In en om Assen

Jan Veenstra


“Zo lang ik mij kan herinneren heb ik geschreven”"

Bronnen: de eigen webstee, het drentseboek.nl, woestenledig.com, drenthe.nl, boekblad.nl, recentieweb.nl, drentsetaol.nl, youtube.com


De EIGEN WEBSTEE van Jan Veenstra


Jan Veenstra draagt voor uit eigen werk; beluister en bekijk ‘Ik reis niet’.


info op de eigen webstee

Leven en werk

Schrijven

Zo lang ik mij kan herinneren heb ik geschreven. Niet fanatiek, maar wel regelmatig. Opstellen, verhalen, gedichtjes, liedjes. Op de middelbare school in Hoogeveen was ik redacteur van de schoolkrant en tekstschrijver van het schoolcabaret. Maar het schrijven kreeg mij pas echt in de greep toen ik in Groningen op de sociale academie mijn eindscriptie (1979) - in een opwelling - schreef in de (geïroniseerde) vorm van een queeste: ‘Simon T. Emmer op zoek naar het geluk’. Verspreid gepubliceerd verschenen er in de jaren daarna verschillende verhalen van mij in het Nederlands.

Verhalen en Drentse satire

Min of meer tegelijkertijd (her)ontdekte ik – gek genoeg in Groningen - het Drents dat vroeger in Noordscheschut (bij Hoogeveen) mijn dagelijkse taal in huis en op straat was. Vanaf ca. 1980 schreef ik daarom ook verhalen in het Drents die in verschillende tijdschriften – waaronder ROET - werden gepubliceerd. Tevens was ik in periode initiatiefnemer van een paar satirische uitgaven in het Drents (Oes Roet, HB-2000 en De Drentse Radiobode) omdat het literaire hoofdkussen in Drenthe naar mijn mening wel wat mocht worden opgeschud.

Hunebed Turbo Show

Samen met Marga Kool, Albert Haar en Dick Blancke bedacht ik in de jaren ’80 de Hunebed Turbo Show, een maandelijks avondvullend programma, gedeeltelijk in het Drents, met veel satire, liedjes en actuele zaken, waarin we uiteenlopende gasten ontvingen als cabaretiers, schrijvers en politici. Spraakmakend, maar ook te veel hooi op de vork om het lang vol te houden.

Toneelstukken en liedjes

Door de korte sketches die ik maakte voor de Hunebed Turbo Show, ontdekte ik het plezier in het schrijven van toneelteksten. In de jaren daarna verschenen er van mij verschillende toneelstukken in het Drents en in het Nederlands. De meeste stukken in opdracht geschreven van theatergroepen of toneelgezelschappen en schouwburgen. Een bijzonder genre waren de wagenspelen die ik schreef voor Het Drents Wagenspel. Ook begon ik liedteksten te schrijven voor diverse artiesten zoals Egbert Meijers, Lianne Abeln, Duo Karst en – recent – Geert Jan Brader.

Redacteur ROET

In 1984 vroeg Martin Koster mij redactielid te worden van ROET. Op mijn initiatief is het blad, dat eerst alleen Drentse teksten publiceerde, tweetalig geworden. Het samen op trekken van Drentse en Nederlandstalige schrijvers leek mij een goede en voortdurende impuls voor kwaliteitsverbetering van de Drentse literatuur. In 1995 kreeg ROET de SNS-literatuurprijs. Tot 1998 ben ik redacteur geweest.

Columns

Halverwege de jaren werd ik ’80 gevraagd een wekelijkse column te vullen in de bladen van de Drents Groningse Pers. Enige jaren later kreeg ik dezelfde vraag van het Nieuwsblad (nu Dagblad) van het Noorden en in tweede helft van de jaren ‘90 kwam het verzoek van programmamaker Margriet Benak van RTV Drenthe om in het wekelijks politieke radioprogramma Cassata het commentaar (een gesproken column) te verzorgen. Dit heb ik tot 2005 gedaan in wekelijkse afwisseling met theaterdirecteur Bert Naarding.

Boeken, een prijs en optredens

In 1989 verscheen mijn eerste boek, de novelle ‘Zangeres van Zulver’ (uitg. HDB)
In 1997 trouwde ik, nadat we al een paar jaar hadden samengewoond in Hoogeveen, met collega-schrijver Marga Kool. Samen hebben we inmiddels diverse toneelstukken geschreven. Ook treden we regelmatig op. Met zijn tweeën en individueel.
Daarnaast brengen we samen met zanger/pianist Geert Jan Brader we een programma vol verhalen, gedichten en de liedjes in het Drents.

