In en om Assen





Jan Fabricius


Bronvermelding:
Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden, 1969-1970.
Een verhaal van Johan Fabricius; augustus 1971.



"Hij betaalde met zijn gezondheid"


Jan Fabricius groeide op onder zeer eenvoudige omstandigheden

Mijn vader, de toneelschrijver Jan Fabricius, groeide onder zeer eenvoudige omstandigheden op als de enige zoon - hij had vier zusters - van Johan Fabricius, corrector en meesterknecht bij de Provinciale Drentsche en Asser Courant. Als jongen moest hij thuis helpen verdienen; zijn Asser carrière van twaalf ambachten dertien ongelukken eindigde hij als letterzettermaatje op de drukkerij waar zijn vader werkte. Daarna mocht hij voor de krant de Winschoter raadsvergaderingen verslaan en voor gemengde berichten zorgen: het eerste nog schuchtere bewijs dat zijn ‘pen’ gewaardeerd werd.

Als 20-jarige solliciteerde hij naar een betrekking van chef-d'atelier - een woord dat hij voor het eerst hoorde - bij Van Dorp & Co., een grote Bataviase drukkerij; hij moest met zijn leeftijd smokkelen om de betrekking te krijgen, die hem werd toegekend op grond van zijn opvallend gestelde sollicitatiebrief en zijn verschijning, die vertrouwen schijnt te hebben ingeboezemd. In het toenmalige Nederlands-Indië maakte hij snel carrière; via de drukkerij vond hij zijn weg naar de redactiekamer. Hij verhuisde naar Bandoeng, om daar de door hem medeopgerichter Preanger-bode te redigeren. Hij kon nu ook zijn meisje - Minke Dornseiffen, voortgekomen uit een Friese domineesfamilie - als ‘handschoentje’ laten overkomen.

Na tien Indische jaren dwong een ernstige leveraandoening hem te repatriëren. Hij koos Haarlem als woonplaats en werd hoofdredacteur respectievelijk van De Wereldkroniek en De Spaarnebode. In 1908 verhuisde hij naar Den Haag, om het directeurschap van De Nieuwe Courant op zich te nemen. In Haarlem had hij op een dag bezoek gekregen van de acteur Frits Bouwmeester, die op het punt stond zijn voor hem tragisch geëindigde tournee door Java te ondernemen en bij mijn vader wat informatie over Indische toestanden kwam inwinnen.


Eenzaamheid, verveling en tropenhitte

De te vroeg gestorven broer van de grote Louis - velen sloegen hem nog hoger aan - voelde intuïtief de toneelschrijver in de journalist: ‘Schrijf een stuk voor me, Jan, ik speel het.’ Hij zou zich niet vergissen in het natuurtalent van mijn vader die als eenvoudige Asser jongen nauwelijks enig ander toneel gezien had dan De twee wezen en het niet minder glorieuze Henri de Lagardère, of De gebochelde. De aanmoediging resulteerde in Met den handschoen getrouwd, dat in januari 1907 door ‘Het Rotterdamsch Tooneel’ onder directie van Van Eysden werd opgevoerd en de aandacht trok door zijn dramatische kracht en een rauw realisme dat in die dagen nog niet door iedereen verteerd kon worden, maar door anderen als opwekkend modern werd aangevoeld.

Op Met den handschoen getrouwd, dat als thema het tot mislukking gedoemde huwelijk tussen een jong en idealistisch Hollands vrouwtje met een in ‘Indië’ door drank en seksuele uitspattingen verruwde planter had, volgde al spoedig een ander Indisch stuk, Eenzaam, dat de tragedie uitbeeldt van een jong ambtenaar B.B. (Binnenlands Bestuur), die naar een verre uithoek in ‘de Buitenbezittingen’ wordt uitgezonden en daar aan eenzaamheid, verveling en tropenhitte te gronde gaat. Het werd eveneens door ‘Het Rotterdamsch Tooneel’ opgevoerd en herhaalde het succes van Met den handschoen getrouwd, dat honderden opvoeringen beleefde. Een jong en nog onbekend acteur, Cor van der Lugt Melsert, maakte zijn carrière als Willem van Bijlevoorde, de jeugdige tragische held van het stuk.

