In en om Assen





De N.V. Asser IJzer- en Metaalgieterij (1866 - 1896)


Bronvermelding:
Asser Historisch Tijdschrift; nummer 4 / december 2010. Onderzoek Alma van den Broek-Theunisz en Bert Ritsema. Een artikel van Bert Ritsema


Foto genomen op 20-03-1957 toont de voormalige Asser IJzergieterij aan Kanaal 249-251 te Assen. Op de voorgrond het Noord-Willemskanaal. De dame op de foto is niet bekend. (collectie: Monumentenzorg)


Assen en de Nieuwe Tijd

In 1866 werd de N.V. Asser Ijzer- en Metaalgieterij opgericht. Het bedrijf dat uitgroeide tot een van de grootste binnen de Nederlandse ijzergieterijindustrie verschafte op zijn hoogtepunt aan 70 werklieden en elf jongens arbeid en was daarmee veruit de grootste industriële werkgever in Assen. Met de komst van de gieterij en onder de bezielende leiding van directeur en medeoprichter Roelof Hunse stapte Assen definitief de Nieuwe Tijd binnen.

In de eerste helft van de negentiende eeuw is in Europa met een onstuimige vaart een ontwikkeling op gang gekomen die de samenleving radicaal een nieuwe richting opstuurt. Dit proces, de industrialisering van de maatschappij, spreidt zich als een olievlek uit over de hele wereld. Uitvindingen en baanbrekende wetenschappelijke ontdekkingen brengen de ontwikkeling van nieuwe technologieën (de stoommachine) op gang en zorgen voor een optimistische en liberale tijdgeest, waarin voor ondernemende mensen de ruimte ontstaat om 'de zaken groots' aan te pakken, de grootindustrieel doet zijn intrede. Tot halverwege de negentiende eeuw is Assen nog nauwelijks door de Nieuwe Tijd beroerd.

Nijverheid (industrie) draagt hier nog steeds een ambachtelijk karakter: timmerlieden, metselaars, glazenmakers, schoenmakers, wevers, spinners, kleermakers en pruikenmakers zijn zelfstandigen die vooral werken voor de lokale behoefte. Gaandeweg ontwikkelen zich kleine bedrijfjes met een paar knechten en jongens die voor een meer regionale markt produceren: molens (voor olie, boekweit, koren, hout), een wagenmakerij, een leerlooierij, een touwslagerij en een tweetal weverijen waar zelfs sarongs worden vervaardigd. Pas in de tweede helft van de eeuw ontwikkelen zich uit deze kleine bedrijfjes een viertal echte industrieën met stoommachines en groepen werklieden: een grafische (Van Gorcum), een vleesverwerkende industrie (Thompson), een sigarenfabriek (Kuiler) en een ijzergieterij.


Investeerders die een graantje mee willen pikken

Op 15 februari 1866 wordt bij notaris AJ.C. Tellegen uit Smilde de oprichtingsakte van de N.V. Asser Ijzer- en Metaalgieterij gepasseerd waarin wordt vastgelegd dat het nieuwe bedrijf tot doel heeft 'het gieten van ijzer en metaal en het uitoefenen van de daaraan verwante of daaruit vloeiende fabricage en bedrijven, die in 't belang der vennootschap geacht worden. Roelof Hunse en Anthony Braakman worden tot administrateurs (directeuren) benoemd. De 25-jarige Roelof Hunse (Assen, 1824) heeft zich als zelfstandig molenmaker gevestigd en staat bekend als een betrouwbaar en nauwgezet vakman die hooggekwalificeerd werk aflevert. Anthony Braakman is in 1823 geboren in het Duitse Veldhausen en heeft, net als de vader van Roelof, een ijzerwarenbedrijf in Assen. Anthony heeft overigens maar kort een rol gespeeld in de leiding van de fabriek.