In 1997 kreeg ik de SNS-literatuurprijs toegekend, met daarbij de dringende oproep van de jury om de verspreid gepubliceerde verhalen te bundelen. Daar heb ik gevolg aan gegeven en aldus verscheen in 1998 de verhalenbundel ‘Die nacht een feest’ (uitg. HDB).
In de zomer van 2004 schreef ik tijdens onze vakantie, waarin Marga een schrijfopdracht moest zien te klaren, bij wijze van intermezzo de Drentse speurdersroman: ‘Tammo Tiesing en het liek op zolder’ uitg. HDB)

In november 2006 kwam het boek ‘De kerels van het Hoge Veen’ uit: een verzameling verhalen geschreven bij (de in het boek afgebeelde) schilderijen (koppen van veenarbeiders) van Gerard van de Weerd. (uitg. Gerard van de Weerd)
In maart 2007 verscheen mijn eerste roman ‘De zomer van ‘59’ (uitg. Passage).

Nog een paar feiten uit mijn leven:

Geboren op 16 april 1951 in Noordscheschut bij Hoogeveen. Daar ook opgegroeid. Enig kind.
Middelbare schooltijd in Hoogeveen: Mulo en MTS. In 1972 vertrokken naar Groningen. Ik weigerde militaire dienst.
Diverse baantjes tijdens de toen nog langdurige dienstweigeringprocedure.
Van 1974 – 1976 vervangende dienstplicht vervult (eerst bezemploeg Rijksarchief Groningen en daarna redacteur vacaturekrant bij het arbeidsbureau in Assen).
Van 1976 – 1982: groepsleider Mesdagkliniek (TBS) + opleiding Sociale Academie
Van 1982 – 1992: gemeentevoorlichter
Van 1992 – 2007: hoofd communicatie
In 1974 trouwde ik voor de eerste keer. In 1988 gingen we uit elkaar.
We kregen twee dochters: Eefje (1982) en Loes (1985).


Info op hetdrentseboek.nl

Die nacht, een feest

In Die nacht een feest zijn eindelijk de meest opvallende verhalen van Jan Veenstra verzameld en gebundeld. Hij schreef ze in de loop der jaren voor het tijdschrift ROET en voor diverse optredens en verzamelbundels. Na zijn novelle Zangeres van Zulver is hiermee ook de andere kant van zijn schrijverschap te boek gesteld.
De Drentse en Nederlandse verhalen zijn uniek in ironie en zelfspot.

Kenmerkend is de mengeling van een grenzeloze fantasie en een onbekommerd overdrijven van gevoelens en lust en onlust met heel herkenbare herinneringen aan het opgroeien in een Drents dorp, en aan een jeugd in de zestiger jaren, de tijd van "C+B" en "Clapton is God".
Jan Veenstra is een eigenzinnig schrijver, die bedreven en meeslepend speelt met de registers van de taal. Soms gevoelvol en ingetogen, soms uitdagend en barok.


Info op woestenledig.com; 23.06.2007

Schrijvers zeven dagen op trektocht door Drenthe

Tien schrijvers trekken eind september een week lang als groep door Drenthe om te onderzoeken hoe de provincie ervoor staat en hoe zorgvuldig met het landschap wordt omgegaan. De tocht voert langs plekken van literaire betekenis en wordt dagelijks afgesloten met optredens in dorpen op de route. Initiatiefnemers van de zogeheten Zeuvendaagse zijn Jan Veenstra en Ton Peters.

Met hun tocht willen de schrijvers figuurlijk in de voetsporen treden van de drie Podagristen, Lesturgeon, Van der Scheer en Boom. Die wandelden halverwege de negentiende eeuw naar eigen zeggen van Bentheim naar Assen en deden daarvan later verslag. De deelnemers schrijven vooraf, tijdens en na afloop proza en poëzie en willen hun ervaringen vastleggen in een boek met foto’s. RTV Drenthe doet dagelijks verslag.

“Ton Peters en ik bedenken voortdurend plannen”, vertelt Jan Veenstra die eerder dit jaar zijn debuutroman De zomer van ’59 afleverde. “Al pratend kwamen we op de literaire wandeltochten van Jacob van Lennep en Dirk van Hogendorp in 1823, op de Podagristen en op de tocht van Geert Mak en Marita Mathijsen. De tocht die wij willen ondernemen is ook bedoeld om de literaire geschiedenis van Drenthe bloot te leggen.”

Per dag willen de schrijvers zo’n twintig kilometer afleggen. “Meer is natuurlijk wel mogelijk, maar als je bijvoorbeeld in Zandpol een uur stil wilt staan bij de school waar P.C. Hooftprijswinnaar H.H. ter Balkt heeft lesgegeven, is twintig kilometer wel een mooie afstand. Je kunt toch niet heel Drenthe af, daarvoor zijn er domweg te veel interessante plekken”, stelt Veenstra.

De ploeg is nog niet compleet. Wel zijn inmiddels toezeggingen binnen van Bart FM Droog, Tjitse Hofman, Kasper Peters, Rense Sinkgraven en Lukas Koops. “Het gaat om mensen die een band met Drenthe hebben, bijvoorbeeld omdat ze er wonen of werken, of omdat ze er geboren zijn. Rense Sinkgraven woont in Groningen, maar is geboren in Smilde, waar ook Jacob Israël de Haan en zijn zus Carry van Bruggen geboren zijn.”

