In en om Assen





Johan Picardt


De bronzen gedenkplaat aangebracht op de muur van de Picardthoeve te Rhee. (foto Sietse Kooistra)


Dr. Johan Picardt, Drente's pionier-ontginner, agrarisch en cultureel, 1600—1670


Bronvermelding:
Provinciaal Drents Maandblad; 18e jaargang, nr. -6-. Oktober 1947. Een artikel van R. D. Mulder


Een baanbreker op het gebied van de Drentse landbouw.

Op 28 Augustus j.1. werd te Meppel het honderdjarig bestaan van het Drentsch Landbouwgenootschap feestelijk herdacht. Bij die gelegenheid werd de jubilerende organisatie door het Drents Genootschap een portret aangeboden van Dr. Johan Picardt, die in het midden van de 17-de eeuw predikant te Coevorden was.

Wat had die oude Coevorder dominee nu met het jubileum van het D.L.G. te maken, zult U vragen. Inderdaad, toen Picardt in 1670 overleed, was er van een Landbouwgenootschap in Drenthe nog geen sprake. Dit werd pas in 1844 te Dieverbrug opgericht. De oprichters waren geen boeren, doch „heren", vooraanstaande figuren in Drente, die inzagen, dat bevordering van landbouw, veeteelt en ontginning een eerste voorwaarde was om Drente materieel en daardoor ook cultureel tot meer ontwikkeling te brengen. Evenals deze pioniers van 1844 — die zelf geen boeren waren — was ook in 1644, dus juist 200 jaren eerder, Dr. Johan Picardt een baanbreker op het gebied van de Drentse landbouw. Hij streefde — evenals zij — naar goede voorlichting en toepassing van betere methoden in de landbouw, tot heil van de Drentse boerenstand.

Deze dominee is dus werkelijk de eerste geweest op het gebied der landbouwvoorlichting in ons gewest. Dit was de reden, dat het Drents Genootschap op het eeuwfeest van het D.L.G. Picardts portret aanbood en daaraan toevoegde het eerste exemplaar van een door het Genootschap bij de N.V. Kon. Begeer vervaardigde gedenkpenning, de Picardt-penning. De penning, waarvan slechts 250 exemplaren werden geslagen, draagt zijn beeltenis en zijn zinspreuk: Mensche bowet 't aerdtryck, waaromheen als randschrift: Dr. Joh. Picardt, Drente's pionier-ontginner, agrarisch en cultureel. 1600—1670. Op de keerzijde is vermeld: Geslagen ter ere der jubilerende Drentse Landbouw-Zuivel- en Stamboekorganisaties, door het Drents Genootschap.

Deze penning is dus een hulde aan Picardt en tevens aan het D.L.G. die elk in zijn tijd zeer veel voor Drente hebben gedaan. Picardt, die behalve dominee ook dokter was, had een grote en veelzijdige belangstelling in alles wat Drente betrof, speciaal in de oudheden, de geschiedenis, de taal en gewoonten der bevolking en in hun landbouwbedrijf. Het meest bekend is hij wel gebleven door de uitvoerige kroniek van het Landschap Drente, die in 1660 werd gedrukt, voorzien van. talrijke platen. Deze kroniek bestaat uit drie delen: „Korte beschrijvinge van eenige vergetene en verborgene Antiquiteten", de Annales Drenthiae, en tenslotte „Korte beschrijvinge der Stadt des Kasteels en der Heerlickheydt Covorden".

Door dit boek heeft hij bij zijn landgenoten de vanouds bestaande belangstelling voor de gewestelijke geschiedenis en voor de oudheden, waaraan Drente toen nog zo bijzonder rijk was, sterk aangewakkerd. De grote verdienste van Dr. Picardt op dit gebied was, dat hij als eerste de verspreide bouwstoffen voor een geschiedenis van Drente bijeenbracht en tot een geheel verenigde. Wel moeten we bij het lezen van deze nu zeldzaam geworden kroniek bedenken, dat zijn opvattingen die zijn van een 17de eeuws geleerde — die b.v. betoogde, dat de hunnebedden gebouwd werden door „grauw -same en barbarische reusen", die zich bij voorkeur voedden met ongeboren kinderen — maar toch treft ons in zijn dikwijls kernachtige beschrijving de veelzijdige belangstelling en het enthousiasme voor Drente's materiële en culturele verheffing.


Zijn theorieën over grondverbetering waren meer dan hersenschimmen

We zullen ons hier verder bepalen tot de door Picardt gegeven landbouwvoorlichting, neergelegd in een tweetal brochures van zijn hand, waarvan er één in 400 exemplaren werd verspreid. Picardt werd in 1600 te Bentheim, dus even over de Drentse grens, geboren. Hij studeerde te Groningen, Franeker en Leiden zowel theologie als medicijnen en werd daarna predikant te Egmond, waar hij 20 jaren bleef. In 1643 kwam hij naar Drente en werd dominee in Rolde, doch woonde op zijn boerderij in Rhee, gem. Vries, daar er in Rolde geen pastorie was. Reeds in zijn Bentheimse jaren had Picardt grote plannen tot ontginning van woeste gronden, die hij — dank zij de steun van de bisschop van Munster en de drost van Osnabrück — ook kon uitvoeren: nog altijd draagt de op zijn advies ontgonnen streek ten Zuid-Oosten van Coevorden de naam Alte und Neue Picardië.