Na Eenzaam kwam drie jaren later - in 1910 - De rechte lijn. In Wilko de Hond, ‘het rode jong’ van een noordelijk dorp, later als directeur van een groot Indisch bedrijf de man die onverzettelijk aan ‘de rechte lijn’ vasthoudt, hebben velen de krachtige figuur van mijn vader willen herkennen. Het stuk bevat zeker autobiografische elementen, maar het thema - enigszins een tegenhanger van Met den handschoen getrouwd - ontleende mijn vader niet aan zijn eigen leven maar aan dat van een vriend. Bij de figuur van Wilko's tegenspeler, de grote zakenman Hardius, die zijn menselijke warmte mist of althans niet wil laten gelden, zei mijn vader te hebben gedacht aan een andere vriend, Jan Dinger, toenmalig directeur van de Javase Bank als ik het wel heb, een beroemde verschijning in Indië.


De sfeer van Parijs lokte

Ik ben er niet zeker van of mijn vader de première van dit derde stuk - weer bij ‘De Rotterdammers’ - zelf nog kon bijwonen of dat hij het triomfantelijk succes ervan slechts van verre heeft beleefd - wij vertrokken in het vroege voorjaar van 1910 weer naar Indië, waar mijn vader het directeurschap op zich nam van het door Van Geuns geredigeerde Soerabaiaasch Handelsblad. Ondanks wederzijdse waardering wilde het niet al te best vlotten tussen directie en redactie, en wij verhuisden naar Batavia, waar mijn vader met een minimaal aanvangskapitaal Het Bataviaasch Handelsblad oprichtte.

Door een enorme krachtsinspanning wist hij voor zijn jonge krant, in scherpe concurrentie met de drie reeds bestaande Bataviase dagbladen - De Javabode, Het Nieuws van den Dag van Nederlandsch Indië en Het Bataviaasch Nieuwsblad -, een eervolle plaats te veroveren. Voor toneelwerk bleef er geen tijd over. Ik zag mijn vader nauwelijks in onze vier Bataviase jaren: nog voor ik 's ochtends op mijn fiets sprong om naar school te gaan, was hij al met het legendarische Bataviase stoomtrammetje naar de broeierig hete Oude stad vertrokken vanwaar hij 's avonds afgemat terugkeerde. Zijn eerzuchtig plan om als eerste Indische krant met een ochtendblad uit te komen betaalde hij met zijn gezondheid; op doktersadvies vertrok hij met de eerst beschikbare boot naar Europa.

Intussen had hij het besluit genomen de journalistiek geheel op te geven en een poging te wagen als toneelschrijver van zijn pen te leven. De sfeer van Parijs lokte - hij was een groot bewonderaar van Victorien Sardou en Henri Bernstein. Hij vestigde zich dus in de Lichtstad en kwam via een paar Nederlandse artiestenvrienden, die daar al eerder hun tenten hadden opgeslagen, met de Parijse bohemienwereld in contact.


Ons Nederland werd nogal eens voor Duits versleten

Merkwaardig - of misschien ook wel niet zo merkwaardig - is, dat hij daar zijn twee meest ‘Hollandse’ stukken schreef: Onder één dak en Ynske. Beide drama's spelen in een noordelijk boerenmilieu, Onder één dak in het Drentse, Ynske in het Friese. Weer bij ‘De Rotterdammers’ opgevoerd, evenaarde geen van beide het succes van de drie voorgangers. Onder één dak kwam pas goed tot zijn recht toen het in het dialect werd opgevoerd waarin mijn vader het zich gedacht had; na duizenden opvoeringen houdt het, nu ruim een halve eeuw later, nog altijd repertoire bij onze amateurs; een recente Tv-uitzending, niet in dialect, sloeg bij het Nederlandse kijkerspubliek in zijn geheel in. Ynske, een te moeilijke opgave voor amateurs, beleefde een groot succes bij het Oslo'se beroepstoneel.