Hoewel de route nog niet vast ligt, is het de bedoeling om plaatsen aan te doen als Veenhuizen (bekend van het werk van Mariët Meester), Assen (Marcel Möring) en Kamp Westerbork (Etty Hillesum. Buurtschap het Noord, het decor van de roman van Veenstra, blijft buiten beschouwing. “Als je die plek wilt bezoeken, moet je tien kilometer door Hoogeveen wandelen voor het echt interessant wordt.”


Info op drenthe.nl

De Zeuvendaagse geeft literair klimaat in Drenthe nieuwe impuls

Het was al eens eerder gedaan. Sterker nog, het waren wandelende schrijvers die Drenthe in de 19e eeuw literair het eerst in kaart brachten. We hebben het dan over Van Lennep en Hoogendorp in 1823 en de Podagristen Lesturgeon, Van der Scheer en Boom die uitgebreid verhaalden van hun tocht van Bentheim naar Assen rond 1840.

Met de Zeuvendaagse, die plaatsvond van 22 tot en met 29 september, werd deze traditie in ere hersteld, nu door een vijftiental dichters en schrijvers die in Drenthe wonen of daar hun roots hebben liggen. Kon de tocht destijds in relatieve stilte en grotendeels onopgemerkt plaatsvinden, nu werd er door RTV Drenthe en het Dagblad van het Noorden dagelijks verslag gedaan van deze bijzondere gebeurtenis.

Er bleven trouwens genoeg stille momenten over.Vanuit uitvalsbasis hotel Braams in Gieten, waar destijds Van Lennep en Hoogendorp ook overnachtten, verkende het gezelschap een week lang dagelijks een afwisselend traject van zo´n achttien kilometer. Elke etappe voerde langs een aantal literair interessante plekken waar een korte of langere stop werd gemaakt. Een dichter van dienst zorgde elk dag voor een dagboek en een gedichtvan de dag. En verder werd er veel geïmproviseerd en was er volop ruimte voor spontane acties.

Hoe staat Drenthe erbij? We praten over de Zeuvendaagse met de schrijve Jan Veenstra, samen met Ton Peters initiatiefnemer en organisator vandit project, met ondersteuning van het Huus van de Taol en het Drents Archief. Wat bracht hen op het idee voor deze literaire wandeltocht? JanVeenstra: ‘Er waren diverse motieven, maar het belangrijkste was toch wel dat we met een bijzondere activiteit het literaire klimaat in Drenthe een impuls wilden geven.

Ook wilden we, net als destijds, verslag doen van wat we onderweg al lopend ervoeren. Van de landschappelijke staat van Drenthe, maar ook van ontmoetingen, optredens en indrukken van de plekken waar we verbleven: geboorte- en sterfplekken, werk- en inspiratieplekken liefdesplekken, plekken die horen bij een verhaal of gedicht. Terugkijkend denk ik dat we goed in die opzet zijn geslaagd. Niet alleen door de ruime media-aandacht waardoor veel mensen ons hebben kunnen volgen, maar ook door het toegankelijke en kleinschalige karakter van de activiteit zelf.

Het istamelijk uniek, intiem en soms ook heftig een week lang zo met collegaschrijvers op te trekken. Het Drents publiek heeft dat kunnen volgen, soms live, maar meer via radio, tv of de krant. Al met al was het een indrukwekkend evenement, waar we straks met een boek nog een vervolg aan gaan geven.’ Vele hoogtepunten Wie kwam er voor deelname in aanmerking? Jan: ‘We hebben schrijvers en dichters benaderd die ofwel afkomstig zijn uit Drenthe, erover schrijven of geschreven hebben, dan wel zich van de Drentse streektaal bedienen.

Uiteindelijk hadden we een groep van vijftien deelnemers bestaande uit Bart FM Droog, Tjitse Hofman, Marga Kool, Suze Sanders, Rense Sinkgraven, Kasper Peters, Lukas Koops, Erik Harteveld, Egbert Hovenkamp, Jan Glas, Nicolette Leenstra, Martin Koster, Egbert Meijers, en dan Ton en ik. Daarnaast waren er op verschillende momenten genodigden die een deel van het programma meemaakten op een voor hen bijzondere plek. Dat waren mooie momenten.

Zoals de dichter Rutger Kopland die uit eigen werk voorlas aan zijn favoriete plek bij de Drentse Aa waarop hij diverse ‘’antwoordgedichten’’ kreeg. Of stilstaan bij de treinkaping met schrijver Jelte van der Kooi bij de spoorlijn langs De Punt. En het rendez-vous met schrijver en PC Hooft-prijswinnaar Harry ter Balkt in de lagere school van Zandpol waar hij ooit lesgaf. Maar er waren zoveel onvergetelijke momenten.

Van een literaire manifestatie in het Gevangenismuseum in Veenhuizen met zijn bijzondere namen van huizen en gebouwen, tot een gepaste stilte bij Kamp Westerbork waar werd stilgestaan bij schrijvers als Etty Hillesum, Gerhard Durlacher en Philip Mechanicus die de Tweede Wereldoorlog niet hebben overleefd. Van het leggen van een zwerfkei op het graf van de vorig jaar overleden collega Herman van den Bold in IJhorst, tot opkomen voor het met afbreken bedreigde huis in Roden waar de dichteres Vasalis woonde.