Al na twee jaar komen we zijn naam in verband met de gieterij niet meer tegen. De raad van commissarissen bestaat uit de meest welgestelde en vooraanstaande bestuurders van Assen en vertegenwoordigers van de rechterlijke macht: H.A.M. Brumsteede (wethouder en kapitein van de dienstdoende schutterij), W.A. baron van der Feltz (burgemeester), I. Roessingh (president van de arrondissementsrechtbank) en J.H. Willinge Tonckens (raadsheer van het provinciaal gerechtshof). Allen zijn niet alleen vooruitstrevende pleitbezorgers van de nieuwe tijd en aanhangers van het vooruitgangsdenken, maar vooral ook investeerders die flinke bedragen in de nieuwe fabriek steken in de hoop 'wat graantjes mee te pikken'.

Harm Boom, redacteur van de Provinciale Drentsche en Asser Courant, schrijft dat '... men vroeger Assen niet onder de steden placht te noemen waar geld zat' -nu is dat anders en zijn er kapitalisten genoeg om deze en gene onderneming, die behoorlijke rente belooft, tot stand te brengen. De meesten echter van die kapitalisten hadden vroeger volstrekt geen lust om iets van hun geld voor een industriële zaak af te zonderen. Het voorbeeld van enkelen oefent in dezen een weldadige invloed uit, zodat de 30.000 gulden voor de ijzergieterij vrij spoedig gevonden was...' De ijzergieterij werd gebouwd op een driehoekig perceel grond aan de noordzijde van het oorspronkelijke en nog maar pas voltooide Noord-Willemskanaal (1861) aan de rand van Assen (tegenwoordig het Kanaal ter hoogte van kenniscentrum Cicero, het complex van het regionaal opleidingscentrum Drenthe College).


Producten van de IJzergieterij aangebracht op de sokkel van het grafmonument van Brumsteede; de uil (de waakzaamheid) in lauwerkrans (eeuwige roem), de zandloper met vleugels (de vervliegende tijd en de vergankelijkheid van het leven) en de schedel met beenderen (de dood). (foto's Sietse Kooistra)


Water was gratis en ongelimiteerd voor het opscheppen

De situering van de ijzergieterij langs de boorden van het nieuwe kanaal was overigens weloverwogen gekozen. Via het water werden de grondstoffen (ruw ijzer en schroot) en de brandstof (houtskool en steenkool) aangevoerd en konden de nieuw vervaardigde producten snel en gemakkelijk worden verscheept. Bovendien had men de grote hoeveelheden water die bij het productieproces van gietijzeren voorwerpen nodig waren (harden en afkoelen) gratis en ongelimiteerd voor het opscheppen. De van rode baksteen opgetrokken fabriek bestond aanvankelijk uit een fabriekshal annex woonhuis, maar werd vrijwel direct uitgebreid met een modelkamer (toonkamer) en groeide in de loop der jaren flink uit tot het in 1878 zijn grootste omvang bereikte.

Bij opmetingen die het Bureau Monumentenzorg van de provincie Drenthe in 1957 verrichtte werd weliswaar het grondplan van het complex vastgelegd, maar is over de uiterlijke bouw en de functie van de verschillende ruimtes helaas niets opgetekend. Aangenomen mag worden dat in de grootste loods, grenzend aan de binnenplaats en met een nokhoogte van zo'n 10 meter het hoogste gedeelte van de fabriek, het feitelijke gietwerk werd verricht. Tegen de gevel van deze hal zal de schachtvormige koepeloven hebben gestaan die van buitenaf met schroot, ruw ijzer, kalksteen en houtskool/steenkool werd gevuld. Via een ringleiding werd lucht ingeblazen waardoor zeer hoge temperaturen konden worden bereikt.

De andere fabrieksloodsen, beduidend kleiner van oppervlak en variërend in hoogte tussen 6,5 en 8 meter, zullen gebruikt zijn voor de afwerking en montage van gietstukken, voor administratie en opslag. In de linker vleugel bevonden zich de modelkamer en het huis met twee bedsteden en een stookplaats waar de fabrieksbaas zal hebben gewoond. Alleen van dit deel van de fabriek is door het kadaster de plaats definitief bepaald. In de modelkamer werd de collectie producten getoond die de gieterij voortbracht. Een advertentie uit de beginperiode van de fabriek laat zien welke producten werden gefabriceerd: 'haardplaten, dakgoten, ramen in alle soorten, kolommen, balusters, balkon-, raam- en kachelornamenten, hekken volgens elke opgaaf, paarden- en varkensbakken, bakkersovenmonden, dakramen, pijpen, voetroosters, grafplaten, tuinbanken, -tafels en -stoelen, en hetgeen verder tot dat vak behoort'.


