheel op de achtergrond de watertoren bij het spoor. (collectie: Gemeente Assen)


Kapitein Servatius' thuishaven


De geschiedenis van het pand Stationsstraat 11 gaat terug tot 23 december 1872. Op die dag maakte notaris Hendrik van Lier in opdracht van Kapitein-ter-zee Gerhard Focko Servatius de akte van oprichting op van een woonhuis aan de 'Stationsweg'.

De oppervlakte van het perceel bedroeg bijna een halve hectare en strekte zich een eind langs de Stationsstraat uit. De tuin lag dan ook grotendeels rechts van het pand. Aan de noordzijde liep de tuin van Servatius door tot de tegenwoordige Oranjestraat. Hoe het oorspronkelijke pand Stationsstraat 1 1 eruit gezien heeft, weten we niet, want uit de tijd van Servatius zijn geen duidelijke foto's of bouwtekeningen van het pand bekend. Het pand Stationsstraat 11 kreeg pas aan het begin van de twintigste eeuw zijn huidige vorm. Toen de dan 45-jarige Gerhard Focko Servatius zich in Assen vestigde, had hij een indrukwekkende staat van militaire dienst opgebouwd. Hij was de zoon van Johan Pieter Servatius die als Oranjegezind militair in de tijd van de Bataafse Republiek uit het leger ontslagen was en zich als ontvanger der directe belastingen aan de Brink in Zuidlaren gevestigd had.

Zijn kinderen vonden moeiteloos hun weg in de kringen van de Drentse notabelen. Als een van de laatsten was dat het geval met de in 1827 geboren Gerhard Focko die op zeventienjarige leeftijd naar het Marine Instituut in Medemblik gegaan was. Via de rangen van Adelborst eerste klasse, Luitenant-ter-zee en Kapitein-luitenant-ter-zee werd hij uiteindelijk bevorderd tot Kapitein-ter-zee. Hij kreeg de versierselen van Ridder in de Orde van de Fikenkroon, die Willem III als Groothertog van Luxemburg toekende. Ook was hij Ridder in de Orde van Militaire verdienste van Spanje geworden. Servatius kreeg die laatste onderscheiding voor zijn inspanningen bij het bergen van een Spaans schip op de Noordzee zonder dat hij aanspraak had willen maken op het bergersloon van 40.000 gulden. Wel accepteerde hij van de verzekeraars een gouden horloge met inscriptie en een lintje van de Spaanse koning.

Wat Servatius bewoog om zich in Assen te vestigen, is niet meer te achterhalen. Zijn broer Bernard woonde in de stad, hij was procureur-generaal bij het Gerechtshof. Kapitein Servatius zelf stond - nog geen vijftig jaar oud - op het punt met pensioen te gaan en was net begonnen een gezin te stichten. Pas enkele jaren voor zijn komst naar Assen was hij namelijk getrouwd met Titia Ellina Romein. Hun beide kinderen waren in Hellevoetsluis geboren. Gerhard Focko Servatius bleef uiteindelijk in totaal zo'n twintig jaar aan de Stationsstraat wonen en maakte zich voor de stad verdienstelijk als raadslid en wethouder.

Aanvankelijk overigens had de Liberale Kiesvereniging geaarzeld hem als raadslid te kandideren. Men had zo zijn bedenkingen. Immers, had de heer Servatius zich ooit iets aan de publieke belangen van Assen gelegen laten liggen? En had hij ooit publiekelijk het woord gevoerd? Beheerste hij dat eigenlijk wel? In 1882 werd Gerhard Focko Servatius toch gekozen tot lid van de raad en later was hij zelfs een aantal jaren wethouder. Verder werd hij de eerste voorzitter van de Kamer van Navraag, die in de stad de armenzorg moest gaan coördineren. Ook was Servatius medeoprichter van de plaatselijke Nutsspaarbank die aan de Javastraat - min of meer in zijn achtertuin - werd gehuisvest. Tot aan zijn dood in 1893 bleef Servatius lid van de Asser gemeenteraad. Kort na het overlijden van Gerhard Focko Servatius besloot zijn weduwe Stationsstraat 11 te verkopen aan jonkheer mr. Hendrik Gerard van Holthe tot Echten.