Wat mijn vader tot het schrijven van Onder één dak inspireerde was een gemengd nieuwsberichtje over een oude man, die, eenzaam achtergebleven na de dood van zijn vrouw, bij een van zijn kinderen ondergebracht moest worden. Het enthousiasme was niet groot en men vond geen betere oplossing dan de oude baas dan maar onder elkaar te verloten. Op de begrafenis van zijn vrouw ging een van de zoons met de hoge hoed rond waarin de lootjes lagen: wie hem trok, die had hem. King Lear in de boerenwereld; Cordelia heet hier Dora; ze is de door de vader miskende vrouw van zijn oudste zoon Wolter.

In Ynske portretteerde mijn vader niet zo zeer de figuur van mijn Friese moeder als wel de wereld waaruit zij was voortgekomen. ‘De Kleiers’, de boeren met eigen land en vee, en ‘de Krammers’, het arme volk zonder eigen huis en hof, leveren de conflictstof voor het stuk. Mijn vader voelde zich meer ‘Krammer’ dan ‘Kleier’ en gaf aan de figuur van Pedro, de halve zigeuner die door zijn moed en temperament de trotse Friese boerendochter Ynske weet te winnen, veel van zichzelf mee. De Duitse opmars in 1914 maakte een einde aan onze korte Parijse tijd; ons Nederlands werd nogal eens voor Duits versleten, en mijn vader week op het nippertje naar Holland uit.


Na 1918 begon de zon van zijn succes te dalen

Daar, in ons Haagse bovenhuis, zou hij zijn grootste succes schrijven: Dolle Hans. Ondanks het geringe succes van Ynske bij de Rotterdammers waagde Willem Royaards het stuk op zijn repertoire te nemen. Hij werd voor zijn moed beloond met een eindeloze reeks uitverkochte huizen. Henri Brondgeest speelde de rol van de door zijn blanke superieur tot op het bloed getreiterde en tenslotte in tomeloze drift opvliegende Indo-luitenant Dolle Hans honderden malen achtereen, zodat hij er op het laatst geheel mee vereenzelvigd werd en er - een hoge prijs voor succes - zijn eigen identiteit als acteur vrijwel door verloor.

Ongeveer tegelijkertijd trok Eduard Verkade in zijn klein intiem theater aan de Haagse Herengracht volle zalen met twee Indische blijspelen, die mijn vader in snelle opeenvolging schreef: Totok en Indo en Nonnie. Het geld rolde gemakkelijk in het neutrale (en goed verdienende) Nederland van 1914-18. De goden meenden het in die jaren wèl met mijn vader.

Daarna begon de zon van zijn succes te dalen. Nog enkele van zijn stukken bereikten het beroepstoneel: Sonna - het thema is verwant aan Madame Butterfly -, het stropersdrama Hein Roekoe met Louis Bouwmeester in de hoofdrol, Seideravond, dat geïnspireerd werd door Sammy Gronemanns Tohowobohu en als thema Jodenvervolging en een pogrom in het Tsaristische Rusland heeft. Het hysterische karakter dat het antisemitisme zo vaak kan aannemen - Hitler-Duitsland zou het nog eens bewijzen - komt in dit drama met grote kracht tot uitdrukking. Aan actualiteit heeft het stuk - helaas - niets verloren. Louis de Vries voerde het - bittere ironie - in zijn ‘Hollandsche Schouwburg’ op.


Zijn werk vertoonde onvermijdelijk tekenen van steriliteit

Maar intussen zaten wij in de grote malaise van de jaren dertig; van toneelsubsidies wist men nog weinig en De Vries kon het stuk slechts vrij pover bezetten. Hoe dan ook, het succes was maar matig; misschien lag het ook niet gunstig in de tijd: men had andere zorgen dan het onrecht de Russische joden aangedaan. Een heropvoering nu zou wel eens tot interessante reacties kunnen leiden. Na de drie laatstgenoemde stukken verloor mijn vader gaandeweg elk contact met het beroepstoneel. Ik heb van nabij de heroïsche strijd meegemaakt die hij vele jaren lang gevoerd heeft om zijn positie als gevierd Nederlands toneelauteur te herwinnen. Hij schreef koppig door, met een onwrikbaar zelfvertrouwen. Maar de tijden veranderen en hij veranderde niet met hen. Hij trok zich gaandeweg meer in zichzelf terug en het ontbreken van een contact met de steeds zich ontwikkelende werkelijkheid zou hem noodlottig worden: zijn werk vertoonde onvermijdelijk tekenen van steriliteit; hij begon in herhaling te vervallen.