„Picardt", zo schreef honderd jaren geleden de Drentse predikant Lesturgeon, „was iemand, die zwanger ging van hervormingen, omdat hij deze als verbeteringen beschouwde, hij wilde landbouw en veeteelt tot een hogere trap van ontwikkeling voeren, dan die waarop ze — door het vooroordeel der Drenten tegen alles wat nieuw was — steeds bleef staan. In 1642 schreef Picardt aan Drost en Gedeputeerden van Drente: „Dat he uyt onfeijlbare teijckenen gebleken is, datter treffelike proffijten in dit gewest te doen waren, met die culture der landen". Hij wilde op zijn boerderij te Rhee in de gemeente Vries, zoals hij het uitdrukt: „mett een publijck exempel, in aller menschen oogen" bewijzen, dat zijn theorieën over grondverbetering meer dan hersenschimmen waren.

Hij verzocht de overheid een bijdrage in de kosten, welke deze proeven meebrachten en zou gaarne ontheven worden van de pacht van 55 mudden rogge, welke hij te Rhee moest opbrengen. Picardt vond echter weinig bijval en vertrouwen bij de Drentse overheid, doch de zucht om de Drentse landbouw te verbeteren, deed hem besluiten op eigen kosten naar Rhee te verhuizen, waarover hij aan de Drentsche Edelmogende Heeren berichtte: „Datt hie vollen-komen geresolveert isz, met syne gantsche huyshoudinge, tegenst ankomenden Somer herwarts in die Drente, op Ree, te komen wonen en aldaer soodanige maniere van agricultuir int werck te stellen, van welcke hie versekert isz, dattse groot goedt sall doen in deze Provincie ..."

Picardt, die zich „een Liefhebber der Agricultuir en reformatie desselven" noemt, achtte ontginning en grondverbetering een eis van zijn tijd, waarin de behoefte aan werkgelegenheid zich steeds meer deed voelen: „Watt is doch Picardye gewest," zegt hij, „eer ick myn handt daeran geslagen hebbe? 't Wierde gehouden voor vervloeckt landt. Niemandt wilde aldaer watt te geeff hebben. Isz nu niet Picardye de peerl van alle landen in de Graeffschap Bentheim?", zo vraagt hij. Doch de Drenten oordeelden „datt sulcke saken souden onmooglick sijn" en zij wilden eerst resultaten zien alvoren hun geld in een dergelijke onderneming te steken. Picardt aarzelde niet en ging te Rhee op eigen gelegenheid aan het verbeteren van de grond, een onderneming, waarin hij veel geld stak.


Vermenging van zeer uiteenlopende grondsoorten

In 1665 schreef hij aan de Landschrijver Struyck: „Indien myn beurse so well gelardeert was, als toen ick uyt Hollandt gingh, ick soude in de wilde gronden hier, dingen doen van de andere werlt, tott verwonderinge van alle menschen". Zijn brochure, getiteld: Profitabelen, geexperimenteerden en ge-fondeerden Raedt en Instructie", diende „om de Onvruchtbare en Woeste Sandtheijden; Bruijne en Donckere Moren; Bultige en Onvruchtbare Groenlanden; tott Vruchtbaer Groen- Weyd- en Hoijlandt te maken: En de Barre Groen- en Weijdlanden; desgelijx de Slechte en ongesonde Horjlanden merckelick te verbeteren; en ditt alles SONDER MIS" (mest). Voorwaar geen kleinigheid. Hoewel deze brochure, gericht was aan „Alle Landtz-Heren, Edelen, Heerschappen, Lanthers en Meyers-lieden", kwamen de Drenten niet in actie.

Zij waren, zoals Picardt het uitdrukt „met geen middel van haeren ouden slender te diverseren". „Gene neringe op aerden", zegt Picardt, „welcke Godt behaeglycker is, als den soetten Ackerbouw en de Cultuyr der woeste landen". „Die meeste landerijen van dese gansche Creijetz van Over-IJssel, Drenth en de Graefschap Benthem, syn wilt, woest en onvruchtbaer, als Sandt-heyden, Moren, Venen, Bastert-groenlanden, Heijde-bulten, Creupelbosschen en Cattesteertige Hoijlanden, op welcken die knappertjes van Coijtjes en dwergschaepjes te nower noot haere penssen konnen vullen, maer brengen gene soden an den dijck". „Nochtans, so segh ick," voorspelt hij, „geen landt so snode, so stribbigh, so wederspannigh, 't welck niet soude tam, vruchtbaer en tot Weijdelandt konnen gemaket werden, oock sonder Miss".