Wat ook leuk was, zijn de spontane reacties van mensen die de uitzendingen gevolgd hebben. Een man die, terwijl wij langsliepen, vanuit zijn tuin riep: “Hé, daar heb je de Podagristen”, of mensen in Smilde die ons spontaan op de thee vroegen en op een plek wonen waar vroeger het huis van Carry van Bruggen en Jacob Israel de Haan heeft gestaan.’

Vervolg Inmiddels ligt de tocht alweer enige tijd achter ons. Komt er een vervolg? Jan: ‘Niet meteen volgend
jaar. Met unieke belevingen moet je spaarzaam zijn. Maar wij hebben al wel weer geheel nieuwe plannen. En we zijn natuurlijk bezig met de samenstelling van een boek over de Zeuvendaagse met de verschillende literaire wandelroutes, de foto’s, een reisverslag, maar ook met het werk dat onderweg is voorgedragen en werk dat naar aanleiding van de Zeuvendaagse is gemaakt. Alle schrijvers werken daar aan mee. Het is de bedoeling dit boek tijdens het literair festival Zomerzinnen in juni 2008 te presenteren. En er is een website
gemaakt met verslagen en foto’s.’

 

Info op boekblad.nl; 05 oktober 2008

Enno leest: 'Zeuvendaagse - Wandelen met schrijvers door Drenthe'

Je hoeft niet alles mooi of zelfs maar nuttig te vinden wat ze uitbrengen, maar de noorderlingen van uitgeverij Passage, gevestigd in Groningen, verdienen alle lof voor hun eigenzinnige bijdrage aan het landschap van de Nederlandse letteren. Altijd wat bijzonders ook, of in ieder geval regelmatig, zoals de poëtische veldtocht waarvan nu het verslag is verschenen onder de titel Zeuvendaagse – Wandelen met schrijvers door Drenthe.

Het enthousiasme is aanstekelijk, al is het wel lastig dat sommige van de teksten zijn geschreven in een soort Koeterwaals of Neder-Afrikaans of iets dergelijks en vertalingen ontbreken. Maar goed, zo is er altijd wat.


Info op recensieweb.nl; 20 september 2007. Artikel van Nocile Bauritius

Seks en zo in de jaren vijftig

Als je in deze debuutroman van Jan Veenstra (1951) een goede start zou willen maken, zou je eigenlijk moeten beginnen op pagina 14. Dan begint het boek als volgt:

‘Eigenlijk mocht het Noord geen naam hebben. Wat ongeregelde bebouwing langs een oude vaart tussen Hoogeveen en de sluis bij Noordscheschut. Minder dan vijf kilometer kanaal waarin sinds de vervening van het gebied aan beide zijden achtentwintig dwarswijken uitmonden. Dat was het.’

Dit is waar het boek over gaat: het Noord en haar bewoners. We schrijven 1959 en het is een verzengend hete zomer. Het is een periode die het leven van drie jonge mensen zal bepalen, dat van Hilbrand, Fokke en Riekie. Hilbrand en Fokke zijn lagere schoolvrienden, maar hoofdpersoon Hilbrand vraagt zich af wat hen nog bindt. Ze zijn inmiddels een jaar of zeventien en de Meccano-doos ontgroeid. Fokke op zijn beurt neemt de kameraadschap voor vanzelfsprekend: hij beroept zich op de vriendschap om Hilbrand zaakjes voor hem te laten regelen.

Hilbrand ergert zich hieraan, maar doet wat hem gevraagd wordt. Zo vindt hij onbedoeld zijn eerste liefde. Deze liefde wordt zo raak beschreven zonder sentimenteel te worden, dat je als lezer niet anders kan dan meeleven met Hilbrand en zijn meisje.
Het boek geeft een zeer overtuigende sfeerschets van de jaren vijftig: de bekrompenheid, het geklets in de buurt. De ‘toestand’ van Riekie (ze is zwanger, maar heeft geen man) toont het sterkste de normen en waarden van het Noord en de hypocrisie die daarin besloten ligt.

Een ‘gevallen meisje’ als Riekie heeft het er zelf naar gemaakt, zo is de heersende opinie. Als het nou nog in de zomer van ’45 was gebeurd en van een Canadees was, dan zouden ze haar stilletjes bewonderd hebben, maar nu is er niets dan afwijzing in de kleine gemeenschap te bespeuren. Hilbrand probeert als enige wél aardig te zijn voor Riekie.

Jammer dat het lijkt alsof dit prachtige verhaal niet op zichzelf mocht staan: de link naar de actualiteit moet gelegd worden. Daarom is van het personage Frederik , een politicus gemaakt die dweept met de normen en waarden van de jaren vijftig. Hilbrand bezoekt zijn partijbijeenkomst als journalist op leeftijd. Het eerste en laatste hoofdstuk, die in het heden spelen, doen met de keuze voor een politicus gekunsteld aan.

