In en om Assen





De bliksemcarriére van Assen als industriestad (1959 - 1967)


foto: John Stoel, Groningen


'Drenthe was ook na de oorlog nog steeds een echte landbouwprovincie.

In de jaren vijftig worstelde Assen met haar imago als 'ambtenarenstad'. Ambitieuze gemeentebesturen deden er alles aan om Assen op te stoten in de vaart der volkeren en de stad te bevrijden van haar ouderwetse, een beetje duffe imago. In april 1959 boekte de stad groot succes toen de minister van Economische Zaken de gemeente aanwees als ontwikkelingskern waardoor men onder andere de beschikking kreeg over allerlei extra financiële mogelijkheden. Bertus Boivin reconstrueerde de 'bliksemcarrière' van Assen als industriestad die in de jaren daarop volgde. Hij laat deze periode eindigen in 1967 toen de Nederlandse Aardolie Maatschappij het hoofdkantoor in de Drentse hoofdstad vestigde en de uitgesproken ambities van Assen op industriegebied weer even snel leken te verdwijnen als ze gekomen waren.

Na de Tweede Wereldoorlog was her voor de verschillende Nederlandse kabinetten duidelijk dat er méér nodig was dan algemene maatregelen om de Nederlandse economie weer flink op gang re krijgen en de wederopbouw na de crisisjaren en de oorlogsellende krachtig ter hand te nemen. Duidelijk was in elk geval dat in belangrijke delen van Nederland de economie verouderd was en dat er in bepaalde regio's sprake was van grote achterstanden en massale werkloosheid. Een van die gebieden met een ouderwetse economische structuur was de provincie Drenthe. Samen met Friesland was Drenthe de minst geïndustrialiseerde provincie van ons land. 'Drenthe was ook na de oorlog namelijk nog steeds een echte landbouwprovincie.

Ruim 47 procent van de Drenten verdiende in 1947 zijn loon nog in de landbouw, terwijl het landelijke cijfer op dat moment rond 19 procent lag. Een echt probleemgebied was Zuidoost-Drenthe waar de werkloosheidscijfers tot de hoogste van Nederland hoorden. Het roemloze einde van de turfindustrie en het ontbreken van alternatieven zorgden achter Emmen dan ook voor levensgrote problemen. Ze waren van een zodanige omvang dat de toenmalige minister van Economische Zaken, Van den Brink, in 1949 met een Welvaartplan Zuidoost-Drenthe kwam om de regio een extra duw in de goede richting te geven. In hetzelfde jaar 1949 verscheen de Eerste Industrialisatienota die ten doel had tot een 'landelijke spreiding der industrialisatie door regionale concentratie' te komen.


Assen rekende zich niet bij de probleemgevallen

Op grond van dit nieuwe rijksbeleid konden gemeenten - de zogeheten industrialisatiekernen - in aanmerking komen voor rijkssteun bij het beschikbaar stellen van industrieterreinen, bij bepaalde infrastructurele maatregelen, het bouwen van extra woningen en her bevorderen van het nijverheidsonderwijs. In Drenthe werden Emmen en Klazienaveen als industrialisatiekernen aangewezen. Verder werd Hoogeveen op grond van de hoge uitstoot van arbeidskrachten uit de landbouw als 'incidentele kern' aangewezen. De rest van de grotere Drentse gemeenten moest het in 1949 zonder specifieke rijkssteun op dit punt doen. De gemeente Assen maakte zich hier vooralsnog niet echt druk om. Het kabinetsbeleid richtte zich op de probleemgevallen en daar rekende Assen zich terecht niet bij.

De stad had in die jaren een zeker voor Drentse begrippen opmerkelijke beroepenstructuur. Was het aandeel van de landbouw in Drenthe — zoals eerder gezegd — in 1947 nog zo'n 46 procent, in de gemeente Assen lag dat percentage op dat moment onder de 16 procent. De sectoren commerciële dienstverlening en overheid lagen in Assen beide in de buurt van de 25 procent, terwijl voor Drenthe deze percentages op respectievelijk 7 en 14 procent zaten. Wat de arbeidsplaatsen in de industrie betreft, lag Assen weliswaar met 28 procent ruim boven het Drentse gemiddelde (20 procent), maar vergeleken met stedelijke gemeenten van hetzelfde kaliber lag Assen een straatlengte achter.