Zijn methode komt dan hier op neer, dat hij door vermenging van zeer uiteenlopende grondsoorten — waardoor de structuur verbetert en de samenstelling aan minerale bestanddelen rijker wordt — tracht een grondmengsel te krijgen waaruit de planten, naar eigen behoefte, de voor hun groei noodzakelijke elementen kunnen putten. Natuurlijk had hij geen idee van de grondslagen der moderne bemestingsleer en was het begrip chemisch element hem geheel onbekend, maar toch begreep hij, dat alleen een rijk gevarieerde keuze van grondsoorten het mengsel de nodige voedingsstoffen verschafte. Daar de spoeling van jaar tot jaar dunner wordt, zo betoogde Picardt moet men wel overgaan tot productie vermeerdering en ontginning.

„Cloosters en hebben wij nijt om onse kinderen daer in te brengen; in de regeringe te komen heeft al vrij wat te seggen; die geleertheijt heeft geen schoenen meer om naer broodt te gaen; Mars en is nyter tijd so liberael niet om syne discipelen te avanceren als voor desen; in de negotie en Coophandel is geen verdienste meer; die ambachten vreeten sich onder malckanderen selfs op; in vreemde landen sijn die huijsen mett gene pannekoecken bedeckt. Watt raedt dan?" vraagt hij. „Godt selfs wijst ons een middel an: Mensche bowet 't Aerdtrijckl De spade in de handt, graeft, werpt om en vermengt den grondt, selfst in dese woeste landen van U eygen Vader-landt, sult ghij enen heijme-lijcken schadt verborgen vinden, suffisant om U en uw nageslacht te onderhouden".

Tenslotte biedt hij aan, eigen hulp en ervaring in dienst van de markegenoten te stellen: „So presenteer lek," schrijft hij „in gevalle enige Participanten resolveren om iets te beginnen en hebben daervan gene ervarentheijdt, de dienst van Mij en mijn soon Alexander om te verschynen by de Heren Marckgenoten en deselve met getrouwe raedt en daedt te assisteren in 't beginnen en uyt voeren deses wereks"'. Zo zien we dan in Dr. Johan Picardt, de eerste adviseur der Drentse boeren, 200 jaren voor de oprichting van het D.L.G. Het Drents Genootschap heeft besloten deze pionier te eren en zijn arbeid onder de huidige bevolking meer bekendheid te geven. Als blijven de herinnering aan Picardt, zal in de gevel van de oude hoeve te Rhee een bronzen gedenkplaat met zijn beeltenis en zinspreuk worden aangebracht.

Dr. Naarding zal in een op 1 November te Assen te houden Landdag van het Genootschap, de betekenis van Dr. Picardt als agrarisch en cultureel pionier in Drente, belichten en daarna zal te Rhee de gedenkplaat worden onthuld. Deze plaat is een vergroot model van de voorzijde van de Picardt-penning, welke penning dus tevens een herinnering aan deze plechtigheid te Rhee vormt. We hopen, dat de Drentse plattelandsbevolking belangstelling zal hebben voor deze hulde aan de oudste landbouwadviseur in ons gewest, een man, die zich geheel gaf voor de materiële en culturele verheffing van Drente, voor wie nu eindelijk een blijvend gedenkteken zal worden opgericht.


De Picardthoeve te Rhee (foto Sietse Kooistra)


Info op encyclopediedrenthe.nl


Johan Picardt (Bentheim 1600 - Coevorden 1670) Dominee, dokter, ontginner, historicus.

Zoon van een calvinistische predikant aan het hof van de graaf van Bentheim. Na het gymnasium Arnoldinum te Steinfurt volgde hij de studie theologie in Franeker en Leiden waar hij in 1623 afstudeerde. In datzelfde jaar beroepen als predikant te Egmond aan Zee. Trouwde in 1625 met Rocha van Brederode. Zij kregen zeven kinderen, van wie één doodgeboren.

In 1628 promoveerde hij te Leiden tot doctor medicinae. Hij was woonachtig in Egmond op den Hoef in 't Huis Tijd Verdrijf, dat later in handen kwam van Cornelis Witsen. Deze aanzienlijke Amsterdamse koopman en lid van de Admiraliteit liet het huis in houtsnede afbeelden op de spiegel van de gelijknamige oorlogsbodem, die tussen 1655 en 1673 diende als het vlaggenschip van Michiel de Ruyter.

Naast het domineeschap hield Picardt zich bezig met de beoefening van de geneeskunst en met landbouwkundige experimenten. Over zijn medische bezigheden kwam hij in conflict met de classis van Alkmaar, omdat nevenfuncties volgens de calvinistisch leer voor predikanten verboden waren. Voor Picardt was dit aanleiding Egmond te verlaten. Hij werd predikant in Rolde, en vestigde zich in Rhee op een oude kloosterboerderij die hij huurde van Johan van Welvelde die de boerderij van de Staten van Drenthe in erfpacht had gekregen.