Het bedrijf werd een van de pronkjuwelen van de Asser nijverheid

Al snel behoorde ook de vervaardiging van ijzeren draaibruggen tot de specialiteiten. Hoewel van de Asser Ijzergieterij geen modellenboek (catalogus) bekend is, zullen de modellen die werden gebruikt vrijwel dezelfde zijn geweest als die in andere gieterijen, waar wel catalogi van bewaard zijn gebleven. Er werd niet alleen van elkaar afgekeken maar ook werden voorbeelden geruild en doorverkocht. Bekende grafsymbolen als de vliegende zandloper, het doodshoofd met gekruiste beenderen (eindigheid van het bestaan) en de uil (zuivering van de ziel) kwam men overal tegen, evenals omgekeerde fakkels (gedoofd leven), een slang die in zijn eigen staart bijt (kringloop) en vlinders (de uittredende ziel)

Deze versieringen werden na afkoeling vaak veelkleurig beschilderd voordat ze de fabriek verlieten. Het gietijzer, dat geproduceerd werd, diende ook als bouwmateriaal voor het fabriekscomplex zelf. Zo waren de raamkozijnen, muurankers en dakgoten, maar ook de dakpannen van het toiletgebouwtje van gietijzer. Links van de ingang was een gietijzeren gedenksteen ingemetseld, die herinnerde aan de oprichting van de fabriek in 1866 (thans in de collectie van het Drents Museum). Nog steeds zijn op tal van plaatsen in Assen gietijzerproducten terug te vinden, maar van veel werk is de herkomst niet zeker. De Deventer ijzergieterij van Nering Bögel was bijvoorbeeld een grote concurrent en leverde ook in heel Noord-Nederland.

De lokaal bekendste voorbeelden van gietwerk uit de Asser Ijzergieterij zijn het (slecht) gerenoveerde grafmonument van de familie Brumsteede (1881) op de Noorderbegraafplaats en de ornamenten op de graftombe van Augustinus en Louise van Valkenstijn (1882) achter de voormalige havezate Vredeveld. Ook op de begraafplaats in Veenhuizen is met zekerheid nog grafgietwerk uit de Asser gietfabriek terug te vinden. Het ging de fabriek voor de wind. Het beginkapitaal werd in 1868 verdubbeld tot 60.000 gulden en de aandeelhouders kregen 4,5 procent dividend uitgekeerd. Het bedrijf werd een van de pronkjuwelen van de Asser nijverheid en mocht zich dan ook tweemaal verheugen in koninklijk bezoek.


Het grafmonument van Brumsteede opgericht in 1881 is het kunsthistorische hoogtepunt van de Noorderbegraafplaats. Het is een neogotisch topstuk vervaardigd door de Asser IJsergieterij en is geplaatst op een van pleisterwerk voorziene gemetselde onderbouw. Het monument zelf bestaat uit een op een altaar lijkend piëdestal (voetstuk) net op de zijden de in hoog reliëf uitgevoerde doodsattributen vliegende zandloper, schedel met gekruiste beenderen en uil (wijsheid) binnen een lauwerkrans. Op één zijde staan de persoonsgegevens. Het 'altaar' staat onder een baldakijn dat steunt op vier, op zware voet bevestigde bundelpijlers met kelkkapitelen en octoponale pinakels met spitsen die aan de woorzijde zijn voorzien van driehoeken net hogels. Tussen de pijlers ligt een afgeknot tentdak dat oorspronkelijk een Idoodslamp als bekroning droeg. De dakrand van het tentdak bestaat uit maaswerk in de vorm van spitsbogen, visblaastracefingen, rondboogfriezen en driepassen. Het geheel is een staaltje van technisch Vernuft dat uniek genoemd mag worden. (foto Sietse Kooistra)


