In en om Assen





Kanaalstraat Zuidzijde, volksbuurt aan het water


Bronvermelding:
Tijdschrift van de Asser Historische Vereniging; nummer 4 / december 2010. Een artikel van Geert Loman


Het Noord-Willemskanaal gezien ter hoogte van de Molenwegsebrug in 1963, gezien in westelijke richting. Aan de horizon de Venewegsebrug met het puntdak aan de stadkant (links) is de firma Smallenbroek gevestigd. Even daar voor Kanaal 114, waar Geert Loman opgroeide (Drents Archief, collectie Assen).


Er stonden arbeiderswoningen met zo hier en daar een bedrijfje.


Al in 1777 had Wolter Hendrik Hofstede gepleit voor een kanaal tussen Assen en Groningen, maar het duurde tot 1849 voordat de plannen serieus werden. Nu begrenst Het Kanaal de noordkant van het centrum, maar toen werd er nog gesteld dat het nieuwe kanaal met een ruime boog langs de noordkant van Assen gelegd moest worden. Een initiatief van enkele Groninger notabelen en J.W.C. baron Van Ittersum. Het graven van het Noord Willemskanaal begon in 1857 met het deel tussen de Vaart en Loon. In 1861 was de vaarverbinding klaar en al vrij snel verrees ook de eerste bebouwing langs het nieuwe kanaal, dat als straatnaam simpel Het Kanaal Zuidzijde en Het Kanaal Noordzijde meekreeg. De zuidzijde was de plek waar Geert Loman zijn jeugd doorbracht. Hieronder zijn herinneringen.

Ik ben geboren in de Molenstraat, vlak na de oorlog. Mijn moeder woonde daar tijdelijk, omdat vader vaak weg was, nasleep van de oorlog. In 1950, net vijf jaar, verhuisde ik naar Het Kanaal 114, aan de stadkant tussen de Venebrug en de Molenbrug, ook wel de Venewegsebrug en de Molenwegsebrug genoemd. Na bijna twee jaar werd mijn broer Albert geboren en op mijn zevende mijn zus Johanna. Nummer 114 was midden tussen de beide bruggen, vlakbij Smallenbroeks Bouwmaterialen. Daar speelden we altijd, meestal voetbalden we. Het was een kleine woning, zoals de meeste in de buurt. Het was een soort van volksbuurt. Arbeiderswoningen met zo hier en daar een bedrijfje. De weg was slecht begaanbaar. Veel water en zand herinner ik me. Maar er kwam ook weinig verkeer.

Nu is het een soort rondweg rond het centrum, maar in die tijd ging het meeste verkeer via de bruggen rechtstreeks de stad in en uit. Belangrijker dan de weg was het kanaal. Daar voeren dagelijks vrachtschepen door. Langs de oever stond riet. Daar maakten we als buurtjeugd fluitjes van en als we dan bij de deuren langs gingen om een liedje te spelen kregen we wel eens wat. Het kanaal was er ook om te zwemmen, te vissen en te schaatsen. Toen ik negen was, schaatsten we helemaal naar Veenhuizen. Mijn vader schaatste op sokken. Mijn moeder waarschuwde altijd wel 'voorzichtig bij het water'. En dat deden we ook. Ik ben er nooit in gevallen. Onze voetbal wel. Dan gooiden we stenen zodat hij weer naar de kant dreef.


Kruidenier Saartje Bolt in de Molenstraat.


Thuis zaten we altijd in de achterkamer, behalve op zondag en als het erg onweerde. Dan gingen we uit bed en zaten we allemaal in de voorkamer, dekens om ons heen geslagen, waardevolle papieren op tafel en blinkende voorwerpen afgedekt, opdat de bliksem niet toesloeg. We sliepen op zolder, dus in een grote ruimte. Achter de woning stond de schuur met een lange tuin daarachter. Daar weer achter had je de Molendwarsstraat met fietsenmaker Evenhuis. In mijn buurt woonden veel kinderen, ook van mijn leeftijd. Tussen Smallenbroek en ons huis woonden onder anderen de familie De Boer met de broers Wiecher en Roelof en de familie Hoeve, waarvan ik mij de kinderen Dina, Jan, Willem en Betsie herinner. Direct naast ons woonde de familie Gordijn met drie kinderen: Annie, Roelof en Coby. Vader Gordijn werkte bij Boverhuis aan de Alteveerstraat, waar klompen werden gemaakt en geschilderd.

We mochten regelmatig mee om wat mee te schilderen. Hij voetbalde bij ACV, waar we vaak gingen kijken. Ik zie Roelof Gordijn daar nog vaak. Aan de andere kant, richting Molenbrug, had je de familie Boers met zoons Hilbert en Guus. Hilbert was een stuk ouder en werkte op de melkfabriek. Hij verdiende daar vijftig gulden per maand. In onze ogen was dat veel geld en we droomden dat we daar later ook mochten werken. Verderop woonde de familie Barkhof: een rijzige man met grijs haar en een kleine vrouw. Hun buren waren de familie Noorman met zoon Diele. Vader Noorman repareerde schoenen. Waar we ook vaak verbleven was bij de familie Steen met zoon Harry. We speelden er achter het huis maar ook binnen. Vlak voor de brug woonde de familie Seinstra, waarvan ik zoon Albert later terugzag op het belastingkantoor, waar we allebei werkten.


Het Noord-Willemskanaal tussen de Groningerstraat en Molenstraat. Deze foto werd genomen vanaf de Groningerstraat


Aan de overkant van het kanaal woonde brugwachter De Vries


Verder telde de straat nog drogist Boelema en kapper Haanstra. Tegenover Boelema aan de andere kant van het kanaal was de houtzagerij waar de heer Gerkes werkte. Boodschappen werden in mijn jeugdjaren verzorgd door Harm de Groot. Hij werkte bij kruidenier Saartje Bolt in de Molenstraat. De Groot kwam dan bij de meesten in de buurt langs, nam het boekje mee waar moeder de boodschappen in noteerde en bezorgde die later. Toen ik negen was en we naar de Albadastraat verhuisden bleef Harm nog komen. Aan de overkant van het kanaal woonde brugwachter De Vries, die de hele dag van de ene naar de andere brug fietste om via een draaisysteem de brug te openen. Soms mochten we helpen en dan werden suikerbieten en ander lekkers vanaf de schepen naar ons toegegooid. Hij had bij elke brug de beschikking over een klein brugwachtershuisje. Als het regende kon je daar mooi schuilen.

Naast De Vries was nog het transportbedrijf van Popken. En bij de Venebrug de vuilstortplaats van de gemeente met hoge bomen voor een lange bruine schutting. De andere kant van het kanaal was eigenlijk een andere buurt. Er woonden vooral oudere mensen in wat grotere huizen dan die van ons. Ik herinner me alleen een jongen die altijd aan het water zat te jodelen. Ik was een van de weinigen die naar de Dr. De Visserschool ging. Aan de Oosterhoutstraat. Daar reed ik op de fiets naar toe. Als we uit school kwamen was het altijd direct de straat op. Van de meisjes herinner ik me Annie Gordijn het beste. Samen met haar vriendin gingen we een keer naar het Lariksbos. Ik weet nog dat we erg dicht bij elkaar zaten, maar tot kussen is het niet gekomen. Nu ben ik bijna al die mensen uit het oog verloren. Het was een mooie tijd daar aan het Kanaal.


De situatie anno 2011


Foto Sietse Kooistra






© 2006-2009 www.mijn-eigen-website.nl