Foto genomen tussen 1870 en 1910 toont park met een vijver met op de achtergrond herenhuizen aan de Oranjestraat te Assen. De foto is genomen vanaf de Stationsstraat. (collectie: Drents Archief)


Villa Ebbenerve


Op 4 februari 1895 werd bet echtpaar Van Holthe tot Echten-Van der Feltz eigenaar van een woonhuis met erf aan de Stationsweg te Assen, Sectie I, de nummers 3265 en 3952 voor een bedrag van 14.500 gulden. De oppervlakte van het huis bedroeg 0,0285 hectare, die van de tuin 0,4510 hectare. De koopakte vermeldt als bijzonderheid dat 'de op het terrein staande zomertent; alsmede eenige door verkoopster aan te wijzen boompjes worden uitbedongen, terwijl het kleed op de bovenvoorkamer en het linoleum in de gangen mede onder den koop en verkoop zijn begrepen.'

Jonkheer mr. Hendrik Gerard van Holthe tot Echten werd in 1862 in Assen geboren. Hij hoorde tot de derde generatie van het geslacht Van Holthe tot Echten dat in 1802 was ontstaan uit een huwelijk van de twee adellijke families Van Holthe en Van Echten. Mr. Hendrik Gerard vestigde zich als advocaat en procureur in Assen en trouwde er in 1891 met Constantia Johanna Anna Christina, barones Van der Feltz. Van der Feltz, ook al een bekende naam. Haar vader was onder andere vele jaren burgemeester van Assen en verrijkte de stad in die hoedanigheid achtereenvolgens met een gasfabriek, een ijzergieterij, een kanaal, een spoorweg en zelfs een Van der Feltzpark, zoals eerder al gemeld.

Ook mr. Hendrik Gerard was een man die de publieke zaak een warm hart toedroeg. Naast advocaat was Van Holthe tot Echten gemeenteraadslid (1896-1912), wethouder (1896-1912), lid van Provinciale Staten (1904-1914) en lid van Gedeputeerde Staten (1909-1911). Hij was erevoorzitter van de voetbalvereniging Achilles 1894, voorzitter van het Eeuwfeestcomité, dat in 1907 geld inzamelde voor de oprichting van het Wilhelminaziekenhuis, en één van de oprichters van de Asser VVV. Het eerste VVV-kantoor was zelfs korte tijd bij hem aan huis gevestigd. Het meest beroemd evenwel werd mr. Hendrik Gerard van Holthe tot Fxhten toen hij in 1899 een Benz automobiel aanschafte en daarmee de eerste particuliere autobezitter in Drenthe werd. Het is het enige feit dat de Encyclopedie van Drenthe bij zijn naam meldt. De Asser jeugd schijnt bij het passeren van diens voertuig met het nummerbord Dl gezongen te hebben:

'In de wagen van Van Echten
Zit een meester in de rechten.
Stap dus maar in de auto,
Je bent er zo, je bent er zo.'

Als Van Holthe tot Echten de eerste autobezitter was, dan was Stationsstraat 11 in het voorjaar van 1906 het eerste huis in Drenthe met een echte 'autogarage'. In de jaren 1906-1907 liet de familie Van Holthe tot Echten het tamelijk eenvoudige rechthoekige pand van Servatius vergroten en verfraaien waarbij ook de tuin grondig werd aangepakt. Kosten noch moeite werden gespaard om er iets van te maken dat zijn weerga in Assen en omgeving niet kende. De creatie van Van Holthe zou het moeten kunnen opnemen tegen het huis Nijenrode aan het begin van de Stationsstraat. W.L. van den Biesheuvel Schiffer had het in 1878 aan het Stationsplein had laten bouwen. Het - inmiddels allang weer verdwenen - Nijenrode is door zijn gotische kenmerken vaak aan de Rijksmuseum-architect Cuypers of een van zijn leerlingen toegeschreven.