Veenstra lijkt zich in deze hoofdstukken het minst op zijn gemak te voelen. Waar hij in de rest van het boek beeldende omschrijvingen geeft, probeert hij het hier met zinnetjes als: ‘het campagneteam heeft natuurlijk voor een perfecte geluidsinstallatie gezorgd.’ De confrontatie van Hilbrand met Frederik heeft een duidelijke functie in het boek, maar dit had ook anders ingevuld kunnen worden.
Verder is het eerste hoofdstuk te veel doorspekt met vooruitwijzingen.

Veel personages worden in het begin van het boek al benoemd, maar te kort om er als lezer dan al iets mee te kunnen, terwijl ze later in het boek uitgebreid beschreven worden. Deze vooruitwijzingen en herinneringen roepen eerder desinteresse op dan nieuwsgierigheid: dit is toch niet het boek van een oude man die zijn saaie verhalen uit het verleden wil opdissen? Gelukkig is dat het zeker niet: afgezien van de twee hoofdstukken in het heden, is De zomer van ’59 een mooi en overtuigend verhaal uit een vervlogen tijd.


Info op woestenledig.com; 26 maart 2007

Zegeningen van Drenthe in de jaren vijftig

Vorig jaar maakte Marga Kool een geslaagde comeback als schrijfster van Nederlandstalig proza. Van haar Een kleine wereld, waarin een vrouw terugkeert naar het Zuid-Drentse dorp van haar jeugd in de jaren vijftig, zijn inmiddels meer dan 10.000 exemplaren verkocht.

Op de kop af een jaar later ligt er een vergelijkbare roman in de winkel: De zomer van ‘59 van Jan Veenstra, de echtgenoot van Kool.
Veenstra vertelt in dit boek het verhaal van Hilbrand Bos, een 64-jarige journalist die in theater De Tamboer in Hoogeveen een bijeenkomst bijwoont waar een politicus de zegeningen van de jaren vijftig bezingt. De toespraak maakt veel los.

Al snel is Bos met zijn gedachten bij zijn jeugd in het Noord, een verdwenen buurtschap onder de rook van het uitdijende Hoogeveen. Vrijwel de gehele roman speelt zich daar af, in het uitzonderlijk warme jaar 1959.
Vergeleken met Kool is Veenstra geen groot stilist, maar wat hij wel heeft is een vermogen om zijn personages tot leven te wekken. Zo heeft hij niet alleen van de jonge Hilbrand Bos een mens van vlees en bloed gemaakt, maar ook van diens vriend Fokke Booij.

Met name deze ietwat naïeve figuur wordt prachtig neergezet. Eerst stuurt hij Hilbrand er op uit om aan meisjes verkering te vragen, later wordt duidelijk waarom Fokke zo verkrampt op vrouwen reageert.
Is Een kleine wereld een roman over afscheid van een zorgeloze tijd, De zomer van ’59 is vooral een schets van een periode waarin bekrompenheid nog heel gewoon was. De manier waarop Veenstra dit gegeven behandelt en ook veroordeelt aan de hand van heilige huisjes als seks voor het huwelijk, de macht van de kerk en de plattelandstradities doet aanvankelijk wat clichématig aan.

Maar uiteindelijk slaagt hij er in om van de verschillende stenen een degelijk bouwwerk te maken.
De zwakke plekken in dat bouwsel worden gevormd door een wel heel erg eenvoudige verhaalstructuur, een merkwaardige liefde voor infantiele namen (Wuppie Nijwening, Roepie Wassens, Henke Lup) én Veenstras neiging om meer gebeurtenissen in een zomer te stoppen dan een compleet decennium verdragen kan.

Maar daar staat een ronduit ontroerende ontknoping tegenover waarin vriend Fokke het vertrouwde Drenthe voor het verre Zeeland verruilt en de jeugdliefde van Hilbrand om het leven komt.
Met De zomer van '59 heeft Jan Veenstra een roman geschreven die zonder bezwaar naast Een kleine wereld kan worden gezet. Opnieuw een mooi beeld van het Drenthe dat zojuist achter de horizon is verdwenen.


Info op drentsetaol.nl

Jan Veenstra (1951) Schriever van de maond jannewaori 2007

Jan Veenstra is geboren op Noordscheschut in 1951. Hij debuteerde èend jaoren ’70 in Oeze Volk, mor hij publiceerde meeisttieds in ’t letterkundig tiedschrift Roet dat in 1979 opricht is. Van 1984 tot 1998 hef e daor ok redactielid van west. In 1989 kwam Zangeres van zulver oet. Dat boouk kuj zeein as de eerste Drèentse novelle.

Veenstra is opgruid in de jaoren zestig en daor binnen in zien waark de sporen van te zeein. In zien verhaolen zit ok veul zölfspot. Hij hef een slim grote fantasie en hij kan zien geveuilens van lust en onlust smaangs slim overdrieven. Benaom om de verhaolen die gaon over zien leeifie oet zien jonge jaoren, Alie Bekelaar, lach ie je de buus oet.