In 1643, een jaar na zijn komst naar Drenthe, werd Picardt beroepen in Rolde; omdat daar geen pastorie beschikbaar was bleef hij wonen in Rhee. Van een warme band tussen dominee en gemeente was geen sprake, maar conflicten deden zich niet voor. Waarschijnlijk was hij ook gewoon als dokter actief.
Aannemelijk is dat de interesse voor archeologie en geschiedenis mede is aangewakkerd door de regelmatige wandeling van Rhee naar Rolde, die Picardt langs allerlei (pre)historische sporen voerde, zoals Celtic fields, hunebedden en grafheuvels.

Het fundament voor zijn latere hoofdwerk, de Annales Drenthiae, moet in Rhee gelegd zijn. Ook als ontginner was hij daar actief, waarbij hij probeerde gewassen te telen zonder het gebruik van mest. Het probleem van de woeste gronden en de ontginning daarvan moeten zijn grote passie geweest zijn. Al voor de Annales heeft hij (vergeefs) geprobeerd een publicatie over ontginningen gefinancierd te krijgen. In Rhee scheef hij wel een boekje over het ambt van predikant onder de afgekorte titel Den Prediger, dat in 1650 in Zwolle werd gedrukt.

Van het boekje is slechts één exemplaar bekend, nu in de collectie van het Drents Museum. Het werkje schildert het predikantenbestaan in de somberste kleuren.
In 1648 slaagde Picardt erin het weinig aantrekkelijke Rolde te ruilen voor de veel lucratievere predikantenplaats in Coevorden, waar hij tot zijn dood zou blijven. Die plek lijkt voor hem vooral bijzaak te zijn geweest. Vanwege de aanwezigheid van een garnizoen was er een tweede predikant aanwezig. Picardt stortte zich vol overgave op de ontginningen omdat hij in Bentheim een gebied ter beschikking kreeg van de graaf waar hij vrijuit kon experimenteren.

Zo ontstond Alte Picardie in het gebied ten oosten van Emlicheim en ten zuidoosten van Schoonebeek. Daarnaast publiceerde hij in 1664 een voorstudie over het in cultuur brengen van woeste gronden, waarin hij probeerde alsnog een omvangrijker studie gefinancierd te krijgen onder de verkorte titel:
Raedt angaende de cultuyre en verbeteringe van alle woeste/ wilde en onvruchtbare landen (1664).

Al vier jaar eerder was het werk verschenen waaraan Picardt zijn grootste bekendheid zou ontlenen:

Korte Beschryvinge van eenige Vergetene en Verborgene ANTIQUITETEN Der Provintien en Landen gelegen tusschen de Noord-Zee, de Yssel, Emse en Lippe. Waer bij gevoegd zijn ANNALES DRENTHIAE, dat zijn Eenige Aenteyckeningen en Memorien, van sommige gedenckwaerdige Geschiedenissen, gepasseert in het Antiquiteet-rijcke Landschap Drenthe, van de Geboorte Christi af, tot op desen tijdt Mitsgaders een korte Beschrijvinge der Stadt des Casteels, en der heerlickheyt Covorden. T'Samen vergadert, en aen het licht gebracht, door Johan Picardt, Theologum, Pastorem Covordiensem primum, & Doctorem Medicum. Met koopere Platen verciert.


Ets uit 1660 van Gerrit van Goedesbergh


Met dat boek, verschenen in 1660 in Amsterdam in een oplage van 125 exemplaren, werd Picardt de eerste geschiedschrijver van Drenthe. Het beleefde in de 18e eeuw twee herdrukken, in 1731 en 1745, één met en één zonder afbeeldingen, en werd in 1970 nog een keer in facsimile uitgegeven. Het boek bevat tal van, vaak in andere publicaties overgenomen, gravures over hunebedbouwers en over andere prehistorische verschijnselen, waarin Picardt zijn fantasie de vrije loop lijkt te hebben gelaten en waarin hij zoekt naar verklaringen voor de door hem waargenomen verschijnselen. In zijn beleving konden slechts reuzen in staat zijn geweest zulke grote steenhopen bij elkaar te brengen.

Ook het doktersvak oefende Picardt in deze jaren uit. Zo maakte het hof van de graaf van Bentheim regelmatig van zijn diensten gebruik. Picardt overleed op 21 mei 1670 om 3 uur 's morgens, vier jaar na zijn vrouw Rocha. Hij werd bij haar begraven in het graf voor de preekstoel in de kerk.

In de 19e eeuw werd er voor het eerst in andere publicaties aandacht aan zijn werk geschonken, o.a. in de Nieuwe Drentsche Volksalmanak. Onder impuls van H.J. Prakke kwam na 1945 meer publieke aandacht voor Picardt, door onthulling van plaquettes (in de kerk in Coevorden en aan de boerderij te Rhee) en door de oprichting van de Picardt-club in de jaren '70 die tot 2006 eens per jaar in Coevorden een bijeenkomst met voordrachten organiseerde. Daarnaast zijn tal van straten naar Picardt vernoemd, en bestaat er een Picardt-route van de ANWB. [M.A.W. Gerding]


Info op sidestone


Lezing van Wijnand van der Sanden, provinciaal archeoloog van Drenthe, ter gelegenheid van de boekpresentatie van Johan Picardts “Korte Beschryvinge van eenige Vergetene en Verborgene ANTIQUITETEN” op 12 april 2008 in het Kasteel van Coevorden.