Assen bleek precies datgene waar buitenstaanders de stad steevast voor hielden: een 'ambtenarenstad'. De nijverheden die Assen kende, vonden hun beslag in tientallen kleinere bedrijfjes. Slechts een enkel bedrijf stak qua omvang duidelijk boven de andere industrieën uit. Dat waren de Exportslachterij (1890, vanaf 1928 Drentex, later Vleescentrale en Coveco), zuivelfabriek Acmesa (in 1908 ontstaan uit een fusie van zes boterfabriekjes in Assen en omgeving) en conservenfabriek Wilco (1929). Opvallende overeenkomst was dat ze alle drie aan de landbouw gerelateerd waren en daarmee in belangrijke mate steunden op Drenthe en Noord-Nederland als agrarische regio.


foto: John Stoel, Groningen


In Assen zat je óf in de verpleging óf in dienst

Het in 1946 opgerichte Drents Economisch en Technologisch Instituut (DETI) onderzocht in opdracht van de gemeente de economische structuur van Assen. In het eindrapport omschreef het DETI de werkgelegenheidssituatie rond 1950 als 'redelijk gunstig'. Wel tekende men er bij aan dat het in de stad ontbrak aan 'een eigen ondernemersklasse'. Bovendien stelde het DETI vast dat de Assenaren niet gewend waren aan fabrieksarbeid. Later werd dit als volgt verwoord door de in 1946 opgerichte gemeentelijke Industrialisatie-' commissie: 'De Assenaren willen teveel het witte boord dragen en de Asser meisjes willen niet op een fabriek werken'. Het was voor een belangrijk deel aan de oplettendheid van deze Industrialisatie-commissie — die overigens meer uit middenstanders dan uit vertegenwoordigers van de verschillende nijverheden bestond — te danken dat Assen vlak na de oorlog twee belangrijke nieuwe industrievestigingen in de wacht wist te slepen.

In 1946 vestigde het Stork-concern in de voormalige Asser graansilo aan het Kanaal een pompenfabriek. Een jaar later kwam aan de Groningerstraat, later aan de Tuinstraat een vestiging van het Groninger bedrijf Gelmok, een fabrikant van leren jassen. Beide bedrijven groeiden uit tot belangrijke werkgevers in de stad. De door Stork gestichte fabriek bestaat nog steeds onder de naam Johnson Pump/SPX Process Equipment. Daarmee hoort het bedrijf tot de oudste Asser industrieën. (Het oudste Asser bedrijf is Van Gorcum dat reeds in 1816 van 'Sneek naar Assen verhuisde. Sinds 1965 is het gevestigd op het Asser industrieterrein.) Keer op keer benadrukte de Industrialisatiecommissie het tekort aan geschoold personeel en aan geschikte woonruimte. Onder andere gealarmeerd door dit soort problemen nam de gemeente Assen de nieuwbouw over van de twee Asser woningcorporaties om de vaart erin te krijgen.

In de jaren vijftig bouwde de gemeente zelf zo'n 900 woningen die de corporaties vervolgens in beheer kregen. Illustratief voor de 'gulzigheid' van de nieuwe bedrijven is dat Stork in de jaren vijftig hele jaargangen metaalbewerkers van de Ambachtsschool in dienst nam. Opmerkelijk was dat bij een werkgelegenheidsgroei van circa 2400 banen tussen de volkstellingsjaren 1947 en 1956 het aandeel van de industrie in de Asser werkgelegenheid zelfs relatief daalde. Grote 'banenscheppers' in deze periode waren de verschillende overheden en semi-overheden en de zorgsector. De laatste kreeg in de stad een krachtige impuls met de vestiging van nieuwe instellingen als Hendrik van Boeyenoord (1949) en het verpleeghuis Anholt (1961), plus belangrijke uitbreidingen bij het Wilhelmina Ziekenhuis, Licht en Kracht en Port Natal. Degene die beweerde dat je in Assen óf in de verpleging zat of in dienst lag, zat niet ver bezijden de waarheid.


Voor Assen was het buitengewoon aantrekkelijk om ontwikkelingskern te worden

In de loop van de jaren vijftig begon de Nederlandse economie flink op toeren te komen. Het succes van de wederopbouw zorgde ervoor dat de Nederlandse politiek de blik op andere zaken kon richten dan het aanpakken van de ergste problemen. Duidelijk worden dergelijke nieuwe accenten geïllustreerd door de Zesde Industrialisatienota (1958) van minister Jelle Zijlstra van Economische Zaken. In zijn nota verlegde de minister het accent van het bestrijden van structurele regionale werkloosheid naar het ontlasten van de Randstad als kern van de economische activiteiten. Hét grote gevaar dat de politiek op dat moment voorzag, was dat de Randstad vol zou raken en dat er een eind aan de groei zou komen als er elders geen extra capaciteit werd gecreëerd.