Een veurbeeld van zun verhaol is Zwummen in het Linthorst Homankanaal, daj beluustern en lezen kunnen op http://www.taolpaddrenthe.nl/index_flash.html en dan klikken in ’t menu op schrieverij en dan op Jan Veenstra.
In 1997 won Veenstra de SNS-literatuurpries. Een jaor laoter kwam der een bundel verhaolen oet met de titel: Die nacht een feest.

In juni 2004 kwam Veenstra met de eerste Drèentstalige speurdersroman: Tammo Tiesing en het liek op zolder. Dizze eerste Drèentse speurdersroman speult in ’t rustige dörpie Langevelde, dat opschrikt wordt deur een liek op de zolder van het gemientehoes.

Jan Veenstra hef op veul terreinen actief west in de Drèentse culturele wereld. Hij hef met Albert Haar, Marga Kool en Dick Blancke een jaor of wat De Hunebed Turbo Show maokt en hij was mede-initiator van de Taaltheaternacht in Emmen. Jan Veenstra woont saomen met de Drèentse schriefster Marga Kool. In de maande met heur en zanger Geert-Jan Brader hebben ze een aovendvullend programma dat ‘Taanden van de Tied’ heeit en waor ze met optreden in heul Drenthe. In 2005 hef Albert Haar in opdracht van Stichting Drentse taol een schrieverspetret maokt van Jan Veenstra.

In meert 2007 komp zien eerste Nederlandstaolige roman De zomer van ’59 (roman) oet bij oetgeverij Passage.


Drentse liefde

1. De hunebedbouwers

Ik weet het zeker en butendes, ik bin een kenner en een Drent. De Drenten bint het hartstochtelijkste volk van de wereld. Hoe kan het aans dat mij mangs midden op de dag lange stikvlammen deur de pokkel trekt en in mien kop alles plek mak veur een dondernd staccato: BE-MIN, BE-MIN, BE-MIN.

Maor buten die momenten van raozende passie komp mien onderzukende giest mangs in de bienen. Waor ligt de wortels van mien romantiek? Bin ik een uutzondering of bint alle Drenten zo? Waren zij altied al zo? Ik lig op de boek in de kamer en blader deur een geschiedenisboek. Mien aosem stoekt bij de foto van een hunebed. Zulden ze toen ok al? Mien verbielding komp reur.
Ik zie het kleine hunebedbouwersdörpie rustig liggen wachten op het duuster. Het wark is daon en de hunebedbouwers zit tevreden veur de hutten de zunne nao te kieken die het moeras inglist.

‘Huh’, zeg vrouw Geugies. ‘Ik krieg het kold.’
‘Wat doej ok in zoe’n flintertie’, zeg heur man. ‘Ie hebt toch een kaste vol berenvellen.’
‘Pff’, blas vrouw Geugies. ‘Allemaol van veurig jaor.’
Dat is niet hielemaol wat ik zuuk en daorum verplaats ik mij naor de open plek tussen de hutten waor het grote vuur al braandt.

Alleman kös een plekkie en in de ogen van de hunebedbouwers bruit verwachting. De baos drag heur mit diepe stem zien minnedichten veur en leg het zaod veur anminnig getierelier. As daornao de zanger Egbert zien melancholische liefdesliedern zingt, trekt er een kroepnevel van zuut gejuchter in de harten van dit ontvankelijk volk.
Ok bij Henk en Ans. Ze gaot nog niet zo lange mit mekaar. Ans is het mooiste, het lieftalligste, maor ok het miest verlegen maagie van het hunebedbouwersdörp. Op korfbal bint ze mit menaar in de kunde ekomen.

Veur een maond mussen ze uutspeulen tegen Blauw-Wit en veur de weerumreize vreug Henk of Ans mitrieden wol op zien neie os. Zij nikkopte verlegen, maor heur ogen gluiden. Henk hef de os laoten raozen en brullen. Het biest klabienderde vort en scheurde mit een rotgang de bochten deur. Ans greep Henk um de middel en schrouwde in zien oor:
‘Dat giet lekker! Hej hum opevoerd?’

’s Aovends hadden zij stiekem verkering.
Henk schudkopt. Verteerd deur verdriet zit hij daor an ’t vuur. Ik leef mit Henk mit. Mangs had ik het ok stoer as het maagie van mien dreum bij een aander op de Puch zat.
Henk zien probleem is de Knoert. Hendrikus Johannes Alidus Wildeboer, mit de bijname de Knoert vanwege zien strakke pokkel.
Veur een week of wat hef de Knoert Ans bij het dobbeln ewunnen.

Goed, heur va was stomdronken toen hij Ans inzette, maor verleuren is verleuren en zölfs de baos mus toegeven dat in de liefde en het spel alles mag.
Hoe zij ok reerde, Ans mus bij de Knoert intrekken en zien berenvellen wassen. Daags mag zij de hutte niet uut, behalve veur bosschoppen en alle aovends zit zij naost de Knoert an ’t grote vuur. Ok vanaovend zit het arme maagie naost die grote macho, die lomperd, die heur mangs roegweg op de kneie trekt en dan an heur zit.