Johan Picardt (1600-1670): Drenthe’s eerste geschiedschrijver en veldarcheoloog

Vandaag verschijnt de vijfde druk van Johan Picardts boek:

Korte Beschryvinge Van eenige Vergetene en Verborgene ANTIQUITETEN Der Provintien en Landen Gelegen tusschen de Noord-Zee, de Yssel, Emse en Lippe, etc. (etc., want de titel is nog veel langer).
De eerste druk stamt uit 1660 en verscheen in een oplage van 125 stuks.

Picardt is voor ons in Drenthe niet de eerste de beste. We zien hem als onze eerste geschiedschrijver en onze eerste veldarcheoloog. Archeologisch Nederland beschouwt hem zelfs als de stamvader van de prehistorische archeologie. Picardt wordt vooral met Coevorden geassocieerd en daarom is het niet onterecht dat de presentatie van de facsimile-uitgave hier plaatsvindt. Over vier dagen is het precies 360 jaar geleden dat hij in de hervormde kerk bevestigd werd. Minderhoud zag hem al lopen door de 17de-eeuwse straten: ‘Denkend aan Picardt zie ik een korte gedrongen man met een ernstige oogopslag. Keurig in het wambuis, een smalle knevel, lange grijze lokken achter een breed voorhoofd. Een wat plechtstatige figuur, zich bewust van eigen belangrijkheid.’ (dat hij het ambt van prediker hoog aansloeg leidt inderdaad geen enkele twijfel).

Maar voordat hij in Coevorden neerstreek, had hij al een heel leven achter de rug. Ik ga er met zevenmijlslaarzen doorheen.
Johan Picardt werd op 5 februari 1600 geboren in het graafschap Bentheim. Hij was de derde in een rij van vijf kinderen. Zijn vader Johan Picardt sr. was hofprediker van de graaf van Bentheim. Van zijn tiende tot zijn twintigste bezocht Johan jr. het Arnoldinum te Steinfurt, een schola classica die basisonderwijs, voortgezet onderwijs en hoger onderwijs verenigde. Het was een opleiding die we
als orthodox-gereformeerd kunnen omschrijven.

Op zijn twintigste vertrok Picardt naar de academie van Franeker om daar theologie te gaan studeren. Hij rondde die studie in 1623 in Leiden af. Nog datzelfde jaar werd hij predikant in Egmond aan Zee. Hij trouwde er in 1625 met de niet onbemiddelde Rocha van Brederode, promoveerde in 1628 aan de Leidse universiteit tot doctor in de medicijnen (toentertijd nog een zuiver theoretische studie, Picardt zal beslist niet in een lijk gesneden hebben!), kreeg acht kinderen (waarvan er één bij de geboorte overleed), bewoonde vanaf 1630 het fraaie herenhuis ‘T Huis Tijd Verdrijf’ in Egmond aan den Hoef, hield zich daar bezig met landbouwkundige experimenten en functioneerde tussendoor als geneesheer.

Dat laatste bracht hem uiteindelijk in de problemen, want nevenfuncties waren niet toegestaan. In 1642 verhuisde hij - klaarblijkelijk op de bonnefooi - naar Drenthe en betrok daar met zijn gezin een grote boerderij in Rhee. Pas het jaar daarop (in 1643) werd hij beroepen in Rolde. Hij bleef daar tot 1648. Zijn jaren in Rhee en Rolde waren niet de meest gelukkige van zijn leven. Hij verloor twee
kinderen, woonde ver van de plek waar hij predikte en de hoogte van zijn tractement was niet naar genoegen. In 1648 maakte hij zijn laatste overstap: hij werd beroepen in Coevorden, waar hij eerste dominee werd.

Picardt kwam toen in wat rustiger vaarwater terecht. Zijn inkomen ging omhoog en zijn huisvesting lag nu vlak bij de kerk. Hij gaf nu ook minder medische bijstand maar daar kwamen ontginningsexperimenten voor in de plaats. Hij kreeg die kans van graaf Ernst Wilhelm van Bentheim en Steinfurt, die ca. 1000 ha woeste grond ten noordoosten van Neuenhaus ter beschikking stelde (enkele jaren later kreeg de ontginningskolonie de naam Piccardie). Picardt overleed op 21 mei 1670, 70 jaar oud. Op 29 mei werd hij nabij de preekstoel in de hervormde kerk in Coevorden begraven, naast zijn vier jaar daarvoor overleden vrouw Rocha. Een grafsteen van Picardt of zijn echtgenote is niet bekend.