Het was de tijd dat Den Haag voorzichtig aan projecten als de Eemshaven ging denken, later kwam in dit verband ook de spreiding van rijksdiensten op de agenda. Voor Noord-Nederland betekende het nieuwe regionale beleid dat niet langer uitsluitend de 'echte' probleemgebieden van Groningen, Friesland en Drenthe voor extra overheidssteun in aanmerking kwamen, maar dat heel Noord-Nederland vanaf 1958 door Den Haag als ontwikkelingsgebied beschouwd werd. Het nieuwe beleid van minister Zijlstra zorgde ervoor dat de omvang van de regionale aandachtsgebieden in 1958 meer dan verdubbelde. De nieuwe regionale industrialisatiepolitiek introduceerde in 1958 een nieuw instrument: de onrwikkelingskernen.

Ze zouden een belangrijke rol moeten spelen bij de spreiding van de industrialisatie over Nederland. Ontwikkelingskernen konden rekenen op flinke rijkssteun bij de aanleg van nieuwe industrieterreinen, bij het realiseren van grote infrastructurele projecten en door het toewijzen van extra contingenten woningen. Het was voor een gemeente dan ook buitengewoon aantrekkelijk om ontwikkelingskern te worden. Belangrijke voorwaarden waren dat er gunstige condities moesten zijn om industrie aan te trekken, dat er reeds een zekere industriële basis aanwezig moest zijn, dat er goede verbindingen met de Randstad waren en dat de gemeente in kwestie een regionale centrumfunctie moest vervullen.


foto: John Stoel, Groningen


Assen heeft kapitaal en industrie nodig

Onder aanvoering van de op 16 april 1958 aangetreden burgemeester Popke Pieter Agter ging Assen zich beijveren om de status ontwikkelingskern in de wacht te slepen. De gemeente afficheerde zich met verve als een absolute must voor de verdere industriële ontwikkeling van de provincie Drenthe. Praktisch probleem was overigens wel dat Assen niet voldeed aan een aantal belangrijke criteria die minister Zijlstra in zijn plannen voor de nieuwe ontwikkelingskernen geformuleerd had. Zo had Assen vrijwel geen werkloosheid en kende de stad geen migratietekort, maar een migratieoverschot. (Er verhuisden meer mensen naar Assen dan uit de stad wegtrokken.) In een pleitnota om voor de status van ontwikkelingskern in aanmerking te komen benadrukte de gemeente Assen dat het juist de komst van zoveel overheidsdiensten geweest was die voor de lage werkloosheid en toegenomen migratie gezorgd hadden.

Zou Assen door toedoen van de rijksoverheid het slachtoffer moeten worden van haar succes? Of Assen met dit op het oog tamelijk zwakke argument het ministerie van Economische Zaken aan haar kant kreeg, is niet bekend. Duidelijk werd op 8 april 1959 echter wel dat Assen in de prijzen gevallen was. Samen met Coevorden, Emmen, Hoogeveen en Meppel hoorde Assen tot de vijf primaire Drentse onrwikkelingskernen. Daarnaast werden Klazienaveen en Roden aangewezen als 'aanvullende kernen' en kreeg Nieuw-Buinen het predicaat 'bijzondere kern' (waarbij men refereerde aan de ligging van dat dorp tegen Stadskanaal aan). 'Geef ons de mogelijkheden en wij zullen tonen wat we kunnen', schreef burgemeester Agter in het speciale Assen-nummer van het Maandblad Drenthe ter gelegenheid van het 700-jarig bestaan van Assen en 150 jaar stad:

'Wat heeft Assen nodig? Kort gezegd: kapitaal en industrie. Er zijn natuurlijk mensen die zeggen: 'Laat dat Noorden dan eens voor zichzelf zorgen en niet klagen, maar aanpakken'. Dat is ontzaglijk onbillijk, want wat het Noorden uit zijn eigen kracht kon doen, heeft het aangevat. Nog al te veel Nederlanders denken bijvoorbeeld bij het woord Drenthe aan heidevelden met schaapherders en hun kudden. Ze zijn vergeten dat dit gewest in de laatste halve eeuw, grotendeels uit eigen kracht, gegroeid is tot een van onze beste agrarische provinciën.' Om er meteen in de volgende alinea aan toe te voegen: 'Maar men kan begrijpen dat we hiermede alleen onze groeiende bevolking niet kunnen opvangen. Zelfs een ' sterk in inwonertal toenemende stad als Assen ziet een gedeelte van zijn jonge industriële werkkrachten nog steeds wegvloeien naar het al overvolle Westen. En wij verdedigen met klem: dat is niet alleen jammer voor Assen dit is nationaal gezien ongezond!'