Henk zit aan de aandere kaante van het vuur en kik wat toesterig veur hum uut.
Ik snap dat. Al mien opgekröpte verdriet um Alie Bekelaar die mij indertied ofetroggeld is en die mij zitten leut mit de herinnering an maor ien smok waor ik nog zoveul meer in de zin had! Wat heb ik mij niet hartstochtelijk op de literatuur estort. Wat heb ik niet koortsachtig Lady Chatterley’s Lover deur zitten bladern van liefdesscène naor liefdesscène um in elk geval de theorie machtig te worden.

Bij elke neie passage rezen in het gistingsproces van mien erotische verbielding Alie’s börsten tot woeste heugtes vol verrukking. Wellust donderde mij as een carbidbusse deur de hoed en ik gung alvast taandenpoetsen um overal op veurbereid te wezen.
Toen kwam die blonde rotzak. Die miegerd mit zien gespierde pokkel en zien geld, zien zeilboot en zien Berini. Wie wil der nou op een Berini?

‘Kom op, Henk. Houwt hum der iene veur’, fluuster ik.
Henk komp in ’t èende en löp vastberaoden op de Knoert of. De gesprekken verstomt. Alleman vuult het ankommen. De veerkracht van de Drentse hartstocht op leven en dood tegen de dommekracht van het oerwezen. ‘Wat woj mit heur?’, grauwt Henk tegen de Knoert. En hij wis naor Ans. ‘Willen?’ mompelt de Knoert verbaosd. In romantische zaoken is hij wat van traog van begrip.

Zien moe zee vrogger al: ‘Het is maor goed dat oens ventie zo stark is, want hij hef gien wiskundeknobbel.’
‘Och,’ zeg de Knoert, ‘wat ik mit heur wil? Nou, wat mij zo in de zin komp.’
Dat wordt zien undergang.
‘Pak dat zwien, Henk,’ schrouw ik mit het zwiet veur de kop. Ik raom um mij hen en steut de kop venienig tegen een bijzettaofeltie.

Intussen is Henk de Knoert an-evleugen. In hiete raozernij bookt hij in op de vleisbulte. Een rechtse hoek, een linkse, een opstoot en dan een serie op het lief, die de Knoert de aosem nemp. Hij waankelt, lat de dekking zakken en mit een machtige linkse directe slat Henk zien rivaal tegen de vlakte. Alleman stiet op de stoelen en joelt en fluit as de scheidsrechter hum uuttelt en de hölpers hum vortdraagt.
‘De Champ’, fluustert Ans, as zij Henk in de narms glist.

Mu, maor deurtrökken van geloksgevuul lig ik op de vloerbedekking. Dat ik daor van of mag stammen! Ik zet stoel en het bijzettaofeltie weer rechtop. Mien ego siddert van hunebedbouwerstrots en op mien kop gruit een bult. Een eretieken. Een liefdesrelikwie.

Oet: Die nacht een feest


Zangeres van zulver (twei fragmenten)

Opvallend hoe dit dörp op twei gedachten hinkt. Elke maol as ik hier koom zie ik de twiefel gruien in bakstien en beton.
Halfweg het umringende plattelaand ontgruid, is het dörp niet bij machte stad te worden. Hoe graag de regenten van dizze gemiente ok wilt, het lukt niet goed de speuren van het dörp te verbargen achter de facades van de neie tied.

Of is dat allennig mien bield? Kan wezen dat ik nog altied achter de hoogbouw en de bonte kunststofgevels de olde Heufdstraot zie.
Op die lange kalme straot hebt tweiderangs ontwarpers een stroom clichés lös-elaoten. Winkeliers die stuk veur stuk benauwd waren um veur olderwets versleten te worden hölden verbouwingsopruming en lèuten heur een eigentieds gedrocht ansmeren.
Nargens is een oorspronkelijk idee zichtbaor.

Gien gebouw dat dwars de tied trotseert in kontrast mit aosembenemende verneiingsdrift. Het is allemaol konfektie, van de blombakken in het voetgangersgebied tot an het karakterloze gemientehuus. En het voldöt an alle veurschriften van bouwambtenaar Kosse.
Ik kreeg een brief van Kosse. Hij had er een anvraog veur een bouwvergunning bij edaone. Of ik die maor even wol invullen.

Vanuut de stad kwam ik weerum naor dizze streek.
Misschien was het niet allennig dit huus mit het grote atelier dat mij trök, maor wol ik ok wat weervienden van het onbekommerde kienderleven. Niet zo wied hier vandaon lag indertied die kleine veilige wereld van mien eerste ontdekkings: een woonkeuken, een huus, een arf mit grös en later ok een dörp.

Toen was het een onbevangen expeditie. Nou is het zuken tegen beter weten in. Niet iens umdat dit dörp wat wiederop lag, ok niet umdat alles hier zo veraanderd is, maor veural umdat mien verholding mit dit laand tweislachtig weur toen ik het in de loop van de jaoren echt leerde kennen. Ik wil en kan het niet zomaor wegstrepen uut mien leven, maor ik zal mij ook nooit naor dit laand schikken.
Mangs is dit kleinschalige boerengebied mit gruun waor aj ok kiekt mij te harmonisch. Het ontbreken van schrille kontrasten mak mij neerslachtig. Het dooft mien gedachten en ideeën.