Picardt heeft verschillende publicaties op zijn naam staan, maar vandaag interesseert ons vooral de ‘Korte Beschryvinge Van eenige Vergetene en Verborgene ANTIQUITETEN’. Het bestaat uit drie delen die ik verkort aanduid als Antiquiteten, Annales en Chronyxken.
Antiquiteten is min of meer chronologisch van opzet en behandelt in 30 hoofdstukken de (voor)geschiedenis van het gebied dat in de titel omschreven wordt. De eerste mensen, de oorsprong van de Friezen, het ontstaan van de venen, hunebedden, grafheuvels, Celtic fields, de Romeinen, de ouderdom van de steden Groningen, Stavoren, Deventer en Zwolle, de kerstening, de functies van Drost en Schulte, al deze onderwerpen passeren de revue.

De Annales is eveneens chronologisch van opzet en bestrijkt de periode van het begin van de jaartelling tot aan het jaar 1658, gevolgd door een register van Drentse bestuurders, de staat van de kerk en een samenvatting. Chronyxken, tenslotte, gaat over het kasteel, de stad en de Heerlijkheid Coevorden; het wordt afgesloten met een lijst van vestingcommandanten. Deze drie delen bevatten acht portretten en acht andere prenten, waaronder zes uitvouwbare, van pre- en protohistorische situaties. Vermoedelijk zijn die situaties ontworpen door Picardt en in het net getekend door de man die ook de koperplaten vervaardigd heeft, Pieter Holsteijn.

Voor de broodtekst is een gotische letter gebruikt. In eerste instantie schrikt dat misschien af, maar na enig oefenen levert dat geen problemen op bij het lezen. [in deze passage uit Van den ouden Heydenschen Godts-dienst en Religie deser Landen fulmineert hij tegen de zieneressen en goden en godinnen die hij net de revue heeft laten passeren: Doch ick krijgh een walge in het roeren van dat stinckende privaet aller deser verduyvelder Af-goden; en met een woort geseght / zy zijn al te samen geweest Hoeren en Boeven / Tovenaers / Tyrannen / Dootslagers / Moordenaers en Bloetschenders. ]

Het zal duidelijk zijn dat hier de dominee de objectieve historicus overschreeuwt ……. Vanuit archeologisch perspectief is Antiquiteten het meest intrigerende deel, omdat we hier voor het eerst iemand uitvoerig aan het woord horen over prehistorische overblijfselen als hunebedden, grafheuvels en de omwalde akkercomplexen die we vandaag de dag aanduiden als ‘Celtic fields’. Maar ook beschrijft Picardt vondsten die in de venen gedaan werden – delen van schepen, scheepsgereedschap, leer, aardewerk, hazelnoten, ijzer en tanden van zeemonsters. Het bekendst is Picardts opvatting dat de hunebedden - hij noemt ze niet zo, maar heeft het over ‘Steen-hoopen’ – door reuzen gebouwd zijn.

Want alleen zulke on-mensen kunnen de grote en zware stenen opeengestapeld hebben tot bouwsels. Die reuzen waren afkomstig uit Scandinavië (en uiteindelijk uit Kanaän) en ze hebben de steen-hoopen als graven voor hun eigen ras gebouwd. Deze reuzen waren de eerste inwoners van het gewest. En het waren geen lieverdjes, die reuzen. Picardt noemt ze wrede, barbaarse, incestueuze en mensenetende creaturen. De bijbehorende prent illustreert met name dat laatste aspect. Picardts opvatting dat de hunebedden door reuzen gebouwd zijn, past in een lange traditie.

De laat-12de-/vroeg-13de-eeuwse Deense geschiedschrijver Saxo Grammaticus ging hem voor, net als de Zweedse bisschop Olaus Magnus. Deze laatste stelt in zijn boek over de geschiedenis, geografie en etnografie van Scandinavië uit 1555 dat reuzen de oorspronkelijke bewoners van het gebied waren. En dat zij de megalithische bouwsels opgericht hebben. Olaus Magnus staat dan ook keurig in het lijstje van door Picardt geraadpleegde bronnen, net als de bijbel, want dat was zijn belangrijkste richtsnoer. Na de reuzentijd breekt de tijd van de gewone mensen aan, de mensen van onse ordinarische statuer.

Die gewone mensen kregen vervolgens te maken met een zondvloed, door Picardt aangeduid als Cimbrische Diluvie. De venen zag hij als een overblijfsel van deze zondvloed. In die venen werden grote eiken en dennen gevonden en hun aanwezigheid kon alleen maar door een enorme watervloed verklaard worden. Na de zondvloed, die zich enkele eeuwen voor Chr. zou hebben afgespeeld, laat Picardt opnieuw migranten deze kant opkomen. Uit het oosten (Brandenburg, Mecklenburg, aldus Picardt) komen de nomadische Sueven en die woonden hier alsof het hun vaderland was. Ze vestigden zich met 20, 50, 80 of 100 families in nederzettingen die 2000, 3000 of 4000 treden van elkaar af lagen.