De plannen pasten wonderwel in het beeld om Assen meer allure te geven.

Over Assen als industriële ontwikkelingskern schreef DETI-directeur Cees Voormolen een artikel in hetzelfde nummer van Maandblad Drenthe. In zijn bijdrage benadrukte hij vooral dat Assen meer allure moest krijgen: 'Om enkele punten te noemen: versnelde woningbouw, de winkelbebouwing in het centrum (vooral de 'doorbraak'), de hotelaccommodatie, voorzieningen op het gebied van de sport, een verdere uitbouw van het onderwijsapparaat.' Belangrijker echter vond Voormolen 'dat de bevolking zelve zich ook mentaal op de industrie als toekomstige bestaansbron gaat richten'. Agter en Voormolen schreven hun bijdragen toen de aanwijzing van de gemeente tot ontwikkelingskern nog erg vers was. Wat heeft de aanwijzing in de jaren daarna tot gevolg gehad voor de stad?

De extra aandacht voor de stad heeft de plannen om de centrumfunctie van Assen verder uit te bouwen zonder enige rwijfel versterkt. Zou Assen zonder de status ontwikkelingskern ook met haar ingrijpende PUK-plan (1962) voor de vernieuwing van de binnenstad zijn gekomen? De plannen pasten wonderwel in het beeld om de stad meer allure te geven. Hetzelfde geldt voor de grootscheepse infrastructurele plannen die kort na 1959 vaste vorm kregen. Het begon met de tunnel in de Rolderstraat waarvoor de werkzaamheden in 1960 van start gingen. In 1961 bereikte de gemeente overeenstemming met het rijk over een nieuw Noord-Willemskanaal ten noorden van de stad. In relatie daarmee besloot Rijkswaterstaat om het kanaal tussen Groningen en de Asser haven bevaarbaar te maken voor schepen met een laadvermogen tot 300 ton.

In 1962 werd Assen het met het rijk eens over het tracé van de A28 en de N33 richting Zuidbroek. Niet lang daarna bepaalde Assen waar de Europaweg zou komen. Op deze manier kreeg in slechts een paar jaar tijd de toekomst van de stad voor minstens veertig jaar een duidelijk ruimtelijk kader. Nogmaals, het was zeker niet alleen de aanwijzing tot ontwikkelingskern die de stad hiertoe aanzette. Wel paste het verdacht goed binnen de ontwikkelingen die burgemeester Agter en zijn collega-gemeentebestuurders voor ogen hadden. Vanaf 1959 werden de contouren van het nieuwe Assen snel duidelijk. Het aanwijzen van Assen tot ontwikkelingskern had als primair doel industrievestigingen in de stad te bevorderen. Hoe succesvol is de stad daarin geweest?


foto: John Stoel, Groningen


Hitjo D. Schuth liep zich als 'handelsreiziger van Assen' het vuur uit de sloffen

Tot nu toe is hier relatief weinig studie naar gedaan. Doorgaans overheerst de gedachte dat de pogingen aan het begin van de jaren zestig om industrie naar de stad te halen weinig zoden aan de dijk hebben gezet. Vele jaren na dato de balans opmakend lijkt deze stelling min of meer bewezen. Het neemt echter niet weg dat de pogingen die Assen in die jaren in die richting ondernam, als zodanig wel degelijk serieus te nemen zijn. Ze kunnen zelfs als buitengewoon succesvol bestempeld worden als men het blikveld niet breder maakt dan de jaren zestig. Uit de middelen die riet rijk voor ontwikkelingskernen beschikbaar stelde, besloot de gemeente Assen een nieuwe ambtelijke functie te creëren: de industriepromotor.

Aangesteld werd de Westerborker voorlichter Hitjo D. Schuth. Het bleek een uitstekende keus. Schuth liep zich als 'handelsreiziger van Assen' het vuur uit de sloffen om ondernemers van elders te verleiden zich in de Drentse hoofdstad te vestigen. Er ging geen nieuwjaarstoespraak van burgemeester Agter voorbij of de begenadigde industriepromotor werd geprezen om zijn nieuwste trofeeën van de jacht op nieuwe 'slachtoffers' voor de Asser industrieterreinen. In de eerste helft van de jaren zestig vonden de belangrijkste ontwikkelingen plaats op het industrieterrein tussen het Havenkanaal en de spoorlijn. In totaal vestigden zich tussen 1959 en 1965 in Assen 47 nieuwe bedrijven met meer dan tien werknemers.