De Asser architect Jan Smallenbroek kreeg de opdracht Stationsstraat 11 te verbouwen en uit te breiden. Een pleisterlaag zorgde ervoor dat de oude en nieuwe muren ongezien in elkaar overgingen. De voorgevel werd in het midden als het ware naar voren geschoven waardoor er ruimte kwam voor grote vertrekken aan de voorkant. Die mogelijkheid was er omdat de voordeur aan de zijkant zat. In de hal voerde voortaan een enorme trap naar de eerste verdieping. Hendrik Gerard van Holthe tot Echten bedacht een naam voor het tot dan toe naamloze pand. Hij noemde zijn woning 'Ebbenerve'. Het lijkt een topografische naam en dat is het ook, ware het dat de naam niet uit Assen stamt, maar uit het Gelderse Oosterwolde waar de Veluwe onderduikt in het Kamperveen.

In 1404 werd Berend van Holte, gildebroeder van het St. Jorisgilde en het St. Anthonisgilde in Elburg, beleend met het goed Ebbenerve dat tot dan toe aan zijn schoonfamilie Sticke had toebehoord. Het was het eerste familie-eigendom dat Van Holthe tot Echten in de familiepapieren van de Van Holthes had kunnen vinden. Zijn eigen villa had hiermee een naam gekregen. Het echtpaar Van Holthe tot Echten zou tot 1919 aan de Stationsstraat blijven wonen, verhuisde daarna naar het Gelderse Renkum en later naar Oosterbeek. Hendrik Gerard overleed daar in begin 1940, zijn weduwe in 1953.


Foto genomen tussen 1907 en 1912 toont de achterzijde van huize Ebbenerve aan de Stationsstraat 11 te Assen. (collectie: Gemeente Assen)


Deus Vincenti Dat Coronam


Na de verbouwing liet de familie Van Holthe tot Echten in het najaar van 1906 in de achtergevel van Ebbenerve in het grote trappenhuis een glas-in-loodraam plaatsen. Het raam is vier meter hoog en drie meter breed en is daarmee het grootste glas-in-loodraam in een particuliere woning in Drenthe.

Tot in de jaren dertig van de twintigste eeuw is het gebruik van glas in lood populair geweest in de particuliere woningbouw. Meestal ging het om een bovenlicht of een smal raampje naast de voordeur of in het trapportaal. Het raam in het trappenhuis van Ebbenerve ging het voorstellingsvermogen en de draagkracht van de meesten ver te boven. Voor dit staaltje glazenierskunst tekende het Atelier J.W. Gips te 's-Gravenhage. Johannes Willem Gips richtte het atelier in 1903 op. Hij leverde onder andere ramen voor het Vredespaleis en het Haagse Westeindeziekenhuis.

Het raam dat Van Holthe tot Echten in het atelier van Gips liet maken, omvat voor het grootste deel bloemmotieven in Jugendstil. Motieven die op verschillende plaatsen in het raam steeds weer herhaald worden. Het zijn dan ook geen 'unica', maar het gaat om werk dat glazeniers als Gips uit voorraad konden leveren. Architect Smallenbroek bepaalde de maatvoering waarna het atelier Gips voor een invulling op maat zorgde. Anders dan de Jugendstil-bloemen zijn de familiewapens, die centraal in het raam zijn aangebracht, wel als uniek te omschrijven. Met twee leeuwen als schildhouders staan de familiewapens van Van Holthe tot Echten en van Van der Feltz in fraai gebrandschilderd glas afgebeeld. Eronder staat de wapenspreuk 'Deus Vincenti Dat Coronam', hetgeen zoveel betekent als 'God schenkt de overwinnaar de kroon'. Het geheel wordt geflankeerd door de wapens van Drenthe en Gelderland, de oorspronkelijke geboortegrond beider families.