De overblijfselen daarvan duidt hij aan als oude Heydensche Leger-plaetsen; het woord ‘legerplaats’ gebruikte hij dus in de betekenis van woonplaats en niet die van militaire versterking. Vandaag de dag scharen we de terreinen die Picardt bedoelt onder de term Celtic fields, uitgestrekte akkercomplexen bestaande uit vele tientallen, omwalde, ca. 40 x 40 meter grote veldjes, daterend uit de periode 1100 v.Chr. – 200 na Chr. Dit is een moderne artist’s impression van zo’n complex (en we zien akkers, erven, weiden en zelfs graven, en het is er heel wat rustiger dan op Picardts prent!).


Ets van Gerrit van Goedesbergh uit 1660 met een afbeelding van "Witte wieven" die grafheuvels bewonen. De ets verscheen in 1660 in een boek van Johan Picardt getiteld "Korte Beschryvinge van eenige Vergetene en Verborgene Antiquiteten" waarin Picardt onder meer dit aan zijn lezers meedeelde.


Grafheuvels, daar heeft Picardt het ook uitvoerig over. Een kleine minderheid schrijft hij toe aan reuzen (en interessant is dat hij vermeldt dat ze vanouds Hune-bedden en Hune-Bergen genoemd worden), de meerderheid echter aan de Romeinen. Die hebben immers vier eeuwen lang deze streken bewoond. De ingebooren Italianen die zich in deze streken vestigden, stierven omdat ze niet aan de kou gewend waren of werden in oorlogen verslagen of hier en daer in ’t heymelijck capot gemaeckt. Daar waar een grote grafheuvel omgeven is door talrijke kleinere moeten we volgens Picardt denken aan een belangrijk Romeins leider vergezeld door zonen, broers of onderofficieren.

En dan zijn er nog de ingevallen heuvels, die vroeger hol moeten zijn geweest. Dat zijn de heuvels waarin vroeger witte wijven huisden. Volgens Picardt betoverden en verblindden deze witte wijven de heidense bewoners met hun bedriegerijen. De Witten waren de spreekbuis van de duivel. Op de bijbehorende prent zijn twee holle heuvels te zien. Dat de gebarende vrouw in de heuvel woont - en dus een wit wijf moet zijn - blijkt zonneklaar uit de schoorsteen waar rook uit kringelt. Uit diverse passages in Antiquiteten en Annales blijkt dat Picardt zich niet tot bespiegelingen vanuit zijn studeerkamer beperkt heeft maar dat hij waarnemingen verrichtte in het veld.

Waterbolk heeft in zijn studie Tussen Rhee en Rolde – verslag van een archeologische zoektocht duidelijk gemaakt dat Picardt veel van wat hij beschrijft gezien moet hebben op zijn voettochten tussen beide locaties in de periode 1643 – 1648. [Dat hij te voet ging, is overigens niet meer dan een vermoeden. Langere afstanden – naar Groningen, Coevorden en Bentheim en omgeving – zal hij zeker per paard of koets afgelegd hebben]. Zijn woon-werkreizen leidden langs de dorpen Peelo, Loon en Balloo, een afstand van zo’n 9 km. Op de Franse kaart uit 1811-1813 heb ik begin- en eindpunt van zijn woonwerkreizen aangegeven. Op de Chromotopografische kaart van ca. 1900 kunnen we de route in wat meer detail bekijken.

We zien dat hij langs of in de buurt kwam van de hunebedden van Loon (D15), Balloo (D16) en Rolde (D17 en D18), de Celtic fields van Messchenveld, Peelo-Kleuvenveld en Loon-Stoepveld en talrijke grafheuvels en langbedden, onder meer die van de grote, later op verzoek van Reuvens in kaart gebrachte groep te Balloo. Hij zal menigmaal gestopt zijn om details te bekijken en afmetingen vast te stellen of omgelopen zijn om afstanden te bepalen. Uit zijn beschrijvingen blijkt duidelijk dat hij zijn ogen goed de kost heeft gegeven, want zelfs de nauwelijks opvallende lange bedden van het type Weerdinge wist hij te vinden. Picardt heeft niet alleen gekeken en afgepast, hij heeft ook de schop ter hand laten nemen.

Zo schreef hij over de Celtic fields: Sommige leggen een / sommige twee / drie / vier duysent treden van malkanderen. Daer zijn eenige / die ick om-getreden hebbe /die wel vier duysent treden in den omme-ganck hebben. In een van dese heb ick een reys hier en daer in de aerde laten graven / om t’ondersoecken of men yet in de grondt soude vinden / en hebbe in ’t midden van een dezer perckjes gevonden een plaets / soo groot al een wagen-radt / bestraet en geplaveyt met kleyne keselingen; waer uyt ick gepresumeert heb / dat ‘et een vyer-stede of haert geweest zy / waer op vyer gestoockt is geworden: waerom gelooflijck is / dat in een yegelijck perckjen voortijts een soodanigen haert-stede geweest zy / leggende binnen een hutjen.