Donkere tijden braken aan

De eerste keer was in 1868 toen de Slag bij Heiligerlee werd herdacht. Prins Willem Frederik Hendrik kwam met veel feestgedruis op bezoek en was getuige van de activiteiten in de gieterij. Onder het gieten verschenen de woorden 'Ter ere van graaf Adolf en prins Hendrik, 1568 - Heiligerlee — 1868'. Toen koning Willem III in mei 1873 een week lang Drenthe bezocht konden de Asser notabelen opnieuw goede sier maken met een bezichtiging van de ijzergieterij. Omlijst door dennentakken was bij dit bezoek een buste van de koning in de fabriek geplaatst. Bij aankomst van de vorst begon de onder het beeld aangebrachte tekst 'Leve Willem III' op te gloeien en werd het hoofd met een lauwerkrans getooid, andermaal een 'kunststukje' van Hunse.

Als blijk van waardering rinkelde na afloop van de rondleiding de geldbuidel en werd directeur Hunse middels een adjudant 'een bewijs van welwillendheid' voor het personeel ter hand gesteld. De ijzergieterij bleef groeien, maakte in 1876 met een omzet van ruim 88.000 gulden een winst van 2700 gulden en ook in de jaren daarna waren dividenduitkeringen van 6 procent mogelijk. Rond 1880 behoorde de fabriek met ruim 70 man personeel tot een van de grootste onder de vele ijzergieterijen in ons land. Maar donkere tijden braken aan. Een crisis in de landbouw tastte de hele economie aan en de teloorgang van de onderneming dreigde.

In 1883 deed het bedrijf mee aan de internationale tentoonstelling in Amsterdam en constateerde de Provinciale Drentsche en Asser Courant nog: 'De geëxposeerde voorwerpen geven ook nu weer blijk dat aan de Asser gieterij goed wordt gewerkt en dat zij zonder schroom de concurrentie met andere gieterijen kan aanvaarden. Bekwaamheid en ijver bij de werklieden, geleid door kennis en energie bij de superieuren, beloven haar een schone toekomst'. Maar in het zelfde jaar kelderden de aandelen en weigerde de bank het bedrijf verdere leningen te verstrekken. In 1886 werd overwogen de lonen te verlagen en een jaar later waren de problemen zo groot dat een drietal notabelen, de heren H. van Lier, I. Roessingh en E.A. Smidt, een circulaire met een reddingsplan verspreidde om sluiting van de fabriek te voorkomen.


Gietijzeren versiering op het toegangshek van de Noorderbegraafplaats (foto Sietse Kooistra)


Pech bleef de ijzergieterij achtervolgen.

In het rondschrijven werden de problematische situatie en de eventuele gevolgen beschreven: 'De Asser Ijzergieterij beleeft moeilijke dagen. De achteruitgang van alle industriële ondernemingen, de algemene malaise deden ook hier hun invloed gelden. Toch is dit voor het ogenblik niet de grootste ramp. De Ijzergieterij werkte in de laatste jaren nog niet zo ongunstig, dat de aandeelhouders daarom tot ontbinding zouden moeten besluiten. Terwijl in 1885 volgens de balans verlies werd geconstateerd, werd toch reeds in 1886 dit verlies weer herwonnen. De vennootschap had echter voortdurend gebrek aan bedrijfskapitaal. Door leningen bij de Nederlandsche Bank werd in dit gebrek voorzien.

Thans heeft de Nederlandsche Bank geweigerd dit geld op de tot nu toe gebruikelijke wijze te verschaffen en staan de aandeelhouders dus voor het dilemma: geld te geven of tot ontbinding over te gaan. Het eerste is niet te verkrijgen. De aandelen zijn in verschillende handen en er zijn tal van acactiehouders die niet kunnen of niet willen suppleren. Ontbinding, liquidatie staat dus voor de deur. De actiën zullen dan zo goed als waardeloos worden. Doch dit is niet het ergste. De opheffing der Ijzergieterij zou een ramp voor Assen zijn, zou een aantal gezin- nen brodeloos maken...' Vervolgens werd een moreel beroep gedaan op een ieder die het zich kon veroorloven financieel bij te springen om het voortbestaan van de fabriek en de werkgelegenheid veilig te stellen.