Oom Wam, de notaris


Warmold Lunsingh Tonckens werd in 1868 geboren, trouwde in 1901 met Geesje Bakker en kreeg zijn akte van benoeming als notaris op 1 juli 1918. In Ebbenerve deelden de notarisklerken Van Kaam en Bandsma een groot kantoor rechts van de vestibule. Omdat 'Oom Wam' zich bij voorkeur per auto verplaatste, was chauffeur Stap altijd op zijn post bij de garage naast het huis.

In de oorlog kreeg Tonckens het zodanig aan de stok met de Duitsers dat hij uit het notarisambt gezet werd. De druppel die de emmer deed overlopen, was zijn protest tegen het vorderen van Ebbenerve door de bezetter. De Duitsers bleken niet onder de indruk van het feit dat het echtpaar Tonckens reeds onderdak verleende aan zijn zuster Alberdina Margaretha en haar man de kunstschilder Edzard Koning en Ebbenerve kreeg alsnog de gevreesde inkwartiering. Ondanks de 'nieuwe bewoners' bleef het echtpaar er met hun gasten wonen. Vlak voor de bevrijding van Assen verruilde het echtpaar Tonckens Ebbenerve voor het aan de overzijde gelegen Stationsstraat 20.

Na de bevrijding werd de inmiddels 77-jarige Warmold Lunsingh Tonckens geen notaris meer, maar ging hij in Glimmen wonen waar hij in 1954 overleed. Het notariskantoor werd overgenomen door zijn kandidaat-notaris Johan Kroon die een kantoor opende aan de Oostersingel. Vanaf december 1945 had Ebbenerve een nieuwe bewoner. De Centrale Vereniging voor den Opbouw van Drenthe huurde het pand van notaris Tonckens.



Voor den Opbouw van Drenthe


Geschrokken door de gevolgen van de crisis in de venen van Zuidoost-Drenthe benoemde Commissaris van de Koningin Linthorst Homan in 1925 een commissie om zich te ontfermen over 'den oeconomischen, cultureelen en hygiënischen opbouw van Drenthe'. Het betekende het begin van Opbouw Drenthe dat meer dan vijftig jaar domicilie had in Ebbenerve. De eerste jaren richtte de aandacht van de 'Centrale Commissie' zich met name op Zuidoost-Drenthe waar men het ene buurthuis na het andere opende. Nieuw-Weerdinge en Zwartemeer hadden destijds de primeur.

De Centrale Commissie geloofde dat maatschappelijk werk vanuit het buurthuis de gezinnen de nodige sociale bagage zou kunnen meegeven. Later werden de activiteiten in Zuidoost-Drenthe uitgebreid met onder andere consultatiebureaus, een schoolartsendienst en huishoudelijke voorlichting voor volwassenen. In 1926 nam de Centrale Vereeniging voor den Opbouw van Drenthe het werk van de commissie over. Mr. Jacob Cramer, een jonge jurist uit Utrecht, werd in 1927 benoemd als adjunct-secretaris van de vereniging. Later werd hij de eerste directeur van Opbouw Drenthe. Door toedoen van mr. Cramer veranderde Opbouw in de loop van de jaren dertig van een op het plaatselijk werk gerichte uitvoerende organisatie in een provinciale service-instelling. Zelf noemde hij het graag een Copernicaanse omwenteling. In plaats van zelf in de buurthuizen te werken kwamen er provinciale diensten om de plaatselijke organisaties te ondersteunen.