De opvoering van Dolle Hans (Insult) in het Londense West End deed hem opveren. In de hoop het Engelse toneel te veroveren zoals hij het eens het Nederlandse gedaan had, vestigde hij zich in Londen, waar hij intussen zijn tweede vrouw, Neville Colley, had leren kennen - mijn moeder was in 1935 gestorven. Hij kreeg inderdaad nog enkele stukken in Engeland opgevoerd, o.a. At 8 a.m., dat zich tegen de doodstraf keerde, maar deze bereikten het door elke toneelacteur zo begeerde West End niet meer.


Op een nacht verloor hij plotseling het licht aan zijn linker oog

Gelukkig bleef het amateurtoneel in Nederland hem trouw en stelde hem in staat toch nog in bescheiden mate ‘van zijn pen’ te leven. Hij trok zich, berustend in zijn teleurstelling, in een zuid-Engels plaatsje terug, waar hij een stukje heide vond dat hem de ‘eindeloze’ Drentse heide in herinnering bracht waarover hij als jongen gezworven had. Ook daar ging hij voort te schrijven, maar hij had weinig illusies meer, zijn nieuwe werk bij het beroepstoneel te zien opgevoerd.

De tweede wereldoorlog brak uit, met alle daaraan voor hem verbonden moeilijkheden, ook financiële nu zijn inkomsten uit Nederland ophielden. Samen met zijn vrouw sloeg hij zich door deze zware tijd heen. Na de oorlog begon hij de oude dag te voelen; op een nacht verloor hij plotseling het gezicht aan het linker oog. Zijn andere oog was altijd al slecht geweest sedert hij er als jongen een kwetsuur aan opgelopen had.

Hij kon daarna niet meer lezen en nog slechts met moeite op zijn schrijfmachine een brief tikken; van werken kwam niet veel meer. In het stille Broadstone, te midden van brave gepensioneerde Engelse burgers die er hun levensavond sleten, voelde hij zich gedeplaceerd; men wist daar niet zoveel van hem af dan dat hij ‘a famous Dutch playwright’ was, een voortreffelijke oude baas en quite a character. Vrijwel zijn enig contact met hen: de gezelligheid van een bridgeavond - pas tegen het laatst kon hij, tot zijn grote verdriet, de speelkaarten niet meer onderscheiden.


Zijn laatste levensjaren hebben hem weinig vreugde geschonken

Nu en dan riep het Noorden hem voor een feestelijke herdenking; men huldigde de toneelschrijver Jan Fabricius ter gelegenheid van zijn 75ste, zijn 80ste verjaardag; ook Vlaanderen - waar hij eens een zo mogelijk nog grotere bekendheid genoot - bracht hem die laatste keer hulde met een Antwerpse opvoering van een recent stuk Hare majesteit de vrouw. Daar en in ons Noorden vond hij het begrip, de menselijke warmte waarnaar hij hunkerde; ondanks de er aan verbonden moeilijkheden ondernam hij de vrij omslachtige reis per trein en vliegtuig.

Een laat hoogtepunt in zijn leven was een door Bert Garthoff geleide TV uitzending: ‘Dit is uw leven’. Het programma was meen ik pas ingeluid en Tv-kijkend Nederland was met één slag gewonnen voor de spontane, wonderlijk vitale figuur daar op het scherm die met zoveel humor, ongekunstelde warmte en vrolijke zelfspot de confrontatie met zijn verleden onderging zoals dit hem werd opgediend in het verrassend binnentreden van oude vrienden en bekenden uit zijn vroege jeugd. Het zwarte glas voor zijn linkeroog gaf hem de romantische allure van een oude zeeroverkapitein. Een paar laatste grijze krullen van zijn eens weelderige haardos schiepen een lichtend aureool om zijn kale, door ouderdom gevlekte schedel.