Er werden nieuwe aandelen uitgegeven en met de opbrengst, 30.000 gulden, was begin 1888 de fabriek gered en waren de lonen voorlopig gegarandeerd. De vreugde hierover duurde maar kort. Eind 1891 besloten de aandeelhouders alsnog tot liquidatie en vreesden meer dan 70 Asser huisgezinnen voor hun toekomst. De fabriek werd gesloten en geveild. Hendrik Jan Koning uit het Groningse Foxham werd de nieuwe eigenaar. Koning beloofde via een advertentie in de krant 'tegen het eind van de maand de fabriek weer in werking te zullen stellen waarop 56 van de ontslagen werklieden opgetogen weer aan het werk konden. Pech bleef de ijzergieterij echter achtervolgen.


Lovende woorden, maar wel wat zuinigjes.

Nog geen vier maanden na de vreugdevolle heropening brak op 25 mei 1892 in de fabriek brand uit die een deel van het complex ernstig beschadigde. In de volgende jaren bleef het voortbestaan van de gieterij een hachelijke zaak en maakte men zich vooral zorgen over de afzet van de producten. Al jaren moest het bedrijf opboksen tegen de felle concurrentie van de Deventer gieterij van Nering Bögel. Koning zag betere afzetmogelijkheden in de Groningse Veenkoloniën en besloot in 1896 het bedrijf, met de hele inventaris, over te plaatsen naar Martenshoek (Hoogezand). Ook alle werklieden konden meeverhuizen en bijna allen gingen mee. Tot 1980 heeft het bedrijf hier bestaan onder de naam Noord-Nederland en is daarna failliet gegaan.

Roelof Hunse maakte de ontmanteling en verhuizing van 'zijn' ijzergieterij niet meer mee. De directeur die in 1884 op z'n zestigste was afgetreden overleed in mei 1895. Bij zijn begrafenis sprak oud-burgemeester Van der Feltz: 'De geachte medeburger, met wie ik vele jaren werkte, die allen kenden, want u was een bekende figuur in Assen, een woord ten afscheid. Wij waardeerden in u uw beminnelijke eenvoud en bescheidenheid, uw humaniteit, de welwillendheid waarmee u anderen wilde terzijde staan. Wars van overdreven eerzucht, die in de woelige tijd waarin u leefde zovelen het hoofd op hol dreigt te brengen, trad u terug waar men u op de voorgrond wilde dringen; een kandidatuur voor de gemeenteraad hebt u steeds van de hand gewezen.

Toch was u een man van uw tijd en had oog voor de sociale noden en behoef en. Maar u werkte liever in bescheiden kring dan in het openbaar, getuige ook onder meer uw lidmaatschap in het bestuur onzer Hulpbank, waarin ik, nog maar weinig weken geleden, u voor de laatste maal ontmoette. Humaan werkgever en patroon, welwillend en verstandig raadgever voor zovelen als uw raad en hulp inriepen, u hebt velen gediend en zult blijven leven in de herinnering van velen, ook in de mijne. Vaarwel!' Lovende woorden, maar wel wat zuinigjes. Als directeur van Assens grootste industriële onderneming, secretaris van de Liberale Kiesvereniging, commandant-generaal van de brandweer en vanaf 1881 voorzitter van de Asser Kamer van Koophandel en Fabrieken speelde Roelof Hunse jarenlang een prominente en leidende rol in de Asser ondernemerskringen al zal het elitaire en gesloten karakter van die kringen er misschien toe hebben geleid dat hij in de bredere Asser gemeenschap niet zo opviel.

De bedrijfsgebouwen van de eens zo trotse Asser Ijzergieterij hebben nog jaren dienst gedaan als opslagplaats en autospuiterij. In 1949 werd de achterste loods gesloopt en in 1957 heeft de sloophamer de rest van het complex voorgoed doen verdwijnen.








© 2006-2009 www.mijn-eigen-website.nl