Opbouw Drenthe ging op zoek naar een uitvalsbasis van enige omvang en met de steun van de gemeente Assen werd onmiddellijk na de oorlog die ruimte op Stationsstraat 11 gevonden. Op 29 december 1945 werd Ebbenerve voor 2000 gulden per jaar van notaris Tonckens gehuurd. Een nieuwe huurovereenkomst van 1 april 1946 laat zien dat de nieuwe bewoners aanvankelijk nog niet over het hele pand konden beschikken. In het vernieuwde contract stond namelijk niet alleen dat de huurder ermee bekend was dat de kelder niet waterdicht was, ook dat voortaan 'alle linoleums, welke in het verhuurde pand aanwezig zijn, behalve in de oostelijke voorkamer boven' konden worden gebruikt, 'evenals het bad en de geyser'. Sinds 1948 was het inmiddels tot stichting omgedoopte Opbouw Drenthe een door de provincie gesubsidieerde organisatie. Na de benoeming in 1951 van mr. Jacob Cramer tot Commissaris van de Koningin in Drenthe was Jo Boer bijna twintig jaar directeur van Opbouw Drenthe. Zij was degene die de nieuwe koers naar een organisatie voor advies en onderzoek verder vorm gaf.

De verandering werd duidelijk geïllustreerd met het in dienst nemen van een socioloog in 1956. Opbouw Drenthe zat overigens vrijwel nooit alleen in Ebbenerve. Aanvankelijk deelde men het pand met de Nederlandse Vereniging voor Volksherstel en de Economische Commissie van Opbouw Drenthe. De laatste zou in de jaren vijftig als Drents Economisch Technologisch Instituut naar een eigen kantoor aan de overkant, op Stationsstraat 20, verhuizen. Tal van nauw en minder nauw aan Opbouw gelieerde organisaties vonden in de loop van de tijd onderdak in Ebbenerve. Met z'n allen vulden ze het pand van de kelder tot de zolder en van de garage tot achter in de tuin. Bekende 'kostgangers' waren in de loop van de tijd de Raad voor Jeugdaangelegenheden, de Stichting Sportraad Drenthe, de Bestuurscommissie Noorden des Lands, de Kostuumcentrale en de Brede Overleggroep Kleine Dorpen in Drenthe.


Opbouw tot in de kleinste hoekjes


In december 1955 lieten de erven Tonckens weten Ebbenerve te willen verkopen. Opbouw Drenthe had het eerste recht van koop en dankzij een lening van de provincie werd Opbouw op 21 januari 1956 voor 63.000 gulden eigenaar van Stationsstraat 11.

Clara Nortier, die zo'n 35 jaar bij Opbouw Drenthe werkte, herinnert zich Ebbenerve op haar eerste werkdag in 1953 nog als de dag van gisteren: 'We hadden toen een conciërge, mevrouw De Wit, die met haar familie in het pand woonde. De kamer rechts van de voordeur was hun huiskamer. Links van de voordeur was hun keuken. Hiervandaan werd ons de koffie en thee gebracht. We kregen 's morgens een kopje koffie en 's middags een kopje thee dat we zelf moesten betalen. Aan het eind van de maand kregen we persoonlijk een rekeningetje van mevrouw De Wit.' Ook meneer De Wit herinnert Clara Nortier zich nog precies: 'De kelder stond vroeger vaak halfvol water. Meneer De Wit was een hartstochtelijk visser. Hij gooide wel eens een paar vissen in de kelder en ging dan op de keldertrap zitten vissen. 'Als ze binnen bijten, bijten ze buiten ook' was zijn redenering en dat werd jarenlang een gevleugelde uitspraak op kantoor.'

Twee jaar na de aankoop werd Ebbenerve in 1958 ingrijpend verbouwd. Ook werd het pand van centrale verwarming voorzien. Een deel van de verbouwing financierde het bestuur met de verkoop van het achterste stuk van de tuin langs de Oranjestaat waar spoedig daarna veertien woningen werden gebouwd. De verbouwing verschafte de familie De Wit een echte conciërgewoning in een nieuwe uitbouw linksachter aan het gebouw. Het trappenhuis naar de tweede verdieping werd uitgebreid en ook op zolder kwam een serie kantoren. Het bleef echter woekeren met de ruimte. Toen zelfs de vestibule van de conciërge woning vertimmerd was tot kantoortje, kwam er een aantal barakken in de tuin te staan. Resultaat was dat eind 1970 vrijwel de hele tuin achter Ebbenerve semi-permanent gevuld was met een lange rij kantoren. In die jaren groeide de organisatie van 'hoofdbewoner' Opbouw Drenthe naar zo'n dertig medewerkers. Samen met de medewerkers van de 'kostgangers' was het totale aantal ongeveer het dubbele ervan. In 1982 werd de kantoorruimte uitgebreid met het naastgelegen pand Stationsstraat 9.