Daarna zonk hij weer terug in zijn Broadstonese vereenzaming. Zijn gehoor werd gaandeweg slechter; op een Sunday morning coffee in zijn landhuisje ‘Caesar's Camp’ zat hij er wat verloren bij: hij kon de conversatie niet meer volgen. Met zijn sterke hart en zijn gezond gestel is mijn vader toch nog 93 jaar oud geworden. ‘Alleen de dinosaurus in het British Museum is nog ouder dan ik’, placht hij te verzuchten. Zijn laatste levensjaren hebben hem weinig vreugde meer geschonken. ‘Voor mij hoeft het niet meer, jongen,’ zei hij wel eens tegen mij. Ik, ‘zijn jongen’, was toen ook al niet meer zo ver van de zestig.


Het Nederlands beroepstoneel liet verstek gaan

Op het laatst gingen zijn dromen steeds vaker terug naar de tijd toen hij als jongen met zijn vader op vroege zondagochtenden - ‘op zomerdagen werd ik er om vier uur uitgetrommeld: kom, Jan, de zon gaat al bijna op’ - de heide in trok, waar het avontuur lokte in de vorm van vissen in een Drents Diepje; een bij een boer weggepikte bonenstok moest als hengel dienstdoen. Van zijn vader erfde hij zijn grote liefde voor de vogelwereld; samen bestudeerden zij die ijverig en met vrucht. Zij die ‘Caesar's Camp’ aan de Broadstonese Roman Road bezochten zullen zich de grote, comfortabel ingerichte volière achter het huis herinneren waarop mijn vader van achter zijn schrijftafel het uitzicht had, tot dit op het laatst geheel verwazigde.

In wezen is mijn vader steeds de eenvoudige Asser volksjongen gebleven over wie hij in zijn Herinneringen van een Asser jongen in zo gevoelige woorden berichtte. Zijn eenvoud en geringe eruditie zijn zowel zijn kracht als zijn zwakte geweest. Hij had er aan te danken dat zijn werk tot de volksziel, tot de brede massa, sprak, soms meer dan tot de intelligentsia. Hij is door de kritiek geprezen en gelaakt, aangevallen en verdedigd, zoals het hoort. Hij is minder ‘sociaal bewogen’ geweest dan Herman Heyermans, zijn rivaal in populariteit, maar kwam steeds fel op voor de underdog, de zwakkere partij; vrijwel elk van zijn stukken bewijst het. Nu even los van elke literaire beoordeling - hij was in ons aan toneelschrijvers zo arme land een der zeer weinige authentieke talenten.

Zijn beste stukken - en daarbij denk ik misschien wel in de eerste plaats aan Eenzaam - hebben naast menselijkheid en dramatische kracht ook poëzie. Op 30 september 1971 zou Jan Fabricius, indien hij nog leefde, honderd jaar geworden zijn. Zijn geboorteplaats Assen eert hem dan met de feestelijke opvoering - door Drente's beste amateurgroep, ‘Theater in het Rond’ - van zijn Joodse drama Seideravond. De succesvolle TV uitzending van Onder één dak van enkele jaren geleden zal worden herhaald. Het Nederlands beroepstoneel schijnt aan de speelbaarheid - nu - van Fabricius' werk, dat eens volle zalen trok, te twijfelen en laat dus verstek gaan.

Of het daaraan gelijk zal blijken te hebben?


Toneelschrijver Jan Fabricius 75 jaar (1946)



Geüpload door  op 13 mei 2009

Voor deze gelegenheid is hij uit Engeland, waar hij al jaren woont, overgekomen naar zijn geboortestad Assen. Hij wordt daar op een receptie gefeliciteerd door oude schoolvrienden en bewonderaars en spreekt er enkele woorden tot de gasten. Hij bezoekt in het Provinciaal Museum een tentoonstelling van zijn werken en kijkt in het Concerthuis naar een voorstelling van het door hem geschreven stuk "Onder een dak" dat in het Drents wordt gespeeld onder de titel "Unner ien dak".






© 2006-2009 www.mijn-eigen-website.nl