Wanneer we Picardt in een breder, internationaal perspectief plaatsen, moeten we vaststellen dat hij geen speler op dat veld was. Zijn Engelse tijdgenoten William Camden en John Aubrey waren antiquarii van een ander kaliber, en dat geldt ook voor de Skandinavische oudheidkundigen Johan Bure en Ole Worm vooral bekend van zijn in 1655 verschenen catalogus van zijn Museum Wormianum). Ook op ‘nationaal’ niveau lijkt Picardt geen netwerk van gelijkgestemden gekend te hebben, laat staan dat hij zich in de hoogste kringen bewoog zoals zijn genoemde buitenlandse collegae deden. Zo wijst niets er op dat hij bv contacten onderhield met mensen als Smetius sr. en Oudaan, die beiden over Romeinse oudheden hebben gepubliceerd.

Met collega Michiel Gerding, zijn biograaf, ben ik van mening dat Picardt in een geïsoleerd geestelijk klimaat moet hebben verkeerd. Mogelijk was dat een zelfgekozen isolement. Wat is dan de betekenis van zijn werk? Het is gemakkelijk om Picardt te beoordelen naar de wetenschappelijke maatstaven van onze tijd en hem af te serveren als een fantast. Zeker, hij komt met een stroom aan naamsverklaringen die kant noch wal raken. En ja, behalve een lichtgelovig was hij ook een gelovig man, waardoor bepaalde verklaringen al voorgegeven waren. Maar dat is geenszins reden om hem als onbetekenend terzijde te schuiven. Grotere geleerden dan hij hebben zich bezondigd aan de exegese van namen.

En dat hij in reuzen geloofde zegt niet meer dan dat hij een kind van zijn tijd was. In de 17de eeuw was een dergelijke verklaring geen absurditeit. Op het gebied van de archeologie zou ik Picardt ‘voorlijk’ willen noemen. De Drentse dominee begreep dat we archeologische overblijfselen in het terrein moeten ‘lezen’ om iets over de mens daarachter te kunnen zeggen. We hebben immers niets anders van deze gemeenschappen dan hun materiële nalatenschap.

Hij zei het zelf erg beeldend in de Dedicatie voor de Antiquiteten: En soo, wanneer een goed Historicus, en Ondersoecker der Antiquiteten, zijn verstandt daer op scherpt, sal hy gewaer werden dat men in dese verborgene en vergetene Antiquiteten, van welcken men geen schriftelick bewijs der oude Scribenten heeft, Characteren vindt; letteren, segh ick, Vestigia en verborgene Merck-teyckenen, die den ondersoecker leyden sullen tot de Autheuren deser Antiquiteten. Even verderop geeft hij aan dat zijn observaties in de Antiquiteten er hier en daar ook wel eens naast zouden kunnen zitten, doch in sulcken gevalle moet men gedencken, dat ‘et geene Articulen des Geloofs zijn aen welcken de eeuwige Saligheyt hanght.

Hij hoopt dat anderen zijn onderzoek zullen oppakken en voortzetten; als dat tot andere inzichten leidt, heeft hij daar geen problemen mee: Ick, beter onderricht zijnde, wil in eeighe stucken het mijne gaerne om een beter geven. Picardt had niet alleen gequalificeerde oogen voor het veldwerk dat hij uitvoerde, hij had ook de juiste instelling voor wat de interpretatie van waarnemingen betreft. Verklaringen hebben geen eeuwigheidswaarde maar moeten aangepast worden op grond van nieuwe gegevens. Dominee Johan Picardt is van groot belang geweest in de aanloopfase van de Nederlandse archeologie.

Hij heeft het eerste geschiedenisboek over Drenthe geschreven. Daarnaast was hij, zover we weten, de eerste in Europa die Celtic fields opgemerkt lijkt te hebben. Ten slotte is het aannemelijk dat zijn opmerkingen over de Drentse hunebedden hebben bijgedragen tot het behoud van deze grafkelders, zoals ook Bakker van oordeel is. Wellicht hebben zijn zinnen het bestuur van De Landschap Drenthe geïnspireerd bij het uitvaardigen van de resolutie van 1734, die het vernielen van de hunebedden expliciet verbood.

Ik denk dan aan zinnen als Antiquiteten aller Antiquiteten en In Nederlandt / Duytschlandt / Switserlandt / Vranchrijck / Savoyen en Engelandt / weet ich niet gesien te hebben eenige Antiquiteten / die waerdiger zijn dat een Antiquarius zijn verstant daer op scherpe / als dese Groote Steen-hopen, op malkanderen gestapelt en gepackt van groote Keselingen en Vlinten.

Bij het beoordelen van Picardt mogen we nooit vergeten dat hij aan het begin van een lange ontwikkeling stond. Hij had niet, zoals wij, een met regionale studies gevulde boekenkast tot zijn beschikking die hij kon raadplegen om inspiratie op te doen, verbanden te leggen en eigen ideeën te toetsen. Hij moest het zelf allemaal uitvinden. Hij mag dan wel reuzen gezien hebben, hij stond zeker nog niet op hun schouders. Tenslotte feliciteer ik de uitgeverij Sidestone Press met deze mooie uitgave en hoop dat het met reuzenenthousiasme ontvangen wordt.





© 2006-2009 www.mijn-eigen-website.nl