De belangrijkste nieuwkomers in deze periode waren:

• Burgerhout, producent van kachelpijpen en andere rookgasafvoerproducten
• koffiezetmachinebouwer Animo (vanuit Amersfoort)
• metaalfabriek Winel, producent voor de maritieme industrie (vanuit Zaandam)
• gasaanstekerfabrikant Van Poppell (vanuit Utrecht) (tegenwoordig Swedish Match)
• muurverffabriek Amstellin (later onder¬deel van Tollens Coatings)
• de Engels-Nederlandse verpakkingsin¬dustrie (later Amcor Flexibles Envi)
• Nautamix, producent van industriële mixers (uit Haarlem)
• de Zweedse machinebouwer Pullmax (Pullmax sloot in 1966 al weer zijn poor¬ten, waarna Stork Pompen het pand overnam, tegenwoordig Johnson Pump/SPX Process Equipment)


Assen had weer 'ns de tijd mee...

De eerste vier bedrijven in deze lijst zijn nog steeds in Assen gevestigd. In de eerste helft van de jaren zestig zorgden de nieuwe industriële vestigingen in Assen naar schatting voor 700 extra arbeidsplaatsen. In de sector nijverheid waren begin 1965 ruim 3000 mensen werkzaam. Het feit dat de 'industriële lente' van de stad later snel in de vergetelheid geraakt is, heeft alles te maken met twee gebeurtenissen die de Asser economie in de jaren daarna behoorlijk op zijn kop gezet hebben: de komst van de Nederlandse Aardolie Maatschappij (NAM) in 1967 en de ontwikkeling van de Asser binnenstad als bovenregionaal koopcentrum vanaf het begin van de jaren zeventig dankzij het Komplan-Noord.

Twee ontwikkelingen die Assen nagenoeg onkwetsbaar maakten voor de grote bedreigingen van de Nederlandse industrie zoals die zich het duidelijkst in de Limburgse mijnen en in de Twentse textielindustrie manifesteerden. De Nederlandse economie was in de jaren zeventig in snel tempo een diensteneconomie aan het worden. De industrie kwam steeds nadrukkelijker op het tweede plan. Zo'n ontwikkeling paste precies in het plaatje van de Asser beroepenstructuur. Naast de traditioneel sterke sector in de non-profit sfeer (zorg, overheid, defensie) kreeg de stad er een sterke commerciële dienstverleningspoot bij: de NAM plus haar 'toeleveranciers' en het relatief sterke Asser winkelapparaat.

Terwijl de ouderwetse industriesteden in de loop van de jaren zeventig geconfronteerd werden met massaontslagen, gingen deze vrijwel ongemerkt aan Assen voorbij. Weliswaar sloten oude Asser bedrijven als de Wilco en de Vleescentrale/Coveco hun poorten in respectievelijk 1979 en 1982. Het bleken echter niet meer dan rimpelingen in de vijver. Sinds jaar en dag had Assen die sectoren reeds sterk vertegenwoordigd in haar economische structuur die onder het nieuwe economische gesternte voortaan de koers zouden bepalen. Assen had weer 'ns de tijd mee...


Geraadpleegde bronnen

Geschiedenis van Assen, H. Gras e.a. (Assen, 2000) (met name de hoofdstukken 5-4 en 6.4)
De opbloei van een muurbloem - De ontwikkeling van de werkgelegenheid in Drenthe sinds 1945, Egbert Wever, (IJzerlo, 2008)
Industrialisatiepolitiek rondom de jaren vijftig, W.J. Dercksen, (Assen/Maastricht, 1968)
De citaten van burgemeester Agter eh DETI-directeur Voormolen komen uit Maandblad Drenthe 1959/5.
De gegevens over nieuwe industrievestigingen in 1965 zijn afkomstig uit een interview met Hitjo D. Schuth in de Provinciale Drentse en Asser Courant van 16 januari 1965.


Bronvermelding:

Asser Historisch Tijdschrift; . Een artikel van Bertus Boivin

Bronvermelding foto's: Uit 'Assen 'koers 2001', beelden van een twintigste-eeuwse ontwikkeling; uitgave Gemeente Assen.
Fotograaf John Stoel






© 2006-2009 www.mijn-eigen-website.nl