Foto genomen 31 oktober 1979 toont het personeel van de Stichting Opbouw Drenthe voor het gebouw aan de Stationsstraat te Assen.


Een gaan en komen in Stationsstraat 11


Bij een grote provinciale reorganisatie ging Opbouw Drenthe in 1993 op in de nieuwe provinciale welzijnsorganisatie STAMM. Niet lang daarna werd Ebbenerve verkocht en in de afgelopen tien jaar had Ebbenerve meer eigenaren en bewoners dan in de eeuw daarvoor.

De naam STAMM lijkt een afkorting, maar Staat voor Mens en Maatschappij. Behalve Opbouw Drenthe werden ook de Raad voor Jeugdaangelegenheden, de Raad voor de Maatschappelijke Dienstverlening, de Drentse Vrouwenraad en later de STIP en de Stichting Kinderdagverblijven Drenthe onderdeel van STAMM. De fusie ging gepaard met een flinke inkrimping van het personeelsbestand van de verschillende partners en leidde uiteindelijk tot een verhuizing in 1997 naar een kantoorpand in de Asser wijk Baggelhuizen. Gevolg was dat Ebbenerve in juni 1996 verkocht werd aan Heinrich van Arend uit Borger die het pand als woning wilde gaan gebruiken. Een jaar later verkocht deze het aan een particuliere investeerder uit Brabant. De nieuwe eigenaar liet het inmiddels zeer verwaarloosde pand volledig renoveren. Dit nam het hele jaar 1998 in beslag. Vervolgens werd Ebbenerve drie lang verhuurd aan de Rijksgebouwendienst. Het werd gebruikt voor tijdelijke huisvesting van de Vreemdelingenkamer van de Asser rechtbank. Hierna verhuisde Drents Plateau op 1 september 2003 van Stationsstraat 20 naar Stationsstraat 1 1.

Dat was overigens de derde keer dat beide panden rechtstreeks met elkaar te maken hadden. In de laatste oorlogsdagen van 1945 had 'Oom Wam' Lunsingh Tonckens noodgedwongen zijn intrek aan de overkant moeten nemen. Enkele jaren later verhuisde het DETI naar het pand. In 2003 maakte Drents Plateau een beweging in omgekeerde richting omdat men in Stationsstraat 11 een plek gevonden had waar de hele organisatie in past. Drents Plateau is in januari 2002 ontstaan uit een fusie van de Stichting Erfgoedhuis van Drenthe en de Stichting Het Drentse Welstandstoezicht. Het Erfgoedhuis bood sinds 2001 onderdak aan een aantal functies die tot dan toe groten-deels rechtstreeks onder de provincie vielen. Naast het Bureau Monumentenzorg waren dat de provinciaal archeoloog, de provinciaal historicus en de provinciaal museumconsulent.

Het Drentse Welstandstoezicht adviseerde sinds jaar en dag de meeste Drentse gemeenten en verzorgde de monumenten-commissie voor de hele provincie. Naast Drents Plateau vond ook de Stichting Monumentenwacht onderdak in het pand en werd het de thuisbasis van Heemschut Drenthe, de Stichting Drents Monument en de Asser Historische Vereniging. Dankzij de oprichting van Drents Plateau kwamen alle activiteiten op het gebied van erfgoed en architectuur binnen de provincie onder één dak aan de Stationsstraat. Onder 'een afgeknot schilddak' om precies te zijn.






© 2006-2009 www.mijn-eigen-website.nl