Dan gao ik er een poos vandeur. Op reis, wied vort van dizze stee, kiek ik um mij hen um te zien of het mij daor beter bevalt. Ik geniet van nei uutzicht, van alles wat mien giest prikkelt, maor tot dusver kun ik ok overal zunder al teveul spiet weer ofscheid nemen.
Misschien is die definitieve plek der niet. Kan wezen dat niet de bestemming, maor enkel het reizen het doel is van mien bestaon.

Ok hier zul ik weg kunnen. Niet zomaor, niet zunder aorzeling, dat weet ik en daorum hol ik het nog an. Zolang ik niet liever naor een aandere stee weerum koom, pak ik hier elke maol mien tassen weer even uut.
Waorum bewaakt dit laand zien harmonie zo streng?
Zeker, het is gastvrij veur een inschikkelijk lief, maor achter die bomen en briede daken ligt scharpe klauwen op de loer naor opstaandig vleis.

Oet: Zangeres van zulver


Tammo Tiesing en het liek op zolder (stukkie)

…… ‘Een wending’, zee Tammo. Hij nam heur haand veurzichtig in zien haand, maor veur hij wieder praoten kun, gung de tillefoon.
Ruth nam op. Ze luusterde verwonderd en mitien ok bezörgd.
‘Gien idee’, zee ze. Ik bin al vrog wegegaone en ik heb niks an hum emarkt. Lichtkaans dat Tammo wat wet. Hij zit hier. Za’k hum oe geven?’

Ruth steuk de tillefoonhoorn naor Tammo. Jan Kees veur oe. Ep schient weg te wezen.’
Tammo nam de hoorn over. Jan Kees klunk minder ambtelijk as aans.
‘Ep is nog niet thuss ekomen vanaovend. Antje belt overal hen. Ze is hielemaol van slag. Kuj oe veurstellen. Hef Ep vanmiddag nog wat ezegd? Hej wat bezunders eziene?’

‘Mij ducht van niet’, zee Tammo. ‘Nee, ik gung as leste. Op Ep nao dan. Toen ik vortgung zee hij dat hij Alex Warmels van P&O nog verwacht had, maor die was al verdwenen en daorumme zul hij ok zo gaon.’
Jan Kees bromde wat. ‘Zul hij argens in een café zitten? Of zokswat?’

Tammo lachte. ‘Bel Henneman even en Wolter Wolters. Dan weej het. Maor Ep is gien man veur het oetgaonsleven. En as ie bedoelt te vraogen of hij argens achter de vrouwlu an zit? Casa Bianca? Nee, daor geleuf ik niks van. Maor wacht ies. Hij wol nog een memeo schrieven. Over vrijdagsmiddags. dat gien meinse op het gemientehuss meer tot vief ure warkt. Daor meuk hij hum drok over. Hej al ekeken of Ep niet gewoon an ’t wark is. Dommiet zit hij nog dapper achter zien buro.’

‘Nee’, zee Jan Kees, ‘zien vrouw hef hum vanzölf proberen te bellen. Butendes is Tinus nog wezen kieken. Ep zien buro was operuumd, zien kaste op slot en zien jasse en aktetasse waren vort.’
‘En zien fietse?’
Ep kwam al een maond of wat niet meer op de fietse’, zee jan Kees.
‘Dat wus ik hielemaol niet.’
‘Hij preut er niet over. Aambeien.’
‘Dan maj het zien as een veurrecht dat hij oe dat verteld hef.’

Jan Kees zuchtte even. ‘Ik weet het van Antje. Wat deink ie trouwens van het hiele gedoe?’
‘Ik neem an daj het niet over de aambeien hebt’, bromde Tammo. ‘Ep kan argens vaste zitten. In een lift of aanswat.’
Laot wij het niet hopen’, griezelde Jan Kees. ‘Trouwens… ik wil niet neisgierig lieken,
maor wat doej op oen verjaordag um dizze tied bij mien secretaresse?’
‘dat giet oe niks an’, lachte Tammo.

Toen ze weer an taofel zaten vreug Ruth wat hij ervan vund.
Tammo trök een diepe rimpel in zien veurheufd. ‘As hij op weg naor huus een ongeluk ekregen had, was hij nou al wel evunden. Lichtkaans is hij er vandeur. Waj wel ies leest: dat iene even een pakkie sigaretten gung kopen en toen mit de noorderzunne is vertrökken.

Zukkende bouwt argens aans een nei bestaon op en ie heurt er nooit weer wat van weer. Ep zul trouwens wel een brief sturen. Of een dikke stapel memo’s.
‘Daor was hij de man naor.’
‘Was?’
‘Zee ik was?

Oet: Tammo Tiesing en het liek op zolder



© 2006-2009 www.mijn-eigen-website.nl